Chapter 3
-- Ten tweeden male braken de aanwezigen in luid schaterlachen uit, maar de student Anselmus werd zeer onrustig te moede en hij kon den archivaris Lindhorst nauwelijks in de strakke, ernstige oogen zien, zonder innerlijk op een voor hemzelf onverstaanbare wijze te rillen. Want toch al had de grove, ofschoon wonderlijk metaal-klinkende stem van den archivaris voor hem iets geheimzinnig-doordringends, zoodat hij merg en been doorsidderd voelde. Het eigenlijke doel, waartoe de griffier Heerbrand hem mede in het koffiehuis genomen had, scheen vandaag onbereikbaar te zijn. Na het gebeurde voor het huis van den archivaris Lindhorst toch was de student Anselmus er niet toe te brengen geweest voor de tweede maal het bezoek te wagen; want naar zijn innigste overtuiging had het toeval hem bevrijd, zoo al niet van den dood, dan toch van het gevaar om waanzinnig te worden. Conrector Paulmann was juist door de straat gekomen, toen hij geheel buiten kennis voor de huisdeur lag en een oude vrouw, die haar koek- en appelmand op zijde gezet had, met hem doende was.
Conrector Paulmann had onmiddellijk een rijtuigje aangeroepen en hem zoo naar huis getransporteerd. "Men kan van mij denken, wat men wil," zeide de student Anselmus, "men kan mij voor een verdwaasde houden of niet -- het zij -- uit de deurklopper grijnsde mij het verdoemde gezicht van de heks der Zwarte Poort tegen; over hetgeen verder geschiedde, wil ik liever niet spreken, maar wanneer ik uit mijn bezwijming ontwaakt zou zijn en ik had dat vervloekte appelwijf voor mij gezien (want de oude, die met mij bezig was, kan natuurlijk geen ander zijn) dan zou mij terstond een beroerte getroffen hebben of wel ware ik waanzinnig geworden."
Alle toespraken, alle verstandelijke verklaringen van conrector Paulmann en griffier Heerbrand bleven zonder eenige vrucht en zelfs der blauwoogige Veronika gelukte het niet hem te brengen uit den zekeren mijmertoestand, waarin hij geraakt was. Men hield hem nu inderdaad voor zielsziek en zon op middelen, om hem afleiding te geven, waarbij griffier Heerbrand betoogde, dat niets daartoe betere diensten zou kunnen bewijzen, dan de bezigheid bij den archivaris Lindhorst, namelijk het nateekenen der manuscripten. Het kwam er nu maar op aan, den student Anselmus op geschikte wijze met den archivaris Lindhorst in kennis te brengen en daar griffier Heerbrand wist, dat deze haast iederen avond een bepaald, bekend koffiehuis bezocht, noodigde hij den student Anselmus uit, zoolang op zijn kosten in dat koffiehuis een glas bier te drinken en een pijp te rooken, totdat hij op deze of gene wijze met den archivaris was in kennis gekomen en zich met hem had verstaan over het copieeren der manuscripten, hetwelk de student Anselmus hoogst dankbaar aannam.
"Gij verdient, dat God u zegene, beste griffier, wanneer gij den jongen man tot rede weet te brengen," zeide conrector Paulmann. "Dat God u zegene," herhaalde Veronika, terwijl zij vroom de oogen ten hemel hief en blijgezind bedacht, dat de student Anselmus nù al een zeer beminnelijke jonge man was, zij het dan zonder rede! --
Toen archivaris Lindhorst juist met hoed en stok de deur uit wilde gaan, greep griffier Heerbrand den student Anselmus snel bij de hand en terwijl hij gezamenlijk met hem den archivaris den weg versperde, sprak hij: "Zeer geachte heer geheim-archivaris, hier stel ik u den student Anselmus voor, die bijzonder bekwaam is in sierlijk schrijven en teekenen en uwe zeldzame manuscripten copieeren wil." "Dat is mij bijzonder aangenaam," antwoordde archivaris Lindhorst haastig, wierp zich den driekantigen, krijgsmansachtigen hoed op het hoofd en stormde, terwijl hij griffier Heerbrand en den student Anselmus opzijde schoof, met veel gedruisch de trap af, zoodat beide volslagen verbluft bleven staan en tegen de deur van het vertrek aankeken, die hij zoo hard voor hen had dichtgeslagen, dat de hengsels rammelden.
"Dat is toch een wonderlijke oude man," zeide griffier Heerbrand. "Een wonderlijke oude man," stotterde de student Anselmus na, voelend, hoe een ijzige stroom door al zijn aderen kilde, die hem haast tot een standbeeld deed verstarren. Maar de gasten lachten allen en zeiden: "De archivaris is vandaag weer eens bijzonder slecht geluimd, morgen is hij bepaald zachtzinniger gestemd en spreekt dan geen woord, maar staart in de rookkringen uit zijn pijp of leest dagbladen; daaraan moet men zich niet storen." -- "Het is eigenlijk waar," dacht de student Anselmus, "wie stoort zich aan zoo iets! Heeft de archivaris niet gezegd, dat het hem bijzonder aangenaam was, dat ik zijn manuscripten wilde copieeren? -- en waarom versperde griffier Heerbrand hem ook den weg, juist toen hij naar huis wilde gaan? Neen, neen, op de keper beschouwd, is de geheim-archivaris Lindhorst een aardige man en verbazend gul -- alleen wat zonderling in zijn eigenaardige uitdrukkingen --. Maar wat hindert mij dat? Morgen ga ik er heen op slag van twaalven, al verzetten honderd gebronsde appelvrouwen zich ertegen."
VIERDE NACHTWAAK
Melancholie van den student Anselmus. De smaragden spiegel. Hoe archivaris Lindhorst als roofgier heenvloog en de student Anselmus niemand tegenkwam.
Mag ik niet eens ronduit uzelf, goedgunstige lezer, afvragen of gij in uw leven geen uren, ja dagen en weken, kendet, waarin al uw gewone handelen en streven een sterk kwellend misnoegen in u opwekte en waarin alles, wat gij anders gewichtig achtte en waard in zin en denken te dragen, u kinderachtig en armzalig voorkwam? Gij wist dan zelf niet, wat gij doen en waarheen gij u keeren zoudt; het duister gevoel, dat er ergens en te eeniger tijd een hoogen, den kring van alle aardsch genot te buitengaanden wensch zou moeten vervuld worden, dien zelfs de geest als een ingetoomd, schuw kind niet durfde uit te spreken, hief uw borst op en in dit uitzien naar het onbekende, dat u overal, waar gij stondt of gingt als een ijle droom met doorschijnende, bij scherper toezien vernevelende gestalten, omzweefde, werdt gij gesloten voor alles, wat er om u was. Gij sloopt rond met droeven blik als een die hopeloos bemint en alles, wat gij de menschen op zoo velerlei wijze in bonte dooreenwoeling zaagt verrichten, wekte bij u geen smart en geen vreugde, als behoordet gij deze wereld niet meer toe. Is het u, goedgunstige lezer, ooit zoo te moede geweest, dan kent gij uit eigen ervaring den toestand, waarin zich de student Anselmus bevond. Met dit al wenschte ik, dat het mij reeds gelukt ware u, genegen lezer, den student Anselmus goed levendig voor oogen te stellen. Want waarlijk, mij rest in de nachtwaken, die ik benut om zijn meer dan zonderlinge geschiedenis op te schrijven, nog zooveel wonderlijks te verhalen, -- dat als een opdoemende verschijning het alledaagsche leven van heel gewone menschen in bovenzinnelijke sferen hief --, dat ik bevreesd ben, u ten slotte nòch aan den student Anselmus, nòch aan den archivaris Lindhorst meer te zien gelooven, ja u zelfs eenigen ongerechtvaardigden twijfel te zien koesteren aan den conrector Paulmann en den griffier Heerbrand, terwijl toch zeker de laatstgenoemde achtbare mannen nu nog in Dresden rondwandelen. Beproeft eens, genegen lezer, in dat tooversprokige rijk, vol van prachtige wonderen, die de opperste vervoering zoowel als de diepste ontzetting met zware slagen in 't leven roepen, waarin zelfs de ernstige godin haar sluier oplicht, zoodat wij haar aangezicht wanen te aanschouwen -- ofschoon vaak een glimlach uit den ernstigen blik komt schemeren, die de plaaggrage scherts is, welke door allerlei verstrikkende tooverij met ons speelt, zooals een moeder vaak met haar liefste kinderen te stoeien weet -- ja, beproeft eens, genegen lezer, in dit rijk, dat de geest ons zoo dikwerf, tenminste in droom, ontsluit, de bekende gestalten, gelijk die dagelijks, zooals men pleegt te zeggen: in het leven van elken dag rond, u heen gaan, weder te vinden. --
Dan zult gij gaan gelooven, dat dit heerlijke rijk veel dichterbij ligt, dan gij anders meendet, iets, wat ik nu juist zoo gaarne zien zou en u ook door de buitengewone historie van den student Anselmus poog te kennen te geven.
Dus, als gezegd, de student Anselmus geraakte sedert den bewusten avond, waarop hij den archivaris Lindhorst had gesproken, in een dof-droomerigen toestand, die hem voor iedere uiterlijke aanraking van het dagelijksch gewoonte-leven ongevoelig maakte. Hij werd gewaar, hoe zich iets onbegrepens in zijn innerlijk bewoog, dat in hem de verrukkingsvolle smart veroorzaakte, die het smachten is, hetwelk den mensch een ander, hooger zijn belooft. Het liefst wilde hij maar door weiden en wouden dwalen, om als vrijgemaakt van alles wat hem bond aan zijn kommerlijk bestaan, slechts door de aanschouwing der wisselende beelden die uit zijn wezensinnerlijk opkwamen, zichzelf als ware het te hervinden. Zoo schikte het zich, dat hij eenmaal op den terugweg van een verre wandeling, aan dien merkwaardigen vlierboom voorbijging, waaronder hij toenmaals, als in betoovering verstrikt, zooveel wonderlijks aanschouwde; machtig voelde hij zich door het groene, vertrouwd-bekende grasplekje aangetrokken, maar nauwelijks was hij daar nedergezeten, of alles wat hij toen als in bovenaardsche verrukking gezien had en dat als door een vreemde macht uit zijn ziel verdrongen was, zweefde hem weder in de zonnigste kleuren voor het oog, als zag hij het voor de tweede maal. Ja, nog duidelijker als toen werd het hem, dat de lieflijke blauwe oogen der goudgroene slang toebehoorden, die door het midden van den vlierboom zich omhoog wond, en dat in de windingen van dat slanke lijf al de heerlijke kristalklok-tonen moesten opschitteren, die hem van zaligmakende verrukking vervulden. Evenals op Hemelvaartsdag, omvatte hij den vlierboom en riep in de bladeren en twijgen: "O, slinger en strengel en wind u maar eenmaal nog door de twijgen, opdat ik u zien moge. -- En zie mij nog eenmaal aan met uw bezaligende oogen. Want ik min u en zal in smart en rouw ondergaan, als gij niet wederkeert." Maar alles bleef stom en onbewogen en als te voren ruischte de vlierboom onverstaanbaar met zijn bladeren en twijgen. Maar den student Anselmus was het, als begreep hij nu wat zich in zijn wezens-innerlijk zoo bewoog en weerde, dat het zijn borst met de pijn van eindeloos verlangen doorsmartte. "Is het dan iets anders," sprak hij, "als dat ik u zoo met mijn heele hart tot stervens toe liefheb, u heerlijke goudene kleine slang, ja zelfs niet leven kan zonder u en sterven zal in hopelooze ellende, wanneer ik u niet wederzie, u niet verkrijg tot geliefde des harten -- maar ik weet, gij wordt de mijne en dan zal alles, wat lichte droomen uit andere, verhevener sferen mij beloofden, zijn vervuld."
Nu begaf zich de student Anselmus iederen avond, als de zon nog slechts haar fonkelgoud in de toppen der boomen strooide, onder den vlierboom en riep met diepe stem op smartelijken toon in de bladeren en twijgen om de lieflijke beminde, de goudgroene kleine slang. Toen hij dit weer eens naar zijn gewonen trant deed, stond er opeens een lange, schrale man in een wijden, lichtgrijzen mantel gehuld, voor hem en riep, terwijl hij hem met groote, gloeiende oogen toornig aanzag: "Hei daar, wat kermt en huilt er toch zoo? -- Ha, ha, dat is Mijnheer Anselmus, die mijn manuscripten wil copieeren!" De student Anselmus ontstelde niet weinig van de ontzaglijke stem, want het was dezelfde, die op Hemelvaartsdag had geroepen: Heidaar, wat is dat voor een gemompel en gefluister etc. Van ontsteltenis en verbazing kon hij geen woord over de lippen brengen. -- "Nu, wat scheelt u dan Mijnheer Anselmus," ging archivaris Lindhorst voort (want geen ander was de man in den lichtgrijzen mantel) "wat wilt u van dien vlierboom en waarom is u niet bij mij gekomen, om met uw taak te beginnen?"
Inderdaad had de student Anselmus het nog niet over zich kunnen verkrijgen, den archivaris Lindhorst opnieuw in zijn woning te gaan opzoeken, ofschoon hij zich op dien bewusten avond heelemaal zoover had opgezweept; in dit moment echter, dat hij zijn schoone droombeelden, en nog wel door die zelfde vijandig-klinkende stem, die hem ook toen de geliefde ontroofd had, aan flarden voelde rijten, greep een soort wanhoop hem aan en heftiglijk uitte hij zich: "U kunt mij voor waanzinnig houden of niet, Mijnheer de archivaris, dat blijft mij hetzelfde, maar hier in dezen boom aanschouwde ik op Hemelvaartsdag de goudgroene slang -- o, de eeuwige geliefde van mijn ziel en zij sprak mij toe in heerlijke kristallen tonen, doch gij, gij, Mijnheer de archivaris, schreeuwdet en riept zoo ontzettend van over het water."
"Wat zeg je, waarde heer," viel archivaris Lindhorst hem in de rede, terwijl hij vreemd glimlachend een snuifje nam. De student Anselmus voelde zijn borst ruimer worden, toen het hem ten minste gelukt was over dat wonderlijke avontuur te beginnen en het scheen hem volkomen in orde, dat hij den archivaris ronduit beschuldigd had, degene geweest te zijn, die zoo van uit de verte gebulderd had. Hij vatte al zijn moed samen, zeggende: "Nu, dan zal ik u alles vertellen, wat mij op den avond van Hemelvaartsdag voor noodlottigs overkomen is en dan kunt u zeggen en doen en geheel over mij denken, wat u wilt."
Inderdaad vertelde hij nu heel de wonderlijke historie, van den ongeluksstap in den korf met appelen af tot het ontvlieden der drie goud-groene slangen over het water toe en ook hoe de menschen hem voor dronken of waanzinnig hielden. "Dit alles" eindigde de student Anselmus, "heb ik werkelijk gezien, en diep in mijn borst klinkt nog de lichte echo na der lieflijke stemmen, die tot mij spraken; geenszins was het een droom en wil ik niet sterven van liefde en verlangen, dan moet ik aan de goudgroene slangen denken, ofschoon ik aan uw glimlachen, waarde heer archivaris, wel zie, dat u juist deze slangen voor een kweeksel van mijn verhitte en te hoog gestookte verbeelding houdt." "Niet in het minst," hernam de archivaris met de grootste kalmte en gelatenheid, "de goudgroene slangen, die u, Mijnheer Anselmus, in den vlierstruik gezien hebt, waren namelijk mijn drie dochters en dat u door de blauwe oogen van de jongste, die Serpentina heet, in liefde ontstoken bent, blijkt nu wel voldoende. Ik wist het overigens reeds op Hemelvaartsdag en daar ik thuis, voor mijn werktafel gezeten, genoeg kreeg van het gelispel en getingel, riep ik de schalksche deernen toe, dat het tijd was om snel naar huis te gaan; want de zon ging reeds onder en zij hadden zich genoeg met zingen en het indrinken der stralen verlustigd."
Den student Anselmus was het, als werd hem in klare woorden iets gezegd, wat hij reeds lang voorvoeld had en ofschoon hij tegelijk meende te bemerken, dat vlierstruik, muur en grasgrond èn alle voorwerpen rondom zachtjes begonnen te draaien, vermande hij zich toch en wilde iets zeggen, doch de archivaris liet hem niet aan het woord komen, maar stroopte snel den handschoen van zijn linkerhand af en terwijl hij den student den zonderling vonken- en vlammenschietenden steen van een ring voor oogen hield, sprak hij: "Zie eens hier, waarde Mijnheer Anselmus, opdat gij u verblijden moogt, over wat gij aanschouwt". De student zag toe en wonderlijk! de steen wierp als uit een brandend middelpunt stralen rondom zich en die stralen versponnen zich tot een hel-lichten kristallen spiegel, waarin met velerlei windingen, nu eens voor elkander vliedend, dan weer zich ineenstrengelend, de kleine goudgroene slangen dansten en draaiden. En wanneer de slanke, duizendvonkig schitterende lijven elkander beroerden, weerklonken heerlijke accoorden als van kristallen klokjes en de middelste strekte als vervuld van smachtend verlangen het kopje ten spiegel uit, terwijl de blauwe oogen zeiden: "Gij kent mij dus -- gij gelooft dus aan mij, Anselmus? -- in het geloof slechts is de liefde -- gij kunt dus beminnen?" -- "O, Serpentina, Serpentina!" riep de student in uitzinnige vervoering, maar archivaris Lindhorst ademde haastig op den spiegel, toen voeren met electrisch geknetter de stralen in het brandpunt terug en aan zijn hand schitterde slechts weer een kleine smaragd, waarover de archivaris den handschoen schoof. "Hebt u de gouden slangetjes gezien, Mijnheer Anselmus?" vroeg archivaris Lindhorst. "God, ja," antwoordde de student, "en de bekoorlijke liefste Serpentina." "St," ging archivaris Lindhorst voort, "voor vandaag is het genoeg en overigens kunt u, indien u er toe besluit bij mij te komen werken, mijn dochter vaak genoeg zien, of liever, ik zal u dit genoegen verschaffen, wanneer u arbeidt, zooals het betaamt, dat is: met de grootste nauwkeurigheid en vlekkeloos ieder teeken overbrengt. Maar u komt heelemaal niet naar mij toe, ofschoon griffier Heerbrand mij verzekerde, dat u eerstdaags verschijnen zoudt en ik daarom verscheidene dagen vergeefs wachtte."
Zoodra archivaris Lindhorst den naam Heerbrand noemde werd het den student Anselmus weder te moede, als stond hij met beide voeten op den grond en als was hij werkelijk de student Anselmus en de voor hem staande persoon de archivaris Lindhorst. De onverschillige toon, waarop deze sprak, had in schrille tegenstelling met de wonderlijke verschijnselen, die hij als een baarlijke nekromant te voorschijn riep, iets huiveringwekkends, dat door den stekenden blik van de fonkel-oogen, die uit de beenige holten in het magere, doorgroefde gezicht als uit een zaadhuis straalden, nog verhoogd werd en machtig beving den student hetzelfde verontrustende gevoel, dat hem reeds in het koffiehuis overmand had, toen de archivaris zooveel avontuurlijkheden vertelde. Slechts moeizaam kwam hij tot zichzelf en toen de archivaris nog eens vroeg: "Nu, waarom is u dan niet bij mij gekomen?" vatte hij den moed, alles te verhalen wat hem aan de voordeur overkomen was. "Beste Mijnheer Anselmus," zeide de archivaris, toen de student zijn verhaal beëindigd had, "beste Mijnheer Anselmus, ik ken die appelvrouw wel, waarover u het hadt; het is een ongeluksschepsel, dat allerlei streken tegen mij uithaalt, maar dat zij zich heeft laten bronzen om als deurklopper de mij aangename bezoeken te verjagen, dat is inderdaad ergerlijk en niet te verdragen. Als u maar, beste Mijnheer Anselmus, wanneer u morgen om twaalf uur naar mij toekomt en u merkt weer iets van dat aangrijnzen en dat geratel, haar een weinig van dit vocht op den neus zoudt willen druppelen, dan komt alles dadelijk in het reine. En nu, gegroet, beste Mijnheer Anselmus, ik ga wat sneller heen en wil daarom niet van u vergen, dat u met mij medegaat naar de stad. Gegroet, tot ziens, morgen om twaalf uur."
De archivaris had den student Anselmus een klein fleschje met goudgeel vocht gegeven en schreed nu haastig heen, zoodat hij in de diepe schemering, die intusschen gezonken was, meer in het dal neder scheen te zweven, dan te gaan. Reeds was hij in de nabijheid van den Koselschen tuin, toen de wind onder zijn wijden mantel kwam en de einden uit elkaar dreef, zoodat zij als een paar groote vleugels in de ruimte fladderden en het den student Anselmus, die vol verwondering den archivaris nazag, toescheen, als breidde een groote vogel de vlerken uit tot een snelle vlucht. En toen de student daar zoo staarde in de schemering, verhief zich met krassend schreeuwen een grauw-witte gier hoog in de lucht en nu zag hij, hoe het witte gefladder, dat hij nog steeds voor den voortschrijdenden archivaris gehouden had, al die gier moest geweest zijn, ofschoon hij niet begrijpen kon, waar de archivaris dan opeens verdwenen was. "Hij kan ook wel in eigen persoon weggevlogen zijn, die archivaris Lindhorst," zeide de student tot zichzelf, "want ik zie en voel nu wel, dat al de vreemde gedaanten uit de verre, wonderenrijke wereld, die ik anders slechts in zeer enkele merkwaardige droomen aanschouwde, in mijn bewogen waakbestaan zijn getreden en hun spel met mij drijven. Dit zij hoe het zij. Gij leeft en gloeit in mijn hart, lieflijke, liefste Serpentina en slechts gij kunt het eindelooze smachten koelen, dat mij verteert.
"Wanneer zal ik u in de bezaligende oogen zien -- lieve, lieve Serpentina!" ---- Aldus riep de student Anselmus hardop. -- "Wat een verachtelijke, onchristelijke naam," bromde een basstem naast hem, welke die van een huiswaarts-keerenden wandelaar was. De student Anselmus, er ter rechter tijd aan herinnerd, waar hij zich bevond, snelde haastig vandaar, terwijl hij dacht: "Zou het niet een echte rampspoed zijn, als ik nu conrector Paulmann of griffier Heerbrand eens tegenkwam? --"
Doch hij ontmoette geen van die beiden.
VIJFDE NACHTWAAK
De vrouw van den hofraad Anselmus. Cicero de officiis. Meerkatten en ander gespuis. De oude Lize. Het aequinoctium.[5]
[Voetnoot 5: dag-en-nachtevening.]