De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld
Part 33
--Dáár weet ik niet van, antwoordde Styntjen, en 't scheen wel dat zy over Wouter's vraag 'n beetje verstoord was. Een mensch kan niet alles tegelyk doen! Wou je dat ik pater nu nog dáármee lastig was gevallen ook? De man heeft 't werachtig druk genoeg. Voor m'n moeder is er òver, en daarmee kan God doen wat-i wil. Maar voor m'n vader sprak ik geen stom woord. God zou wel eens kunnen zeggen: "als je zoo begeerig bent, kryg je niemendal!" Nou, dit is maar by manier van spreken, want wat ik verdiend heb, moet ik hebben: eens gezegd blyft gezegd! Daar is de heilige Jozef voor, die is er werachtig de man niet na om z'n zoons woord te-schande te laten maken. Heere Jeessis, waar blyft pater met al dat geld?
--Daar is-i, riep Wouter die Jansen's vriendelyk gezicht langs de hortensia zag voorbygaan.
Als om de gegrondheid van Styntje's angst ditmaal eens te logenstraffen, telde de goede man 'n twintigtal ryksdaalders op de tafel. Ter verontschuldiging over z'n uitblyven, deelde hy mee dat men hem onder-weg by 'n zieke had geroepen, die volstrekt iets naders van den hemel wilde weten voor-i er heen ging.
--Ik heb hem alles duidelyk uitgelegd, verzekerde Jansen. Die geldwisselaar zei dat de koers laag was, jongeheer, maar ik heb 'n briefje gevraagd, waar 't op staat. Nu kan jyzelf alles precies uitrekenen, want men kan nooit te voorzichtig wezen in de wereld, en geld is... geld, wat zeg jy, Styn?
Styn zei ja, en 'n kwartier daarna was Wouter met pater Jansen op-weg naar de haarlemmer-schuit. De oude vrouw had haar afgod terdeeg afgestoft en geschuierd, en ook Wouter kreeg 'n streek of wat met den borstel, doch 't was blykbaar slechts 'n voorwendsel om hem nogeens nadrukkelyk in 't oor te fluisteren:
--Zal je toch goed zorgdragen dat pater al dat geld niet verdoet, jongeheer?
--Juffrouw, ik belóóf het u! had Wouter geantwoord, en aan den stap waarmee hy de wandeling aanving, was te bemerken dat-i 't meende.
Helaas!
De weg naar... 't verkeerde is geplaveid met goede voornemens en welgemeende beloften.
Preekjen over preeken, en hoe Wouter niet aan 't preeken raken kon. Preek van pater Jansen over 'n preek van pastoor Koens, opgeluisterd door 'n preek van hemzelf. Hoe de auteur woord houdt.
Zeker kanselredenaar moet eens gezegd hebben dat niets gemakkelyker is dan preeken, doch niets moeielyker dan goed preeken. Ik heb er geen verstand van, maar als men op den bewusten dag aan Wouter gevraagd had of niet ook 'n middelmatige preek iemand terdeeg bezwaren kan, zoud-i 't zeker volmondig hebben toegestemd. Den vorigen dag was-i redelyk tevreden geweest met het halfgeboren koncept van den brief aan de opgeblazen Hersilia--jammer dat het niet gediend had--maar 'n preek... dat was wat anders! Hy wilde 'n paar keer beginnen, maar 't vlotte niet. Telkens als-i op z'n: "m'nheer, hoor eens!" zoo goedmoedig ten antwoord kreeg: "wat blief je, jongeheer?" zonk hem 't hart in de schoenen, en hy maakte de een of andere onnoozele opmerking over iets dat op hun weg te zien was. Pater mocht alzoo van hem vernemen dat de haarlemmerdyk 'n lange straat was, en dat ieder die 's avends laat buiten de stad bleef, 'n stuiver moest betalen, jazelfs als 't héél laat was, 'n dubbeltje. Jansen stemde dit alles volmondig toe.
Hoe te beginnen? Wel beschouwd, hebben dominees 't makkelyk. Ze nemen 'n tekst uit de Schrift, en verdeelen hem in drieën, dan volgt de rest vanzelf. Ook worden zy op den weg geholpen door 't voorgebed. Wel zeker: "steun, o Heer, den spreker die in ons midden is opgetreden om uw woord te verkondigen!" Zoo komt 'n mensch op z'n dreef. En 'n dominee is anders gekleed dan andere menschen. Dat alles geeft zekeren toon aan, en brengt 'n stemming te-weeg die stamelaars en stommen aan 't preeken helpen zou. Wouter voelde wel dat het niet te-pas kwam 'n gebed te doen: "steun, o Heer, den voorganger die naast pater Jansen is opgetreden om 't woord van Styntje te spreken!" maar hy wou doen wat-i beloofd had. Dat hy maar 'n domme jongen was, en die m'n-heer Jansen 'n eerwaardig man, kwam--juist omdat-i 'n domme jongen was--niet in hem op. En al ware dit anders geweest, het zou hem niet zoo heel erg gehinderd hebben, want Stoffel had eens verzekerd dat jongelui, zoo van de schoolbank, volkomen 't recht hadden oude menschen te kapittelen, als ze maar--door Styntje?--"bevestigd" waren, en de voorzorg gebruikten hun vermaningen heel theologisch intedeelen in drieën. Nu, dàt wilde Wouter doen. Ten-eerste: de spaarzaamheid is Gods wil. Dit zou hy o.a. bewyzen uit eierschalen, appelschillen en notendoppen die nooit grooter zyn dan precies noodig is om te bedekken wat er in zit. Ten-tweede: de spaarzaamheid is de wil van God... och, 't lukte niet! Na veel vergeefsche pogingen om op-streek te raken, leidde z'n gedachtengang hem eindelyk op de vreemdklinkende vraag:
--Kan u zingen, m'nheer?
Voor zoover 't me vergund is, borg te staan voor Wouter's bedoelingen, kan ik verzekeren dat-i niet juist van plan was den goeden oudeheer daar op de publieke straat 'n psalm of gezang optegeven, met het verraderlyk oogmerk zich daardoor te doen stemmen op preekhoogte. Neen, maar hy had weer: "m'nheer, hoor eens!" geroepen, en moest toch iets antwoorden, toen Jansen hem vroeg wat-i te zeggen had?
--Zingen, jongeheer? Jawel. Het hoort om zoo te zeggen by m'n vak. Maar heel mooi zing ik niet. Je moet pastoor Koens eens hooren, vooral in den Kerstnacht... prachtig! Verleden was er 'n heer uit Parys in de kerk, die bood hem... ik weet niet hoeveel geld, als-i zich wou laten aannemen by 'n zingkomedie die ze daar hebben. Maar hy wou niet, want hy wil by de kerk blyven, dat begryp ie. Maar anders... hy zingt iemand het hart uit 't lyf. En preeken! Dat heb je nooit zoo gehoord! Ik weet niet wat mooier is, z'n zingen of z'n preeken. Hy is 'n heilig man, dat kan ik je verzekeren, maar... meisjes zyn zwakke vaten, en daarom zyn er vaders die liever hebben dat hun dochters by my gaan. Kan pastoor Koens dat helpen? In 't geheel niet!
Als 'n bliksem vloog hier Styntjes mededeeling dat Femke niet van "pastoor hiernaast" hield, door Wouter's gemoed. Lieve, beste, brave Femke! Of prinses Erika van pastoor Koens houden zou, als ze hem kende!
--Hy zingt 'n kyrie... weet je wat 'n kyrie is? Want je bent niet van de Kerk, niet waar? Gut, ik ben er niet boos om, want de een is zóó, en de ander is zóó. Er zyn Turken ook. Maar weet je wat 'n kyrie is?
--Neen, m'nheer!
--Kyrie beteekent: "Heer" en eleison is zooveel als: "verlos ons!" Nu, dat zingen wy in onze kerk, en Koens heeft 'n kyrie die expres voor hem gemaakt is door 'n Duitscher, 'n eerste man in z'n vak. Hy is orgelist te Weenen, geloof ik. En ze zeggen--nu, dàt zal je vreemd vinden!--ze zeggen dat-i eens voor 't heele hof...
Jansen hield even op om Wouter's aandacht te spannen. Maar hiertoe was meer noodig, want de gedachten van den jongen waren by de preek over spaarzaamheid.
...voor 't heele hof, denk eens!
--Ja, m'nheer, zei Wouter, zonder nog te weten wat er te denken viel..
--Hy heeft voor 't heele hof gezeten op... wel, waarop denk je dat-i gezeten heeft? Dàt moet je nu eens raden, jongeheer.
--Op 'n stoel, m'nheer.
--Ook, ook! En op 'n draaikruk ook... want hy had klavecimbel gespeeld. Maar dat wou ik je nu eigenlyk niet zeggen, want het gebeurt meer, niet waar? Neen, hy is zoo ver in de muziek, dat 'n aartshertogin hem op haar schoot heeft genomen, en dáárop heeft-i gezeten. Hoe vindje dàt?
Wouter vond het heerlyk, en nam zich voor, de eerste de beste gelegenheid aantegrypen om zich te oefenen in muziek. De fondsen van z'n belofte aan Styntje daalden vreeselyk. Wie toch kan aan preeken en spaarzaamheid denken, als er zóóveel te verdienen valt met ut, re, mi, fa, sol? Toch vond-i de zaak niet heel helder, en gaf te kennen dat 'n beetje nadere toelichting niet overbodig wezen zou.
--Op haar schoot, m'nheer?
--Ja.
--'n Aartshertogin?
--Ja, van Oostenryk.
--Maar, m'nheer, hoe is dat mogelyk?
--Kyk, ik dacht wel dat je 't vreemd vinden zou, want zoo'n aartshertogin is 'n heele dame, en daarom vertel ik 't je. Ik heb er wel al honderd menschen mee vermaakt, en niemand kon 't raden voor ik 't zei. Maar gebeurd is het, vraag 't maar aan pastoor Koens, en Styn weet het ook, want ze was er by...
--Aan 't hof, m'nheer?
--Neen, toen pastoor Koens 't vertelde.
De goede Jansen genoot naar hartelust van Wouter's verbazing, die dan ook inderdaad groot was. Hy hield zich innig overtuigd dat noch z'n moeder noch een van z'n zusters, noch zelfs Leentje, die toch anders volstrekt niet hoovaardig was, zich zóó ver vergeten zou met 'n klavierspeler. Neen, nooit, nooit... al was er geen hof by dat er kwaad van denken kon. In 'n achterkamer niet!
--Op haar schoot, vervolgde Jansen. En ik zal je nog meer zeggen...
Nòg meer, o hemel?
... hy heeft ook op den schoot van de Keizerin gezeten! Zou je dàt geraden hebben?
--Neen, m'nheer!
--Dat dacht ik wel! En ik ben er nog niet! De Keizerin heeft hem gezoend...
--Maar, m'nheer!
... gezoend op allebei z'n wangen.
"Naar Weenen, naar Weenen!" riep alles wat stem had in Wouter's gemoed. Met geografische inspanning legde hy zich de vraag voor, of Haarlem in den weg lag naar dat verrukkelyk oord. Jansen vermaakte zich kinderlyk met z'n verbazing. Ze werd ten-top gevoerd--ach, vernietigd te-gelykertyd--door 't vervolg en slot van de historie.
--De keizerin stopte z'n zakken vol...
--Hè?
... vol suikerdemangelen.
Hier berstte Jansen in lachen uit, zoodat de voorbygangers er schik in kregen. Maar 't was moeielyk niet te lachen by 't gekke gezicht dat Wouter zette, en hierom was 't dan ook den goeden pater te doen geweest, want hy hield van vroolykheid. Na zich eenige oogenblikken te hebben laten bidden om opheldering, lichtte hy de zaak toe:
--Ik zal 't je dan maar zeggen. Die klavierspeler was pas zes jaren oud, en 'n heel lief jongetje. Pastoor Koens heeft met hem gestudeerd--later, weetje--en ze zyn groote vrienden gebleven. Ik zei je-n-immers al dat-i 'n kyrie voor hem gemaakt heeft? Ze hebben samen gestudeerd op 't Jezuiten-kollegie...
Wouter rilde protestantelyk.
...daar krygen wy onze knapste menschen vandaan. Maar 't gaat niet altyd door, want... ik ben er ook geweest. Gut, wat keek je gek, toen ik je vertelde van die suikerdemangelen! Maar ik zou je wat van die kyrie zeggen. Als Koens hem zingt... o! In z'n kamer, meen ik, want in de kerk doet-i 't niet graag. Styn heeft er van gehuild, want het is heel gehoorig by ons, we kunnen elkander best hooren zuchten... maar ik zucht nooit. Waarom zou ik zuchten? Nu, Styn huilde, en ik kreeg kippevel. En weetje wat ik er by dacht? Ik dacht: God, God, wat ben ik 'n prul by pastoor Koens!
--Hè, m'nheer!
--'t Is de waarheid! Maar ik van myn kant ben weer veel sterker van bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor ondankbaarheid! Als m'n vader me op z'n smedery gedaan had, zou ik net zoo sterk geworden zyn als m'n broer, maar de theologie maakt 'n mensen 'n beetje lebberig, vindje niet? En toch... verbeelje, ik heb thuis 'n Vulgata. Daar staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in 't vierkant, en in leer gebonden... 'n heele vracht! En er zyn sloten aan, ook, Styn schuurt ze alle weken blank. Welnu, ik pak een van die koperen lippen met m'n pink, en Styn zegt paters op, en ik houd m'n Vulgata--altyd met die ééne pink, moet je denken--tot quotidianum van de derde. En Styn is niet eens heel vlug met 'r paters. Als ik ze zelf zei, bracht ik 't zeker tot remitte van de vierde, of misschien wel tot amen. Maar ik moet je 'r byzeggen dat wy katholieken geen kracht, macht en heerlykheid hebben. Dat scheelt altyd 'n beetje. En... er is niets apokriefs in de Vulgata. Met 'n protestantschen bybel zou ik 't wel laten, dat vat je wel!
Neen, Wouter vatte het niet! Of althans hy begreep niet alles. Maar de konkluzie nam-i goedig aan. Hy hield zich overtuigd dat pater Jansen byzonder sterk in z'n pink was, en zou voor die overtuiging in den dood gegaan zyn.
--Ja, 't is 'n heel ding, niet waar? En dàt kan nu pastoor Koens weer niet. Zoo zieje dat God altyd ieder 't zyne geeft. Maar ik heb Styn verboden 't hem te zeggen. Hy mocht eens verdrietig worden omdat-i 't me niet na kan doen, en dit hoeft niet, want zulke dingen komen toch in ons vak maar zelden te-pas. Maar eens toch heb ik er recht schik van gehad... niet van die Vulgata, meen ik, maar dat God me zoo sterk gemaakt heeft. Hy doet niets voor niemendal, houd je dáár maar aan vast! Verbeelje, ik was op 't Simmenarie, en daar woonde-n-'n boer in de buurt, 'n ryke boer. Hy heette Koremans, maar hy was heel ryk, en hy had veel arbeiders in z'n dienst, meiden en knechts, allemaal boeremenschen, dat begryp je wel. Een van de meiden heette Trineken, en ik dacht dat Koremans goed en gul was... maar och, ik heb er geen pleizier in, je dat te vertellen. Waartoe dient het? Liever vertel ik je-n-'n ander stukjen, iets van hèm, van pastoor Koens. Dat moet je hooren!
't Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan 'n boeremeisje. Hy was in de jaren que tout ce qui porte jupon intéresse, en in z'n verbeelding vertaalde hy elk onbekend vrouwspersoon in "Femken" of... iets als Femke. Maar hy begreep toch dat-i den goeden Jansen niet dwingen mocht in de keus van z'n onderwerpen, en hy luisterde zoo aandachtig mogelyk, weldra zéér aandachtig zelfs, en zonder dat dit hem moeite kostte.
--'t Was eens zyn beurt van preeken, ging de pater voort, en hy preekte. Den tekst weet ik niet meer, maar 't was over goede behandeling. Van den eenen mensch jegens den ander, weetje, want dat is eigenlyk de hoofdzaak van ons geloof. Ik preek er ook wel eens over, maar... zóó niet, daar scheelt veel aan! Want, wat gebeurt er? Er zat 'n man in de kerk--'t was 'n slachter, moet je begrypen--die kreeg 'n toeval, en hy moest er uit gedragen worden, en ieder dacht dat het van de warmte was. Maar 't was niet van de warmte. Die man had stiefkinderen, en hy behandelde ze niet goed, en hy voelde zich zoo zondig door de preek van pastoor Koens, dat-i van zichzelf viel. Vind je dat niet sterk voor 'n slachter? Toen-i weer wèl werd, heeft-i z'n stiefkinderen voor z'n bed geroepen, en hun om vergiffenis gevraagd, en beloofd dat-i ze nooit weer mishandelen zou, want... dat deed-i vroeger. En, omdat-i slachter was, zond-i 'n mand met worst aan pater Koens, met 'n brief er by. Je kunt denken hoe bly we waren... om die kinderen.
--En, m'nheer, heeft die slachter woord gehouden?
--Ik denk 't wel, want hy zal 't zeker prettig gevonden hebben, goed voor z'n stiefkinderen te wezen, en 'n mensch houdt van pret. Maar Koens wou de worst niet hebben, want hy eet geen vleesch, Styn moest ze terugbrengen, zeid-i.
--Hè, riep Wouter die 't jammer vond zoo'n geschenk aftewyzen.
--Ja, niet waar, 't zou den man bedroefd hebben. Dit vond Styn ook, en ik ook, en daarom hebben wy die worst opgegeten, zy en ik, want ik mag wel worst.
--Maar, m'nheer, wat was er dan met die Trineke?
--Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z'n naam niet moeten noemen, want het past me niet, iemand zwart te maken na z'n dood.
--Wat had-i gedaan met die Trineke?
--Gedaan? Niets! Ik wil 't je wel vertellen, maar spreek er nooit over. Misschien leven z'n kleinkinderen nog, en hoe zou jy 't vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist niet erger dan andere boeren, en daarom zou 't me leelyk staan z'n naam te bekladden, maar wáár is wáár! Hy was heel ryk, en goed voor de kerk, o best! In onze kapel--want we hadden 'n kapel in 't Simmenarie--hing 'n geelkoperen Sebastiaan met z'n lyf vol pylen, wel duizend pond zwaar... nu, die was van hèm. En opschepperig was-i als we hem bezochten, goedgeefs... je hebt er geen begrip van! Aan brood en kaas of karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z'n twintigen... net 'n zoete-n-inval! En z'n dochters zetten rozynen op brandewyn, en daar dronken wy simmenaristen van dat het 'n aard had. Maar dat kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen of trouwen, of zoowat. En eens zou een van z'n dochters trouwen--'t was al z'n derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou ieder ze hebben--en wy kwamen gelukwenschen, en werden best onthaald, maar de bruid keek sip, en we dronken brandewyn op rozynen, en er was 'n pret van belang... op de bruid na! Maar op-eens... och, jongeheer, ik had het je eigenlyk niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je 'r nooit over spreken zult?
--Nooit, nooit, m'nheer, op m'n woord van eer!
--Wàt? Nu, je belooft het, dat 's genoeg. Dat ik schik van de zaak gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult hooren hoe sterk ik geweest ben, en toch was ik nog niet eens terdeeg uitgegroeid. Je begrypt, 'n jongen in theologie-tweede is anders nog niet veel mans. Nu, we aten en dronken, en er zou gedanst worden ook. Dit mocht eigenlyk niet, en als 't in 'n ander huis gebeurd was, zouden we zeker straf gekregen hebben, maar Rector zag wat door de vingers als 't by Koremans gebeurde, om dien Sebastiaan, weetje, en ook omdat-i wel-eens in z'n wagen naar stad reed, en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen... in dien tyd. Nu zou 't niet staan! En ik zou dansen met de bruid die ik graag lyden mocht... vroeger. En ze hield van my ook wel, dat weet ik zeker. Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik dat Trineken er niet was, en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-'r altyd by, net als de andere knechts en meiden, maar nu was zy er niet. En dat zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans-zelf. Lies was de bruid, weetje, die met me dansen zou, en wel 't allereerst, omdat ik 'n weddingschap van haar vryer had gewonnen... ook al over sterkte. "Trien is ziek, zei Koremans, en ga nu je gang maar met Lies." "Is Trineke ziek, vroeg ik, en waar is ze dan?" Want dàt wou ik weten. "En, zei ik, ik ga nu me gang met Lies niet, voor ik weet waar Trineken is."
Wouter verwachtte nu 'n landelyk drama met... iets als liefde er in. Heel véél kon 't niet wezen, dit begreep hy wel, om den aanstaanden werkkring van den held. Maar juist deze bedenking prikkelde z'n nieuwsgierigheid te meer. Hy tooverde zich den jeugdigen nog niet geheel tot geestelyke verwrongen jongeling voor oogen, staande tusschen twee-, drieërlei plicht, misschien wel tusschen formeele trouwbeloften en gemoedelyke beloftentrouw, tusschen Trineke, Lies en theologie. En op den achtergrond vertoonde zich de sombere gestalte van den bruigom, die gereed stond by de minste overhelling naar Liesje's kant, den al te gelukkigen Seminarist met één slag doodongelukkig en liefst heelemaal dood te maken. In byna alle Dorfgeschichten die Wouter gelezen had, droeg zich de zaak op die wys toe. Of zou pater Jansen den bruigom hebben neergeveld? Een mensch doet rare dingen als-i verliefd is, en daarby zoo byzonder sterk.
--Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed doet...
--Ik zal er heusch nooit over spreken, beloofde Wouter, die meende dat-i 't geheim van 'n moord te bewaren kreeg, en bang was dat Jansen 't verhaal afbreken zou.
--O, dit mag je wel vertellen, 't kan soms nuttig wezen dat men 't weet. Ik wou je dan zeggen--maar 't spyt me wel--dat de boeren... soms niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...
--Hè?
... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had al meer gemerkt dat men haar achteraf zette, en wegdeed als er wat vroolyks voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was, en zei dat ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want toen ik den vorigen keer by Koremans was, had ik al gemerkt dat ze erg hoestte, en nog kaduker was, dan gewoonlyk. Ze was 'n beetje mank ook, maar ze had altyd braaf gewerkt... o, by Koremans z'n ouders al! En daarom vroeg ik waar ze was? "Ze is op 'r bed, zei Lies, en ik begryp niet wat je hebt uittestaan met dat ouwe mensch. Kom, dans maar!" En ze wenkte den speelman dat-i beginnen zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, want het was me alsof God me ingaf--dit gebeurt soms--dat ze slecht behandeld werd. En Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad van dat meisje denken omdat ze me naliep. 't Was maar dat ze niet wou dat ik Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want... ze lag in den stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei 't me niet--dat begryp je wel--maar 't was of God het me ingaf. En ik stond voor den stal, en vroeg: "is ze hier?" maar Koremans durfde niet antwoorden, en Lies riep weer: "wat wil je toch met dat ouwe mensch?" Maar ik zei: "met jou dans ik niet!" en 't speet 'r. Toen vroeg ik aan Koremans, of-i de deuren van den stal wou openen? "Neen, zeid-i, en ze is er niet!" En ik zei dat ze 'r wèl was, en vroeg 't hem nògeens, want men moet 'n mensch altyd tyd laten om zich te beteren. Dat doet God ook. Maar hy zei weer neen, en Lies wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, en zette m'n schouder tegen de staldeur dat-i kraakte, en... ik was er in, hoor! Vind je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van.
--En Trineke, m'nheer?
--Wel zeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit 's heeren Schrift! 't Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer geleefd, maar... ze is toch behoorlyk gestorven op 'n kristelyk bed. Want ik heb Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik je! Ik zei dat God hem verbryzelen zou, precies zoo als ik de staldeur gedaan had... neen, veel erger nog! En ik zei--met 'n zwaren vloek er op--dat ik bord noch beker in z'n huis zou aanroeren voor Trineke op 'n bed lag, met 'n dokter er voor, en medicyn op de plank. 't Gebeurde, hoor! O, ik heb veel gezegd! Ook over dien Sebastiaan... want daar was-i erg groots op, en ieder die in de buurt van ons dorp kwam, moest het weten dat de Sebastiaan in onze kapel van Koremans was. Ik zei: "denk jy dat God met koperen koppen gediend is? Die oude Trine draagt meer pylen in haar lyf dan Sebastiaan ooit gehad heeft, want ze is er heelemaal kaduuk van, en mag je dan zoo'n mensch op stroo leggen in je stal? Zet jy daar jou Sebastiaan in, die zal er geen weet van hebben, want hy is maar van koper, en de levendige Trineken is je nader. Ze heeft je-n-uit de sloot gehaald toen je-n-'n dreumis was, en wat heeft ooit Sebastiaan voor je gedaan? 't Was 'n heilig man, ja, maar jy moet ook 'n beetje heilig wezen, en niet je volk in de mest leggen. Wie denk je wel dat je bent, omdat je geld hebt, en koeien en land? God heeft veel meer dan jy, en als-i verkiest, kan-i Trineke wel honderd boerderyen geven waar de jouwe-n-in verdrinken zou. 't Is nu Gods wil dat zy niks heeft, en jy veel, maar als 't hem in z'n hoofd komt, keert-i 't om, en geeft je hoest en jicht en allerlei krupsies meer. Wil jy dan op stroo liggen als 'n varken?" Zoo heb ik gesproken, en ik zei nog veel meer, en ik gaf er latynsche teksten by, want daar kan 'n boer niet tegen. Ook zei ik dat-i in de hel komen zou, maar ik weet niet zeker of dat wel waar was. Je moet denken, ik was nog maar in theologie-tweede. Gut, er hoort zooveel toe om alles precies te weten van God en goddelyke zaken! 't Is 't zwaarste vak van de heele wereld, en ik was nooit erg voorlyk. Die Koremans had eens pastoor Koens vóór zich moeten hebben, die had 't hem ànders ingepeperd! Maar Koens had nu weer die staldeur niet zoo gauw opengekregen... krak, daar lag-i! De hengsels waren verdraaid.
--En Liesje, m'nheer?
--Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen Trineken op 'n bed lag, vroeg ze-n-of ik nu met haar dansen wou? Maar ik wou niet. En toen bracht ze Trineken 'n glas brandewyn met rozynen en krentenkoek, dat heel versterkend is by de boeren, en toen vroeg ze weer of ik met 'r dansen wou, en ik deed het, maar zonder veel plezier. Ik schoof maar zoo'n beetje heen-en-weer, en Liesje was ook anders. En ze wou haar huwelyk uitstellen, maar Koremans was er kwaad om, en haar vryer ook. Ik geloof dat-i me niet lyden mocht... zeker om die weddingschap.