De Gouden Vaas

Chapter 5

Chapter 53,273 wordsPublic domain

"Maar ga ik dan niet naar den archivaris alleen om u te zien, aanvallige lieflijke Serpentina?" -- In dat oogenblik scheen het hem toe, alsof de liefde van Serpentina de belooning was voor een zwaar gevaarvol werk, dat hij moest aanvatten, een werk, dat niets anders was, dan het copieeren van Lindhorst's manuscripten. -- Dat hem bij het betreden van het huis of zelfs daarvoor nog, wel allerlei vreemds zou overkomen, evenals laatst, daarvan was hij overtuigd. Hij dacht niet meer aan Conradi's maagbitter, maar stak snel het vocht in zijn vestzak, om geheel volgens het voorschrift van den archivaris te handelen, wanneer het gebronsde appelwijf zich mocht verstouten, hem toe te grijnzen. En spitste zich waarachtig niet dadelijk de puntige neus, fonkelden niet de kattenoogen hem uit den deurklopper tegen, toen hij dezen met klokslag twaalf wilde grijpen? Doch hij sproeide, zonder zich verder te bedenken, het vocht midden in het ongeluksgezicht, waarop het oogenblikkelijk inzonk en omgepolijst werd tot een blinkenden, kogelronden keurklopper. -- De deur ging open en liefelijk luidden kleine klokken door het heele huis. Klingeling -- jongeling -- snel -- snel -- spring -- spring -- klingeling. -- Wakker steeg hij de prachtige breede trap op en vermeide zich in den geur van het vreemde reukwerk, die het huis doorstroomde. Onzeker bleef hij in het voorhuis staan, want hij wist niet, aan welke van de vele prachtige deuren hij kloppen moest, tot archivaris Lindhorst in een wijd damasten morgengewaad te voorschijn trad en uitriep: "Kom, dat doet mij genoegen, Mijnheer Anselmus, dat u eindelijk woord houdt, volg mij maar, want ik wil u nu maar dadelijk in het werkvertrek brengen." Toen schreed hij snel het lange voorhuis door en opende een kleine zijdeur, die in een gang voerde. Anselmus stapte moedig achter den archivaris aan; van uit de gang kwamen zij in een zaal of eigenlijk in een prachtige plantenkas, want aan weerszijden tot aan het dak verhieven zich allerlei zeldzame, wonderlijke bloemen en zelfs groote boomen met vreemdaardig gevormde bladeren en bloesems. Rondom ontspreidde zich een verblindend wonderlicht, zonder dat men zien kon vanwaar het kwam, want er viel géén venster te ontdekken. En toen de student Anselmus tusschen struiken en boomen inkeek, schenen lange doorgangen zich tot in verre verte te verlengen. -- In het diepe duister van cypressenstruiken schemerden marmerbekkens, waaruit zich vreemde gestalten verhieven, stralen van kristal opspuitend, die klaterend nedervielen in glanzende leliekelken; ongewone stemmen fluisterden en suisden in het woud der wonderlijke gewassen en heerlijke geuren stroomden af en aan. Verdwenen was de archivaris en Anselmus zag slechts een forschen struik gloeiende vuurlelies voor zich. Door dit gezicht en door de zoete geuren van den toovertuin bedwelmd, bleef Anselmus aan de plaats gebonden staan. Toen begon alom een zacht gegrinnik en gelach en fijne stemmetjes plaagden en spotten: Ha, Mijnheer de student, Mijnheer de student! Waar komt u toch vandaan? Waarom heeft u zich zoo mooi gemaakt, mijnheer Anselmus? Wilt u er met ons wat over babbelen, hoe grootmoeder met haar achterste het ei stuk drukte en de jonker een kwak op zijn Zondagsche vestje kreeg? Kent u de nieuwe aria al van buiten, die u van papa Starmatz geleerd hebt, mijnheer Anselmus? -- Wat ziet u er potsierlijk uit met uw glazen pruik en uw bordpapieren kaplaarzen.

Zoo werd geroepen, gegrinnikt en gespot van uit alle hoeken -- zelfs van vlak naast den student, die nu eerst zag, hoe allerlei bontgekleurde vogels hem omfladderden en hem op die wijze volop lachend te schande maakten.

In dit oogenblik schreed de vuurleliestruik naar hem toe en hij zag, dat het archivaris Lindhorst was, wiens gebloemd, schitterend geel-en-rood morgenkleed hem misleid had. "Verontschuldig mij, waarde heer Anselmus," zeide de archivaris, "dat ik u liet staan, maar ik moest in 't voorbijgaan even naar mijn mooien cactus zien, die vannacht zijn bloesems zal ontsluiten -- en hoe bevalt u nu mijn kleinen binnentuin?"

"Goede Hemel, wat is het hier buitengewoon mooi, geachte heer archivaris," antwoordde de student, "maar die bontgekleurde vogels maken zich wel wat al te vroolijk over mijn persoontje." "Wat beteekent dat gekwebbel?" riep de archivaris vertoornd in de struiken. Toen kwam er een groote grijze papegaai uitfladderen en terwijl hij zich naast den archivaris op een myrthentak zette, waarbij hij hem zonderling ernstig en gewichtigdoend aanstaarde door een bril, die op den krommen snavel zat, rettelde hij: "Neem het mij niet kwalijk, mijnheer de archivaris, maar mijn baldadige knapen zijn weer zoo uitgelaten, doch mijnheer de student heeft daar zelf schuld aan, want" -- "Sst, sst!" viel de archivaris den oude in de rede, "ik ken de snaken, maar gij moest ze beter in toom houden, mijn vriend! -- laat ons verder gaan, Mijnheer Anselmus!" De archivaris doorschreed nog menig op vreemde wijze ingericht vertrek, zoodat de student hem nauwelijks volgen en een blik werpen kon op al de glimmende, vreemdvormige meubelstukken en andere onbekende dingen, waarvan alles overvol was.

Ten laatste betraden zij een groot vertrek, waar de archivaris met omhoog-gewenden blik staan bleef en Anselmus gelegenheid vond zich in den verrukkenden aanblik, dien de sobere versiering dezer zaal bood, te vermeien. Uit de azuurblauwe wanden traden de goudbronzen stammen van hooge palmen, die hunne immense, als vonkelende smaragden glinsterende bladeren in de hoogte tot een zoldering welfden; in het midden der kamer rustte op drie uit donker brons gegoten Egyptische leeuwen een porphyren plaat, waarop een eenvoudige gouden vaas stond, waarvan, eenmaal gezien, Anselmus de oogen niet meer kon afkeeren. Het was als speelden met duizenden weerschijnschemeringen allerlei gestalten op het glanzend gepolijste goud -- menigmaal zag hij zichzelf met smachtend-open armen -- o, naast den vlierstruik -- en Serpentina wond zich omhoog en omlaag hem aanziend met haar bezaligende oogen. Anselmus vergat zich in waanzin van vervoering. "Serpentina, Serpentina," riep hij luide, tot archivaris Lindhorst zich snel omwendde en sprak: "Wat bedoelt u, waarde heer Anselmus? -- Ik geloof, dat het u behaagde mijn dochter te roepen, maar die bevindt zich aan de andere zijde van het huis in haar kamer en ontvangt juist klavier-onderricht, gaat u maar verder mee." Anselmus volgde den weggaanden archivaris haast zonder bewustzijn, hij zag nòch hoorde iets meer, totdat de archivaris hem krachtig bij de hand vatte en sprak: "Nu zijn wij ter plaatse." Anselmus ontwaakte als uit een droom en bemerkte nu, dat hij zich in een hooge, rondom met boekenkasten bezette kamer bevond, die zich door niets van een gewone bibliotheek of studeerkamer onderscheidde. In het midden stond een groote werktafel met een bekleede leuningstoel ervoor. "Dit," zeide archivaris Lindhorst, "zal voorloopig uw werkkamer zijn. Of u later nog in de andere blauwe bibliotheekzaal, waar u zoo opeens den naam van mijn dochter aanriep, zult werken, weet ik nog niet; -- maar nu wilde ik mij wel eens van uw bekwaamheid, om den u toegedachten arbeid werkelijk naar mijn wensch en behoefte uit te voeren, overtuigen." De student Anselmus hervond nu zijn moed geheel en haalde, niet zonder zelfvoldaanheid en in de overtuiging, den archivaris door zijn buitengewoon talent hoogelijk tot blijdschap te stemmen, zijne teekeningen en schrifturen uit den zak. De archivaris had nauwelijks het eerste blad, een oorkonde in de sierlijkste, Engelsche schrijfwijze, bezien of hij glimlachte allervreemdst en schudde het hoofd. Dit herhaalde zich bij ieder blad, zoodat den student Anselmus het bloed naar het hoofd steeg en hij, toen de glimlach eindelijk zuiver spotachtig en verachtelijk werd, vol wrevel uitbarstte: "Mijnheer de archivaris schijnt over mijn gering talent niet bijster tevreden."

"Beste Mijnheer Anselmus," zeide archivaris Lindhorst, "u bezit een voortreffelijken aanleg voor de kunst van het schoonschrijven, maar ik zie wel in, dat ik voorshands meer op uw vlijt, op uw goeden wil zal moeten rekenen, dan op uw bekwaamheid. Het kan ook wel aan het ondeugdelijk materiaal liggen, dat u gebruikte."

Veel sprak de student Anselmus over zijn van andere zijde erkende vaardigheid in de kunst, over Oost-Indischen inkt en uitgezochte ganzepennen. Toen reikte archivaris Lindhorst hem het Engelsche blad toe en zeide: "Oordeel zelf!" -- Anselmus stond als van den bliksem geraakt, toen hem zijn eigen handschrift zoo hoogst erbarmelijk voorkwam. Daar was geen ronding in de ophalen, geen neerhaal zuiver, geen goede verhouding tusschen groote en kleine letters, schoolknaapachtige, smadelijke hanepooten bedierven de anders behoorlijk rechte regels. "En bovendien," voer archivaris Lindhorst voort, "is uw inkt ook niet duurzaam." Hij doopte den vinger in een glas met water en door maar even op de letters te tippen was alles verdwenen. Het was den student Anselmus of een gedrocht hem de keel toesnoerde -- hij kon geen woord uiten. Zoo bleef hij staan, met het ongeluksblad in de hand, maar de archivaris lachte luid-uit en zeide: "Laat u hierdoor niet verontrusten, waarde heer Anselmus; hetgeen gij tot nog toe niet kondt volbrengen, zal zich hier bij mij wellicht beter voegen; daarenboven vindt u beter materiaal, dan waarover u vroeger beschikte! -- Begint u maar goedsmoeds!" -- Archivaris Lindhorst haalde eerst een vloeibare, zwarte zelfstandigheid, die een hoogst eigenaardigen reuk verbreidde, vreemd gekleurde scherp-gesneden pennen en een blad van een buitengewone blankheid en gladheid, daarna een Arabisch manuscript uit een gesloten kast en zoodra Anselmus zich aan den arbeid gezet had, verliet hij de kamer. De student had reeds verscheidene malen Arabisch schrift gecopieerd, zoodat de eerste taak hem niet zwaar toescheen.

"Hoe die hanepooten in mijn mooi Engelsch schuinschrift gekomen zijn, mogen God en archivaris Lindhorst weten," sprak hij, "maar dat zij niet van mijn hand zijn, daar geef ik mijn leven op." -- Met ieder woord, dat nu welgeslaagd op het perkament kwam, wies zijn moed en daarbij zijn vaardigheid. Het was ook waarlijk een genot om met die pennen te schrijven en de geheimzinnige inkt vloeide ravenzwart en gewillig uit over het blinkend-witte perkament. Terwijl hij zoo volhardend en met strak-gespannen aandacht voortwerkte, werd het hem immer beter te moede in de eenzame kamer en hij was reeds volkomen met de onderneming, die hij tot een goed einde hoopte te brengen, vertrouwd geraakt, toen met klokslag van drieën de archivaris hem in de aangrenzende kamer tot het welbereide middagmaal riep. Aan tafel was de archivaris in een bijzonder opgewekte stemming; hij vroeg belangstellend naar de vrienden van den student Anselmus, conrector Paulmann en den griffier Heerbrand, en wist voornamelijk van den laatste veel vermakelijks te vertellen. De goede oude Rijnwijn smaakte Anselmus uitnemend en maakte hem spraakzamer, dan hij anders gewoon was te zijn. Met het slaan van vieren stond hij op, om aan zijn werk te gaan en die nauwgezetheid scheen archivaris Lindhorst wel te bevallen. Was hem voor het maal het copieeren der Arabische teekens reeds gelukt, nu ging hem het werk nog zooveel beter van de hand, zelfs kon hij zich de vlugheid en het gemak niet meer begrijpen, waarmede hij de krullige halen van het vreemde schrift vermocht na te teekenen. --

Doch het scheen hem toe, alsof uit zijn diepste innerlijk een stem duidelijke woorden fluisterde: "Ach, hoe zoudt gij dàt kunnen volbrengen, indien gij _haar_ niet in zin en denken droegt, als gij niet aan _haar_ en aan hare liefde geloofdet?"

En door de kamer waaide als in zachte, zachte, lispende kristallen tonen: "Ik ben u nabij -- nabij -- nabij! ik help u -- wees wakker -- blijf standvastig, lieve Anselmus! -- ik zorg voor u, opdat gij de mijne wordt!" En waar hij innerlijk-verrukt die tonen vernam, werden hem de onbekende teekens steeds vertrouwder -- nauwelijks behoefde hij meer naar het oorspronkelijke te zien -- zelfs scheen het, als stonden de teekens reeds in een bleek schrift op het perkament, zoodat hij ze maar met vaardige hand zwart hoefde over te halen. Zoo werkte hij voort, door liefelijke troost-tonen, als door een zoet, teeder ademen omsloten, tot de klok zes sloeg en archivaris Lindhorst de kamer betrad. Zonderling glimlachend trad hij op de tafel toe, Anselmus stond zwijgend op, steeds nog zag archivaris Lindhorst hem als met hoonend spotten onhoorbaar lachend aan, nauwelijks had hij echter het afschrift ingezien of de glimlach verging in den diepen, plechtigen ernst, waartoe zich alle spieren van zijn gelaat vertrokken. Dra scheen hij niet meer dezelfde. De oogen, die anders vonkelend vuur spatten, zagen Anselmus nu met onzegbare zachtheid aan, een teer rood tintte de bleeke wangen en instede van de ironie, die anders den mond samenkneep, schenen de weekgevormde, aantrekkelijke lippen zich te openen tot een wijs, het gevoels-innerlijk rakend spreken. -- De heele gestalte werd hooger, waardiger; het wijde morgenkleed legde zich als een koningsmantel in breede plooien om borst en schouders en door de witte lokjes, die over het hooge, opene voorhoofd lagen, wond zich een dunne, gouden band. "Jonge man," ving de archivaris plechtiglijk aan, "jonge man, ik had voor gij het nog kondt vermoeden, al de geheime betrekkingen geduid, die u met wat mij het liefste en heiligste is, verbinden! -- Serpentina heeft u lief en een vreemde betoovering, welker noodlottige draden door vijandige machten gesponnen werden, wordt opgeheven, als zij de uwe wordt en gij als onafwijsbare huwelijksgift, de gouden vaas ontvangt, die haar eigendom is. Maar slechts uit den strijd ontspringt uw geluk in het hoogere leven. Vijandige elementen zullen u aanvallen en slechts de innerlijke kracht, waarmede gij de aanslagen weerstaat, kan u redden van smaad en ondergang. Door hier te werken, maakt gij uw leertijd door; geloof en inzicht voeren u het doel nabij; als gij u maar vasthoudt aan datgene, wat gij beginnen moest. Blijf haar innerlijk trouw, _haar_, die gij liefhebt en gij zult het prachtig wonder der gouden vaas aanschouwen en gelukkig zijn voor altijd. -- Het ga u goed! archivaris Lindhorst verwacht u morgen om twaalf uur in uw werkkamer! Het ga u goed!"

De archivaris schoof den student Anselmus zachtjes de deur uit, die hij daarop toesloot en hij bevond zich in de kamer, waar hij gegeten had, en welker eenige deur naar het voorhuis voerde. Verdoofd door de wonderlijke verschijningen bleef hij voor de voordeur staan, tot boven hem een venster openging. Hij zag op; het was archivaris Lindhorst; volkomen de oude man met grijswitten mantel, zooals hij hem bereids gezien had. -- Hij riep hem toe: "Wel, waarde heer Anselmus, waarover peinst u zoo, ik wed, dat het Arabisch niet uit uw hoofd wil? Wees zoo goed, mijnheer den conrector Paulmann te groeten, wanneer u hem wellicht bezoekt en komt u morgen met klokslag van twaalven terug. De bezoldiging voor vandaag bevindt zich al in uw rechter vestzak." -- De student Anselmus vond inderdaad den blanken, gemunten Thaler in den aangewezen zak, maar hij verheugde er zich volstrekt niet over. --

"Wat er van dit alles worden moet, weet ik niet," sprak hij tot zichzelf, "moge mij ook slechts begoocheling en spokerij omstrikt houden, in mijn binnenste leeft en heerscht toch de liefste Serpentina en liever dan van haar af te laten, wil ik geheel en al ondergaan, want ik weet immers, dat de gedachte in mij eeuwig is en door geen vijandig element kan vernietigd worden; maar is die gedachte ook wel iets anders, dan Serpentina's liefde?"

ZEVENDE NACHTWAAK

Hoe conrector Paulmann zijn pijp uitklopte en naar bed ging. -- Rembrandt en de helsche Breughel. -- De tooverspiegel en het voorschrift van dokter Eckstein tegen een onbekende ziekte.

Eindelijk klopte conrector Paulmann zijn pijp uit en zeide: "Het is nu toch tijd, om ons ter ruste te begeven." "Zeker," antwoordde de door het lange opblijven haars vaders ontruste Veronica, "want het heeft al lang tien uur geslagen." Nauwelijks was de conrector dan ook naar zijn studeer- en slaapvertek gegaan, nauwelijks gaf het zwaarder ademhalen van Fransje aan, dat zij inderdaad vast ingeslapen was, of Veronica, die zich voor den schijn ook te bed gelegd had, stond zacht, heel zacht weer op, kleedde zich aan, wierp een mantel om en ontsloop het huis.

Van het oogenblik af, dat Veronica de oude Lize verlaten had, kwam haar onophoudelijk Anselmus voor oogen, en zij kon zelve niet begrijpen, welke vreemde stem in haar binnenste maar immer en immer weer zeide, dat zijn weerstand door een haar kwaadgezind persoon veroorzaakt werd, die hem in banden hield, welke Veronica door de mysterieuse middelen der magische kunst zou kunnen verbreken. Haar vertrouwen in de oude Lize groeide met den dag en zelfs stompten zich de verontrustende, huiveringwekkende indrukken af, zoodat al het wonderlijke en buitengewone van haar omgang met de oude terugbleef in den luister van het niet-alledaagsche en romaneske, dat haar juist zoo aantrok. Derhalve rustte in haar ook het voornemen, op gevaar af gemist te worden en in velerlei onaangenaamheden verwikkeld te geraken, het avontuur der dag-en-nachtevening door te maken. Zoo was dan eindelijk de gevolgenrijke nacht van het Aequinoctium, waarin de oude Lize haar hulp en troost toegezegd had, ingetreden en Veronica, al lang vertrouwd geraakt met de gedachte aan den nachtelijken tocht, was blij gemoed. Pijlsnel vloog zij door de eenzame straten en lette niet op den storm, die de lucht doorwoelde en haar zwaren regendroppen in 't gelaat wierp. -- Met dof doordreunende klank sloeg de klok van den Kruistoren elf, toen Veronica doornat voor het huis der oude stond. "Ha, lief kind, lief kind, zijt gij daar al! -- wacht even, wacht maar even!" -- klonk het van boven -- en dadelijk daarna stond de oude, beladen met een korf en van haar kater vergezeld, voor de deur. "Nu zullen wij dus heengaan om te beginnen en te volvoeren, wat geschieden moet en vrucht draagt in den nacht, die het werk gunstig gezind is;" dit zeggende greep de oude met kille hand de rillende Veronica, die zij den zwaren korf te dragen gaf, terwijl zij zelf een ketel, een drievoet en een spade opnam. Toen zij in het veld kwamen regende het niet meer, maar de storm was krachtiger geworden; een veelstemmig gehuil vervulde de lucht. Een ontzettende, hart-doorsnijdende klacht weerklonk uit de zwarte wolken, die zich snel-varend tezamendichtten en alles in dikke donkerte wikkelden. Doch haastig schreed de oude voort en riep galmend-schel "licht -- maak licht, jongen!" Toen kronkelden en kruisten zich blauwe weerlichten voor hen uit en Veronica werd gewaar, hoe de kater haar onder knetterend vonkgesproei voordanste, terwijl zij zijn benauwd, huiveringwekkend wanhoopsgeschreeuw hoorde, als de storm een oogenblik stil was. -- Haar adem begaf haar, het was of ijzige klauwen grepen in heur binnenste, doch met kracht hervatte zij zich en terwijl zij zich sterker aan de oude vastklemde, sprak zij: "Het moet nu alles volbracht worden, er kan gebeuren, wat er wil." "Goed zoo kind!" antwoordde de oude, "blijf maar flink standvastig, dan zal ik u iets moois geven en Anselmus nog bovendien." Eindelijk stond de oude stil en zeide: "Nu zijn wij ter plaatse." Zij groef een gat in den grond, schudde daar kolen in en zette er den drievoet boven, waarop zij den ketel plaatste. Dit alles begeleidde zij door bijzondere gebaren, terwijl de kater zich in kringen om haar heen bewoog. Vonken spetten uit zijn staart, een smallen vuurring vormend. Spoedig begonnen de kolen te glimmen en eindelijk sloegen blauwe vlammen van onder den drievoet uit. Veronica moest mantel en sluier afleggen en bij de oude neerhurken, die hare handen greep en strak vasthield, het meisje met fonkeloogen aanstarend. Nu begonnen de vreemde zelfstandigheden -- of het bloemen, metalen, kruiden, dan wel dieren waren, viel niet te onderscheiden -- die de oude uit den korf genomen en in den ketel geworpen had, te koken en te bruisen. De oude liet Veronica los, zij greep een ijzeren lepel, die zij midden in de gloeiende massa stak en die daarmede doorroerde, terwijl Veronica op haar gebod met onafgewenden blik in den ketel zien en haar gedachten op Anselmus richten moest. Opnieuw wierp nu de oude blinkende metalen en een haarlok, die Veronica zich van de kruin geknipt had, alsook een ringetje, dat zij langen tijd had gedragen, in den ketel, terwijl zij onverstaanbare, den nacht huiver-aanjagend schel-doorgalmende klanken uitstiet en de kater rusteloos rondrennend krijschte en steunde. --