Chapter 2
Nu raapte hij pijp en tabakszak, die de student had laten vallen op en zeide, terwijl hij hem beide toestak: "Laat mijnheer toch niet zoo akelig in het donker blijven staan lamenteeren en laat hij de voorbijgangers niet uit hun humeur brengen, als hem toch niets anders scheelt, dan dat hij te diep in 't glaasje heeft zitten kijken, laat mijnheer doodbedaard naar huis gaan en zich lekker op één oor leggen." De student Anselmus schaamde zich zeer en liet een klagelijk "ach" hooren. "Nu, nu," ging het burgermannetje voort, "laat mijnheer het zich niet te veel aantrekken, zoo iets overkomt den besten, en op den lieven Hemelvaartsdag kan men wel in de vreugde des harten een glaasje over den dorst drinken. Dat kan zelfs een man des Heeren wel overkomen, mijnheer is toch candidaat, nietwaar. Maar als mijnheer het toestaat, stop ik mij een pijpje van zijn tabak, de mijne heb ik daarboven opgebruikt." Dit zeide de burger toen de student Anselmus pijp en tabaksbuidel reeds wilde opbergen en nu reinigde de burger langzaam en welberaden zijn pijp, en begon die even langzaam te stoppen. Er waren verscheidene burgermeisjes bij gekomen, die heimelijk spraken met de juffrouw en onder elkaar gichelden, terwijl zij naar Anselmus keken. Hem was het of hij stond op louter spitse doornen en gloeiende naalden. Zoodra hij pijp en tabakszak weerom had, rende hij spoorslags heen. Alles, wat hij aan wonderlijks gezien had, was zuiver uit zijn denken verdwenen en hij was zich enkel bewust, onder den vlierboom allerlei dwaasheden te hebben staan verkonden, wat hem te pijnlijker was, omdat hij van jongsaf een innerlijken hekel aan alle in zichzelfsprekenden gevoed had. Satan spreekt uit hen, zeide zijn rector, en dat geloofde hij inderdaad. De gedachte, gehouden te worden voor een op Hemelvaartsdag beschonkenen theol. cand. was hem onverdraaglijk. Reeds wou hij de populierenlaan bij den Koselschen tuin inslaan, toen een stem hem achterna riep: "Mijnheer Anselmus, mijnheer Anselmus, waar loopt u in 's hemelsnaam zoo gehaast heen?" De student bleef als in den grond vastgeworteld staan, overtuigd, dat nu dadelijk weer een nieuw ongeval hem overkomen zou. En wederom liet de stem zich hooren: "Mijnheer Anselmus, komt u toch terug, wij wachten hier aan 't water." Nu hoorde de student pas, dat het zijn vriend conrector Paulmann was, die hem riep; hij ging terug naar de Elbe, om den conrector te vinden met zijn beide dochters, alsook den griffier Heerbrand, die juist bezig waren in een gondel te stappen. Conrector Paulmann noodigde den student uit, met hem over de Elbe te varen, om dan in zijn woning in de Pirnasche-voorstad den avond verder door te brengen. Bijzonder gaarne nam de student Anselmus dit aan, omdat hij zoo aan het noodlot, dat hem heden beheerschte, geloofde te ontkomen. Toen zij nu over den stroom voeren, gebeurde het, dat aan de andere zijde bij den Antonschentuin, een vuurwerk werd afgestoken. Knetterend en sissend schoten raketten de hoogte in en lichtende sterren spatten uiteen in de lucht, tallooze knisterende stralen en vlammen rond zich spreidend.
De student Anselmus zat stom bij den roeienden schipper, toen hij echter in het water den weerschijn van de in de lucht rondspattende en knetterende vlammen en vonken zag, was het hem als trokken de gouden slangetjes door den vloed. Al het wonderlijke, wat hij onder den vlierboom aanschouwd had, werd weder levend in zijn geest en opnieuw greep hem aan het onuitzegbare smachten, het brandend verlangen, dat ook daar zijn borst met beklemmend smartvolle verrukking had vervuld. "O, zijt gij daar weder, gouden slangetjes, zing toch, zing! Door uw gezang komen weer voor mij op die donkerblauwe, lieflijke oogen -- o, zijt gij dan onder de wateren?" -- Zoo riep de student Anselmus en maakte er een schichtige beweging bij, als wilde hij zich zoo uit den gondel in de rivier werpen. "Is mijnheer bezeten?" riep de schipper en greep hem bij zijn jaspand. De meisjes, die nevens hem gezeten hadden, schreeuwden van schrik en vluchtten naar de andere zijde van den gondel; de griffier Heerbrand zeide conrector Paulmann iets aan 't oor, waarop deze verscheidene dingen antwoordde, waarvan de student Anselmus slechts verstond: "Dergelijke aanvallen, nog niet opgemerkt?"
Dadelijk daarna stond ook conrector Paulmann op en zette zich met een ernstig, gewild-deftig ambtsgezicht naast den student, nam diens hand en sprak: "Wat scheelt u, mijnheer Anselmus?" Den student Anselmus verging bijna het verstand, want zijn innerlijk doorwoedde een felle tweestrijd, die hij vergeefs trachtte te bedwingen. Hij zag nu wel klaar in, dat hetgeen hij voor het schitteren der gouden slangetjes gehouden had, slechts den weerschijn was van het vuurwerk in Antons tuin, doch een nooit gekend gevoel, was het vreugde, was het smart, hij wist het niet, deed zijn borst samenkrimpen, en toen de schipper zoo met de riemen in 't water sloeg, dat het als in toorn omkrullend, plaste en ruischte, vernam hij uit het gebruis een heimelijk lispelen en fluisteren: "Anselmus, Anselmus! Ziet gij niet, hoe wij steeds voor u uittrekken? Het zustertje ziet je weer aan -- geloof -- geloof -- geloof aan ons." -- En hem was het, als zag in den weerschijn hij drie groengloeiende strepen. Maar toen hij dan diep weemoedig in het water neerzag, of nu uit den vloed de goddelijke oogen niet opstaren zouden, werd het hem bewust, dat de schijn slechts van de verlichte vensters der naburige huizen kwam. Stom zat hij daar, innerlijk doorstreden, en conrector Paulmann zeide dringender: "Wat scheelt u, mijnheer Anselmus?" Benepen antwoordde de student: "Och, beste conrector, wanneer u wist, wat ik zooeven onder een vlierboom bij den Linkeschen tuinmuur klaarwakker met open oogen voor zonderlinge dingen gedroomd heb, och, u zoudt het mij gansch niet ten kwade duiden, dat ik nu als 't ware zoo verstrooid ben." -- "Zoo, zoo, mijnheer Anselmus," viel conrector Paulmann hem in de rede, "ik heb u altijd voor een degelijk jongmensch gehouden, maar droomen, droomen met wijdopen oogen, en dan opeens in 't water willen springen, dat doen -- neem mij niet kwalijk -- alleen waanzinnigen of dwazen." -- De student Anselmus was diep geschokt door de strenge woorden van zijn vriend, toen zeide Paulmann's oudste dochter Veronika, een lief, bloeiend meisje van zestien jaar: "Maar, beste vader, er moet mijnheer Anselmus toch iets heel bijzonders overkomen zijn en hij gelooft wellicht slechts, dat hij wakker was, ofschoon hij onder den vlierboom werkelijk heeft geslapen en zich allerlei dwaze dingen aan hem hebben voorgedaan, die hem nu nog in de gedachten hangen." "En, beste juffrouw, waarde conrector," zoo nam de griffier Heerbrand het woord, "waarom zou men niet wakend in een soort droomerigen toestand kunnen verzinken? Zoo is mij zelf waarlijk eens 's middags na de koffie in een dergelijke gevoelloosheid, wanneer eigenlijk de lichamelijke en geestelijke spijsvertering plaats vindt, de ligplaats van een verloren document in de gedachte gekomen en gisteren nog danste op dezelfde manier een prachtig groot Latijnsch manuscript voor mijn wijd open oogen." "Och, mijn beste griffier," antwoordde conrector Paulmann, "u hebt altijd een neiging tot het poëtische gehad en dan vervalt men zoo licht in het fantastische en romaneske." Maar het deed den student Anselmus toch goed, dat men in den diep treurigen toestand voor dronken of waanzinnig gehouden te worden, zich zijner aantrok en ofschoon het tamelijk duister geworden was, meende hij voor de eerste maal op te merken, dat Veronika heel mooie, donkerblauwe oogen had, zonder dat hem het wonderlijke oogenpaar, in den vlierboom aanschouwd, voor den geest kwam. Den student Anselmus was dan ook opeens weer het avontuur onder den vlierboom uit den geest gegaan, hij gevoelde zich vroolijk en licht. Ja, hij ging in blijden overmoed zoo ver, dat hij bij het uit den gondel stappen, zijn pleitbezorgster Veronika de behulpzame hand bood en aarzelloos, als zij haar arm door den zijnen boog, haar met zooveel handigheid en geluk naar huis geleidde, dat hij maar een enkele maal uitgleed en daar het juist de eenige modderige plek op den geheelen weg was, Veronika's witte kleedje maar heel weinig bespatte. Aan conrector Paulmann ontging de gelukkige verandering van den student Anselmus niet, hij voelde zich weer zacht tegenover hem gestemd en vroeg hem om verontschuldiging voor de harde woorden, die hij zich had laten ontglippen. "Ja," voegde hij er aan toe, "er zijn wel voorbeelden van van, dat zekere waanvoorstellingen zich aan den mensch voordoen en hem ernstig kwellen en beangstigen kunnen, maar dan is het een lichamelijk onwelzijn en daartegen helpen bloedzuigers, die men, salva venia, van achteren moet aanzetten, zooals een beroemd, nu overleden, geleerde bewezen heeft." De student Anselmus wist nu zelf niet meer of hij dronken, waanzinnig of ziek was geweest, in elk geval leken de bloedzuigers hem volkomen overbodig, daar de vermeende waanvoorstellingen ganschelijk waren verdwenen en hij al vroolijker werd, naarmate het hem gelukte zich schertsenderwijze met de lieve Veronika bezig te houden. Als gewoonlijk werd er muziek gemaakt na den soberen maaltijd, de student Anselmus moest zich zetten aan 't klavier en Veronika deed heur klare stemme hooren. -- "Beste juffrouw," zeide de griffier Heerbrand, "u hebt een stem als een klokje van kristal." "Dat is niet waar," schoot de student Anselmus uit, hij wist zelf niet hoe, terwijl allen hem verwonderd en ontstemd aanzagen. "Kristallen klokjes luiden in vlierboomen wonderlijk, wonderlijk" -- ging de student Anselmus mompelend voort. Toen legde Veronika hem de hand op den schouder en zei: "Waarover spreekt u toch, mijnheer Anselmus?" Dadelijk werd de student weer opgeruimd en begon te spelen. Conrector Paulmann zag hem donker aan, maar de griffier Heerbrand legde een muziekstuk op den lessenaar en zong tot aller verrukking een bravour-aria van kapelmeester Graun. Veel nog accompagneerde de student Anselmus en een gefugeerd duet, dat hij met Veronika voordroeg en door conrector Paulmann zelf was gecomponeerd, bracht allen in de beste stemming. Tamelijk laat was het geworden en de griffier Heerbrand nam hoed en stok, toen conrector Paulmann geheimzinnig naar hem toe ging en sprak: "Hm, zou u niet, mijn waarde griffier, onzen besten mijnheer Anselmus zelf -- enfin, waar wij tevoren over spraken." "Met het meeste genoegen," antwoordde de griffier Heerbrand, en begon, nadat men zich in een kring geschaard had, zonder meer als volgt:
"Er woont hier in deze plaats een wonderlijke, merkwaardige oude man; men zegt, dat hij aan allerlei geheime wetenschappen doet, maar aangezien die eigenlijk niet bestaan, houd ik hem meer voor een vorschenden oudheidkundige, en daarbij ook een proeven-nemenden chemicus. Ik bedoel niemand anders dan onzen geheimen archivaris Lindhorst. Hij woont, zooals gij weet, alleen in zijn oud, afgelegen huis en wanneer hij niet in dienst is, kan men hem vinden in zijn bibliotheek, of in zijn chemisch laboratorium, waar hij echter niemand toelaat. Behalve vele, zeldzame boeken bezit hij een aantal deels in Arabische en Koptische en deels in tot geen der bekende talen behoorende letterteekens geschreven manuscripten. Deze wil hij goed laten copiëeren en heeft daartoe iemand noodig, die bekwaam met de pen kan teekenen, om met de grootste nauwkeurigheid en getrouwheid alle teekens op perkament, met Oost-Indischen inkt, over te dragen. Hij zal hem in een aparte kamer van zijn huis onder zijn toezicht laten werken, betaalt hem, behalve het vrije maal, voor iederen dag een thaler en belooft nog een belangrijk geschenk, als de afschriften goed en wel klaar zijn. De arbeidsduur is dagelijks van twaalf tot zes. Van drie tot vier wordt er gerust en gegeten. Omdat hij reeds met een paar jongelui tevergeefs geprobeerd heeft, ze die manuscripten te laten copiëeren, heeft hij zich eindelijk tot mij gewend, om hem een geschikten teekenaar te verschaffen; toen heb ik aan u gedacht, beste mijnheer Anselmus, want ik weet, dat u niet alleen zeer sierlijk schrijft, maar ook met de pen heel zuiver en net kunt teekenen. Wanneer u dus in dezen slechten tijd tot aan uw eventueele aanstelling dagelijks den thaler wilt verdienen en het geschenk nog daarbij, vervoeg u dan morgen precies om twaalf uur bij den Archivaris, wiens woning u wel bekend zal zijn. Maar hoedt u voor iedere inktvlek; valt die op het afschrift, dan moet u van voren afaan beginnen, valt die op het origineel, dan is de Archivaris in staat u het raam uit te werpen, want het is een driftig mensch."
De student Anselmus was vol warme blijdschap over het verzoek van den griffier Heerbrand, want niet alleen kon hij sierlijk schrijven en met de pen teekenen, maar het was hem een hartstocht te copiëeren met moeizaam teekenen der letters; hij bedankte daarom zijn beschermers in de meest beleefde termen en beloofde het middaguur van den volgenden dag niet te zullen verzuimen. Des nachts zag de student Anselmus niets dan blanke thalers en hoorde hun lieflijken klank.
Wie zal dat den armen jongen aanrekenen, die al in zoo menige hoop door nukkigen tegenspoed was bedrogen, die iederen heller tweemaal moest omdraaien en zich menig genot, waar jonge levenslust naar haakt, moest ontzeggen? -- Reeds in den vroegen morgen zocht hij zijn potlooden, zijn ganzepennen en zijn Oost Indischen inkt bij elkaar; want betere materialen, dacht hij, zal de Archivaris nergens vinden. Voor alles echter ordende en schiftte hij zijn calligrafische proefstukken en zijn teekeningen, om ze den Archivaris, als bewijs zijner bekwaamheid om het verlangde te verrichten, te toonen. Alles liep prachtig van stapel, een bijzondere geluksster scheen over hem te heerschen, zijn das zat bij het eerste vastknoopen dadelijk zooals zij behoorde, er sprong geen naad, geen steek viel er in zijn zwart-zijden kousen, niet éénmaal rolde zijn hoed in het stof, toen hij hem reeds keurig geborsteld had.
Kortom -- op slag van halftwaalf stond de student Anselmus in zijn grijs-groenen overrok en zijn onderkleed van zwart atlas met een rol calligraphieën en penteekeningen in den zak, reeds in de Schlossgasse in den winkel van Conradi en dronk één -- twee glaasjes van de beste maagbitter, want hier, dacht hij, terwijl hij op zijn dan nog leegen zak klopte, zullen weldra gemunte thalers rammelen. Ondanks den langen weg tot in de eenzame straat waar het overoude huis van den archivaris Lindhorst zich bevond, was de student Anselmus toch voor twaalf uur aan de voordeur. Daar stond hij en bestaarde den prachtigen, grooten bronzen deurklopper; maar toen hij nu met den laatsten de lucht met machtig geluid doordreunenden slag van de torenklok der Kruiskerk den deurklopper grijpen wilde, vertrok zich het metalen gezicht in een weerzinwekkend spel van blauwbrandende lichtblikken tot een grijnzend lachen. Ach, het was het appelenwijf van de zwarte Poort. De spitse tanden klapperden in den slappen mond op elkaar, en al klepperend snorde het: o dwaas, o dwaas, dwaas, wacht maar, wacht maar, waarom was je doorgerend, dwaas! Ontzet tuimelde de student Anselmus terug, hij wilde de deurpost grijpen, maar zijn hand haakte in het bellekoord en trok er aan, toen luidde het harder en harder in schrille dissonanten en door het gansche leege huis riep en spotte de echo: "Dra je val in 't kristal." -- Een ijzen greep den student aan, dat als krimpende koortskoude door al zijn leden beefde. Het bellekoord zonk omlaag en werd een witte, doorzichtige reuzenslang, die zich om hem wond en hem drukte, snoerend vaster en vaster haar kronkels te zamen, tot zijn weeke verbrijzelde ledematen knakkend afbrokkelden en het bloed uit zijn aderen sprong en indrong in het doorzichtige lijf der slang, dat rood werd gekleurd. -- "Doodt mij, doodt mij," wilde hij gillen in den verdwazenden angst, maar zijn schreeuwen was een dof gerochel. -- De slang hief haar kop omhoog en legde haar lange spitse tong van gloeiend erts op de borst van Anselmus, een snijdende pijn sneed de polsader zijns levens af en zijn gedachten vergingen.
Toen hij weer tot bewustzijn kwam, lag hij in zijn armelijk bedje en voor hem stond conrector Paulmann, die zeide: "Wat begaat gij toch om 's Hemels wil voor dwaasheden, mijn beste mijnheer Anselmus!"
DERDE NACHTWAAK
Tijding van de familie van den archivaris Lindhorst. Veronika's blauwe oogen. Griffier Heerbrand.
De geest zag neder op het water, toen roerde het zich en bruiste op met schuimende golven en stortte donderend zich in de afgronden, die hun zwarte muilen opsperden om het gulzig te verslinden. Als overwinnaars triomfantelijk hieven de granietrotsen hare spits-kronige hoofden omhoog, het dal beschuttend, totdat de zon het in haren moederschoot nam en het met haar stralen als met gloeiende armen omvangend, koesterde en warmde. Toen ontwaakten duizenden kiemen, die onder het dorre zand gesluimerd hadden uit diepen slaap en hieven haar groene blaadjes en stengels tot het aangezicht der moeder, terwijl als stillachende kinderen in wieg van groen kleine bloemen rustten in de bloesems en knoppen, totdat ook zij ontwaakten, door de moeder gewekt en zich sierden met de lichtjes, die de moeder, om haar vreugde te bereiden, met een bonte veelvuldigheid van tinten gekleurd had. Doch in het midden van het dal stond een zwarte heuvel en die hief zich op en neer gelijk de borst van een mensch, wanneer brandend smachten haar zwellen doet.
Uit de afgronden kolkten nevels omhoog en zich samenklompend tot geweldige massa's trachtten zij boosaardig het aangezicht der moeder te bedekken; deze riep echter den storm te hulp, die er doorheen voer en ze verstuiven deed en toen de zuivere straal weder den zwarten heuvel raakte, schoot uit de overvloeiende verrukking een heerlijke vuurlelie op, de schoone bladeren openend als lieflijke lippen, om der moeder zoete kussen te ontvangen.
Nu ging een glanzend lichten door het dal; dat was de jongeling Phosphorus, dien de vuurlelie zag en smeekte, in ban van brandend liefdesmachten: "O, wordt voor eeuwig de mijne, gij schoone jongeling! Want ik min u en moet sterven, indien gij mij zoudt verlaten."
Toen zeide de jongeling Phosphorus: "De uwe wil ik zijn, schoone bloem, maar dan zult gij, als een ontaard kind, vader en moeder verlaten, uw speelgenooten niet meer kennen, grooter en machtiger zult gij willen zijn dan allen, die thans als uws gelijken met u de vreugde genieten.
"Het vuur des verlangens, dat nu uw gansche wezen weldadig verwarmt, zal in honderden stralen uitschietend u kwellen, u folteren, want de bezinning zal de zintuigen voortbrengen, en de hoogste vervoering, die de vonk, welke ik in u werp, ontsteekt, is hopelooze smart, waarin gij ondergaat, om er later weer vreemd-geaard uit te ontbloeien. -- Deze vonk is de gedachte." -- "Ach," klaagde de lelie, "kan ik dan de uwe niet zijn in den gloed, gelijk die thans in mij brandt? Zoude ik u nog meer kunnen minnen dan nu en zoude ik u als thans kunnen aanschouwen, wanneer gij mij vernietigt?"
Toen kuste haar de jongeling Phosphorus en als licht doorschoten brandde zij op in vlammen, waaruit een zonderling wezen ontsproot, dat haastig het dal ontvliedend in de eindeloosheid rondwiekte, en zich niet meer bekommerde om de speelgenooten der jeugd of om den geliefden jongeling. Deze klaagde om de verloren geliefde, want louter de eindelooze min voor de schoone lelie had hem naar het eenzame dal gevoerd en de granietrotsen bogen in deelname hare hoofden voor des jongelings jammerklacht. Doch eene opende haren schoot en een zwart gevleugelde draak kwam er ruischend uitfladderen, die sprak: "Mijn broederen, de metalen slapen daar binnen, maar ik ben steeds waakzaam en stout, ik zal u helpen." In een wijde op-en-neder-vlucht vatte eindelijk de draak het wezen, dat aan de lelie ontsproten was, droeg het den heuvel op en omsloot het met zijn gevederte; toen was het de lelie weder, maar het blijven der gedachte verscheurde haar binnenste en de liefde tot den jongeling Phosphorus werd een snijdend wee, waardoor -- van giftigen wasem beademd -- de kleine bloemen, anders zoo door haar blik verblijd, verwelkten en stierven.
De jongeling Phosphorus omgordde zich met een glanzende wapenrusting, waarin een veeltintig stralenspel was en streed tegen den draak, die met zijn zwart gevederte tegen het pantser sloeg, zoodat het een hellen weerklank gaf; door dat machtig geluid leefden de kleine bloemen weer op en om fladderden als bonte vogelen den draak, wiens krachten zwonden en die zich overwonnen in den schoot der aarde verborg. De lelie was bevrijd, de jongeling Phosphorus omving haar vervuld van het verlangen-branden der bovenaardsche liefde en in een jubelhellen lofzang huldigden haar bloemen, vogelen en zelfs de hooge granietrotsen als koningin van het dal.
-- "Met uw welnemen, dat is Oostersche bombast, waarde heer archivaris," zeide de griffier Heerbrand, "en wij verzochten u toch, zooals u dat anders wel pleegt te doen, ons iets uit uw hoogst eigenaardig leven, bijvoorbeeld van uw reis-avonturen en dan iets waarlijk-gebeurds te verhalen." "Wat wilt gij dan," antwoordde archivaris Lindhorst, "dat, wat ik daar juist vertel, is het meest werkelijke, dat ik voor ulieden kan opdisschen en het behoort in zekeren zin ook tot mijn leven. Want ik stam juist uit dat dal en de vuurlelie, die daar eindelijk als Koningin heerschte is mijn over-over-over-over-grootmoeder, zoodat ik dan ook eigenlijk een prins ben."
Allen braken in schaterlachen uit. "Ja, lacht maar van ganscher harte," ging archivaris Lindhorst voort, "ulieden kan datgene, wat ik weliswaar in gebrekkige omtrekken heb medegedeeld, zinloos en dwaas toeschijnen, desniettegenstaande is het volstrekt niet ongerijmd of ook maar allegorisch bedoeld, doch woordelijk waar. Hadde ik echter geweten, dat de heerlijke liefdeshistorie, waaraan ook ik mijn ontstaan dank, u zoo slecht bevallen zou, dan had ik liever van de verschillende nieuwigheden verteld, waarmede mijn broeder mij gisteren bij zijn bezoek verraste."
"Kom, hoe dat? Hebt u dan een broeder, mijnheer de archivaris? -- waar is die dan -- waar woont hij? Ook in dienst des Konings of is het misschien een ambteloos levend geleerde?" -- vroeg men van alle kanten. -- "Neen!" antwoordde de archivaris, heel koel en bedaard een snuifje nemend, "die is den verkeerden weg op gegaan en heeft zich onder de draken begeven." -- "Heb ik dat goed verstaan? beste archivaris," zoo nam griffier Heerbrand het woord, "onder de draken?" "Onder de draken?" weerklonk het van alle kanten als een echo.
-- "Ja, onder de draken," vertelde archivaris Lindhorst verder, "eigenlijk geschiedde het uit wanhoop. Gij weet, heeren, dat mijn vader voor zeer kort stierf; het is nu hoogstens driehonderd-vijf-en-tachtig jaar geleden, waarom ik ook nog rouw draag, en die had aan mij, zijn lieveling, een prachtige onyx vermaakt, die mijn broeder absoluut bezitten wilde. Daarover twistten wij bij het lijk van onzen vader op onbetamelijke wijze, totdat de overledene, die zijn geduld verloor, opsprong en mijn slechten broeder de trappen af wierp. Dit maalde mijn broeder door het hoofd en hij ging op staanden voet onder de draken. Nu houdt hij zich op in een cypressenwoud dicht bij Tunis, alwaar hij een mystischen Karbonkelsteen moet bewaken, welke een duivelskerel van een nekromant[4], die een zomerverblijf in Lapland betrokken heeft, poogt te bemachtigen, waarom hij dan ook maar voor een kwartiertje, juist als de nekromant in den tuin zijn salamanderbedden verzorgt, kan uitbreken, om mij in de gauwigheid te vertellen, welk goed nieuws er aan de bronnen van den Nijl is."
[Voetnoot 4: eigenlijk: doodenbezweerder.]