De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld
Part 5
Om de lokaalkleur te handhaven, gelieve de lezer by uitspraak van 't woord "kavalier" te rymen op: "duitsche manier" in welk geval 't niet "ruiter" beteekent, maar 'n "heer van den hove" 'n hoffähiger gentleman, ja misschien zelfs by-uitsluiting: 'n edelman. Niet zonder deernis met de miskende rechten van de etymologie, moet ik betuigen dat er by de zaak volstrekt geen paard noodig was, al zy 't dan dat in dit geval de "kavaliere" werkelyk tevens ruiters waren. Nu ik toch aan 't uitleggen ben... 't woord: "harken" is van my. Ik nam de vryheid daarmee alleraardigst te zinspelen op den befaamden horizontaalworp met den joujou.
De koetsen reden nog altyd stapvoets en als in pantoffel-parade. Het kon niet anders, om de volte.
Bovendien, de souvereinen verkeerden in 'n ziekelyke bui van "Volksthümlichkeit." De mode van den dag bracht 'n misselyke neerbuigings-manie mee, en de meeste rangmenschen overdreven de mode, zooals gewoonlyk. Men droeg filantropie, gelyk wat vroeger de hoepelrokken, en later crinolines, vryen-arbeid of chignons. Rousseau--die beter wist, of althans beter weten kon--had de afgezaagde theorie van "ce bon peuple" op frazen gezet, en wie te arm was om gedachten te bezitten op z'n eigen hand, neuriede die frazen na. Heel ryk nu, waren de meesten van die luidjes niet. En dit is nòg zoo.
't Spreekt vanzelf dat dit instemmen met den deun van den dag, gewoonlyk ver van oprecht was. Binnen de wanden der staatsie-koetsen heette dat "goede Volk" zeer dikwyls doodeenvoudig: la canaille, 'n kwalificatie die wel niet geheel juist was, maar toch niet verder van de waarheid afweek dan de zoetemelks-praatjes van Rousseau. [3]
Wat den twyfel aan de welgemeendheid van koninklyke Volksliefde betreft, vergeten we nooit dat ook "ce bon peuple" geen grein oprechter is dan de meest geveinsde Machiavel. Al wat men van 't Volk zeggen kan, is dat het evenmin pozitief valsch is. Het schreeuwt "vivat!" en denkt... niet juist altyd het tegendeel, maar gemakshalve niemendal.
By de zeer byzondere gelegenheid die ik bezig ben te vereeuwigen met m'n mozaïktroffel, maakten de vergaderde vorsten zich schuldig aan 'n verzuim dat hen in de oogen des volks zeer benadeelde. Niemand strooide geld uit het portier, zelfs geen zilver. En onze Paltsgravin was de laatste die op 't denkbeeld komen zou--'t was zoo warm!--dat deze speciaal-vorstelyke manifestatie aan de feestelykheid ontbrak.
Ze werd hieraan evenwel herinnerd door Prins Erik, den jonkman van zoo-even die op-nieuw haar rytuig naderde, ditmaal gevolgd door 'n lakei op 'n bezweet paard. Hy kwam vertellen dat z'n zuster--'t Waldkätzchen?--hem 'n boodschap had gezonden uit "Awercric." En:
--Palatine, auriez-vous par hasard quelques douzaines de frédérics à me prêter? vroeg hy.
--Che parie que z'est pour elle!
--Si!
--Elle fait donc angcore l'angrachée, che pangse!
--C'est possible! Mais en tout cas, il ne faut pas la laisser dans l'embarras. Dieu sait dans quel gâchis elle vient de se faufiler. Je n'ai qu'une bagatelle sur moi... ainsi, donnez, donnez!
Prins Erik en zyn zuster gingen de Palatine nog wel driekwart-graad te-boven in K. K. Hoogheid. En 't "boschkatje" was de verloofde van 'n Grootvorst die volgens alle menschelyke berekening keizers tot lakeien hebben zou. De Paltsgravin--"Oh, mong Dié! Oh, mong Dié!"--was dus wel genoodzaakt haar eeredame te gelasten aan Prins Erik 'n goudbeursjen overtereiken. Deze gaf 't den lakei, die 'r mee wegreed zoo snel de volte gedoogde.
Prins Erik's zuster had inderdaad geld noodig. Ze speelde Voorzienigheidje. Wat zy eigenlyk met de geleende som uitvoerde, weet ik niet, maar zeker is 't dat de dankbaarheid--d. i. de betuiging van die aandoening--haar wat druk werd. Ook drongen er zeer veel menschenvrienden toe, die haar ruimer gelegenheid wilden verschaffen tot het voortzetten van haar liefhebbery, dan goudbeursjen en gezond verstand toelieten.
We zullen maar aannemen dat er den vorigen dag te Ouwerkerk 'n zware brand was geweest--men assureerde niet in die dagen--of... 'n landman had al z'n koeien verloren aan de veepest--Thorbecke was nog niet geboren om die onaangenaamheid uitteroeien--of... 'n ongehuwde kraamvrouw kon geen plaatsje krygen om uitterusten van haar zondige verlossing--de zedekundige lezer weet misschien dat de "deugd" dit niet gedoogde in Wouter's tyd--of...
Hoe 't zy, Prinses Erika had de een-of-andere weldadige gekheid uitgericht, 'n soort van débauche waaraan ze zich zeer dikwyls tebuiten ging. Goed was 't zeker niet, maar er zyn erger ondeugden, en ik ken velen die 't recht niet hebben zulke karakterfouten te laken. Voorloopig hebben de moralisten dringender arbeid dan 't waarschuwen tegen fouten als die welke den hoofdtrek uitmaakten in 't karakter van prinses Erika.
By deze gelegenheid dan had ze haar koets verlaten, en was van haar gevolg afgeraakt. Om de menigte te ontwyken, die--juichend, dankend en... vooral lastig--op haar toedrong, was zy in 'n roeischuitje gesprongen, dat aan 'n steiger lag, en waarin 'n man zat te slapen of nagenoeg. 't Was zoo warm! Het was Klaas Verlaan, de "Amstelhavenknecht."
De bons van den sprong deed hem ontwaken, en al de toeschouwers berstten in lachen uit om 't malle gezicht dat-i zette.
Er was waarlyk reden toe! Prinses Erika droeg 'n vuurrood satynen kleed met 'n langen sleep dien zy echter--zoo-even reeds by den brand zeker, of by de kraamvrouw, of by de koeien--had opgeg...
--Opgegeid, noemde 't Klaas Verlaan vele jaren daarna, als-i de historie vertelde aan z'n kleinkinderen.
't Was de pièce de résistance van z'n ondervinding. Nu, sommigen hebben minder beleefd!
--Se sag er uit as 'n fonk, zeid-i, en ik doch werachtich dat er 'n ster in m'n jol was gefalle, so flamde ze!
Komaan, we zullen Klaas Verlaan 't woord geven, maar ik heb geen lust z'n spelling te volgen. De lezer zal wel ongeveer weten hoe de man moet gesproken hebben.
--Zóó vlamde ze! Aan de armen droeg ze witte leeren handschoenen tot den schouder toe. Eén er van ligt nog altyd in 'n doosje by de Staten-overzetting. 't Lykt wel 'n kinderkousje. Want haar vingers waren klein, maar ... kracht had ze daarin, kyk! En op 't hoofd 'n toren van poeier ... net 'n grooten sneeuwbal! Maar 't gezichtje was lief, dat moet ik zeggen!
En ik was 'n beetje... bedonderd, omdat ze zoo glom. Ik wist waarachtig niet wat ik in m'n schuit had, en of ik moest vloeken of siveplé-spelen. Maar ze wachtte daar niet op, en voor ik recht wist hoe ik 't had, pakt ze me-n-'n-riem, en zet m' flink tegen den wal, en zet af. Ik dacht dat ze buitelen zou by 't uithalen, want het ding zat wel half-blads in den modder, en 't zóóg als de bliks... lager. Maar ze liet 'm steken, en viel op den doft neer, en lachte. En daar dreven we!
Maar ik was kwaad as 'n spin, en zei--met 'n vloek, want ik vloekte nog in dien tyd--dat ik baas op m'n jol was. Ja, dat zei ik.
--Ich rudern! riep ze. Want, kinderen, haar hollandsch was miserabel. En ze greep naar m'n anderen riem. Maar dáár was ik als de kippen by!
--Houd je gemak! riep ik. Ken je wrikken?
Dit verstond ze weer niet. En ze wou me den riem uit de handen nemen, maar weetje wat ik zei? Ik zei: m'n vader is geen breeuwer, zei ik, en ik hou m'n riem!
Want ik bedankte-n-er voor, om daar op den Amste! te liggen draaien als 'n tol! Alle menschen keken er naar. Ze liet den riem los, en grabbelde-n-in haar tasch--'n fluweelen ding met gouden knip, dat met 'n haak in haar middel zat--en ze haalde-n-er 'n stuk geld uit, en wees het me. Toen gaf ik haar den riem... om 't geld, weetje, dat ze me wees, want, dacht ik, wat kan 't my schelen of de menschen lachen aan-wal? 't Kon m'n dag nog goedmaken, als ik dat geld kreeg. 't Zag er uit als 'n dukaat, maar 't ding was meer waard. Dat heb ik later gemerkt toen ik 't wisselde op den Vygendam... met al de anderen, want ik kreeg er meer. Dat zal jelui hooren.
Ja, niet waar, wat zou ik doen? Aan zeilen kon niet meer gedacht worden, en aan roeien ook niet, en aan fooien ook niet. Dus... ik liet haar begaan, maar zei dat ze wrikken moest.
--Rücken? riep ze.
--Wrikken, riep ik. Kyk... zóó!
En ik wou 't haar wyzen.
Maar 't ging niet. Want... dit weet jelui ook wel, er zyn altyd tien roeiers te krygen tegen één wrikker.
Ik wees haar hoe ze d'r beenen moest zetten. Ze had wit-satynen schoentjes aan, en voetjes niet grooter dan 'n vuist, maar ze liep er goed op. Dat heb ik later gezien. Ze was als 'n kievit zoo vlug.
Maar wrikken kon ze niet! Ik was beschaamd voor den wal, want ieder kende de jol van de Jachthaven, dat begryp jelui wel. En als ik m'n hand aan den riem sloeg, werd ze kwaad, en wou me wegdringen. Gut, op vechten af!
Waar ze-n-eigenlyk heen wou, begreep ik niet. Als ik 't vroeg, riep ze: "rücken, rücken!"
Ja, dacht ik, ruuken, ruuken, dat geeft wat! 'n Mensch moet toch weten waar-i heen wil!
We sukkelden stroom-af--meest gatje-voor!--en naderden de Jachthaven. Goddank, dacht ik, straks kryg ik m'n dukaat, en de grap is uit. Maar jawèl!
Op-eens houdt ze met wrikken op--'t zweet liep haar by droppels van 't gezicht!--en leî den riem op den doften. Toen wou ik 't ding grypen, omdat ik 'n eind aan de zaak maken wou. Maar dat verkoos ze-n-ook alweer niet. Wat ze dan eigenlyk wèl wou, kon ik eerst niet begrypen ... ik zal 't jelui maar zeggen, ze wou te-water!
Ik schrok er van! 't Mensch was dóór en dóór van zweet. Maar... ze wou! Er was niets aan te doen. En ze hield weer zoo'n moffendukaat in de hoogte. Op den Vygendam by Everts kreeg ik drie ryers voor 't stuk, en de man zei, als ik er meer had, kon ik altyd by 'm te-recht. Dáárvan is 't zilver beslag op de Staten-Overzetting. Jelui ziet dat ik de waarheid vertel. Ook 't gouden ooryzer van m'n oudje--dat nu jeluî Grietje-meu draagt--is van dien tyd.
Zoodat ik zei, ga jy je gang! Als je dan asseluut ziek worden wilt, of sterven, of rimmetiek krygen...
Ze trok 'r schoentjes uit, en 'r satynen kleed, en meer nog. Maar ze hield wat ondergoed aan, dat moet ik zeggen. En ze gooide haar pruik af, en dit mocht wel want ze had eigen haar genoeg, en ze schudde-n-'t hoofd als 'n paard dat de wei ruikt. En ze sprong... kyk! ik had nog nooit zoo-iets gezien... van 'n vrouwmensch, weet jelui? Flink koppie-over!
Eerst was ik bang voor 'n ongeluk. Want, dacht ik, zwemmen kan ik niet, en als 't mensch koppie-onder gaat... wat zal ik doen? Maar 't hoefde niet, want zy zwom wel. Als 'n eend! Of liever als 'n paling, want ze kronkelde-n-onder m'n jol door, en schoot weer op aan de-n-andere zy... als 'n dobber hoor! 't Speet me toch evel dat ik niet ook zoo thuis was in 't water, maar jelui weet, dat is by ons in Holland zoo de gewoonte niet. Zy was zeker uit 'n land waar de menschen niet zoo zindelyk zyn als by ons, en daarom alle dagen te-water moeten gaan.
Maar dat tot dááraan toe! De jol dreef tegen de jachthaven, en zy was er ook. Ik hielp haar op den steiger, en er stond veel volk te kyken. Dit beviel haar niet. Ze greep m'n pyjekker die in de jol lag, en sloeg zich 't ding om de schouders. Toen keek ze-n-even rond, zag 'n open deur van een der jachthuisjes, en vloog er in. Net'n wilde kat.
Ik pakte haar spullen by-elkaar, en wou haar die brengen. Maar ik durfde niet binnengaan, omdat het 't huisje was van m'nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weet jelui? Die zou 't heel kwalyk hebben genomen dat ik met zoo'n vreemd schepsel in z'n jacht-huisje gekomen was. Want, dacht ik, dat je nu met my zoo familjaar omgaat, dat kàn--om den dukaat, weetje--maar... m'nheer Kopperlith woont op de Keizersgracht. Dàt scheen ze niet eens te weten. Hoor eens, kinderen, wat opvoeding en fatsoen aangaat ... geen land boven Holland, dat's maar zeker!
Maar ... binnen wàs ze! En ik durfde-n-'t bruggetje niet over, met haar satynen japon op den arm, en al de andere japonnen, en die fluweelen tasch, en haar schoentjes, en haar witte pruik.
En daar stond ik!
De menschen van de brug riepen: "dat is 't huisje van m'nheer Kopperlith, denk er om!"
Ja, dacht ik, daar denk ik wèl om, maar wat zal ik doen? Juist begon ik me te bezinnen om de policie te roepen, toen m'n dochter Geert kwam aanloopen, jelui Geertje-meu, weetje, die ook al dood is...
Maar toen was ze-n-'n knappe jonge meid van zoowat achttien. En ze zei:
--Vader, laat 'r in òns huuske! Daar kan ze zich klaren.
Hieraan had ik ook wel gedacht, maar ik was bang voor de Direktie van de Jachthaven. 't Kon my m'n ontslag kosten als ik rare dingen deed. Want de heeren houden niet van vreemdigheid in de huisjes.
Terwyl ik hierover zoo nadenk, krygt onze bruinvisch die me-n-al lang had staan wenken om haar kleeren, onze Geertje-meu in 't oog. Ze vliegt 't huisjen uit, pakt Geert by den arm, en loopt met 'r heen.
Ik achterna met de plunje, dat begryp je! Onze Geert bracht haar by moeder, en ik dacht: in godsnaam! Ja, wat zou ik doen, niet waar?
Maar... 'n rare dag wàs het! O, ik ben nog lang niet klaar! Weet jelui wat ik altyd zeg? Ik zeg altyd: niemand weet of z'n dag goed is, voor bedtyd!
Zoo eindigde Solon Verlaan 't eerste hoofdstuk van z'n verhaal. Het tweede en laatste zal ik vertellen, of vanzelf laten spreken. We laten dus 't boschkatje voor 't oogenblik onder de hoede van de aanstaande Geertje-meu die op zich genomen had haar, of de zaak, te "klaren". Nu, dit deed ze. Sint Maarten was er niets by.
Op den ryweg langs den Amstel joelde 't Volk maar altyd voort. Van-lieverlede verdwenen de koetsen van de hooge heerschappen. Ook de ruiters verveelden zich, en zochten vryer plaats dan die buurt op dat oogenblik kon aanbieden. De menigte drong, zong, schreeuwde en dronk. Om zich schadeloos te stellen voor 't mislukte hardzeilen, begon men hier-en-daar zich te vermaken met het afsteken van vuurpylen, die den volgenden dag in de couranten tot getuigen werden geroepen van de ontzaggelyke liefde des Volks voor alle mogelyke prinsen en prinsessen.
Dit was onjuist. Het Volk houdt van vuurpylen omdat ze blazen en proesten en sissen en glinsteren.
Ook zwermers--de Amsterdammers noemen ze "voetzoekers." Wie kan me zeggen: waarom?--ook zwermers werden aangevoerd als bewyzen voor de zeer byzondere gehechtheid des Volks aan alle Souvereinen...
De Paltsgravin gelóófde het. Heusch!
Maar ze had ongelyk, precies als die kranten.
Want, lezer, de menigte houdt van voetzoekers, omdat ze sissen, en vuur spuwen, en 'n harden klap geven. Dàt is de zaak! Men kan er gerust alle grieksche wysgeeren op nalezen, op Solon Verlaan na, die z'n heele wysheid heeft opgemaakt aan 't bedenken der diepzinnige spreuk van zoo-even.
Ook de zevenklappers... klapten. Ze spraken en getuigden van dynastieke opwinding, en alle Souvereinen zaten met zevenvoudige gerustheid op hun tronen...
Maar de Souvereinen waren wat voorbarig in die gerustheid. Want 'n zevenklapper maakt wel veel geraas, maar bewyst niemendal. Het volk steekt ze niet af om trouw te zweren, maar omdat die dingen zoo grappig heen-en-weer springen, en by elken sprong zoo'n knetterend geluid geven. Al zeggen nu hierover de grieksche wysgeeren geen woord--zeker omdat ook zy nu uitgeput zyn na de inspanning hunner denkvermogens over de ware beteekenis van 'n voetzoeker--toch is het zoo!
Veracht me niet te zeer, lezer, als ik u betuig dat de ware vreugd die er uit vuurwerk te halen is, in 't afsteken--zèlf afsteken!--van zevenklappers en voetzoekers bestaat. Een "groot vuurwerk" is 'n ellendig ding, 'n menschonteerende foppery. Eigenlyk 'n schimp, 'n beleediging, 'n laesio dignitatis generis humani! [4]
Om dit intezien, behoeft men zich maar 'n oogenblik te verbeelden zoo'n vertooning bytewonen...
In eenzaamheid! Want als u iemand betrapt in de autopsie die ik voorsla, zyt ge in zyn opinie 'n reddeloos verloren mensch. Uw vrouw kon echtscheiding aanvragen, en zeker zou ze 't proces winnen voor elken rechter die verstand heeft van menschenwaarde.
Verbeeld u dan dat gy, in uw binnenkamer en alleen, zoo'n vuurwerk aanschouwt. Roep, zeg, mompel of fluister--ingodsnaam zóó zacht dat gyzelf uw eenige hoorder zyt--fluister 't onvermydelyke: hè...è...è...
En houd u 'n spiegeltje voor!
Dan, lezer--al waart gy de verfoeielykste atheïst--ontsnapt u de verontwaardigd-religieuze verzuchting: God, myn God ... hebt ge my dáártoe geschapen?
En by zoo'n gelegenheid voelt men--tenzy men onvatbaar werd voor èlke gewaarwording--yverzucht op de intelligentie van z'n paraplui of laarzentrekker!
Maar ... voetzoekers, zevenklappers! Men staat er niet by met den open mond die by elke teekenoefening den leerling wordt aangeprezen als de uitsluitende vertegenwoordiger van wèl geopenbaarde bêtise! Men is handig by 't aansteken. Er is gevaar als ze haperen. Men werpt ze! En... snel, snel ... één sekonde te laat, ze bersten in de hand! Allergevaarlykst!
Eens namelyk heeft de traditioneele "iemand" die de hoofdpersoon is van alle volks-akeligheden, zich door het te lang tusschen de vingers houden van 'n zwermer, 't even traditioneele "groot ongeluk" op den ... hals gehaald, dat ... enz.
Och, hoe prettig is die angst. Hoe allerakeligst vermakelyk!
Helaas, pret en vermaak zyn afgeschaft! De stedelyke Regeeringen verbieden zulke ruwe vermaken ... om 't brandgevaar, sedert alle huizen met pannen gedekt zyn. In den tyd der stroodaken kon die vreeselyke losbandigheid oogluikend worden geduld. Maar nu?
En de andere gevaarplezieren! Hoe menige juffer kwam thuis--byna zelfs kwam ze niet thuis--met 'n verbrande jurk! Gilde ze niet van de pret? En 'n jongen--altyd "de jongen die ook overal met z'n neus by moet wezen"--had-i niet eens--byna, alweer--'n volle lading in 't gezicht gekregen? Was er niet gevaar geweest--nogeens: byna--dat z'n oogen 't gelag te betalen kregen van die onbescheiden neus?
En... 't mikken met zoo'n aangestoken voetzoeker! Dàt is wat ànders dan 'n joujou de Normandie!
Ik weet--en betreur het van-harte!--dat er nog altyd hier-en-daar menschen worden gevonden, die meenen zich te vermaken met schyfschieten, 't ouwevrouwigste plezier dat men kan uitdenken, 'n naaischoolige parodie op ridderlyke wapenoefening. 't Is waarachtig niet dáármee, dat men op Scyros zou hebben uitgemaakt of Achilles 'n jongetje was, en of-i z'n opvoeding ontving in 't pensionaat van Chiron!
Zündnadels, Beaumonts, Chassepots zyn verachtelyke voorwerpen. Ze spreken niet mee. De kogel die zich zoo onnoozel laat voortdryven uit de buis van die dingen, is eigenlyk te dwaas om in z'n eentje de parabool te beschryven die de artilleristen van hem vorderen. Men zegt dat er projektilen geweest zyn die hun weg vergaten, en zoo slaafs zich hielden aan de routine die ze meenamen uit den loop ...
Sakkerloot, ziedaar 't geheim opgelost van de verregaande ongekwetstheid en welvarendheid der geslagen legers! Die menschlievende kogels zyn op-reis in den... aether, en willen aërolith spelen op deze of gene planeet, waar men nog dom genoeg is aan "aërolithen" en "aether" te gelooven.
De voetzoeker--hoeden af, lezer!--geeft den drommel van zoo'n bekrompen loops-opvatting. Hy heeft karakter, en volgt z'n eigen senie... zou juffrouw Pieterse zeggen. Hy leeft, en kiest z'n weg. Hy spuwt vuur, en deinst voor 't recul van z'n eigen strydlust. Hy kampt om 't verloren terrein te herwinnen, en wisselt van zwaartepunt, en wendt z'n grilligen loop, en kronkelt als 'n vliegende lintwurm. Hy schryft z'n naam in gloeiende krullen, en vecht tegen den luchtdruk, en sliert al duiklend voort, en braakt arebesken. En waar-i was, keert-i weer, als iemand die nog wat te zeggen heeft. En waar-i niet was, komt-i aanrollen, blazend, blakend, brandend, schroeiend, sissend, schetterend ... altyd verrassend door nieuw-uitgedachte huppeling, altyd verschrikkend door vreemdluimigen sprong, altyd boodschapper van 't onverwachte, maar altyd de drager ook van 'n herhaalde opwekking tot gillend plezier.
En de zevenklappers! 't Is waar, ze vuurden niet zoo prettig, en gingen aanvankelyk bedaarder hun weg. Maar men was zekerder van z'n worp! En ... éénmaal 'n openstaand venster ingekeild, werden ze wakker en roerig. Dan klapten zy, en sloegen, en sprongen als toornige duiveltjes, voltigeerden links-rechts op-en-neer door de kamer, kris-kras-kruis op de tafel, tegen den spiegel, achter de schilderyen, tusschen de stoelen, onder bed en sofa. Ja, soms dansten ze--sarkastische demonen!--de kaars uit...
De Archimedes die de evolutien van 'n rechtgeaarden zevenklapper weet te berekenen, moet nog geboren worden. Dit spyt me niet erg, omdat ik voor ditmaal aan 't zeer byzonder effekt van 'n eerste uitbersting genoeg heb. Ze had plaats naby Wouter's linkerwang, juist op 't oogenblik toen juffrouw Laps hem daarop een kus wilde geven: haar Rubicon!
Heel aangenaam zou 't Wouter nog altyd niet geweest zyn wanneer 't haar gelukt was die omineuze rivier overtesteken, maar 't blyft de vraag of-i daarna kracht, besef of afkeer genoeg zou hebben overgehouden om zich te verzetten tegen finale verovering.
De geestige zevenklapper won hem den gevaarlyken tweestryd uit. Wat die prinses Erika mikken kon!
Juffrouw Laps had haar zondige lip gebrand, en riep:
--Heere Krrristis, wat's dàt?
Heel veel anders viel er dan ook by die malle gelegenheid niet te vragen.
Wat het wàs?
Wèl... 'n brokstuk uit het "Register der Handelingen en Besluiten" van Fancy. Ze hield zich bezig met het verevenen van kansrekening, en de lezer wordt uitgenoodigd, als by 'n vuurwerk, te blazen: hè...è...è!
De leer der doeleinden duidelyk gemaakt door 't achterste-voor zetten van omdatten en opdatten. Hossen! Arme, arme, arme, Laps! Mysterieus standbeeld in de "Gekroonde Jeneverbes." Republikeinen in konflikt met de Keizersgracht. Wouter krygt 'n zusje.
Fancy is groot, en wy beginnen haar eenigszins te begrypen. Dit heeft ze op sommige andere godheden voor, want onbegrepen grootheid baat niet veel, en kon eigenlyk zonder schade gemist worden.
Ja, ze was groot, en ... praktisch!
O, verrukkelyke teleologie van den romanschryver ... juffrouw Laps mocht haar "sinnigheid" niet krygen!
En dáárom was 't zoo warm, dien dag! En dáárom had ze haar venster moeten opschuiven, wat anders 'n fatsoenlyk nederlandsch mensch--liever stikken!--niet doet. Dáárom bleef de hardzeilery in den steek! Dáárom verveelde zich Prinses Erika! Dáárom beging ze weldadighedens tot tydverdryf! Dáárom kreeg ze lust in baden! Dáárom joelde al dat volk--en zy mee!--met voetzoekers en sissers de stad in, Weesper- en Amstelstraten door, naar de Botermarkt...
Want op dat plein woonde de Caesarine Laps die 'n zevenklapper in 't gezicht moest krygen juist toen ze bezig was met haar alleraardigst venit, tetigi, en... "heere-krrristis wat is dat?"
Wat dit is, juffrouw Laps? Wèl, 't is fantastische doeleindenleer. Al die koningen, prinsen, prinsessen--en zelfs de Paltsgravin met haar puistjes, joujou en hooge geboorte--zyn op dien warmen dag door 'n hooger Wezen in de stad gezonden om u in de wielen te ryden. Het is uw plicht dit te gelooven... o, geloofster!
Ze geloofde het niet! En ze kòn het niet gelooven, want ze wist er nog minder van, dan van al de andere dingen die ze voorgaf zonder bezwaar te slikken. Het onweer op Sinaï was door den "Heer" beschikt om de Joden aan 'n behoorlyke reglement van policie te helpen, maar die nydige zevenklapper...