Chapter 4
"Met Anselmus is nu eenmaal niets ter wereld aan te vangen," zeide conrector Paulmann; "al mijn goede raadgevingen en vermaningen blijven zonder vrucht, hij wil zich nergens op toeleggen, ofschoon hij de beste schoolkennis bezit, die toch maar de basis van alles is." Maar griffier Heerbrand antwoordde sluw en geheimzinnig glimlachend: "Laat u Anselmus maar volle vrijheid en tijd, beste Conrector! het is een curieus personage, maar er zit veel in hem en wanneer ik zeg véél, dan bedoel ik: een secretaris in buitengewonen dienst of wellicht wel een hofraad." -- "Hof" -- begon de conrector met de grootste verbazing, maar het woord wilde hem niet over de lippen. -- "Ja, ja," ging griffier Heerbrand door, "ik weet, wat ik weet! -- Al sedert twee dagen zit hij bij den archivaris Lindhorst te copieeren en de archivaris zeide gisteravond in het koffiehuis tegen mij: "U hebt mij een fikschen kerel aanbevolen, mijn waarde!" -- uit die groeit wat en denk nu maar eens aan 's archivaris' relaties -- ja -- ja -- over een jaar spreken wij elkaar nader!" -- Met deze woorden ging de griffier met onafgebroken sluw glimlachen de deur uit en liet den van verbazing en nieuwsgierigheid verstomden conrector als aan zijn stoel vastgetooverd zitten. Maar op Veronica had het gesprek een heel bijzonderen indruk gemaakt. Heb ik het dan niet altijd geweten, dacht zij, dat mijnheer Anselmus een echt schrandere, beminnelijke jonge man is, die het nog tot iets groots zal brengen? Als ik nu maar wist, of hij werkelijk van mij houdt? -- Maar heeft hij mij dan niet, op dien avond toen wij over de Elbe voeren, tot tweemaal toe de hand gedrukt? heeft hij mij onder het duet niet aangezien met van die allervreemdste blikken, die tot in het hart dringen? O ja, hij houdt heusch van mij -- en ik -- Veronica liet zich overheeren, als jonge meisjes plegen te doen, door zoete droomen van een zonnige toekomst. De vrouw van den hofraad was zij en bewoonde een prachtig hotel in de Schlossgasse, of op de Neumarkt of in de Moritzstrasse -- voortreffelijk stonden haar de moderne hoed en de nieuwe turksche shawl -- in een elegante peignoir ontbeet zij in den erker, terwijl zij aan de keukenmeid de noodige bevelen voor dien dag gaf. "Maar wees voorzichtig dien schotel niet te verknoeien, want dat is het lievelingsgerecht van Mijnheer den hofraad." -- Voorbijgaande salonjonkers loenschen naar boven en zij kan duidelijk verstaan: "Het is toch een engel van een vrouw, die vrouw van den hofraad en wat staat haar dat kanten mutsje weer allerliefst." -- De vrouw van den geheimraad Ypsilon zendt haar bediende en laat vragen of de vrouw van den hofraad er behagen in zou hebben, vandaag mede naar het Linkesche Bad te rijden. -- "Mijn complimenten, en dat het mij ten zeerste spijt, maar ik ben al op de thee genoodigd door de vrouw van den president Tz." -- Daar komt de hofraad Anselmus, die al vroeg voor zaken uitgegaan was, terug; naar de laatste mode is hij gekleed; "waarachtig al tien uur," roept hij uit, terwijl hij zijn gouden horloge de uren laat repeteeren en de jonge vrouw kust. "Hoe maakt mijn lief vrouwtje het en weet zij al wat ik hier voor haar heb?" gaat hij licht schertsend voort en haalt een paar prachtige, naar de laatste mode gezette oorbellen uit zijn vestzak, die hij haar inplaats van de andere in de ooren hangt. "O, wat mooie, keurige oorbellen," roept Veronica hardop, en springt, terwijl zij haar handwerkje neergooit, van haar stoel, om werkelijk in den spiegel de oorbellen te gaan bekijken. "Wat moet dat voorstellen," zeide conrector Paulmann, die in Cicero de officiïs verdiept, het boek bijna liet vallen, "ook al van die aanvallen als Anselmus." Maar toen trad de student Anselmus, die zich tegen zijn gewoonte in verscheidene dagen niet had laten zien, de kamer binnen, zeer tot schrik en verbazing van Veronica, want inderdaad had zich zijn gedrag geheel veranderd. Met een zekere beslistheid, die hem anders volstrekt niet deelachtig was, sprak hij van gansch andere bedoelingen zijns levens, die hem waren geklaard, van verrukkende vooruitzichten, die zich hem hadden geopend, doch die menigeen volstrekt niet vermocht te zien. Conrector Paulmann werd, het geheimzinnig gepraat van den griffier Heerbrand indachtig, nog meer verward en kon nauwelijks een syllabe uiten, toen de student Anselmus, nadat hij zich eenige woorden over dringende bezigheid bij den archivaris Lindhorst had laten ontvallen en Veronica elegantelijk de hand had gekust, reeds de trap af en verdwenen was.
"Dat was de hofraad al," murmelde Veronica, "en hij kuste mij de hand, zonder daarbij uit te glijden of op mijn voet te trappen, als anders! -- hij heeft mij een echt teederen blik geschonken -- hij houdt dus heusch van mij." --
Opnieuw liet Veronica zich door die droomen overheeren, maar tegelijk was het of voortdurend een vijandig-gezinde gestalte trad door de bekoorlijke gezichten, die uit haar toekomstig leven als vrouw van den hofraad opkwamen, en die gestalte lachte schamper en sprak: "Dat alles is grove dwaasheid en leugen, want nooit wordt Anselmus hofraad en je man; hij houdt toch niet van je, al heb je blauwe oogen, een slanke leest en fijne handen." --
Toen stortte een ijzigen stroom zich door Veronica's wezen en rauwe schrik brak het welbehagen, waarin zij zichzelf nog eerst met het kanten mutsje en de elegante oorbellen gezien had. -- Bijna sprongen tranen haar uit de oogen en hardop zeide zij: "Ach, zoo is het, hij bemint mij niet en nooit word ik de vrouw van een hofraad."
"Die romantische kuren, o die romantische kuren," riep conrector Paulmann, nam hoed en stok en snelde vertoornd heen! --
Dit ontbrak nu nog, zuchtte Veronica en ergerde zich zeer over haar twaalfjarig zusje, dat zonder deelneming aan haar borduurraam gezeten, voortgeborduurd had. Intusschen was het bijna drie uur geworden en juist tijd om de kamer wat te redderen en de koffietafel klaar te maken; want de jongejuffrouwen Oster hadden zich bij heur vriendin laten weten. Maar van achter ieder kastje, dat Veronica verschoof, van achter de muziekboeken, die zij van de piano nam, van achter ieder kopje, van achter de koffiekan, die zij uit het buffet haalde, sprong die verschijning als een kwel-kaboutertje op en lachte schamper en knipte met de kleine nijdvingers en krijschte: hij wordt toch je man niet, hij wordt toch je man niet. En toen, terwijl zij alles liet staan en liggen en in het midden van de kamer vluchtte, keek die langgeneusd en reuzegroot van achter de kachel en gromde en bromde: hij wordt toch je man niet. "Hoor je dan niets, zie je dan niets, zusje," riep Veronica, die van vrees en beven niets meer kon aanraken. Fransje rees, ernstig en kalm, van haar borduurraam op en zeide: "Wat scheelt er vandaag toch aan, zuster? Alles werpt gij door elkaar, dat het ervan rammelt en kleppert; ik zal maar eens hèlpen."
Maar toen kwamen reeds de blijgezinde meisjes gul lachend binnen en in dat zelfde oogenblik bemerkte Veronica nu ook, dat zij het sierstuk op de kachel voor een gestalte en het knarsen van het slecht-gesloten kacheldeurtje voor de boosaardige woorden gehouden had. Door innerlijken schrik echter heftig beroerd, kon zij zich niet zoo snel hervatten, dat haar vriendinnen niet de buitengewone spanning, die zelfs haar bleekheid, haar verward gelaat verried, bemerken moesten. Toen zij, al het vroolijks, dat zij juist wilden vertellen, latende varen, der vriendin met aandrang afvroegen, wat haar om 's Hemels wil overkomen was, kon Veronica slechts bekennen, dat zij zich op uiterst-ongewone gedachten had laten gaan en opeens in 't helder daglicht door een vreemde spokenvrees, haar anders niet eigen, was overmand. Daarna vertelde zij zoo kleurig hoe vanuit alle hoeken der kamer een grijs manneke haar geplaagd en bespot had, dat de jongejuffrouwen Oster schuchter naar alle zijden omzagen en dra onrustig en rillerig werden. Toen kwam Fransje met de kokende koffie binnen en alle drie, tot bezinning komend, lachten om eigen zotheid. Angelica, zoo heette de oudste, was met een officier verloofd, die met het leger was uitgetrokken en van wien zoo lang tijding uitbleef, dat men nauwelijks aan zijn dood of ten minste aan een zware verwonding, mocht twijfelen. Dit had Angelica tot diepe droefenis doen vervallen, maar vandaag was zij blij gestemd tot het uitgelatene toe, iets waarover Veronica zich niet weinig verbaasde en wat zij haar onomwonden zeide. "Beste kind," zei Angelica, "gelooft ge dan niet dat ik mijn Victor aldoor in mijn hart, mijn zin en mijn gedachten heb? maar juist daarom ben ik zoo blijde -- god -- zoo gelukkig, zoo zalig tot in mijn diepste wezen! want mijn Victor is behouden en in weinig tijds zal ik hem weerzien als ritmeester, gesierd met de ordeteekenen, die zijn grenzelooze dapperheid hem hebben doen verwerven. Een zware, maar volstrekt niet gevaarlijke verwonding van den rechterarm en wel door den sabelhouw van een huzaar des vijands, belet hem te schrijven en de snelle wisseling van verblijfplaats maakt het hem, daar hij volstrekt zijn regiment niet verlaten wil, ook steeds nog onmogelijk mij tijding te zenden, maar hedenavond zal hij de uitdrukkelijke order ontvangen, zich eerst volkomen te laten genezen. Morgen reist hij af om hierheen te komen en juist als hij den wagen wil bestijgen, zal hij zijn benoeming tot ritmeester vernemen." -- "Maar, beste Angelica," viel Veronica in de rede, "weet gij dit alles nu reeds?" -- "Lach mij niet uit, beste vriendin," ging Angelica voort, "maar dat zult gij niet doen, want kon niet tot straf dadelijk dat kleine manneke eens van achter den spiegel komen uitkijken? -- Dit daargelaten, ik kan mij niet losmaken van het geloof aan zekere geheimzinnige dingen, omdat zij vaak genoeg zichtbaar en tastbaar, mag ik wel zeggen, in mijn leven zijn getreden. In hoofdzaak komt het mij dan ook volstrekt niet zoo wonderlijk en ongeloofelijk voor als aan menig ander, dat er menschen bestaan kunnen, wien een bepaalde zienersgave eigen is, welke zij door hun bekende, onfeilbare middelen werkzaam kunnen maken. Hier in deze plaats woont er een oude vrouw, die deze gave in zeer bijzondere mate bezit. Niet als anderen van haar slag, doet zij voorspellingen uit de kaart, gesmolten lood of koffiedik, maar na zekere voorbereidende maatregelen, waaraan ook de vragende persoon deelneemt, verschijnt in een glanzend-gepolijsten metalen spiegel een wonderlijke dooreenwarring van velerlei figuren en gestalten, welke de oude verklaart en waaruit zij het antwoord op de vraag te voorschijn brengt. Gisteravond was ik bij haar en ontving de bewuste tijding van mijn Victor, aan welker waarheid ik geen oogenblik twijfel." --
Angelica's verhaal bracht een vonk in Veronica's innerlijk, waaraan zich snel de gedachte ontstak, de oude over Anselmus en over haar verwachtingen te ondervragen. Zij vernam nu dat de oude, vrouw Rauerin heette, in een afgelegen straat voor de Zeepoort woonde, in den regel slechts Dinsdags, Woensdags en Vrijdags van 's avonds zeven uur af maar dan ook den geheelen nacht door tot zonsopgang toe te treffen was en gaarne zag, dat men alleen kwam. Juist was het Woensdag en Veronica besloot, onder voorgeven de Osters naar huis te begeleiden, de oude te gaan bezoeken, wat zij dan ook inderdaad ten uitvoer bracht. Nauwelijks had zij namelijk van de vriendinnen, die in de nieuwe stad woonden, afscheid genomen of zij snelde met gevleugelden tred naar de Zeepoort en bevond zich in de beschrevene, afgelegene, nauwe straat, aan welker einde zij het kleine roode huisje bemerkte, waarin vrouw Rauerin wonen moest. Zij kon een zeker onbehagelijk gevoel en zelfs een innerlijke siddering niet tegengaan, toen zij voor de huisdeur stond. Ten laatste vatte zij haar moed te zamen, ondanks innerlijk wederstreven en trok aan de schel, waarop de deur zich opende en zij door de donkere gang naar de trap tastte, die ter bovenverdieping voerde, zooals Angelica beschreven had. "Woont hier niet vrouw Rauerin?" riep zij in het leege voorhuis, toen zich niemand vertoonde; in stede van antwoord weerklonk een langaangehouden, scherp miauwen en een groote, zwarte kater schreed haar met hooggekromden rug, den staart in golvende kronkeling heen-en-weer zwaaiend, gewichtig voor tot aan de kamerdeur, die zich op een tweede miauwen opende. "Zoo, zoo, kindlief, al hier? Kom binnen -- kom binnen!" Dit riep de naar buiten komende figuur, wier aanblik Veronica aan den grond vastklonk. Het was een lang, ontvleescht, in zwarte lompen gehuld wijf! -- Terwijl zij sprak schudde de vooruitstekende, spitse kin heen en weer, vertrok zich de tandelooze mond, door den beenigen haviksneus overschaduwd, tot een grijnslachje en helle kattenoogen flakkerden vonkspattend achter den grooten bril. Van onder den bonten om het hoofd gewikkelden doek sprietten ruige, zwarte haren, maar het reeds afkeerwekkend gelaat werd afzichtelijk gemaakt door twee groote brandvlekken, die van de linkerwang af tot over den neus heen liepen. -- Veronica's adem stokte en de kreet, waardoor zij haar beklemde borst verruimen wilde, verwerd tot een diepen zucht toen de beenderenhand der heks haar aangreep en het vertrek binnentrok. Daar leefde en bewoog alles, er heerschte een verbijsterend krijschen, miauwen, krassen en piepen. Toen sloeg de oude met de vuist op tafel en schreeuwde: "Stil zijn, gespuis!" En de meerkatten[6] klauterden jenkend naar boven langs het hooge, ouderwetsche ledikant en de zeevarkentjes[7] kropen onder de kachel, terwijl de raaf bovenop den ronden spiegel fladderde; slechts de zwarte kater, als ging hem het snauwen niet aan, bleef rustig op den grooten kussenstoel zitten, waarop hij dadelijk na zijn binnenkomst gesprongen was.
[Voetnoot 6: een langstaartige apensoort uit de oude wereld (Cercopi thecidae)]
[Voetnoot 7: een staarteloos knaagdier (Cavia).]
Zoodra het rustiger werd, kreeg Veronica meer moed; zij gevoelde zich niet meer zoo onbehagelijk, als buiten in het voorhuis, ja zelfs het wijf scheen haar niet meer zoo mismaakt toe. Nu eerst zag zij in het vertrek rond. Allerlei leelijke, opgezette dieren hingen van de zoldering neer, onbekende, vreemdsoortige werktuigen lagen op den grond dooreen en in den haard brandde een blauw onbeteekenend vuur, dat nu en dan in gele vonking opknetterde; maar toen ruischte er iets van boven neer en verfoeilijke vleermuizen als met vertrokken lachende menschengezichten zwierden heen en weer, terwijl van tijd tot tijd de vlam langs den berookten muur oplekte, waarna schrille, snijdende klaagtonen weerklonken, zoodat Veronica van vrees en huivering bevangen werd.
"Vergun mij, juffertje," zeide de oude meesmuilend, nam een grooten kwast en besprenkelde, nadat zij dien in een koperen ketel gedoopt had, den schoorsteen. Toen doofde het vuur en of het met zwaren rook gevuld werd, was het strak duister in het vertrek; doch spoedig trad de oude, die een kamertje binnengegaan was, weder binnen met een ontstoken kaars en Veronica werd niets meer gewaar van de dieren of de werktuigen; zij zag een gewoon, armoedig ingericht verblijf. De oude trad nader tot haar en zeide met ratelstem: "Ik weet wel, wat ge van mij wilt, kindlief; duizend tegen een dat gij zoudt willen weten, of gij met Anselmus zult trouwen, wanneer hij hofraad zal zijn." --
Veronica verstijfde van verbazing en schrik, maar de oude ging voort: "Gij hebt mij alles reeds gezegd bij uw vader thuis, toen de koffiekan voor u stond, want _ik_ was die koffiekan, kendet gij mij dan niet? Luister, kindlief! Laat af, laat af van dien Anselmus, want dat is een laagstaand mensch, hij heeft mijn kindertjes in 't gezicht geschopt, mijn lieve zoontjes, de appeltjes met de roode wangen, die, als de menschen ze gekocht hebben, steeds weer uit hun zakken in mijn korf terugrollen. Hij heeft zich met den ouden verstaan, eergisteren heeft hij mij dat vervloekte operment in 't gezicht gedruppeld, zoodat ik er bijna blind van geworden ben, gij kunt de brandvlekken er nog van zien, lief kind! Laat af van hem, laat af. -- Hij heeft u niet lief, want hij bemint de goudgroene slang, nooit zal hij hofraad worden, omdat hij zich onder de salamanders begeven wil en de groene slang huwen, laat af van hem, laat af."
Veronica, die feitelijk een besliste, standvastige natuur bezat en haar meisjesachtige ontsteltenis spoedig meester wist te worden, trad een schrede terug en sprak met ernstigen nadruk: "Oude, ik heb gehoord van uwe gave, om in de toekomst te zien en wilde daarom, misschien te nieuwsgierig en voorbarig, van u weten of Anselmus, dien ik liefheb en hoogacht, wel ooit de mijne zal worden. Wanneer gij mij echter, inplaats van mijn wensch te vervullen, met uw dwaas zinneloos geklap sarren wilt, handelt gij verkeerd, want ik verlangde slechts, wat gij anderen, naar ik weet, verleendet. En aangezien gij, naar het schijnt, mijn teerste gedachten kent, zou het u wellicht niet zwaar gevallen zijn, mij velerlei te openbaren, dat mij nu kwelt en beangstigt, maar na uw zotte lasteringen omtrent den besten Anselmus, wil ik van u niets meer hooren. Goeden nacht!" --
Veronica wilde haastig heengaan, toen viel de oude weenend en jammerend op de knieën en riep uit, terwijl zij het meisje bij haar kleed vasthield: "Kleine Veronica! Kent gij dan de oude Lize niet meer, die u zoo vaak op haar armen gedragen, gekoesterd en vertroeteld heeft?" Nauwelijks vertrouwde Veronica hare oogen; want zij herkende hare, weliswaar door hoogen ouderdom en in 't bijzonder door de brandvlekken misvormde voormalige voedster, die voor vele jaren uit het huis van conrector Paulmann verdwenen was. De oude zag er nu ook geheel anders uit; inplaats van den leelijken, bontgevlekten doek droeg zij een zedige muts en voor de zwarte lompen had zij een grofgebloemd jakje aan, zooals zij vroeger ook wel gekleed was geweest. Zij stond van den vloer op en ging, terwijl zij Veronica in de armen nam, voort: "Al schijnt hetgeen ik verteld heb, u ook onzinnig toe, helaas is het alles waar. Anselmus heeft mij zeer geschaad, maar tegen zijn wil; hij is in handen van den archivaris Lindhorst gevallen en die wil hem aan zijn dochter uithuwelijken. De archivaris is mijn grootste vijand en velerlei zaken kon ik u van hem verhalen, die gij echter niet verstaan zoudt, maar u toch zeer zouden doen ontstellen. Hij is de man, die weet, maar ik ben de vrouw, die weet. --
"-- Ik zie nu wel, dat gij Anselmus zeer liefhebt en ik wil u met alle macht ter zijde staan, opdat gij gelukkig wordt en keurig tot den trouwdag komt, zooals gij dat verlangt." "Maar zeg mij in Godsnaam, Lize" -- onderbrak Veronica. -- "Stil kind, stil!" viel haar de oude in de rede, "ik weet, wat gij zeggen wilt; dat wat ik werd, ben ik geworden, omdat ik moest, ik kon niet anders. Dus! -- ik ken het middel, dat Anselmus van de dwaze liefde voor de groene slang geneest en hem u als den beminnelijksten hofraad in de armen voert; maar gij moet mij helpen." "Zeg het maar ronduit, Lize, ik ben tot alles bereid, want ik houd zooveel van Anselmus," lispte Veronica nauw hoorbaar.
"Ik ken je," voer de oude voort, "als een stoutmoedig kind, vergeefs trachtte ik je met den wafwaf in slaap te brengen, want dan juist deed je de oogen open om den wafwaf te zien; zonder licht ging je in de achterste kamer en vaak liet je de kinderen van de buren schrikken in je vaders kapmantel. Dus! -- wanneer het je ernst is, door mijn kunst den archivaris Lindhorst en de groene slang te overwinnen, wanneer het je ernst is, Anselmus als hofraad je man te noemen, verlaat dan bij de eerstkomende dag-en-nachtevening in stilte des avonds om elf uur je vaders huis om naar mij toe te komen; ik zal dan met je naar den kruisweg gaan, die niet ver van hier het veld doorsnijdt, wij bereiden het noodige en je laat je door al het wonderlijke, dat je wellicht zien zult, maar niet verontrusten. En nu, kindlief, goeden nacht, papa wacht al met de soep."
Veronica snelde heen en in haar was het vaste besluit den avond van het aequinoctium niet te laten voorbijgaan, want, dacht zij, Lize heeft gelijk, Anselmus is verstrikt in vreemdsoortige banden, maar daaruit verlos ik hem en noem hem de mijne voor altijd en eeuwig; de mijne is en blijft hij, hofraad Anselmus.
ZESDE NACHTWAAK
De tuin van den archivaris Lindhorst benevens eenige spotvogels. -- De gouden vaas. -- Engelsch schuinschrift. -- Smadelijke hanepooten. -- Koning der geesten.
"Het kan ook wel zijn," zeide de student Anselmus tot zichzelf, "dat de extra-fijne en sterke maagbitter, waarvan ik bij Monsieur Conradi een wel wat overvloedig gebruik heb gemaakt, de dwaze spookbeelden heeft voortgebracht, die mij bij de voordeur van den archivaris Lindhorst angst aanjoegen. Daarom blijf ik vandaag volkomen nuchter en zal dan wel al het verdere onheil, dat mij mocht overkomen, het hoofd kunnen bieden."
Evenals destijds, toen hij zich tot het eerste bezoek aan den archivaris opmaakte, stak hij zijn penteekeningen en calligrafische kunststukken, zijn staven Oost-indischen inkt en zijn goedgescherpte ganzepennen bij zich en reeds wilde hij de deur uitgaan, toen zijn blik viel op het fleschje met geel vocht, dat hij van den archivaris Lindhorst gekregen had. Toen stonden hem weder al de vreemde gebeurtenissen, die hij doorleefd had, in brand van kleuren voor den geest en een onuitzegbaar gevoel van zaligheid en smart doorsneed zijn borst.
Onwillekeurig riep hij op deerniswekkenden toon: