De Gouden Vaas

Chapter 1

Chapter 13,379 wordsPublic domain

Produced by Louise Hope, Frank van Drogen, Miranda van de Heijning and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net

E. T. A. HOFFMANN

DE GOUDEN VAAS

EEN SPROOKJE UIT DEN NIEUWEN TIJD

Vertaling Karel Wasch

WB Wereldbibliotheek

* * * * *

DE GOUDEN VAAS

* * * * *

WERELD · BIBLIOTHEEK Onder leiding van L. Simons

[Illustratie: BOEKEN ZIJN DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN.]

Uitgegeven Door: De Maatschappij Voor Goede En Goedkoope Lectuur · Amsterdam

E. T. A. Hoffmann DE GOUDEN VAAS

Een Sprookje Uit Den Nieuwen Tijd

Vertaling Karel Wasch

INHOUD Bldz.

Inleiding V Eerste Nachtwaak 1 Tweede " 8 Derde " 17 Vierde " 24 Vijfde " 32 Zesde " 42 Zevende " 51 Achtste " 58 Negende " 68 Tiende " 77 Elfde " 84 Twaalfde " 90

INLEIDING

Hoe weinig kent men ten onzent de fantastische en geestige geschriften van Ernst Theodor Amadeus Hoffmann, rechter, kapelmeester, componist, teekenaar, puntdichter, maar toch vooral verteller! Verteller uit den tijd der romantiek -- een neo-romantiker noemde Goethe hem met eenige schamperheid -- maar ten onrechte veel minder genoemd, in deze dagen, nu de belangstelling voor dit tijdvak ook hier herleeft, dan anderen.

Ten onrechte, in zeker opzicht althans. Want het is waar dat zijn omvangrijke werk (omvangrijk alleen al, waar men slechts aan het zuiver literaire denkt, en de beschouwingen over muziek enz. ter zijde laat) vele fouten aankleven. Zijn fantasie vervalt dikwijls in een met den besten wil niet anders dan kinderachtig te noemen belangstelling in vulgair bijgeloof. Hij tracht ons, met een welsprekendheid een betere zaak waardig, bang te maken voor de banaalste bakersprookjes. Hekserij, griezeligheid van de grofste soort, ziekelijke, smakelooze detailbeschrijving van perverse neigingen en perverse daden, een weerzinwekkende en in den grond onartistieke voorkeur voor onopgeloste problemen van spokerij en somnambule-toeren bederft sommige van de fijnst gecomponeerde, geestigst geschreven verhalen. De zelfcritiek was levendig genoeg in hem, om hem meermalen in staat te stellen tot een allervermakelijkst den spot drijven met die eigen neiging, zijn zelfbeheersching was niet groot genoeg om hem te bewegen zulke perioden ganschelijk weg te laten of te schrappen. Hij kon zichzelf kastijden, zichzelf bespotten; zichzelf verbeteren kon hij niet. Hij is dikwijls bij zijn vertellingen vol fijne stemming en fijnen humor zoozeer om een intrige verlegen, dat hij die halen moet uit de meest verwarde, meest onzinnige gegevens van het platte bijgeloof.

Of, als hij het niet in het griezelige zoekt, kan hij somtijds ook op een ander terrein droevig dwalen. Zoo mooi en lief als sommige van zijn sprookjes zijn, zoo mislukt zijn andere in hun omslachtigheid, eindeloosheid en verwarring. Alsof hij er telkens een stukje bij geschreven had zonder het voorgaande over te lezen, zich hopeloos verwikkelend in een warnet van zijn eigen allegorie, zich ternauwernood reddende door zijn nooit falende geestigheid, zich als Münchhausen, met een tour-de-force, meer vernuftig dan overtuigend, aan de haren optrekkend uit het moeras.

Dit laatste gebrek is eigen ook aan zijn beste vertellingen. Hoe eindeloos zijn de verwikkelingen, hoe verbijsterend is de voortdurend een ander karakter aannemende allegorie in Meister Floh, in Princessin Brambilla, de door Baudelaire terecht zoo geprezen verhalen.

Weinig in Baudelaire's mooien bundel "Curiosités esthétiques" besproken kunst voldoet intusschen zoozeer aan de verwachtingen, door dezen titel opgewekt, weinig kunst, beeldende of woordkunst is zóó esthetisch en tevens zóó curieus.

Welk een beeldenrijkdom, welk een beschrijvingskunst, welk een schoone fantasie ook, die de minder schoone verdringt, welk een gemoedelijke fijne, somtijds werkelijk edele humor in deze bizarre vertellingen! Hoe groot is de levenswijsheid, daarin op de meest onverwachte wijze, in den meest oorspronkelijken vorm getoond! Hoezeer is hier zelfs het eeuwig raisonneeren en voor en tegen pleiten, en hoezeer zijn de uitwijdingen en de terzijdetjes tot den lezer en de geheimpjes met den lezer, amusant en genoegelijk! En die beschrijving van zulke in anderen vorm nauwelijks meer te genieten bedenksels als feeëngewaden, kobold-koning-stoeten, toovenaarspaleizen! In zijn boeken leeren wij opnieuw belangstellen in den eeuwigen, dweependen Duitschen student met de blauwe oogen, de blonde lokken en de melankolieke verliefdheid. Met goelijken humor weet hij zijn bewondering te doen aanvaarden zelfs voor het traditioneele Duitsche meisje met de gele vlechten, de vergevorderde kookkunst en de dikke moeder. Zelfs de onmisbare, ons in theorie onuitstaanbare demonische figuur met den mantel en de heesche stem, de nooit falende booze geest in het romantische verhaal, oud of nieuw, goed of slecht, weet hij ons te doen aanvaarden. Hij valt zichzelf in de rede, hij spreekt zichzelf toe, hij vat ons bij den knoop van het vest of stoot ons tusschen de ribben, neemt ons in het vertrouwen of gekscheert met ons over zijn eigen helden en heldinnen, hij voorkomt elke critiek onzerzijds door een eigen, zeer treffende bij te dragen, en hij gaat voort ons te boeien, te vermaken, te doen huiveren en te mystificeeren. Hij stelt ons teleur met het slot van het eene verhaal, om ons weer te paaien met het schitterend, veelbelovende begin van een ander. Hij heeft alle fouten en alle deugden -- behalve, reserve, zelfbeheersching. Hij fascineert ons, na ons doodelijk te hebben verveeld; hij verzoent zich met ons, na ons gruwelijk te hebben geërgerd. Zijn dartelheid zelfs is soms vermoeiend. Hij weet van geen uitscheiden. Als een kind, dat een mooi spelletje bedacht heeft, blijft hij doorzeulen op zijn toch eigenlijk zoo aardige stokpaardjes. Om dan opeens weer te komen met een nieuwe vondst en de vorige te vergeten, ons opnieuw te boeien en opnieuw te ergeren. Aan een sentimenteel verhaal knoopt hij een cynisch slot. Hij speelt met zijn eigen verwardheid, slaat munt uit zijn eigen grilligheid.

* * *

Dit nog wat heel vage sprookje "der Goldene Topf" bekoort misschien minder dan zou kunnen zijn, omdat de schrijver er een jongeling zich laat verlieven op een slang, die weliswaar eigenlijk een mooi meisje in betooverde gestalte blijkt te zijn, maar wat toch iets onaangenaams heeft. Een slang is nu eenmaal in onze oogen een eenigszins griezelig en verraderlijk dier, terwijl het geheel niet in de bedoeling des dichters ligt, daarin iets griezeligs te geven. Toch zijn er kostelijke beschrijvingen in, van een voliére met wonderlijke vogels, een heksenkeuken, en een allerkluchtigste dronkemanspartij van twee ingetogen geleerden en een nog ingetogener student, die de wonderlijkste wartaal uitslaan, zulke wartaal als Hoffmann nu eenmaal zoo geniaal weet weer te geven.

CORNELIS VETH.

EERSTE NACHTWAAK

De ongevallen van den student Anselmus. Conrector Paulmann's gezondheidsknaster[1] en de goudgroene slangen.

[Voetnoot 1: Tabak.]

Op Hemelvaartsdag, 's middags om drie uur, holde een jonge man in Dresden de Zwarte Poort door en kwam midden in een korf met appelen en koeken terecht, die een oud, leelijk wijf te koop bood, zoodat alles wat ongekneusd bleef eruit werd geslingerd en de straatjongens leutig den buit gingen verdeelen, die hun de haastige heer had toegeworpen. Op de jammerklachten, die de oude vrouw aanstemde, verlieten de geburen haar koek- en brandewijnstalletjes, omringden den jongen man en scholden op hem los met grove heftigheid, zoodat hij, sprakeloos van ergernis en schaamte, haar zijn kleinen, niet bijster gevulden geldbuidel toestak, welken de oude begeerig aangreep en haastig wegborg. Nu opende zich de vastgesloten kring, en terwijl de jonge man eruit schoot riep de oude hem na: "Ja, ren maar, ren maar door, Satanskind -- in 't kristal kom je ten val, in 't kristal."

De schelle, krijschende stem van het wijf had zoo iets ontzettends, dat voorbijgangers verwonderd staan bleven en het gelach, dat zich eerst verbreid had, op eens verstomde. De student Anselmus (niemand anders was de jonge man) werd, ofschoon hij de wonderlijke woorden der oude gansch niet begreep, door een huivering bevangen en nog meer verhaastte hij zijn tred om zich aan de op hem gerichte blikken der nieuwsgierige menigte te onttrekken. En terwijl hij zich door het gewoel der fraai-uitgedoste menschen heenwerkte, hoorde hij rondom mompelen: "die arme jongen, hè, om zoo'n vervloekt wijf." Want op wonderdadige wijze hadden de geheim-zware woorden der oude aan het belachelijk avontuur een zekere dramatische wending gegeven, waardoor men den van tevoren gansch onopgemerkte nu met deelneming nazag. En de vrouwen vergaven om zijn goedgevormd gezicht, waarvan het expressieve nog verhoogd werd door innerlijke woede, zoowel als om zijn krachtigen bouw, den jongeling alle onhandigheid en het zich buiten 't gebied van elke mode bevinden zijner kleedij. Zijn blauw-grijze overrok was namelijk gesneden als had de kleermaker, die deze bewerking verrichten moest, de moderne vormen alléén gekend van hooren zeggen en het smetteloos gedragen onderkleed van zwart atlas gaf aan het geheel een zekeren schoolmeester-achtigen stijl, die volstrekt niet bij zijn gang en houding paste.

Toen de student haast het einde der allee bereikt had, die naar het Linkesche bad voert, restte hem bijna geen adem meer. Hij was gedwongen langzamer te gaan; doch nauwelijks waagde hij het de oogen op te slaan, want nog immer zag hij zich van appelen en koeken omdanst en elke vriendelijke blik van het een of ander meisje scheen hem slechts de weerkaatsing van het hoongelach bij de Zwarte Poort.

Zoo kwam hij aan den ingang van het bad-Linke; de ééne rij feestelijk uitgedoste menschen na de andere trok binnen. Muziek van blaasinstrumenten weerklonk; luider en luider woelden de vroolijke gasten dooreen. Bijna kwamen tranen in de oogen van den armen student Anselmus, want ook hij had, daar Hemelvaartsdag altijd een bijzonder huiselijk feest voor hem geweest was, aan de gelukzaligheden van het Linkesche paradijs willen deelnemen, ja, hij had zelfs willen gaan tot een kopje koffie met rum en een flesch donker bier en om aldus flink te kunnen brassen, meer geld meegenomen dan wel geoorloofd en doenlijk was. En nu had de noodlottige stap in den korf met appelen hem alles gekost, wat hij bij zich had. Noch aan koffie, aan het zware bier, aan muziek, aan het bekijken der mooi-gekleede meisjes, noch aan één der andere gedroomde genietingen viel meer te denken; langzaam sloop hij voorbij en sloeg eindelijk den weg naar de Elbe in, die juist geheel verlaten was. Onder een vlierboom, uit een muur gegroeid, vond hij een aangenaam grasplekje; daar ging hij zitten en stopte zich een pijp van den gezondheidsknaster, dien zijn vriend, conrector Paulmann, hem gegeven had.

Vlak voor hem plasten en ruischten de goudgele golfjes der schoone Elbe, waarachter het heerlijke Dresden koen en trotsch zijn lichte torens hief in de nevelige luchten, neerzinkend op de bloemige weiden en frischgroene wouden, terwijl uit diepe schemering kantige gebergten kond deden van 't verre Bohemerland. Maar donker voor zich heenziende, blies de student Anselmus rookwolken in de lucht en zijn wrevel brak eindelijk uit, toen hij sprak: "Het is waar, ik ben voor alle mogelijke jammer en ellende geboren! Dat ik nooit de boon heb getroffen uit den Driekoningenkoek, dat ik bij even of oneven altijd verkeerd raadde, dat mijn boterham steeds op den vetten kant gevallen is, ach, van al deze jammeren wil ik nog niet spreken; maar is het niet een verschrikkelijk noodlot, dat ik, nu ik, Satan ten spijt, student geworden ben, een arm student[2] moet zijn en blijven? Kan ik wel ooit een nieuwen rok aantrekken zonder er den eersten keer direkt een vetvlek aan te maken, of mij aan een slecht ingeslagen spijker er verduiveld een gat in te trekken? Kan ik wel ooit een hofraad of een dame groeten zonder mijn hoed ver van mij af te slingeren of wel uit te slieren op den gladden grond en onhandig te blijven liggen spartelen? Had ik in Halle niet reeds iederen marktdag een vaste uitgave van drie tot vier groschen voor stukgetrapte potten, omdat de duivel mij dwong, mijn weg juist te nemen als de Lemmingen.[3] Ben ik een enkele maal op college of waar men mij genood had, precies op tijd gekomen? Wat baatte het, of ik al een half uur tevoren vertrok en voor de deur ging staan met de klink in de hand; zoodra ik deze met klokslag wilde oplichten, goot immers de duivel een waschkom over mijn hoofd uit of liet mij met iemand, die het huis uitkwam, in botsing komen, zoodat ik in duizend onaangenaamheden verwikkeld werd en daardoor alles misliep. Helaas, waar zijt gij heen, droomen van toekomstig geluk, waarin ik trotschelijk waande, het wel tot geheimsecretaris te zullen brengen! Heeft niet mijn ongelukkig gesternte mij met mijn machtigste beschermers in onvrede gebracht? Ik weet, dat de geheimraad, bij wien ik ben aanbevolen, geen kort gesneden haar kan uitstaan; met moeite weet de kapper een staartje aan mijn achterhoofd te bevestigen, maar bij de eerste buiging springt het ongelukslintje stuk en een vroolijke mopshond, die mij besnuffelt, apporteert dol-verheugd het staartje haar aan den geheimraad. Verschrikt spring ik het na en val over de tafel heen, waaraan hij, al ontbijtend, had zitten werken, zoodat kopjes, borden, inktpot en zandkoker er kletterend afrollen en de stroom van chocolade en inkt zich juist over den pasgeschreven aanbevelingsbrief uitstort. "Is u bezeten, mijnheer!" roept de vertoornde geheimraad, terwijl hij mij de deur uitschuift. Wat baat het of conrector Paulmann mij al het vooruitzicht op een betrekking als schrijver geopend heeft; zal mijn ongelukkig gesternte, dat mij overal vervolgt, het toelaten? -- Vandaag nog! -- De mooie Hemelvaartsdag wilde ik echt plezierig doorbrengen, ik wilde er flink wat aan spendeeren. Evengoed als iedere andere gast had ik in bad-Linke trotsch kunnen roepen: Marqueur -- een flesch donker bier -- maar van 't beste, alsjeblieft! Ik had er tot 's avonds laat kunnen zitten en bovendien dicht bij 't een of ander gezelschap prachtig aangekleede mooie meisjes. Ik weet het, dan zou ik moedig geworden zijn, een ander mensch; ja, ik had het wel zóó ver gebracht, dat ik, als deze of gene gevraagd had: "hoe laat zou 't wezen" of "wat spelen zij daar toch," met luchtige beleefdheid zou zijn opgesprongen zonder mijn glas om te gooien of over de bank te struikelen; ik zou dan in gebogen houding anderhalve pas voorwaarts tredend, gezegd hebben: "Pardon, mademoiselle, dat is de ouverture uit het Donau-weibchen" of "Het zal direct zes uur slaan." Had iemand ter wereld mij dat kwalijk kunnen nemen? Neen, zeg ik, de meisjes zouden mij zoo schalks lachend hebben aangezien, als altijd wanneer ik moed genoeg heb om te toonen, dat ik ook den conversatietoon weet te pakken en met dames kan omgaan. Maar daar brengt Satan mij in die verdoemde appelmand en nu moet ik hier in eenzaamheid mijn gezondheidsknaster...."

[Voetnoot 2: Eigenlijk een student, die in een der voorsteden van een academiestad woont.]

[Voetnoot 3: Scandinavische knaagdieren, die bij hun massatochten hun weg recht vooruit nemen zonder op de omgeving te letten.]

Hier werd de student Anselmus in zijn zelfgesprek onderbroken door een zonderling geruisch en geritsel, dat zich in 't gras dicht bij hem deed hooren, om dan te verglijden in de bladen en twijgen van den vlierboom, die over zijn hoofd zich welfde. Nu was het als roerde de avondwind de bladeren, dan als koosden vogeltjes in de twijgen, de kleine vlerken in opzettelijk heen-en-weer-fladderen bewegend. Toen begon een gefluister en een gelispel en het was, alsof de bloesems tonen uitluidden gelijk hangende kristallen klokjes. Anselmus luisterde en luisterde. Toen verwerd, hij wist niet hoe, het gelispel en gefluister en getingel tot zachte, half verwaaide woorden:

"Tusschendoor -- tusschenin -- tusschen twijgen, tusschen zwellende bloesems, schommelen, strengelen, slingeren wij ons -- zustertjes, zustertjes, schommel je in schemering -- snel, snel, omhoog, -- omlaag -- stralen schiet d'avondzon -- d'avondwind fluistert -- ruischt er de dauw -- zingende bloesems -- roeren wij tongetjes, zingen wij met bloemen en twijgen -- sterren dra stralen nu -- moeten wij heen -- tusschen door, tusschenin, strengelen, slingeren, schommelen w'ons zusters klein."

Zoo ging het voort: een 't verstand verwarrend gesprek. De student Anselmus dacht: dat is toch maar de avondwind, die vandaag met gewoon verstaanbare woorden fluistert. Maar op 't zelfde oogenblik weerklonk boven zijn hoofd als een driestemmig accoord van heldere kristallen klokjes; hij zag op en aanschouwde drie goud-groen glanzende slangetjes, die zich om de twijgen gewonden hadden en de kopjes der avondzon tegemoet strekten. Toen fluisterde het en lispelde het opnieuw in dezelfde woorden en de slangetjes gleden en speelden op en neer door de bladeren en de twijgen en terwijl zij zoo snel zich bewogen, was het alsof de vlierboom duizenden fonkelende smaragden strooide door zijn donkere bladen.

"Dat is de avondzon, die zoo in 't vlierboschje speelt," dacht de student Anselmus, maar toen weerklonken wederom de klokjes en Anselmus zag hoe één slang haar kopje naar hem neerboog. Het ging door al zijn leden als een electrische schok, zijn diepste wezen sidderde -- hij staarde omhoog waar een paar heerlijke donkerblauwe oogen hem met onzegbaar verlangen aanzagen, zoodat een nooitgekend gevoel van hoogste zaligheid en diepste smart tegelijk, zijn borst als wilde doen springen. En wijl hij vol heet verlangen aldoor in de goddelijke oogen schouwde, weerklonken sterker de kristallen klokjes met lieflijke akkoorden en de fonkelende smaragden vielen op hem neer en omringden hem met duizenden vlammetjes, rond hem flakkerend en spelend met schemerende gouddraden.

De vlierboom bewoog zich en zeide: "Gij laagt in mijn schaduw, mijn geur omvloeide u, doch gij verstondt mij niet. De geur is mijn taal, als haar de liefde ontsteekt."

De avondwind streek voorbij en sprak: "Ik omspeelde uw slapen, doch gij verstondt mij niet, de adem is mijn taal, als haar de liefde ontsteekt."

De zonnestralen braken door de wolken en de schijn brandde als woorden: "Ik omgoot u met gloeiend goud, maar gij verstondt mij niet: Gloed is mijn taal, als haar de liefde ontsteekt."

En al inniger verzonken in den blik van het heerlijke oogenpaar, werd zijn smachten heviger, gloeiender zijn verlangen. Toen roerde en bewoog zich alles, alsof het tot een vroolijk leven ontwaakte. Bladen en bloesems omgeurden hem, en die geur was als heerlijk gezang van duizend fluitstemmen en hetgeen zij gezongen hadden werd als echo gedragen door de goudene voorbij vliedende avondwolken tot in verre landen. Maar toen de laatste zonnestraal snel achter de bergen verdween en de schemering haar sluier over de landen wierp, riep, als van héél ver, een diepe, rauwe stem:

"Hei, hei, wat moet dat gemompel en gefluister daar boven? -- Hei, hei, wie zoekt voor mij den straal achter de bergen? -- genoeg in de zon u gekoesterd, genoeg gezongen. -- Hei, hei, door bosch en gras, door gras en stroom. -- Hei -- hei -- naar bene-e-e-den, naar bene-e-e-den."

Zoo stierf de stem weg als het gerommel van verren donder, doch de kristallen klokjes braken met een snijdenden wanklank.

Verstomd was alles, en Anselmus zag, hoe de drie slangen schitterend en blinkend door het gras naar den stroom schuifelden; ritselend en ruischend stortten zij zich in de Elbe, en boven de golfjes, waarin zij verdwenen waren, knetterde een groen vuur op, dat schuin naar de stad toe lichtend vernevelde.

TWEEDE NACHTWAAK

Hoe de student Anselmus voor dronken en waanzinnig gehouden wordt. De vaart over de Elbe. De bravour-aria van kapelmeester Graun. De maagbitter van Conradi en het gebronsde appelwijf.

"Die mijnheer is beslist niet recht wijs," zeide een eerzame burgerjuffrouw, die van een wandeling met haar huisgezin terugkeerend, bleef stilstaan en met overelkaar geslagen armen het dolle gedoe van den student Anselmus aanzag. Deze toch had den stam van den vlierboom omvat en riep zonder ophouden in de bladen en twijgen: "O, blinkt en schittert nog éénmaal, lieflijke gouden slangetjes, laat mij nog eenmaal maar uwer stemmen klokjes hooren. O, ziet mij nog éénmaal aan, goddelijke blauwe oogen, maar éénmaal nog, anders moet ik vergaan van smart en heet verlangen." En daarbij zuchtte en steunde hij klaaglijk en diep, en schudde van ongeduld en verlangen den vlierboom, die echter als antwoord dof en onverstaanbaar zijn bladeren deed ruischen en zoo de smart van den student Anselmus gewoonweg scheen te bespotten.

"Die mijnheer is zeker niet goed wijs," zeide de burgerjuffrouw en het was Anselmus alsof hij uit een diepen droom werd gerukt of met ijskoud water begoten om hem ruw te doen ontwaken. Nu eerst zag hij weer klaar, waar hij was en werd zich bewust van de vreemde betoovering die hem gefopt had en zelfs zoover bracht, dat hij in zijn eentje hardop aan het spreken was gevallen. Verward zag hij de burgerjuffrouw aan en greep eindelijk naar zijn op den grond gevallen hoed, teneinde weg te snellen. De vader van het huisgezin was er intusschen ook bij gekomen en had, nadat de kleine, die hij op den arm droeg, in 't gras neergezet was, steunende op zijn stok met verwondering naar den student geluisterd en gestaard.