De Gouden Vaas

Chapter 6

Chapter 63,663 wordsPublic domain

Ik wou, dat gij, genegen lezer, den drie-en-twintigsten September op reis naar Dresden geweest waart; tevergeefs had men beproefd u, toen het laat op den avond werd, ter laatste pleisterplaats te doen blijven; de vriendelijke waard betoogde, dat het toch àl te hard regende en stormde en dat het tòch al niet geraden was in den nacht van het aequinoctium zoo maar de duisternis in te rijden, maar daar lettet gij niet op, doordat gij zeer terecht aannaamt: ik zal aan den postillon een vollen Thaler drinkgeld geven en dan ben ik op zijn laatst om één uur in Dresden, waar mij in den Gouden Engel of bij Helm of in De Stad Naumburg een smakelijk avondmaal en een zacht bed wachten. Als gij op deze wijze in het donker voortrijdt, ziet gij in de verte opeens een vreemd-flakkerend licht. Naderbij gekomen ontwaart gij een ring van vuur, te midden waarvan, bij een ketel, waaruit dichten damp welt en rood-bliksemende stralen en vonken schieten, twee gedaanten zitten. De weg voert recht door dat vuur, maar de paarden proesten en trappelen en steigeren -- de postillon vloekt en bidt -- hij striemt de paarden met zweepslagen -- zij komen niet van de plaats. -- Onwillekeurig springt gij uit den wagen en stormt eenige passen voorwaarts. Klaar ziet gij nu het slanke, liefste meisje, dat in een dun, wit nachtgewaad bij den ketel knielt. De storm heeft haar vlechten losgewoeld en het lange kastanjebruine haar fladdert ongehinderd in den wind. Het engelmooie gelaat wordt geheel omgeven door den verblindenden gloed der van onder den drievoet opflakkerende vlammen, maar in de ontzetting, die haar ijzigen stroom eroverheen goot, werd het tot doodsbleekheid verstard en in den staarblik, in de opgesperde wenkbrauwen, in den mond, die zich tevergeefs tot den kreet van doodsangst opent, welke zich niet kàn losscheuren van de door namelooze pijn gefolterde borst, ziet gij haar huiver, haar ontsteltenis; krampachtig houdt zij de kleine handen saamgevouwen omhoog, als bad zij de beschermengelen, haar te bewaren voor de gedrochten der hel, die gehoorzaam aan de macht der toovenarij, elk oogenblik kunnen opdoemen! Zij ligt daar onbewegelijk geknield, een marmerbeeld gelijk. Tegenover haar neergehurkt op den grond zit een lang, schraal, kopergeel wijf met een scherpen haviksneus en vonkelende kattenoogen; de naakte, knokige armen strakken uit den zwarten mantel, dien zij omgeworpen heeft en terwijl zij roert in het helsche brouwsel lacht zij en roept met krijschende stem in den bruisend woedenden storm. Ik geloof wel, dat u, genegen lezer, al kendet gij ook anders angst noch vreeze, bij het zien van dit, nu in 't werkelijke leven verplaatste, schilderij van Rembrandt of den helschen Breughel, van ijzing de haren te berge gerezen zouden zijn. Maar uw blik kon niet aflaten van het in helsche doening bevangen meisje en de electrische schok, die al uw zenuwen en fijnste vezelen doorsidderde, ontstak met de snelheid van den bliksem in u het stoute denkbeeld de geheimzinnige machten van den vuurkring te trotseeren; daarin verging uw ijzing, neen, eigenlijk kwam dat denkbeeld juist op uit die ijzing en ontzetting. Het kwam u voor, als waart gij zelf een van de beschermengelen, die het tot den dood beangste meisje aanriep en als moest gij nu dadelijk uw zakpistool te voorschijn brengen, om de oude zonder meer dood te schieten. Maar, dewijl gij dat zoo levendig dacht, riept gij luid uit: Hé daar! of: wat gebeurt daar! of: wat doet gij daar toch!

De postillon stiet schetterend in zijn hoorn, de oude buitelde midden in haar brouwsel en alles was opeens verdwenen in dichten damp. -- Of gij het meisje, dat gij nu met innig verlangen in de duisternis gingt zoeken, zoudt gevonden hebben, durf ik niet beweren, maar de spokerij van het oude wijf hadt gij verstoord en den ban van den magischen cirkel, waarin Veronica zich lichtzinnig begaf, gebroken. -- Noch gij, genegen lezer, noch iemand anders, reed of ging echter den drie-en-twintigsten September in den doorstormden, voor heksenkunst geschikten nacht dien weg uit en Veronica moest in doodsangst bij den ketel verbeiden, totdat het werk der voltooiïng nabijkwam. -- Zij merkte wel, hoe het rondom haar huilde en bruiste, hoe allerlei afschuwelijke stemmen door elkaar balkten en kwaakten, maar zij sloeg de oogen niet op, want zij gevoelde, dat het zien van al het weerzinwekkende en ontzettende, waardoor zij omgeven werd, haar in ongeneeslijken, vernielenden waanzin zou kunnen storten. De oude had opgehouden in den ketel te roeren, al lichter werd de damp en eindelijk brandde maar een flauw alcoholvlammetje meer op den bodem van den ketel. Toen schreeuwde de oude: "Veronica, kind, liefje, kijk eens tot diep op den bodem! -- Wat ziet gij dan -- wat ziet gij dan?" Maar Veronica kon niet antwoorden, ofschoon het haar toescheen, alsof allerlei verwarde gestalten in den ketel dooreendraaiden; duidelijker en duidelijker doemden figuren op en opeens trad de student Anselmus uit des ketels diepte, terwijl hij haar vriendelijk aanzag en de hand reikte. Toen riep zij uit: "O, Anselmus! Anselmus!"

Snel opende de oude de aan den ketel zich bevindende kraan en gloeiend metaal stroomde sissend en spetterend in een vormpje, dat zij erbij had gezet. Daarna sprong het wijf op en krijschte met woeste, gruwelijke gebaren zich draaiend: "Het werk is volbracht -- Dank zij u, jongen! -- gij hieldt wacht. -- Heu -- Heu -- daar komt hij! -- bijt hem dood -- bijt hem dood!" Maar toen werd de lucht hevig doorbruist, het was, of een ontzachbre adelaar omlaagruischte, terwijl hij met de vlerken in 't ronde sloeg en een verschrikkelijke stem riep: "Hé, hé, -- gespuis! nu is 't uit, -- nu is 't uit -- weg naar huis!" Jammerend stortte de oude neer, maar Veronica verloor haar bezinning.

Toen zij weder tot bewustzijn kwam, was het klaar dag, in bed lag zij en Fransje stond voor haar met een geurend kop thee, zeggende: "Maar vertel toch eens, zuster, wat u scheelt, ik sta nu al een uur of langer voor u en gij ligt maar bewusteloos als in de hitte van de koorts, terwijl gij steunt en zucht, dat wij er bevreesd door worden. Vader is om uwentwil vandaag niet naar school gegaan en komt dadelijk terug met den dokter." Zwijgend nam Veronica de thee aan; terwijl zij die gebruikte, kwamen al de schrikbeelden van den nacht haar weder kleurrijk voor oogen. "Dan was dit dus toch maar een benauwde droom, die mij gekweld heeft? -- Maar ik ben toch gisterenavond werkelijk naar de oude toegegaan en het was toch den drie-en-twintigsten September? Ik moet dan gisteren al wel zwaar ziek zijn geworden en heb mij dit alles maar ingebeeld en ik kan van niets anders ziek zijn geworden, dan van het eeuwige denken aan Anselmus en de wonderlijke oude vrouw, die zich voor Lize uitgaf en mij daarmede slechts wilde beetnemen." Fransje, die weggegaan was, kwam weer binnen met Veronica's doornatten mantel in de hand. "Zie eens zuster," zeide zij, "wat er met uw mantel gebeurd is; de storm heeft vannacht het venster opengerukt en den stoel, waarop de mantel lag, omgeworpen; daar heeft het toen zeker ingeregend, want de mantel is heelemaal nat." -- Dit drukte Veronica zeer terneer, want zij zag nu wel in, dat haar geen droom gekweld had, doch dat zij werkelijk bij de oude geweest was. Angst en siddering bevingen haar en koortskoude trok haar door de leden. Bevend en geschokt haalde zij den deken vast over zich heen; doch toen voelde zij hoe iets hards haar op de borst drukte en toen zij er met de hand naar tastte, scheen het haar een medaillon te zijn; zij bracht het te voorschijn, toen Fransje met den mantel was heengegaan en het bleek een kleine, ronde, glanzend-gepolijste spiegel van metaal. "Dat is een geschenk van de oude," riep zij blij gezind uit en het scheen, of vurige stralen uit den spiegel schoten, die in haar gemoed drongen en het weldadig verwarmden. De koortskoude was gevloden en een onbeschrijfelijk gevoel van welbehagen en voldoening doorstroomde haar. -- Zij moèst aan Anselmus denken en toen zij sterker en sterker haar gedachten op hem vestte, glimlachte hij haar vriendelijk tegen van uit den spiegel, die als een levend miniatuur-portret was. Doch spoedig scheen het, als zag zij niet meer de afbeelding -- neen -- den student Anselmus zelf in levenden lijve. Hij zat in een hoog vreemd-ingericht vertrek en schreef vol vlijt. Veronica wilde tot hem gaan, hem op den schouder kloppen en zeggen: "Mijnheer, Anselmus, kijkt toch eens om, ìk ben er!" Maar dat was volstrekt ondoenlijk, want hij was als van een stralenden vuurstroom omgeven, doch toen Veronica scherper toezag, bleken het slechts groote boeken met vergulde snede. Maar eindelijk gelukte het Veronica in den kring van Anselmus' blik te komen, toen was het alsof hij bij het aanzien zich harer eerst herinneren moest, doch ten slotte glimlachte hij en zeide: "Ah! -- is u het, beste Mademoiselle Paulmann? Waarom behaagt het u toch zoo van tijd tot tijd als een kleine slang op te treden?" Veronica moest luid lachen om deze zonderlinge woorden; daardoor ontwaakte zij als uit diepen droom en snel verborg zij den kleinen spiegel, toen de deur openging en conrector Paulmann met dokter Eckstein de kamer betrad. Dokter Eckstein ging dadelijk naar het bed toe, hield, langen tijd in diep nadenken verzonken, Veronica's pols vast en zeide toen: "Zoo! -- Zoo!" Daarna schreef hij een recept, nam nog eens haar pols, zeide nog eens: "Zoo! Zoo!" en verliet de patiënte. Uit deze ontboezemingen van dokter Eckstein kon conrector Paulmann waarlijk niet nauwkeurig opmaken, wat Veronica dan toch wel scheelde. --

ACHTSTE NACHTWAAK

De palmboomenbibliotheek. -- Lotgevallen van een ongelukkigen Salamander.[8] -- Hoe de zwarte ganzepen een beetwortel liefkoosde en griffier Heerbrand zich sterk bedronk.

[Voetnoot 8: vuurgeest.]

De student Anselmus had nu reeds verscheidene dagen bij den archivaris gearbeid; deze werkuren waren voor hem de gelukkigste zijns levens, want staag van lieflijke klanken, van Serpentina's troostwoorden omvloten en vaak zelfs lichtelijk door een langsvliedenden ademtocht beroerd, doorstroomde hem een nimmer gevoelde behaaglijkheid, die dikwijls zelfs tot een hoogtepunt van geluk steeg. Al de ellende, al de kleine zorgen van zijn behoeftig bestaan waren uit zijn gedachte en voelen verdwenen en in het nieuwe leven, dat hem als in zonnehellen glans was opgegaan, verstond hij alle de wonderen van een hoogere wereld, die hem tot dusver met verbazing, zelfs met ijzing vervuld hadden. Met het copieeren ging het zeer vlug, dewijl het hem steeds meer voorkwam, dat hij slechts langgekende teekens op het perkament schreef en nauwelijks naar het origineel behoefde te zien, om alles met de meeste nauwkeurigheid na te trekken. Behalve in het tafeluur liet de archivaris Lindhorst zich slechts nu en dan zien, doch telkenmale verscheen hij precies op het oogenblik, dat Anselmus de laatste teekens van een handschrift voltooid had en gaf hem dan een ander, om hem dadelijk weder zwijgend te verlaten, nadat hij slechts met een zwart staafje den inkt omgeroerd en de gebruikte ganzepennen voor andere scherper gepunte verwisseld had. Eens, toen Anselmus met het slaan van twaalven reeds de trap opgestegen was, vond hij de deur, waardoor hij altijd was heengegaan, afgesloten en archivaris Lindhorst kwam in zijn wonderlijken, als met schitterende bloemen bezaaiden slaaprok van de andere zijde te voorschijn. Luide riep hij: "Gij moet vandaag maar hier binnen komen, beste Anselmus, want wij moeten zijn in het vertrek waar ons de meesters van Bhogovotgita[9] wachten." Hij schreed de gang door en voerde Anselmus door dezelfde vertrekken en zalen als de eerste maal. -- De student Anselmus verbaasde zich opnieuw over de wonderbare schoonheid van den tuin, doch nu zag hij duidelijk, dat vele van de vreemde bloesems, die aan de donkere struiken hingen, eigenlijk in stralende kleuren pralende insecten waren, die met de vleugels op en neder sloegen en door elkaar heen dansend en draaiend elkander met de zuigslurfjes schenen te liefkozen. Daarentegen waren weer de roos-kleurige en hemelsblauwe vogels geurige bloemen en de reuk, dien zij verbreidden steeg uit hare kelken omhoog in zachte, lieflijke tonen, die met het geklater van de verre fonteinen, met het gesuizel der hooge struiken en boomen samensmolten tot de geheimzinnige accoorden van een diep-klaaglijk verlangen. De spotvogels, die hem de eerste maal zoo geplaagd en bespot hadden, omfladderden hem weder het hoofd en riepen met hun fijne stemmetjes zonder ophouden: "Mijnheer de student, mijnheer de student, loop niet zoo hard. -- Kijk niet zoo in de wolken -- gij zoudt op uw neus kunnen vallen. -- Hé, hé, mijnheer de student -- sla den poedermantel[10] om -- Vader Schuhu[11] moet uw paruikje krullen." Zoo ging het voort met allerlei dwaas gebabbel, totdat Anselmus den tuin verlaten had. Archivaris Lindhorst trad eindelijk in het azuurblauwe vertrek; het porphier met de gouden vaas was verdwenen en inplaats daarvan stond er een met violet fluweel belegde tafel -- waarop zich het aan Anselmus zoo bekende schrijfgerei bevond -- in het midden der kamer en een evenzoo bekleede leuningstoel stond ervoor.

[Voetnoot 9: Bhagavad Gitâ.... geschriften van Hindoesche wijsheid.]

[Voetnoot 10: kleed, dat men zich in dien tijd bij het haarpoederen omsloeg.]

[Voetnoot 11: Steenuil, nachtuil.]

"Beste mijnheer Anselmus", zeide de archivaris Lindhorst, "gij hebt nu reeds menig handschrift snel en goed tot mijn groote tevredenheid gecopieerd; gij hebt mijn vertrouwen weten te winnen; maar het belangrijkste blijft nog te doen, dat is het overschrijven of juister nateekenen van zekere in ongewone teekens vervatte werken, die ik in dit vertrek bewaar en die slechts ter plaatse gecopieerd kunnen worden. -- Voortaan zult gij dus hier werken, maar ik moet u de grootst-mogelijke omzichtigheid en oplettendheid aanbevelen; een verkeerde haal of wat de Hemel verhoede, een inktvlek op het origineel gespet, stort u in 't ongeluk." --

Anselmus bemerkte, dat uit de goudene stammen der palmboomen kleine smaragdgroene bladeren naar voren staken, de archivaris vatte een dezer bladeren en Anselmus werd gewaar, dat het blad eigenlijk een rol perkament was, die de archivaris loswikkelde en voor hem op tafel uitspreidde. Niet weinig verwonderde Anselmus zich over de vreemd verwonden teekens, en bij het aanschouwen van de vele kleine punten, streken, halen en sierkrullen, die nu eens planten, dan mossen en dan weer diergestalten schenen voor te stellen, wanhoopte hij er bijna aan, dit alles zoo getrouw na te kunnen teekenen. "Vat moed, jonge man!" sprak luid de archivaris, "wanneer gij beproefd geloof en ware liefde bezit, zal Serpentina u helpen." Zijn stem klonk als luidend metaal en toen Anselmus heftig-geschrokken opkeek, stond archivaris Lindhorst voor hem in de koninklijke gestalte, waarin hij hem bij het eerste bezoek aan het bibliotheekvertrek verschenen was. Het werd Anselmus te moede, als moest hij van eerbied vervuld op de knieën zinken, maar reeds steeg de archivaris Lindhorst langs den stam van een palmboom omhoog om te verdwijnen in de smaragden bladeren. -- De student Anselmus begreep, dat een geestenkoning met hem gesproken had en nu in zijn studievertrek was opgestegen, wellicht om zich met de stralen, die enkele planeten hem als boden gezonden hadden, te beraden, wat er nu met hem en de lieflijke Serpentina geschieden moest. -- Ook kan het zijn, dacht hij verder, dat er hem nieuws wacht van de bronnen van den Nijl of dat een Magiër uit Lapland hem bezoekt -- mij voegt het slechts ijverig aan den arbeid te gaan. En alzoo begon hij de vreemde teekens van de perkamentrol te bestudeeren. De wondervolle muziek uit den tuin klonk tot hem door en omgaf hem met zoete streelige geuren; eveneens hoorde hij de spotvogels snetteren, doch verstond hunne woorden niet, hetgeen hem ook zeer welkom was. Een enkele maal was het wel of de smaragden bladeren der palmboomen ruischten en dan de zoete kristalklanken, die Anselmus op dien noodlottigen avond onder den vlierboom hoorde, als stralen in de kamer waren. De student Anselmus, wonderdadig gesterkt door deze klanken en schijnselen, vestte zijn gemoed en gedachte steeds meer op het opschrift van de perkamentrol en weldra gevoelde hij, als komende uit zijn eigen innerlijk, dat die teekens niets anders konden beduiden dan de woorden: "Over de verbintenis van den Salamander met de groene Slang." -- Toen weerklonk krachtig een drievoudig accoord van heldere kristalklokjes. -- "Anselmus, lieve Anselmus" zuchtte het hem uit de bladeren tegen en wonderlijk! langs den stam van den palmboom wond zich de groene slang naar omlaag. -- "Serpentina, liefste Serpentina!" riep Anselmus in de vervoering der hoogste verrukking, want toen hij scherper toekeek, was het een lieftallig, heerlijk meisje, dat hem -- onder een aanzien met de donkerblauwe oogen, zooals zij in zijn gedachte-innerlijk leefden -- tegemoet zweefde. De bladeren schenen zich te laten vallen en zich te vergrooten, alom sprongen doornen uit de stammen, doch Serpentina wond en kronkelde zich behendig er doorheen, terwijl zij haar fladderend, als van weerschijn-gevende tinten schitterend gewaad achter zich aan trok, zóó, dat het om haar slanke lichaam werd gewikkeld en nergens bleef haken aan de uitstekende punten en doornen der palmboomen. Zij zette zich naast Anselmus op denzelfden stoel, terwijl zij hem met de armen omvatte en tegen zich aan drukte, zoodat hij den adem die haar van de lippen stroomde en de electrische warmte van haar wezen voelde. "Lieve Anselmus!" begon Serpentina, "nu zult gij spoedig geheel de mijne zijn, door uw geloof, door uwe liefde wint gij mij en ik zal u de gouden vaas brengen, die ons beiden gelukkig maakt voor altijd." --

"Mijn schoone, liefste Serpentina," zeide Anselmus, "wanneer ik u slechts bezit, wat deert mij dan al het overige; als gij maar de mijne wordt, wil ik gaarne ondergaan in al het wonderlijke en ongekende, dat mij omvangt sedert het oogenblik, waarop ik u zag." "Ik weet wel," ging Serpentina voort, "dat het vreemde en wonderrijke, waarmede mijn vader u vaak slechts uit grilligheid omgaf, huiver en afkeer in u verwekt heeft, doch thans zal het, hoop ik, niet meer geschieden, want ik ben hier in dit oogenblik slechts, om u, mijn lieve Anselmus, alles en alles uit het diepst van mijn gemoed, het diepst van mijn ziel haarfijn te verhalen, wat gij noodig hebt om mijn vader geheel te kennen en ganschelijk te verstaan, hoe het tusschen hem en mij is gesteld."

Het scheen Anselmus, als ware hij door de teere, lieflijke gestalte zoo geheel omringd en omwonden, dat hij zich slechts mèt haar zou kunnen verroeren of bewegen en als ware het haar polsslag alleen, die zijn zenuwen en diepste roerselen doortrilde; gespannen aanhoorde hij ieder harer woorden, die tot zijn diepste innerlijk doorklonken en als schitterende stralen hemelsche gelukzaligheid in hem ontstaken. Hij had den arm om haar slanker dan slanke lijfje gelegd, doch de tintspelige, glanzige stof van haar kleed was zoo glad, zoo smijdig, dat het hem scheen, als kon zij, door zich snel van hem los te wikkelen, onweerhoudbaar ontglippen en hij ontroerde bij die gedachte. "Verlaat mij toch niet, liefste Serpentina," riep hij onwillekeurig uit, "want in u slechts leef ik!" -- "Vandaag niet," zeide Serpentina, "voor ik u alles verhaald zal hebben, wat gij door uw liefde tot mij verstaan kunt."

"Weet dan, liefste! dat mijn vader uit het wonderlijke geslacht der Salamanders stamt en dat ik mijn bestaan dank aan zijn liefde tot de Groene Slang. In oerouden tijd heerschte over het wonderrijk van Atlantis de machtige geestenvorst Phosphorus, die door de geesten der elementen gediend werd. Eens ging de Salamander, dien hij boven allen liefhad (dit was mijn vader) in den schitterenden tuin rond, dien de moeder van Phosphorus met haar schoone gaven zoo heerlijk getooid had, toen hij hoorde hoe een hooge lelie in zachte tonen zong: "Druk de kleine oogen toe, tot mijn geliefde, de morgenwind, u wekt." Hij trad dichterbij; door zijn vurigen adem beroerd, ontsloot de lelie hare bladen en hij aanschouwde haar dochter, de groene slang, die in de kelk sluimerde. Toen werd de Salamander door gloeiende liefde voor de schoone slang overweldigd en hij ontroofde haar der lelie, wier geuren als een sprakelooze klacht vergeefs in den ganschen tuin naar de verloren dochter uitgingen. Want de Salamander had haar in Phosphorus' slot gedragen en smeekte hem: huw mij met de geliefde, dat zij mijn worde voor altijd. "Verdwaasde, wat verlangt gij!" sprak de Koning der geesten, "weet, dat de lelie eens mijn geliefde was en met mij heerschte, maar de vonk, die ik in haar wierp, dreigde haar te vernielen en slechts de zegepraal over den zwarten draak, dien de geesten der aarde nu in ketenen gebonden houden, kon de lelie behouden, zoodat hare bladen sterk genoeg bleven om de vonk in zich op te sluiten en te bewaren. Doch, wanneer gij de groene slang omarmt, zal uw gloed haar lichaam verzengen en een nieuw wezen snel opwassend zich van u loswinden." De Salamander achtte de waarschuwing van den vorst der geesten niet; van brandend verlangen vervuld sloot hij de Groene Slang in de armen, zij verteerde tot asch en een gevleugeld wezen aan de asch ontstegen ruischte heen door de lucht. Toen werd de Salamander door wanhoops waanzin gegrepen, vuur en vlammen schietend ijlde hij door den tuin en verdelgde dien met wilde woede, zoodat de schoonste bloemen en bloesems verbrand neerzonken en haar klacht de lucht vervulde. In oppersten toorn greep de koning der geesten den Salamander aan en zeide: "Nu heeft uw vuur uitgewoed -- uw vlammen zijn gedoofd, uw stralen verdofd -- zink thans neder tot de geesten der aarde, dat zij u kwellen en hoonen en in gevangenschap houden, tot aan het oogenblik, dat de vuurstof zich weder ontsteekt en met u in nieuwe gedaante aan de aarde ontstraalt." Glansloos verzonk de arme Salamander, maar toen kwam de oude, knorrige aardgeest, die de hovenier van Phosphorus was, naderbij en sprak: "Heer! wie zoude meer zich over den Salamander beklagen, dan ik. -- Heb ik niet alle de schoone bloemen, die hij verzengd heeft, met mijn mooiste metalen gesierd, heb ik hare kiemen niet wakker gekoesterd en verzorgd, en zoo menige kostelijke kleur aan haar besteed en toch trek ik mij het lot van den armen Salamander aan, dien slechts de liefde, die ook u, Heer, zoo vaak beving, -- tot wanhoop dreef, welke hem den tuin deed verwoesten. -- Scheldt hem de te harde straf kwijt. --"