De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld

Part 35

Chapter 353,739 wordsPublic domain

Wouter zou weer ruimschoots in de gelegenheid geweest zyn de psychologie van de massa te bestudeeren, als-i niet te zeer vervuld ware geweest van z'n zucht om... ja wat? Hy wou helpen, redden, te-rechtbrengen, hy wou iets doen. Wel ja, 'n mensch heeft niet alle dagen twintig ryksdaalders in z'n zak! En niet dikwyls valt zoo'n schitterend standpunt samen met 'n drama als hier vertoond werd, noch met de akeligheid waarmee 't--niet gansch onverhoopt, om de waarheid te zeggen--straks dreigde of beloofde te sluiten. Er werd namelyk geroepen: "te-water!" en dit woord klinkt vreeselyk in de ooren van 'n hollandsch jongetje, opgebracht in de vreeze voor kou-vatten en den wallekant!

--Te-water, allo, dat wyf de vaart in, sebit! En die meiden na huis!

Naar huis, o onbesuisde menigte? Naar wèlk huis? Naar de krotten waar ze onder opzicht komen zouden van zulke moeders? Ik ben overtuigd dat geen myner lezers, indien hy 't hier beschreven voorval had bygewoond, zich met die hoogst onfatsoenlyke zaak zou bemoeid hebben. Maar, lezer, gesteld eens dat ge hadt moeten stemmen? Zoudt ge in-gemoede hebben durven roepen: die meisjes naar huis? Men behoeft waarlyk niet zoo onnoozel als pater Jansen te wezen, om verlegen te zitten met de keus tusschen twee hellen. En wat het lynch-vonnis tegen die waardin aangaat... onze Maatschappy--hier niet byzonder oneigenaardig vertegenwoordigd door 'n troep gemeen--is wel zonderling! Het schepsel dat men hier te-water wilde dringen, was een van háár leden, en 'n lid ook van 't gild dat diezelfde Maatschappy blykens eeuwenlange ervaring nooit heeft kunnen ontberen. Waarom nu, als zoo'n onmisbaar meubelstuk onzer beschaving zich in 't openbaar vertoont, op-eens zooveel verontwaardiging voorgewend? Verbiedt niet de wysheid der volkeren 't schenden van z'n aangezicht? Bedenk toch, o preutsche Maatschappy, dat zoo'n winkelierster in ontucht een uwer meest vooruitstekende neuzen is!

--Te-water met dat wyf, werd er weer geroepen, de vaart in!

Er viel optemerken dat de hevigheid van dit geschreeuw in omgekeerde rede stond tot de nabyheid van de plek waar de bedoelde exekutie zou plaats hebben, en hieruit bleek dat de verst-afstaanden 't meest verontwaardigd, d. i. de deugdzaamsten waren. We mogen aannemen dat ze zich in hun braafheid wel 'n beetje gesterkt voelden door de betere kans zich snel uit de voeten te maken, zoodra het deugd-zoenoffer zou liggen te spartelen in de Haarlemmer-vaart Ieder weet immers dat niets op aarde onvermengd is, tot en met de courage van de braven toe? Hierop scheen de waardin dan ook te rekenen, want ze gaf weinig blyk van angst, en de uitkomst bewees dat ze gelyk had. Het doet me leed dat ik den lezer, die waarschynlyk braaf is, en--als die verst-afstaanden!--met fatsoenlyk verlangen uitziet naar de zegepraal der deugd, eenigszins moet teleurstellen. Het wyf werd beschimpt en gehoond, maar... ze bleef droog. Wie er spyt van heeft, trooste zich met de kameraadschap van Wouter, die by mangel aan ander emplooi van moed, gulheid en goeden wil, zoo byzonder graag eens iemand uit het water gehaald had. "'t Komt zoo zelden voor!" mymerde hy, en dit vind ik ook. Het redden van drenkelingen moet 'n vervelend vak wezen, tenzy men er compérage by te-pas brengt, en hieraan werd noch door Wouter noch door 't kandidaat-offerlam gedacht.

Wel ver van zich op 't altaar der zedelykheid te laten zoen-offeren, noch zelfs blyk te geven dat ze zich rechtens als de zwakste beschouwde, dreigde de waardin met de policie.

--Wel nou nog mooier! Jy, schandvlek, wou jy de policie roepen jy? Je mag God danken dat er geen diender in de buurt is, jy, die hier de meissies komt verdibbeseeren!

--Ik heb 't zwart op wit, schreeuwde zy weer. En, als er policie was, zou ik 't jelui laten zien!

Wàt? Haar dy? Neen, denk ik. Dat ze in haar recht was? Dit ook wel niet, maar toch was de kans dat de vertegenwoordigers der autoriteit haar niet geheel-en-al in 't ongelyk zouden gesteld hebben, grooter dan sommigen wel meenen. [29]

De vrouw uit Haarlem raakte alzoo niet te-water. Een vuil partyblad uit de dagen waarin m'n geschiedenis voorvalt, beweerde dat ze zich redde door den kreet: "als jelui niet ophoudt met dringen, laat ik m'n kerel stemmen voor X!" Dit was gelogen, anakronistisch gelogen, gelyk dan ook slechts van 'n blad dat tot... die andere party behoorde, te verwachten was. Nooit zou men zoo'n afschuwelyk laag verzinsel vinden in 'n blad van de... niet-andere party. Hoe dit zy, 'n leugen wàs het. Ieder beschaafd mensch en krantlezer weet dat het kiesrecht der echtgenooten van zulke dames, eerst van eenige beteekenis is geworden na 't uitsluiten van de arme drommels die zich moeten tevreden stellen met minder winstgevenden werkkring. Onze Maddam dééd niet aan staatkunde, en dit is 't slechtste niet wat ik van haar zou kunnen zeggen. In-plaats daarvan pakte zy een der meisjes by den arm, en duwde haar naar 't gapend luikje van de schuit. "Allo, d'r in, as 'n meid! Koman, ik heb nou genoeg van dat gezanik! Toe, allo, d'r in, en jy ook!" Met deze woorden werd ook het tweede Kaatje ingescheept. De schuit wiegelde by 't opstappen en dreunde by 't neerkomen op den vloer van 't ruim. Van onwil bleek er niets. De bedroefde "moeder" die de zoo vurig begeerde boezelaar uit het oog verloor, verdubbelde haar eentonig misbaar. De waardin scheen nog iets aan den wallekant te doen te hebben. Had ze misschien pas 'n krygsgeschiedenis bestudeerd? Trachtte zy zeker soort van veldheeren natevolgen, die de specialiteit beoefenen, hun overwinnaars jaloers te maken op de kunstige ingewikkeldheid van hun terugtrekken? Wou ze 't slagveld verlaten met kalmte, met majestueuze waardigheid? Och, neen, op eer en roem was ze in 't minst niet gesteld, maar er viel voor haar iets optemerken, en daarom aarzelde zy. Ze wilde weten of er van dien pastoor en dat jongetje wat te halen viel. Wouter's aandringen by Pater Jansen om voorzichtigheidje te spelen had haar aandacht gewekt, en ze wilde meer van de zaak weten voor ze die beide personen uit het oog verloor, 'n oplettendheid die rechtstreeks tot de eischen van haar "vak" behoorde. Een gelyke indruk, doch hier slechts 't uitvloeisel van gewoon bedelaars-instinkt, bewoog de "radelooze moeder" nogeens ter-markt te komen met haar radeloosheid:

--Hi, hi, hi, m'n arm kind!

Wouter vroeg weer aan z'n begeleider, of er dan van hunnentwege volstrekt niets aan de zaak te doen zou wezen?

--M'n arm kind! En... m'n boezelaar! Als ik dan in-godsnaam maar m'n boezelaar weerom had!

Deze uitroep rymde vry-wel op den loop van Wouter's gedachten.

--Drie skelling en 'n oortje!

Weer rekende Wouter z'n Mentor voor, dat dit nog geen vollen gulden bedroeg.

--Och, m'nheer, nog niet eens 'n volle heele gulden! Wat scheelt òns die eene gulden?

De waardin en de moeder bespiedden om 't zeerst wat er tusschen die twee broeide.

--Hoor eens, jongeheer, 't mag niet, zei Jansen, 't mag waarlyk niet! Maar...

--Toe, asjeblieft, m'nheer!

...dan zal ik 't er byleggen. Ga je gang! Ik zal om geld schryven aan m'n broer te Vucht. Maar gauw dan, 't is geen pleizierig staan hier.

Jansen stapte naar de roef, en Wouter op de vrouw toe. Hy haalde 't grauwlinnen zakje waarin z'n geld geborgen was voor den dag, had 'n beetje tyd noodig om den styf in-een-gedraaiden hals te laten ontkrinkelen...

De waardin zag dit heel goed, en berekende den inhoud naar de snelheid van de wenteling. Maar... 't kon kopergeld wezen? Neen, Wouter haalde een ryksdaalder voor den dag.

--Hi, hi, hi, m'n arm kind!

De treurende moeder stak de hand uit, en gebruikte de ander om de oogen rood en blind te schuren met haar voorschoot. Van de "drie skelling" sprak ze niet meer. Inderdaad, waarom dien weldadigen jongeheer op de gedachte te brengen dat 'n ryksdaalder méér bedroeg dan de oorzaak van haar gejammer, en dat er volgens de eenvoudigste regelen van komptabiliteit iets viel terug te geven? Ze veranderde dus van tekst, en huilde nu by-voorkeur over haar "verloren kind" 'n onderwerp dat haar voorkwam in beter evenredigheid te staan met 'n schadeloosstelling van vyftig heele stuivers. Wouter stond met open mond, en... wachtte? Ja, neen, ik kan waarlyk niet zeggen of-i wachtte. De vrouw droeg wel zorg, genoeg met haar oogen te doen te hebben om geen voedsel te geven aan de gissing dat zy op wachten verdacht was, en misschien was het voor Wouter-zelf 'n verrassing toen hy op-eens--in-godsnaam, 't moest wel!--zich aanstelde alsof 't wel werkelyk z'n bedoeling was geweest den ganschen ryksdaalder te offeren op 't altaar van... van... ja, van wat eigenlyk?

--God zal 't je duizendmaal loonen, jongeheer!

--Dat 's vier zak guldens, en nog 'n beetje toe! riep 'n rekenaar uit den hoop.

--Duizendmaal, jongeheer! Hi, hi, hi, wat zal er van m'n arm kind worden?

Er begon waarachtig kans te komen dat Wouter beproeven zou de zedelyke toekomst van dat "arme kind" eenigszins te verbeteren, door de jammerende moeder 'n tweeden ryksdaalder aantebieden.

't Was waarlyk Wouter's verdienste niet dat-i ditmaal bewaard bleef voor 't verergeren van de reeds begane fout. Hy hoorde mompelen: "nou, voor twee-gulden-tien levert ze-n-'t heele nest dat ze thuis heeft" waarmee waarschynlyk de ons reeds eenigszins bekende "wurmen" bedoeld werden. Deze taxatie kwam ons weldoenertje liefdeloos en onhoffelyk voor. Opgewekt tot verzet tegen de "massa" die natuurlyk met luid gelach den uitval toejuichte, wilde hy... zou hy... och, 't kwam er niet toe. Pater Jansen stond in den stuurstoel te wenken, de schipper nam zyn plaats by 't roer in, de knecht maakte het touw los waaraan de schuit had vastgelegen, en z'n "aan-boord, wie mee mot!" maakte aan de vertooning 'n eind. Onder luid spotgejuich van de menigte op den wallekant, gleed de schuit heen. De waardin had heel fatsoenlyk plaats genomen in de roef, misschien wel om den edelmoedigen jongeheer in 't oog te houden, schoon men ook zonder deze strategische byzonderheid erkennen moet dat haar middelen zoo'n gedistingeerdheid wel veroorloofden. 't Scheen haar alweer niet erg te hinderen dat de personen die ze in dat hokje vond, ruimer plaats voor haar maakten dan stipt gezegd noodig was. Elk ander zou zich beleedigd getoond hebben over de verregaande inschikkelykheid waarmee ze ontvangen werd. Maar zy? Onze twee helden hoorden haar by 't binnentreden zeggen: "ook goed! Beter zóó, dan allemaal op 'n hoop, lieve menschen! Wie zweeten wil, kan z'n gang gaan, maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar?"

Dit vraagje werd gericht tot den état major die in den stuurstoel zat, en ik zou 't overgeslagen hebben als 't me niet te-pas kwam om 'n opmerking te maken over den oorsprong van de Vrymetselary. Van: vrymetselary liever, zonder lidwoord. Ik vind het wel zonderling dat men nog altyd daarnaar zoekt, alsof 'n aanleiding die zich dagelyks aan onze oogen vertoont, en die zoolang bestaan heeft als er menschen op de aarde wonen, eenmaal in nauwkeurig bepaalbare omtrekken 'n historische gebeurtenis zou geweest zyn. Elke Nyl moet, volgens zeker soort van volksvoorgangers, z'n byzondere bronnen hebben die men met den vinger op de kaart kan aanwyzen, en uit valsche schaamte voor den leerling die er naar vraagt, wil men maar niet erkennen dat die bronnen heel eenvoudig in de wolken liggen. Waarom zou een der tallooze waarneembare spruitjes die 't hunne bydragen om zoo'n rivier te maken tot wat zy is, meer dan elk ander beekje, meer dan elke àndere vereeniging van doorgesypelde druppels, den naam van eigenlyke bron verdienen? Zoo bestaan er veel vraagstukken welker oorzaak van bestaan... 'n vraagstuk behoorde te zyn, of niet eens 'n vraagstuk. We kunnen de oogen niet opslaan zonder Wording waartenemen, en toch blyft men nog overal droomen van 'n Schepping. 't Lykt wel of zekere natuur- en geschiedfilozofen hun beroep leerden op 'n registratiekantoor, en vandaar de meening meebrachten vóór alles geroepen te zyn de wereld-akten van 'n vasten datum te voorzien. Het boekdrukken, 'n hoogstbelangryk vak zeker, maar slechts in zeer letterlyken zin van 't woord: 'n Kunst, het "stichten" van steden, de volksverhuizingen...

Hola, we zyn er! En 'n behoorlyke date certaine hebben wy ook. Wel zeker, de lieftallige herderin was aan 't volksverhuizen met haar twee veroverde schapen, en men schreef: haarlemmer kermis, den zooveelsten dag. Ziedaar registratie! Och, ik moet wel korrekt tewerk gaan. Vanwaar anders dan uit 'n deugdelyk vastgestelden kermistyd zou ik den orgelman bekomen, die straks langs de vaart over den weg moet sukkelen om op 't juiste oogenblik onze Maddam te-hulp te komen in haar natuurvrymetselary? Er is veel talent noodig om dit uitteleggen aan lezers die 't niet zonder uitlegging verstaan. Vooreerst gelieve men te begrypen dat er op den ganschen weg, althans zoover 't oog van onze reizigers reikte, geen orgelman te zien was. Niets natuurlyker. De man was met de zynen--waaronder z'n gewichtig instrument--'n vol uur voor 't afvaren der schuit van Amsterdam vertrokken, en 't spreekt dus vanzelf dat men hem nog niet had ingehaald. Zonder loggen of zonschieten kan nu de lezer vry precies berekenen hoeveel geografische zoetwater-ellen door ons vaartuig waren afgelegd, toen de edele vrouw die betuigd had van ruimte te houden, aan 't stuurstoelpersoneel vroeg: of 't niet waar was? Strikt genomen hadden Jansen, Wouter en de schipper 't recht gehad, hierop te antwoorden dat ze 't wel gelooven wilden maar niet met zekerheid wisten. Inderdaad, men moet niet alles voor waar aannemen wat er door den eersten den besten gezegd wordt. Die vrouw kon booze redenen gehad hebben om 't publiek in 'n verkeerden waan te brengen omtrent haar opinie over zweeten en benauwdheid. Maar, och, ons drietal dacht zoo diep niet na. Jansen was te bedroefd om te spreken, en Wouter te zeer vervuld van... iets dat op 'n aventuur geleek, om zoo terstond te kiezen tusschen twyfel, geloof en ontkenning. Wat den schipper aangaat, hy hééft geantwoord. Maar, lezer, zoolang ik u niet meedeel wàt de man zei, is 't voor u alsof-i niet geantwoord had, en ge hebt dus 't recht, u voortestellen dat de schuit 'n haarbreed verder was dan op 't oogenblik toen de belangryke vraag gedaan werd. Hoe kan 't na deze opmerkingen iemand in 't hoofd komen, te meenen dat men dien orgelman reeds had ingehaald? Haasten laat ik me zoomin als 'n haarlemmer-trekschuit zelf. De schipper heeft geantwoord, o ja, maar ik ben aan 't woord over de vrymetselary, en dat gaat vóór. Hoe kan 't anders, daar juist de vraag "of 't niet waar was, dat ze van ruimte hield?" my de opmerkingen in de pen gaf, die nu--misschien niet eens terstond--zullen volgen! Zou ik tuchteloos genoeg wezen my met het antwoord te bemoeien voor ik de vraag heb afgehandeld? Zulke kapriolen...

Die orgelman dan was door Fancy besteld om zich niet voor 't juiste oogenblik te laten zien, en we zouden verkeerd doen haar beschikkingen vooruit te loopen, vooral wanneer we door geduldig wachten gelegenheid vinden iets zeer wetenswaardigs te vernemen over den oorsprong van vrymetselary. Waar de bronnen van den Nyl zyn, heb ik reeds gezegd, en als ik nu ook dat andere ophelder zal de billyke lezer erkennen dat ik niet gierig met nieuws ben, schoon 't wel wat veel is voor één hoofdstuk.

Eilieve, wat ter-wereld bewoog die waardin tot de vraag: "of 't niet waar was?" Weetgierigheid? Om-godswil, hoe konden Wouter en de schipper, of zelfs Jansen die 'n "gestudeerd" persoon was, meer van de zaak weten dan zyzelf? 't Mensch was wel zoo oud als ik, dat heel erg is, schoon ik tot eer van haar Publiek erkennen moet dat ze 't veel verder dan ik in de wereld gebracht had. Maar, gewaardeerd of niet, men wordt geen zeven-en-vyftig jaar zonder ruimschoots tyd te hebben tot beoordeeling van de vraag of men aan ruim- of nauw-zitten de voorkeur geeft. Waarom in deze zaak de meening van anderen ingeroepen? Hoe zou ze 't opgenomen hebben, als een van de drie haar geantwoord had: "ik ben 't volstrekt niet met u eens, juffrouw. U houdt meer van benauwdheid, want de groote die of die heeft gezegd... enz?" Ik doe de werkelykheid geen geweld aan, door te veronderstellen dat zoo'n tegenspraak niet zou gewaagd zyn zonder beroep op den bekenden grooten dichter die frazen geleverd heeft voor alle gelegenheden. Ik vraag my af wat ikzelf op haar nederig verzoek om inlichting zou geantwoord hebben indien ik in dien stuurstoel had gezeten? Maar ik kan me de mogelykheid daarvan niet voorstellen omdat ik op dat tydstip niet geboren, en alzoo nòg onbekwamer was dan nu in 't oplossen der vraagstukken van zoo aetherischen aard als waartoe afkeer van benauwdheid schynt te behooren. Er is geen woord van waar, van deze klassifikatie, bedoel ik, want op m'n volstrekte onbekwaamheid om vóór m'n geboorte meetepraten, valt niets aftedingen. En ongeboren wàs ik. Er liggen honderd twee en zeventig genien tusschen myn eersten kreet en 't laatste woord van die waardin. De lezer weet dat er in Nederland dertien genien op 'n maaneklips gaan, en kan dus nu precies uitrekenen wanneer ik jarig ben. Men wordt verzocht de miskende meetetellen, anders zou men tot de slotsom komen dat ik nog in de wieg lig.

--Maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar?

Mensch, waarom vraag je dat? Is 't uit wysbegeerte? Heb je aan duitsche filozofie gedaan, en wil je misschien de eigenschappen van 't leelyke ding an und für sich dat je--met permissie--je ikheid noemt, objektievelyk onderwerpen aan de subjektieve reinen-vernunftskritiek van den haarlemmer-schipper die z'n pyp stopt?

--Asjeblieft, schippertje!

Zoowaar, ze wil hem den koperen vuurbak aanreiken, waarin 'n turfkool ligt te glimmen, voor verstuiving bewaard door 'n deksel van messing, voor uitdooving ook door vyf ronde gaten, juist groot genoeg om aan pypekoppen den toegang open te laten naar 't vuur. Toegang? 't Mocht wat! De schipper, deugdzaam, griffermeerd en verontwaardigd, vader van zes gehuwde kinderen, antwoordde ditmaal niet. Hy haalde 'n tondeldoos uit z'n zak, nam de roerpen onder den oksel, en bikte z'n eigen vuur. Was er geen konsekwentie in dat waardig gedrag van den haarlemmer-schipper? En is 't billyk, my te verwyten dat ik by-voorkeur beelden teeken die thuis hooren op laag terrein? Kan men zich iets verheveners voorstellen dan die tondeldoos en dat vuurslaan voor eigen rekening--als schryver zou de man 'n gek figuur gemaakt hebben!--terwyl hy de hand maar hoefde uittesteken om met z'n pyp den koperen cylinder te bereiken die hem zoo gul... neen, zoo verleidelyk werd aangeboden door de ondeugd? Of, al ware het dat-i met z'n grootkop zou te-kort geschoten hebben om 't altaar te bereiken dat de valsche Vestale hem aanlangde, zou niet Wouter, de hulpvaardige by-uitnemendheid, het vaasje met de meest mogelyke toewyding hebben vastgehouden? Meent ge, lezer--gy die 'n man van ondervinding en oordeel zyt, en bovendien als Christen bedreven in de geheimenissen der demonologie--meent ge dat ooit aan 'n haarlemmer-schipper die op 't punt staat z'n eerste pyp aantesteken...

Ze waren alzoo pas by de Eén honderd Roe, of ter-nauwernood zoo ver. Alweer 'n bewys dat die orgelman nog niet "in-zicht" kon wezen. Finaal onmogelyk!

... meent ge dat ooit de Satan zich aan zoo'n schipper aanlokkender kan vertoond hebben dan in de warme gedaante van 'n gloeiende kool? En tòch deugdzaam! Tòch konsekwent!

Deugdzaam? Ja. Maar wie van konsekwentie spreekt, heeft alweer slordig gelezen. Hoe kan men weten of 's mans pyp-opsteken voor eigen rekening en risiko, in overeenstemming kan gebracht worden met het antwoord dat de vrouw zoo-even van hem moet gekregen hebben, zoolang men van dat antwoord geen kennis draagt? Overyling... uw naam is lezer! Stel dat-i gezegd had: "Eulalia, ik bemin u meer dan m'n schuit!--en nog altyd weet geen sterveling of-i wat anders zei--zou 't dan niet van onvergeeflyke harteloosheid getuigd hebben, als-i zoo kort daarop Eulalia's vuur had afgewezen? Dat mannen veranderlyk zyn weet ik, en niemand betreurt deze karakterfout meer dan ik, doch juist daarom noem ik 't voorbarig dien schipper te stempelen tot uitzondering, voor wy 'n beetje meer van hem weten. In de eerste plaats alzoo...

Lieve God, wat moet ik nu 't eerst vertellen? De natuurmetselary wacht op verklaring. De schipper zuigt en blaast, de tondel tintelt, en klaagt over m'n spelling, nu ja, maar kan ik 't helpen dat onze taalwetgevers hun eigen wetten niet volgen? De waardin schuift met mismoedig gebaar den versmaden vuurbak zoo ver ze maar eenigszins reiken kan over 't roertafeltje binnenwaarts, en verbergt haar smart onder den uitroep:

--Wel man, als 't je niet lykt mot je 't maar zevend'half voet van je zetten. Graag of niet! 'n Mensch z'n lust' is 'n mensch z'n leven...

En, 't hoofd buiten de deur-opening stekende, herhaalde zy de gewichtige vraag:

... wel ja, niet waar?

Jansen en Wouter hadden nu twee zaken voor één optelossen.

De vrouw wilde weten of 't waar is dat 't leven van den mensch in z'n lust bestaat, 'n onderwerp dat weleens tot de konkluzie zou kunnen leiden dat men niet juist alle dooden op 't kerkhof behoeft te zoeken, schoon ik niet verzekeren kan dat de weetgierige vraagster van deze vroolyke slotsom 't ware besef had. Er bleek dat het zoo duidelyk uitgezwegen non tali auxilio van den schipper 't mensch gewond had, en ik verkies nu in haar herhaalde poging om eigen indruk aan 't oordeel van anderen te toetsen, 'n bydrage te vinden tot den oorsprong der maçonnerie.

Ten-allen-tyde bestonden er menschen die meer te zeggen hadden dan 'n ander, en zy die--zooals op 't oogenblik onze schipper--aan 't roer zitten, maakten wel eens misbruik van hun voordeeliger standpunt. Laat ons onderzoeken wie de vrouw was die daar in de roef zat, en telkens haar hoofd buiten 't deurtje stak alsof ze kennis maken wou. Wie ze was? Wel hoe kan ik dit weten, ik ken 't mensch niet. De vraag is zonderling. Ik weet alleen dat ze zoo-even terdeeg was uitgescholden, en daar ze nog geen gelegenheid had gehad het gepeupel dat haar met zooveel verachting behandelde, te doen verzwelgen door dezen of genen afgrond, bevond ze zich in 'n staat van vernedering die 't midden hield tusschen wrevel en kontritie, wel eenigszins gematigd of tot nader order teruggedrongen door den wensch om Wouter te ontlasten van z'n ryksdaalders. Wat haar boosheid aangaat, spot er niet mee, verwaten lezer. Ik had U wel eens willen zien, tien minuten na 't afgryselyk oogenblik dat 'n brokje Publiek u gebruikt had als voorwerp van deugdmanifestatie!