De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld

Part 7

Chapter 73,868 wordsPublic domain

Wouter trachtte de hand van 't meisje te vatten, en bemerkte nu dat ze allerzonderlingst was toegetakeld. Van gelaat, hoofd, schouders en gestalte, was niets te zien. Waarschynlyk had de gastvrye Vrouw Gooremest haar familie-mantel voor dit doel afgestaan. Men doet zoo veel voor 'n bloed-eigen dochter van m'nheer Kopperlith! Toch was de edelmoedigheid van de ekonomische jeneverprinses niet zóó ver gegaan, dat ze meer dan één kaarsje had aangelaten, na 't sluiten van de eigenlyke nering. Dat armzalige nachtpitje had juist even genoeg licht verspreid, om niet dezen of genen aan den misgreep bloottestellen 'n tafel of stoel in-plaats van overtollige gasten buiten de deur te werpen. En nu...

Nu vlamde het zoo zonderling, en zoo onwillig, en zoo fantastisch! En ook zyzelf stond daar zoo vreemd! En zoo spookachtig trilden de omtrekken van die gestalte...

--Bist du es, Erich?

--Femke, Femke, ik smeek je-n-om-godswil, ga niet met die vreemde mannen mee!

En, zich losworstelend uit den greep van Verlaan, wierp hy zich voor haar neder, rukte den mantel open, greep hare hand, en bedekte die met tranen en kussen...

--Wat ik je zei, riep Vrouw Gooremest, de jongen is stapelgek!

--Femke, nooit zal ik je weer verloochenen! Schop me, trap me, dood me, maar... ga niet mee met die vreemde mannen!

--Licht! riep 't meisjen op zeer gebiedenden toon, en met vreemden tongval.

De Republikein nam 't smeerkaarsje van de toonbank, en hield het by de groep, zoodat de knielende gestalte van Wouter nagenoeg zichtbaar werd. Het meisje staarde door 'n spleet van haar mantelkap op hem neer, en zweeg, en verroerde zich niet, en scheen natedenken, en trok de hand niet terug, die Wouter aan z'n lippen geklemd hield...

Verlaan maakte een beweging als om den indringer wegterukken...

Maar zy, den vryen arm uitstrekkend boven Wouter's hoofd, wees den schipper terug, en zeide:

--Mein Bruder!

--Ook alweer 'n bloed-eigen zoon dus van m'nheer Kopperlith, mompelde de republikein. Wat die jongelui 'n rare manier hebben om hun nachten doortebrengen!

De lezer begrypt dat-i deze oneerbiedige woorden niet luid worden liet. Al z'n hoorders wisten waar de "bloed-eigen" vader van die twee vagebondjes woonde, en dus: mondje-toe voor de Keizersgracht! Men had al byzonder ongemanierd moeten wezen--of geen republikeinsche Amsterdammer--om dit niet te begrypen.

Toen Wouter weer tot bezinning kwam, stond-i op straat. De brommer was weggereden, met of zonder haar. Met of zonder die beide mannen. Dit wist-i niet. Maar 't bekommerde hem nu minder ... Zy had hem haar broeder genoemd, ernstig, plechtig, boekerig, kerksch... dit was hem genoeg!

--O, myn God, ik dank u, riep hy. Gy zyt goed en genadig en vergevensgezind... o myn God, ik dank u!

en:

--Gut, ik wist niet dat Femke zóó spreken kon! Ze moet het wel heel innig gemeend hebben... anders zou ze "broêr" hebben gezegd, zooals we gewoon zyn.

En hy beloofde zichzelf, overmorgen schatryk te worden "in den handel." Schatryk, en... Koning alweer, om meer nog, véél meer nog, van Femke te worden, dan haar broer...

Juffrouw Laps had eer van de les! Maar dit wist Wouter zelf niet, al voelde hy geheel anders dan gister nog.

Voor 't oogenblik was-i opgetogen met z'n nieuwen titel. Hoe toch kwam zy aan zoo'n schoon woord? Zoo verheven? Zoo Bybelsch? Zoo voornaam? Zy, zoo eenvoudig anders!

--Ik ben Femke's broeder! juichte z'n hart, en--hoe vermoeid ook--hy liep als op stelten, en verwonderde zich dat-i 't hoofd niet stootte aan de wolken.

Een hoofdstuk zonder aventuren, dat gerust kan worden overgeslagen door elken lezer dien 't om voortzetting van de geschiedenis te doen is. Alleen op 't slot wordt de eentonigheid eenigszins afgebroken door 't zonderling lotgeval van 'n kruiwagen en 'n onbillyken droom, 't eenige wat de uitgeputte auteur ditmaal leveren kan.

Sedert eeuwen vernemen wy uit de boeken, dat we den morgenstond zoo byzonder schoon vinden. Een fransche verzenmaker gaat zelfs zóó ver, dat-i de opgetogenheid over 't opgaan der zon, aanbeveelt als graadmeter van de "deugd." Wouter kende dit axioma niet, en veroorloofde zich dus met begrypelyke verdorvenheid van heel andere vingers te droomen, dan de "roosverwige" van Aurora. Hy dacht aan de hand die hy gekust had, en... menschelyk gesproken, z'n "deugd" was er niet minder om.

Het gevoel dat hem doorstroomde, onttoog hem aan z'n omgeving. De volheid van zyn gemoed belette hem acht-te-slaan op de leegte der straten, iets dat hem anders byzonder had moeten treffen, zoowel door 't verschil met al de woeligheid van weinige oogenblikken geleden, als omdat-i nog nooit op dat uur buitenshuis geweest was. Egoïst als alle gelukkigen, kwam 't hem heel natuurlyk voor, dat al wat het leven had zich verborg en opsloot, om ruimte te maken voor zyn geestdrift. In zulke stemmingen bestaan er in 't Heelal slechts twee dingen: niemendal en... ik! De gansche schepping verliest, als 'n trouwende vrouw, haar naam by 't huwelyk met die ééne gewaarwording, met dat ééne gevoel: ze gaat er in op.

Wouter's oogen dwaalden langs uithangborden, en naambordjes op de hoeken der straten. Z'n onverschillige blik las: "Botermarkt" en: "hier gaat men uit porren." Ook kon-i te weten komen waar kousen te-koop waren, of wagens te-huur, en wie 'n smid was, of 'n timmerman, of... "in" 't een-of-ander...

Lieve god, wat doet er dat alles toe? Hy had Femke's hand gekust! Welk verstandig wezen kon 't in z'n hoofd krygen dat er, na dàt evenement, iets aan gelegen lag of men op die markt boter verkocht, of schoensmeer? Of die man "uit porren" ging, of "in" effekten was? Hoe mal toch, dat duizenden e|n duizenden op de wereld zich bleven aanstellen alsof er niets byzonders gebeurd was! Zelfs de straatsteenen lagen daar precies als naar gewoonte, en toch--wáár was het!--hy had Femke's vingertoppen gekust, en zy had hem "broeder" genoemd!

't Is wel jammer dat de wereld niet verging in dien zomernacht. Horatius had er 'n aardige illustratie by gewonnen voor z'n fractus illabitur orbis. Ik geloof waarlyk dat Wouter by zoo'n kataklysme zou overeind gebleven zyn, en--voor 't byna ondenkbaar geval dat-i notitie van de zaak had genomen--hoogstens gevraagd hebben: of zy zich bezeerd had?

Het kan den lezer die eenigszins op de hoogte van z'n tyd is, bekend zyn dat de wereld niet verging, en dat er op dien vrydag-nacht naar oude gewoonte 'n zaterdag volgde, die ook alweer niet de laatste van z'n soort is gebleven.

Wouter vergaf aan de zon dat zy opging, aan de Botermarkt dat ze Botermarkt heette, aan den porder dat-i porde, aan den effektenman dat-i "in" effekten was, hy vergaf alles aan allen omdat hy zich zoo gelukkig voelde.

Toch kostte het hem eenige moeite, overtuigd te blyven dat het gebeurde geen droom was. Dit noopte hem zich de geschiedenis van de vyf laatste uren herhaaldelyk, voortezeggen, om verzekerd te zyn dat nergens 'n gaping was, zooals die welke men gewoonlyk in gewrochten der verbeelding aantreft. De slotsom was bevredigend, maar toch... hoe jammer, niet waar, dat-i niet een van die vingers had kunnen meenemen--de pink was genoeg geweest, die lieve pink!--als tastbaar getuigenis van 't gebeurde. Femke mocht oppassen, als-i ooit weer haar hand aan z'n lippen voelde!

Doch neen, ook zonder zoo'n verslindende zorg voor 't bewaren van 'n tastbaar blyk... 't was wáár! Hy had haar hand gekust, zy had hem "broeder" genoemd. Geen onverschilligheid van zon, straatsteenen, porders of effectenlui, kon daaraan iets veranderen.

Ga je gang, zon! Rys of daal naar verkiezing, als je dan onvatbaar bent voor den triumf van 't allerheerlykste. Die ongevoeligheid zal niets veranderen aan het feit...

Maar... mocht-i dan eigenlyk dat feitje wel voor zoo héél belangryk houden? En waarom toch! Had niet, lang geleden reeds, diezelfde Femke hèm 'n kus gegeven, en toen geheel uit eigen beweging? En... die nieuwe broerschap? Eilieve, waarom zou dit nu op-eenmaal meer beduiden dan de oude betrekking van "vrindje" waarop hy altyd zoo had aangedrongen, en die hem nooit geweigerd was?

Hy begon te vreezen dat-i zich tevredener gevoeld had, dan-i redeneerender-wyze kon verantwoorden. Hierop rekende hy zich de kreditposten van z'n geluk voor--men bedenke dat-i "in den handel" geweest was, en er overmorgen wéér in gaan zou--en trachtte hoog gewicht te hechten aan de erlangde vergiffenis voor 't verloochenen.

Nu ja, geen zwarigheidzoeker of dwarsdryver kon ontkennen dat-i sedert gister op dit punt 'n wyde schrede was vooruitgegaan, en zelfs sedert z'n indringen in de kroeg van Vrouw Gooremest. Nog geen vol uur geleden dreigde z'n gemoed te bezwyken onder Femke's verachting, en nu... nu...

Toch begon hy zich te kwellen met de vrees dat er eigenlyk weinig geschied was dat hem reden gaf tot de opgetogenheid die hy niet van zich zetten wilde. De onnoozele knaap wantrouwde z'n geluk, omdat hy 't niet begrypen kon.

De oorzaak zal wel hierin gelegen hebben dat-i slechts wist wat er geschied was, en verzuimde zich rekenschap te geven van den samenhang, zoowel der gebeurtenissen, als van z'n aandoeningen. Hy was als iemand die den oogenblikkelyken barometerstand waarneemt, en daarby vergeet het voorafgaande in rekening te brengen. Een door styging bereikt standpunt heeft 'n andere meteorologische beteekenis, dan datzelfde standpunt als rezultaat van daling. Gebeurtenissen, aandoeningen, en zelfs zedelykheid, zyn onderworpen aan de algemeene wet der traagheid. Wie zich toelegt op genezing van 'n fout, en ten-halve geslaagd is, staat hooger dan 'n ander die in gelyksoortige fout verviel en daarin afdaalde tot hetzelfde peil. Wat by dezen gegronde reden geeft tot bezorgdheid, kan in den ander gelden als hoopvolle verbetering. Iets dergelyks bepaalt den graad van geluk en tegenspoed, of althans den indruk daarvan. En slechts met dien indruk hebben wy te doen. 't Was karakteristiek van Wouter, dat-i--niet tevreden met z'n veronderstelden rykdom--zich zooveel moeite gaf z'n kapitaal natetellen.

En de uitslag was niet volstrekt geruststellend. Hy wist de by-omstandigheden niet aan elkaar te knoopen, die hem gelukkiger maakten dan hy-zelf verklaren kon, doch welker invloed duidelyk kan gemaakt worden voor ieder die niet zoo van naby in 't gebeurde betrokken is. Men ziet zichzelf niet, en geeft zich maar zeer gebrekkig rekenschap van den samenhang der gebeurtenissen en aandoeningen die ons buitengewoon gevoelig maken voor zekere indrukken. In elk ander tydsgewricht van z'n leven, na àndere voorbereiding, op 'n àndere plaats, en te-midden van àndere omgeving, zou 't nachttooneeltjen in die vuile herberg, waarby Wouter 'n hoofdrol speelde, hem veel minder sterk hebben aangegrepen. Tot zelfs de nawerking van Fockink's likeur--zoo ontzenuwend anders!--verhoogde het schynbaar of wezenlyk gewicht der zaak. Juist de uitputting die op zuike opwekkingen volgt, had hem tot buitengewone krachtsinspanning gedwongen, toen-i zyn Femke in gevaar meende te zien. En op-nieuw voelde hy zich vernietigd na 't ondergaan der blyken van haar verachting. Wie dáár niet bezweek, moest zéér veel veerkracht ontwikkelen, en deze ontwikkeling zelf was 'n oefening in kracht. Na Fockink, het dringen door de menigte! Na die inspanning weer, haar... glimlach aan 'n ander, haar verachting voor hèm! Toen had-i geschreid als 'n kinderachtig jongetje. En, nà deze reeks van Rückschläge en défaillances--ik zoek 'n goed hollandsch woord voor de hier bedoelde moed-smoorende ontkrachting--na dit alles hield z'n gebogen ziel spankracht genoeg over, om hem wegteslingeren uit z'n donkeren schuilhoek en, neervallend voor Femke's voeten, haar te bezweren: "Femke, Femke, ik ben hier... ik Wouter! Om-godswil, ga met die vreemde mannen niet mee!"

Dàt was het! Dáárom voelde hy zich zoo gelukkig. [6]

Wouter had het recht veroverd--'n recht dat zoovelen zich aanmatigen zònder grond--dat hy zichzelf voor iets mocht aanzien. En zonderling, zelfs het... kuiperytje van de oefenaarster had hem goed-gedaan.

Fancy schynt wel terdeeg geweten te hebben wat ze deed of... toeliet. Nog zeer onlangs was haar pleegballing 'n kind, meer kind zelfs dan byna ieder die even ver als hy van 't uur zyner geboorte verwyderd was. Bovendien was-i zeer kort geleden nog ... 'n kind in alle beteekenissen van 't woord.

Doch zie, daar wierpen hem de omstandigheden den kerel in den weg, die hem zoo majestetisch verbood tabak te geven aan 'n "opvreter van Stad en Land." Tot Wouter's groote verbazing voelde hy in zichzelf de kracht--en den lust zelfs--die waarschuwing te trotseeren. Zeker was geen der omstanders daarover zoo verrast als hy. Ze hadden dikwyls "brutale bliksems" gezien, en konden niet weten dat Wouter ... nu ja, van 'n bliksem had hy iets, maar brutaal was-i niet. Toch had hy zich by die gelegenheid voorgedaan als 'n persoonlykheid, eenigszins als 'n persoon... jazelfs--op 'n beetje na!--als 'n wezenlyke man.

Kort daarop was deze onthulling gevolgd geworden door 'n beroep op z'n ridderlykheid. "Dieven, moordenaars, en... 'n vrouw in nood!" De gekste zotternyen die uit al die boeken in z'n gemoed gezaaid waren, werden daar snel genoeg verwouterd, om terstond voor-den-dag te treden als iets schoons: hy durfde! Hy durfde, ja, maar... niet omdat-i moed had, o neen! Het durven-zèlf trok hem aan. God en die zeven planken kunnen getuigen aan hoeveel ridders hy z'n woord zou gebroken hebben, wanneer-i niet was uitgetogen op den jammerkreet der belaagde onschuld. Dat-i gedurende z'n heldentocht geleden had aan ontmoediging, is waar, doch men bedenke dat juffrouw Laps hem slechts gebakken aardappelen voorzette, en geen enkelen moordenaar. Zoo'n onthaal werkt niet bezielend. Om ons 't recht te geven, Wouter te verdenken van... terugtrekkende krygskunde, zou men hem moeten hebben waargenomen als z'n dame in werkelyk gevaar geweest was. Hoe dit zy, de jongen, of 't kind van weinig tyds geleden, was ten-stryd getrokken als n man. En... juffrouw Laps--'n volwassen persoon toch!--had hem als zoodanig niet versmaad. Integendeel. Er bleek al spoedig dat-i haar welkomer was in z'n hoedanigheid van ridder dan, byv. de oude Pennewip zou geweest zyn, dien hy nooit had hooren beschuldigen van verregaande onvolwassenheid. Ook had zy verzekerd dat ze hem liever had dan Stoffel, 'n persoonlykheid die toch nog altyd--waarheid bovenal!--'n paar duim langer was dan hy.

Misschien waren deze opmerkingen voldoende om hem den moed te geven zich in veel opzichten "groot" te voelen. Maar toch zou er 'n gaping bestaan hebben in z'n aanspraken op volwassenheid, indien er niet méér geschied was. Z'n zonderlinge gastvrouw--hoe afschuwelyk ook vroeger in zyn oog--had de verdienste gehad, snaren aanteroeren, die lang na 't verlaten van haar woning bleven doortrillen in z'n gemoed. Ze had hem geleerd dat-i man was, en mneer, of iets anders ten-minste--'n màn!

Dit werd hem toegeroepen door de wakker geschudde zinnen, die met z'n gekittelde ydelheid om den voorrang dongen in 't bevestigen van z'n mondigheid. 't Was zeker al iets heel schoons--en niet elk protestantsch handelsjongetje gegeven!--te kunnen dienen als schild tegen dieven en moordenaars, maar... dat àndere... o, lieve onbaatzuchtige edelmoedige Laps! Had ze hem niet de mogelykheid aangetoond, dat hy--hy, Wouter!--kon bemind worden als verloofde, als bruîgom, als echtgenoot... méér nog dan dat: als de minnaar in 'n boek? Zeker, zeker, ook zóó had-i Femke lief, ook zóó--ànders ook, God weet het!--maar... ook zóó! Dit bewustzyn had de oefenaarster in hem opgewekt, zy die eerst zich beklaagde over z'n verregaande onleerzaamheid, en zoo spoedig reden had tot verdriet over den weg dien z'n pas opgedane wysheid al te haastig insloeg. Had ze niet als 'n Virgilische by, honig vergaard voor 'n ander? Was 't niet 'n pynigend: sic illae--Femke!--non mihi? [7]

Zóó althans vatte Wouter de zaak op, al bracht-i er dan Virgilius niet by te-pas. Er was geen twyfel aan, dat juffrouw Laps hem, met den vinger als 't ware, gewezen had op 'n vroeger onbekende plek in z'n gemoed, en tevens dat deze ontdekking in-verband stond met z'n eerzucht zoowel, als met z'n begeerte om te weten, en "het Lot uittedagen". En over dit alles lag de gloed--we moeten oprecht zyn!--niet van z'n liefde voor Femke zoozeer, als van de ontwaakte zinnelykheid die hy natuurlyk met deze liefde verwarde ... zooals meer gebeurt, by dokters en patiënten beiden.

Van dit alles wist-i alweer zeer weinig. Gemakshalve bepaalde hy zich tot den hoogmoed die by z'n nieuwen rang paste, naar-i meende. Als 'n jonge haan dien de kam zwelt, nam-i zich voor... o allerlei! Dit, o.a. dat-i nooit weer aan Femke vragen zou of ze "maagd" was, en ook niet wat toch die Bilderdyk kon bedoeld hebben met het malle woord wulpsch? Hy wist het nu, o goden, zoo goed als Bilderdyk zelf, en begreep dat zulke praatjes tegenover Femke niet passen zouden in den mond van 'n "man."

Het dooreenhaspelen van deze nieuwe ondervinding en z'n genegenheid voor 't meisje, 'n gevoel dat voor 't minst zeer hartelyk was...

Men bedenke dat-i weinig andere meisjes had leeren kennen, en dat de onvoedzame dorheid van z'n huiselyken kring hem voorbeschikte tot het gulzig inslikken van de eerste liefelykheid de beste.

...dit, en het licht dat juffrouw Laps zoo onvoorzichtig geworpen had op z'n aandoeningen, boezemden hem ook jegens haarzelf 'n vriendschappelyk gevoel in. Om stipt eerlyk te zyn, had-i eigenlyk tot haar moeten terugkeeren, en heel vriendelyk bedanken voor de prettige promotie. Maar zóó ver ging z'n erkentelykheid niet. Het was al veel dat z'n afkeer veranderde in iets als medelyden, en wanneer-i had kunnen toegeven in de overbruischende mildheid van z'n hart ... waarlyk, hy had haar met genoegen z'n heelen broer Stoffel afgestaan! Heel goedig nam-i zich voor, daaromtrent by de eerste gelegenheid te dienen van konsideratien en aanpryzend advies. Inderdaad, hy wou gaarne iedereen gelukkig zien, en waarom dan háár niet, haar die hem zoo zelfopofferend den weg had gewezen tot wat hy aanzag voor z'n eigen geluk?

Maar al wat niet Femke-zelf was, hield hem slechts vluchtig bezig. Al z'n eerzuchtige plannen van ... grover aard, weken beschaamd terug voor z'n besluit om háár lieftehebben, háár te dwingen tot liefde. De werelddeelen die van hem hun geluk wachtten...

Láát ze wachten! Voor zulke nietigheden had-i nu geen ruimte in z'n ziel. Hy dacht aan Femke, aan haar zachte mollige hand...

't Is waar ook! Nooit had hy die hand zóó gevoeld. Hy meende vroeger dat ze ruwer was, steviger...

Maar, eilieve, dan had-i vroeger verkeerd gemeend. Nu wist hy--ja, ja, ja, want gedroomd had-i niet!--nu wist hy, dat de hand die zoo flink 'n zware ben met waschgoed van den grond wipte, fluweelig was als 't boordsel van Hamlet's mantel, die vergulde kraag waaraan-i zooveel gom had besteed om 't ding behoorlyk te doen glimmen.

En ook had-i zich vroeger vergist in Femke's stem. En in haar toon! Want zie, altyd zoud-i zich hebben voorgesteld dat zy, iets nauwkeurig willende zien in 't donker, zou gevraagd hebben nàar... licht, o ja, maar anders uitgesproken, heel anders! Of liever, ze zou--zoo meende Wouter in de dagen van z'n onkunde--ze zou by zoo'n gelegenheid gezegd hebben:

"Wil jelui asjeblieft die kaars even byhouden?"

En de houding? Die heele Klaas Verlaan--'n man as 'n boom toch!--en z'n makker, stonden verbluft! Wat ze die rechterhand uitstrekte! En toch alweer... 'n droom was 't niet, al geleek het dan precies op 'n droom! By 't openslaan van den mantel, had-i duidelyk den blauw-geruiten boezelaar gezien. Zoo-iets ziet men niet zoo helder in den slaap! Hy had de ruitjes kunnen tellen, als-i niet aan iets anders gedacht had ... o, aan heel wat anders, en byna zelfs aan niets!

Neen, neen, gedroomd had-i niet! Maar toch... wat al raadsels!

Wat beteekenden die praatjes van den schipper over 'n m'nheer Kopperlith? Wat bewoog hem zich met Femke te bemoeien? Haar te... verlagen tot 'n ander? Hoe wist-i zoo op-eenmaal dat gemeene wyf uit de kroeg aan z'n zy te krygen, haar en dien schreeuwer over menschenrecht? Waarom ging Femke, in-weerwil van z'n bede, met die mannen mee? Of ... zat zy alleen in dat rytuig. En waarom niet te-voet, gelyk kinder- en bleekmeisjes gewoon zyn? En waarheen? Kon zy op dat uur by de Holsma's te-recht? Of was ze naar hare moeder gereden ... die óók vreemd zou opzien als Femke daar kwam aanrollen in 'n brommer! En uit welke fondsen zouden de "daaldertjes" betaald worden, waarover die schipper gesproken had met 'n voorname onachtzaamheid alsof 't maar duiten waren?

Och, wat al mysterien! Maar hoofdzaak was en bleef dat hy haar vingers gekust, en dat zy hem ten-aanhoore van drie personen allerplechtigst haar broeder genoemd had.

Dit stond vast als 'n rots. Al 't overige? By de eerste gelegenheid zoud-i haar vragen om inlichting, die ze hem niet weigeren zou ... hèm, haar broêr.., neen, broedèr. Zóó zei ze!

Wat overigens 't gevaar aanging--of liever ... 't onbehagelyke--van haar weggaan met die mannen, hy telde het niet meer. Al waren er tien mannen met haar in dat rytuig geweest, by de minste onbehoorlykheid hoefde Femke slechts de rechterhand uittestrekken, en allen zouden gekropen hebben voor haar voet. Dit immers had hyzelf gezien, en dit zou hy, Wouter, ook doen--met byzonder veel genoegen, waarlyk!--als-i maar zeker wist dat ze hem terstond zou opheffen, of althans de hand reiken tot 'n kus...

Zoo mymerend doolde hy met lamme schreden--want hy voelde zich zeer vermoeid!--door de als uitgestorven straten der stad.

Na de Kalverstraat te hebben doorgeslenterd, bereikte hy den Dam. Daar stond 'n lange reeks van rytuigen voor en naast het Paleis te wachten. De koetsiers zaten te dutten op den bok, en bleven hierdoor bewaard voor de zonde van 't verwensenen der hooge gasten, die zich blykbaar hadden voorgenomen 'n hollandsche zon te zien opgaan, doch wat laat voor den dag kwamen. Want de zon begon zich reeds te vertoonen, en er was prins noch prinses te zien.

Behalve eenige werklieden, wier dag wat vroeger dan die van de anderen scheen te beginnen, stonden er geen toeschouwers om de "kleine steentjes van 't Paleis." En gepraat werd er onder dat schamel publiekje niet. Op de deugdzaamheid van de omstanders wil ik niets afdingen, maar wel bleek er dat de verkwikkende morgenstond hen slaperig maakte. Misschien heeft de fransche verzenmaker zich in die beide menschelyke zwakheden vergist, en de eene voor de andere genomen. Maat of rym zullen dit zoo vereischt hebben.

Ook Wouter voelde slaperigheid. Gister nog zoud-i zich veel moeite hebben getroost om 'n wezenlyken koning te zien te krygen--zeker om te weten of zoo'n wezen op Macbeth, Arthur en King Lear gelykt--maar nu... och, hy gaf er zoo weinig om.

Juist wilde hy heengaan, toen de koetsiers zich oprichtten en in 't styve postuur zetten, dat hun door Heeren, Vrouwen en traditie schynt voorgeschreven tot verhooging van de deftigheid. Ze sloten de armen aan 't lyf, als iemand die zichzelf 'n stoot met den elleboog in de lenden geven wil, haalden de teugels op, en vertoonden zich zoo leelyk en voornaam als maar eenigszins mogelyk was. Een schoenmakersjongen die de wereld scheen te kennen, maakte hieruit op: "dat ze nou wel gauw komme zouwe."

Die "ze" waren Keizerlyke, Koninklyke en andere Hoogheden. Zoo'n schoenmakersjongen steekt zonder omslag al zulke waardigheden als bruine boonen op den elst van z'n tong.

De olykert had juist geraden. "Ze" kwamen inderdaad, en bestegen de meestal open wagens, die zoo snel wegreden dat Wouter 't gelaat van al de Majesteiten en Hoogheden niet te zien kon krygen. Slechts één bejaarde dame gaf op 't oogenblik van wegryden den koetsier met haar zonnescherm 'n tikje op den schouder, dat zooveel scheen te beduiden als: wacht even!

--Ze het wat vergeten, diagnozeerde 't krispyntje.