De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld
Part 29
--Op de veer drukken, weetje? Druk op dat veertjen in 't stokje, schreeuwde Pompile, die evenmin als de anderen aan iets anders dacht dan aan onhandigheid, of hoogstens meende dat "de jonge Pieterse" z'n zuster niet verstaan had.
--Doe 't 'm eens voor, Pompile, zei de oudeheer.
Pompile die op de voorbank gezeten was, stond op en boog zich over 't gezelschap heen, om den "jongen Pieterse" les te geven in 't openen van 'n parasol. Maar hy kwam te laat. Wouter kneep, trok, drukte, schoof, en schoof wat krachtig...
--Ik kàn wel, m'nheer, zeid-i.
... en 't ding was aan flarden! Hy hield den stok in de eene hand, en de fladderende zy met de andere omhoog als 'n vlag! Het heele gezelschap was "ontdaan." Men keek elkander verbaasd aan, als om te vragen wat dit beteekenen moest? Welnu, niemand begreep het. Niemand kwam op de gedachte dat men hier te-doen had met 'n gewond menschenzieltje dat iets verscheuren moest om uiting te geven aan onlydelyke pyn.
--'t Heeft zeven gulden dertien gekost, jammerde Hersilia. Niet waar, Calbb?
--Je moet altyd begrypen Hersilie, 't is 'n burgerjongetje, riep Pompile. Hy wist niet wat je bedoelde, zie je? Je moet altyd denken, 't is 'n burgerjongetje, en... nooit in gezelschap geweest. Dáár komt het van!
--Zeven gulden, dertien!
Het stokjen en de lappen werden, zoo goed het hossen van 't rytuig toeliet, aan elkaar gepast om nogeens voor 't laatst te bewonderen hoe het ding er had uitgezien voor de vreeselyke katastroof, Nog 'n paar maal mompelde de majestueuze Hersilia haar tragisch: "zeven gulden, dertien" en vry ontstemd liet het gezelschap zich voortkruien door den zandweg. Toen men thuis kwam, nam Pompile de rol van verslaggever aan mama op zich. Niemand was meer verontwaardigd dan "de juffrouw." Ze had wel drie fransche woorden om te betuigen dat de zaak...
--Ja, ja, zeker! zei Pompile. Maar u moet begrypen, mama...
--Hy stond mevrouw zoo délicieus by die gele bergère, maseurde de juffrouw.
--Goed, juffrouw. Maar ziet u, mama...
--'t Is 'n ware balourdise. m'nheer!
--Zeker, juffrouw! Maar, mama, Hersilie had het niet moeten, doen, mama. Want zoo'n jongen...
--Fi donc, zoo lomp te zyn!
--Volkomen juist, juffrouw! Maar ik wou aan mama zeggen dat mevrouw Calbb had moeten begrypen dat zoo'n jongetje...
--'t Is infaam!
...dat zoo'n jongetje maar... 'n burgerjongetjen is! Dàt wou ik maar zeggen aan mama.
En dit alles moest Wouter aanhooren! Z'n woede was gebroken. Hy voelde zich verlamd, onmachtig, wezenloos, en alweer overmeesterde hem zeker heimwee naar de vroeger zoo geminachte levensopvatting ten-zynent.
Was dàt nu de wereld die hy zou leeren kennen als-i "groot" was? Wanneer hy op dit oogenblik z'n ouden vyand Slachterskeesjen ontmoet had, hy zou hem aan 't hart hebben gesloten als 'n bode uit hooger sfeer. Men ziet het, te laag gezonken om behagen te scheppen in de voorstellingen uit den mythentyd zyner jeugd, begon hy reeds te verlangen naar 't weerzien van de grove gestalten die hem in die dagen omgaven. Zoo ook verwarren onnadenkende geschiedschryvers den onbehagelyken toestand van den wilde met de gouden eeuw van Saturnus.
Wouter was wanhopig. En z'n stemming werd er niet beter op, toen-i bemerkte dat ook Julie tot z'n vyanden behoorde, want "vyandschap" meende hy te moeten veronderstellen in al de menschen die, na hem zóó te hebben gegriefd en vernederd, niet eens schenen te begrypen dat-i voor grief en vernedering vatbaar was. Pompile gaf zich de moeite hem op 'n parapluie te wyzen hoe men 'n parasol opent, en ten-laatste was Wouter na veel vruchtelooze pogingen om de ware oorzaak van z'n zonderlingen handgreep onder woorden te brengen, wel genoodzaakt zich aantestellen alsof hy werkelyk voor 't eerst te weten kwam dat men by zoo'n gelegenheid op 'n veertje moet drukken. Pompile scheen zeer voldaan over de les die hy gegeven had, en roemde er op dat "de jonge Pieterse" de zaak nu volkomen verstond, en zeker by 'n volgende gelegenheid...
--Zeven gulden, dertien, jammerde Hersilia.
De maat liep over. Wouter stond haastig op, vloog de deur uit, het erf af en den weg op, om zich te verdrinken of... zeven gulden dertien te zoeken.
A la bonne heure!
Wouter spekuleert allervoordeeligst in ouwe-kleeren. Snelle wisseling in amerikaansche handelsbeweging, waarschynlyk niet zonder invloed op wisselkoers. Nachtgedachten. De terugkomst van den verloren broeder.
Weldra had hy na eenig dwalen en vragen een der poorten van Haarlem bereikt. Wat hy daar eigenlyk doen wilde, was hemzelf niet duidelyk. By 't verlaten van Groenenhuize blies de wanhoop hem in, met den meesten spoed 'n eind aan z'n leven te maken, en nog altyd kwam hem dit voornemen als 'n wenschelyke uitweg voor. Doch eerst wilde hy beproeven zich op andere wys te ontdoen van den ondragelyken last die hem drukte. 't Was zondag-avend, en er vertoonden zich weinig menschen op de straten. Ook waren de meeste winkels gesloten. Hier-en-daar slechts durfde men den dag des Heeren ontheiligen door 't uitstallen van halletjes en rooletters, of tabak en snuif. De verkoopers van deze artikelen verheugen zich voornamelyk in zondags-debiet, en de Heer moet zich hierin schikken. Wouter vermande zich, liep 'n koekbakkerswinkel in, en vroeg of men hem den weg naar den Jodenhoek wilde wyzen.
--Jodenhoek, jongeheer? Dat hebben we hier, om zoo te zeggen niet. Uwe-n-is zeker van Amsterdam?
--Geen Jodenhoek? Maar... by wien verkoopt men dan hier z'n ouwe kleeren? Dàt wil ik weten!
De vrouw uit den winkel keek hem vreemd aan. Eenmaal z'n aangeboren beschroomdheid overwonnen hebbende, was Wouter's toon zoo kortaf en gebiedend dat het mensch er van ontstelde. Angstig riep zy als 't ware om hulp, en er verscheen dan ook 'n manspersoon, die haar vroeg wat er gaande was, en vry onvriendelyk aan Wouter wat-i "hebbe" wou?
--Hebben? Niets m'nheer! Ik wou maar weten waar men hier ouwe kleeren koopt?
De koekbakkers-familie joeg hem den winkel uit. Tandenknersend stond hy weer op de straat, en wist niet wat hy doen zou. Na lang zoeken en veel mislukte pogingen trof hy eindelyk 'n klein meisje dat hem bracht waar-i wezen wilde. Een oude jood antwoorde toestemmend op de vraag of hy koopman in kleeren was? Wouter trok z'n jasjen uit, wierp het op de tafel, en vroeg wat de man daarvoor geven wilde. Het kleedingstuk werd bevoeld, gewreven, gerekt, tegen 't licht gehouden, en 't eerste bod luidde: vier gulden!
--Zeven gulden, dertien! riep Wouter.
--Nah, w'rom nie liefer dertien gilde sefe, as je 't m'r foor 't seche heb? Fyf gilde, en cheen dyt meer! Ghedrache kleeren binne niks waart, want se worre teugeswoordig techeef inchefoert fan Emerika... te-cheef! Dat sel je-n-ook wel wete. Fyf gilde tien, dan!
--Ik moet zeven gulden dertien hebben!
--Wat je hebbe mot, sel je wel 'reis kryche, as je m'r iemant fint die 't je chefe mot. M'r ik mot je niks chefe, en ik cheef je niks. Nou, ses gilde! Trek jespille m'r weer an, anders, en cha mê chot!
Toen Wouter hierop inderdaad vertrekken wilde, steeg het bod tot zeven gulden. Helaas, die vreeselyke dertien stuivers! Er was niet aan te doen: de koopman bleef onverbiddelyk. Mocht men 't hem kwalyk nemen, by zoo'n overvoer van ouwe-kleeren uit Amerika? 't Was al zeer edelmoedig dat-i by zoo'n stand van zaken zeven gulden geven wilde voor Wouter's jasje dat--dit is waar!--zonder die ongelukkige mededinging der Vereenigde Staten, zeker wel twintig gulden zou waard geweest zyn. Het was 't eerste kleedingstuk dat voor hem gemaakt was, en dat tot hem kwam zonder eerst, als ter oefening, 'n glansryke loopbaan om de lenden van broêr Stoffel te hebben afgelegd. Het was de toga virilis die--en wel zondags alleen--hem plechtig om de schouders werd geworpen ter viering van z'n promotie tot jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith.
Maar aan dit alles dacht hy niet. De verfoeielyke Hersilia, en die sarrende Pompile, en ook Julie, de ontrouwe Dame... hy zou hun toonen dat-i... dat-i...
Hy smeet nu ook z'n hoed op de tafel, en bood die te-koop aan. Na eenig dingen en bieden was 't kapitaal kompleet, waarmee hy de edele vrouwe mevrouwe Calbb-Kopperlith en haar aanhangers 'n kool vuurs wilde te slikken geven. Ja-zelfs, er was geld over, want voor den hoed had-i drie schellingen bedongen. De jood vroeg hem of-i ook van z'n schoenen wou ontlast worden, maar Wouter liep zonder te antwoorden, in hemdsmouwen en blootshoofds de straat op.
Hoe nu? Zèlf naar Groenenhuize terugkeeren? Dat nooit! Het schoonste blad van den lauwerkrans dien hy door z'n kordaatheid meende verdiend te hebben, zou verdorren wanneer men daar te weten kwam door welke middelen hy geslaagd was in 't afbetalen van z'n drukkende schuld. Langen tyd liep hy peinzend op-en-neder, de minst bezochte straten kiezend omdat hy zich begon te schamen over z'n ongekleedheid. Hy wilde de schadeloosstelling waarmee z'n vyandin moest verpletterd worden, doen vergezeld gaan van 'n brief die op pooten staan zou! Niets beter dan dit, maar... waar dat stuk te schryven? Als-i eens in zoo'n halletjeswinkel naar pen, papier en inkt vroeg? Hm, gemakkelyk ging dit niet. Hoe zou men hem te-woord staan, hem die zich nu zoo afgetakeld voordeed? Van de humaniteit der haarlemmer burgerlui had-i reeds proef gehad, toen hy er nog uitzag als 'n ander. Zoud-i op vriendelyker bejegening kunnen rekenen, nu hy zich vertoonde in 'n kostuum, dat... sakkerloot, de zaak begon hem moeielyk voortekomen.
Z'n opwinding was afgeloopen, en indrukken van meer gewonen aard namen daarvan allengs de plaats in. Z'n wrok over de ondergane miskenning, jazelfs het verdriet over Julie's trouweloosheid, moest telkens wyken voor de ergernis dat-i geen jas aan had. Waar-i by 't schemerlicht van den zomeravend 'n voorbyganger zag naderen dien hy niet ontwyken kon, trachtte hy den eigenaardigen tred aantenemen van iemand die even overwipt om 'n buurman goeden-avend te zeggen. Maar 't baatte niet. Daar kwamen 'n paar straatjongens hem sarren met den roep: "heb je 't zoo warm, jongeheer?" 't Was om razend te worden!
Toch drong hy zich op dat-i nog altyd naar 'n gelegenheid zocht om 't staatsstuk te schryven dat het geld vergezellen zou, maar 't was uit geestelyke traagheid alleen, en uit onwil om te erkennen dat z'n verdriet veranderd was van richting. Ieder manspersoon dien hy ontmoette en die gewoon gekleed was, vervulde hem met afgunst.
Ziehier hoe hy schryven wilde... àls hy tot schryven kwam:
Weledelgeboren Mevrouw ...
Zeker! Zoo adresseerde de jongeheer Leon de brieven aan z'n mama. Dit zou dus ook wel zoo ongeveer de rechte betiteling wezen voor mevrouw Calbb-Kopperlith. Hy wilde haar en de heele familie toonen dat-i wist hoe 't behoort, en dat de manieren der "groote wereld" niet onbereikbaar waren voor 'n burgerjongetje. "Weledelgeboren Mevrouw!" alzoo, en verder:
"Ik heb de eer Uweledelgeboren hiernevens aantebieden de som van zeven guldens en achttien stuivers voor 'n nieuwen parasol. Myn eer, Weledelgeboren Mevrouw, gedoogt niet Uweledelgeboren ongelukkig te maken, en daarom...
"Heb jy je jas in den lommert gebracht?" vroegen hier op de welbekende zangwys van 't vroolyke patertje 'n paar belangstellende dienstmeiden, die van haar zondagmiddags-uitgang zooveel pleizier wilden trekken als er maar eenigszins van te trekken was.
Wouter week schichtig uit, en vermeed zooveel mogelyk de minst donkere plekken. Z'n gedachten keerden terug naar 't punt van uitgang: dien fameuzen brief!
"Uweledelgeboren zal ontwaren dat er vyf stuivers over zyn. Die schenk ik Uweledelgeboren als 'n blyk van... van...
Hy weifelde tusschen "goedertierenheid" en "genade." Een troepje Amsterdammers die Kraantje-Lek bezocht hadden, en in de stemming verkeerden welke van-oudsher by dezen uitgang past, kreeg onzen tobber in 't oog en nam hem in 't ootje. Wouter sloeg zich dapper genoeg door den kring heen, maar hy voelde zich zeer verdrietig. Men zal erkennen dat de voorgenomen heldendaad met die zeven gulden zóóveel, hem byzonder moeielyk werd gemaakt. Gedurig mompelde hy zich voor: ik wil 'n brief schryven, ik wil! Als ik maar wist, wáár? En hy monsterde huis voor huis, of daaronder misschien een mocht zyn dat hem genoegelyk zou kunnen dienen tot kantoor? Zelfs liep hy nu-en-dan 'n winkel in, maar hy bereikte z'n doel niet. Z'n vreemd voorkomen en de schichtigheid waarmed-i z'n ongewoon verzoek uitte, schrikten de menschen af. "Als ik in-godsnaam maar 'n jas aan had!" zuchtte hy.
Eindelyk--welke booze geest speelde hem dezen trek?--eindelyk stond hy op-eenmaal weer voor 't huis waar de jood woonde, die zoo goedig hem van jas en hoed verlost had. Wouter trad instinctmatig binnen. "In 's hemelsnaam, dacht hy, als ik maar eerst weer behoorlyk gekleed ben, dat ik me vertoonen kan! O God, wat is 'n mensch die geen jas aan heeft!"
De jood zag vreemd op toen z'n klantje van zoo-even hem de verkwanselde kleedingstukken kwam terugvragen. Hy had ze juist naar New-York verzonden, zeid-i, waar ouwe-kleeren tegen goud werden opgewogen.
--Maar zoo-even zei je...
--So-efe-n-is f'rby, en wat cheweest is, is niet. Ik sech je dat ouwe-kleeren d'r gelt waart binne! Feel uitfoer na Emerika teugeswoordig! Daar sit 't 'm! Maar ik wil je wel 'n jas ferkoope-n-en 'n hoet ook. Mooie waar, kyk hier!
Na eenig verdrietig gesukkel verliet Wouter den winkel van den schacheraar, met 'n jas aan, en 'n hoed op... modellen! De kleedingstukken die hy 'n uur te-voren in z'n opgewondenheid had afgestaan waren er vorstelyk by. Toch moest hy voor de nieuwe plunjen al 't geld neerleggen dat-i bezat, de vier stuivers inkluis die m'nheer Wilkens hem den vorigen dag op last van den grootmoedigen Pompile had uitbetaald voor z'n terugreis naar Amsterdam, en die geaffekteerd zouden worden op "huishouding." De huishoudelykheid nu van Wouter's transaktie...
--As je wéér wat te handele heb, zei de edelmoedige jood, kom cherust by me.
En hy gaf Wouter 'n adreskaartje dat deze werktuigelyk in den zak stak. Op-straat gekomen--nu was-i gekleed, o goden!--betrapte hy zich op 'n volkomen overbodige repetitie van z'n redaktie-plannen. "Weledelgeboren Mevrouw! Hiernevens heb ik de eer Uweledelgeboren aantebieden...
Aantebieden! Wàt?
Hy sloeg zich voor 't hoofd, en erkende voor de honderdste maal... hoe zei ook altyd z'n moeder? "Heere jesis-kristis, die jongen! Van hèm komt nooit wat te-recht?"
Waar zou-i heen! Al peinzend over den zonderlingen toestand waarin hy gebracht was door... eilieve, lezer, door wàt eigenlyk? Hyzelf kon er zich geen reden van geven, maar aan U vraag ik, wat toch de oorzaak was van de onaangename verwikkelingen waarin hy telkens verstrikt raakte? En ditmaal nogal erg. De geringschatting van de menschen aan wie hy verantwoording schuldig was, had reden van bestaan in ieder ander, maar niet in hèm. Z'n moeder was z'n moeder, de heeren Ouwetyd & Kopperlith waren zyn patroons. Hy was niet grof genoeg van inborst om de draden waarmed-i zich aan de maatschappy verbonden voelde, eenvoudig te verbreken en zich vry te maken: om "de wereld integaan" zooals dit heet. Hieraan dacht hy wel, doch maar 'n oogenblik want hy was te week om het besef te verdragen van de smart zyner betrekkingen... die wel luidruchtig, maar niet zoo byzonder diep zou geweest zyn. Doch dit wist hy niet. Op-eenmaal kwam hem nu in den zin dat-i in z'n lessenaar op 't kantoor allerlei rympjes had verborgen, waarin veel schoons werd gezegd... van háár. Wie deze "haar" was, doet er niet toe. Het is te betwyfelen, of hyzelf hiervan een heldere voorstelling had. Want al droegen z'n ontboezemingen gewoonlyk de kleur der indrukken die Femke hem had meegedeeld, toch dwaalde hy telkens te veel af van dat ééne model, om te kunnen beweren dat hy in die rympjes z'n liefde voor háár schetste. Niemand zou 'n waschmeisje zoeken in 't origineel van de wolkerige portretten die hy leverde. 't Wemelde in z'n poëzie van prinselyke diademen, van goddelyke straalkransen, van wereld-overzien, en van de bekende algemeene gelukkigmakery. Ook God was niet vergeten, dit spreekt vanzelf. Het is ieder verzenmaker bekend, hoe makkelyk dit eensylbig woordje zich schikt in elke maat. Kompromitteerend in gewonen zin waren alzoo Wouter's dichtproeven niet. Noch Pompile, noch Wilkens zouden by 't vinden der achtergelaten rymelary, op 't denkbeeld gekomen zyn dat hun weggeloopen jongste bediende in betrekking stond tot 'n dame die men noemen kon. Hoogstens zou 'n beetje scherpzinnigheid hun de middelen aan-de-hand doen om van Wouter's ongedisciplineerde hartstochtelykheid geen jota te begrypen. Hyzelf echter meende dat-i maar al te duidelyk had lucht gegeven aan z'n gevoel, en in verbeelding zag hy reeds z'n onbescheiden talent misbruikt om al de jonkvrouwen van zyn hart tentoontestellen in de courant. Prinsessen zouden er 't meest onder lyden, want aan hoven is de eer 'n teedere zaak. En ook Julie liep gevaar. In dat ééne gedicht namelyk--koupletten van acht regels met slechts twee rymklanken, denk eens!--had-i zich niet kunnen onthouden, 'n zwevenden engel uittedosschen in 'n zwierig rykleed van bruine taf, en van zoo'n stof was juist het japonnetje dat zy aanhad op den dag toen hy zoo ridderlyk vier stuivers had afgedongen op haar liggenden jachthond! Duidelyker zinspeling op z'n verrukking over haar neerbuigen tot hem, kon wel niet gevat worden in koupletten van acht regels met slechts twee rymen! Ja toch, hy had melding kunnen maken van 't wollen fichuutje dat ze by die gelegenheid om den hals droeg--want ze was op dien merkwaardigen stond 'n beetje verkouden--maar de eischen van rym en maat bewaarden hem genadiglyk voor indiskrete vereeuwiging van deze byzonderheid. Die zwabberende bruin-zyden amazone was waarlyk al verraderlyk genoeg! Zou de oude Dieper by 't ontdekken en beoordeelen zyner rymschatten, de goedheid hebben Pompile aftebrengen van de gevaarlyke gissing dat er verwantschap bestond tusschen die zwevende engel en z'n wederhelft? Och, op zoo'n boekhouder valt niet te rekenen. Gaf-i niet altyd iedereen gelyk? Wouter zag hem z'n pen neerleggen, z'n snuifdoos opnemen, den bekenden stap achterwaarts doen, en dit alles om met vereischten nadruk te verzekeren:
--Juist, jongeheer! Ik heb de intieme fictie dat de jongen met dat schimpdicht bedoeld heeft...
--Schimpdicht, Dieper? 't Is geen schimpdicht? Wàs 't dat maar! De kwajongen is verliefd, en wel op...
--Precies, jongeheer! Ik wil maar zeggen, net als u, dat-i zeker met dien golvenden luchtgeest mevrouw Kopperlith-Huddewitz bedoeld heeft. 'n Mensch moet toch iets bedoelen, niet waar? Zeker, zeker, die engel in 't bruin is de jonge mevrouw! Vindt u 't niet erg... brutaal, jongeheer?
Wouter's verbeelding tooverde hem 't kantoor voor, en dwalend door den Hout was-i getuige van de woede, van de minachting, van de vernederingen die 't burgerzielig konklave over hem uitstortte. Wilkens blaette afkeuring, Eugène bromde z'n: hm! Daar kwam ook de oudeheer aansloffen:
--Zieje, Pompile, 't is de schuld van Dieper. Waarom zoo'n deugniet te rekommandeeren?
En Dieper beloofde deemoedig dat-i 't nooit weer zou doen.
De oude Gerrit? Nu, zyn tusschenspraak schikte nogal. Gelukkig voor Wouter, dat-i eindelyk 'n figuur ontdekte van iets minder afschuwelyken aard, iemand waarmed-i het tooneel dat z'n angst hem voormaalde, wat minder krimineel stoffeeren kon. Gerrit mompelde: "wat 'n geseur over die liedjes! Allemaal wind en 'n engelsche notting!" Lieve Gerrit!
Opmerkelyk, niet waar, dat Wouter wel de gaaf had zich zoo nauwkeurig voortespiegelen wat er gebeuren zou, wanneer men na z'n wegblyven z'n archief doorsnuffelde, hy die zich niet in-tyds rekenschap had weten te geven van den zotten toestand waarin iemand geraken moet, die z'n zeer behoorlyk jasje verruilt voor 'n schanslooper van de vreemdste soort, en z'n fonkelnieuw hoedje voor 'n rooden kalen gedeukten tromblon die hem bovendien eenige nummers te groot was? Weinig jongelieden zouden zich in Wouter's geval hebben schuldig gemaakt aan de zotterny die hy begaan had, en toch zou 't onrecht wezen hen daarom voor verstandiger te houden. Voor 't meerendeel hadden ze slechts door onthouding van 't excentrieke, blyk gegeven beneden Wouter's fouten te staan. Kon hy 't helpen dat-i z'n ongewoonheid niet wist te regeeren? Dat er 'n aanhoudende stryd was tusschen de wereld die hy in zich omdroeg en de wereld waarin hy leefde?
De manier waarop hy zich gedurende den afgeloopen dag gedragen had, kon zonder verkrachting van den zin der uitdrukking, gerangschikt worden onder de rubriek: krankzinnigheid. Wel zeker! De arme dwaas die in den waan verkeert dat z'n beenen van glas zyn, is niet verder van de waarheid dan de dweeper die zonder de wereld te kennen zooals zy inderdaad is, z'n aanraking met haar meent te kunnen regelen naar 't schema dat hy in omgang met zichzelf alleen, samenknutselde. Wouter droomde van engelen... die er niet zyn, en van zielenadel... die niet bestaat. Hy onderging allerlei aandoeningen die aan anderen niet bekend zyn. Het is er ver af dat deze aandoeningen onverdeeld schoon waren, en dat alzoo in alle opzichten de werkelykheid beneden z'n droomeryen zou staan. Integendeel. Onder alle personen, zonder onderscheid, die hy tot-nog-toe had leeren kennen, was niemand die niet in 't een-of-ander opzicht hem in zedelyke waarde te-boven ging, 't geen reeds hieruit blykt dat geen hunner ooit zich vervoeren liet tot dwaasheden als die welke hem daar zoo wanhopig deden rondzwerven in den Haarlemmer-Hout. Inderdaad, lezer, 't is onzedelyk 'n nieuwe jas te verruilen voor 'n oude! Ik laat nu de kazuistische finesse waarmee sommigen zotterny willen onderscheiden van slechtheid, stilzwygend in haar onwaarde, zéker is 't dat onze held even beschaamd was over 't verkwanselen van z'n kleeren, als-i over diefstal zou geweest zyn. En, wanneer hy de wereld goed gekend had, zoud-i gróóter schaamte nog gevoeld hebben over z'n dwaasheid dan over eigenlyke misdaad. Deze immers wordt begrepen, omdat ieder deelt in de aandrift die daartoe leiden kan. Met 'n vroom: "God zy by ons... wie staat, zie toe!" bekruist men zich--en hangt den dief op, nu ja--maar men deelt volkomen in de gevoeligheid voor verlokking die den zondaar máákte tot 'n zondaar. Vraag eens aan juffrouw Pieterse en haar vry groot aantal verwanten in geestesarmoed, of ze 't voor mogelyk houden dat zy een der tien geboden zullen overtreden, of zelfs maar 'n artikel uit het Wetboek van Strafrecht? Zy en allen zullen antwoorden: "de mensch is zwak! Heer, wees my armen zondaar genadig!" Heel goed, ik mag lyden dat de Heer het doet. Maar, eilieve, stel haar de mogelykheid voor oogen dat zy 'n splinternieuwen merinossen rok zou weggeven, en in 'n onderrokje ronddolen op den publieken weg... zonder de minste aanroeping van den Heer, zal ze verontwaardigd uitroepen: nooit! En dit is de waarheid. Zóó ver kan de slimste Duivel 't mensch niet brengen, al liet God haar in den steek. Wel schynt alzoo zyn hulp onontbeerlyk om bewaard te blyven voor galg en rad, maar domheden als die van onzen Wouter weet men te vermyden zonder de minste tusschenkomst van den Hemel.
En nog 'n opmerking, ditmaal van eenigszins aangenamer aard. Dat Wouter's manier van spekuleeren niet tot welvaart leidt, zal ieder erkennen en goedkeuren. Maar men is te zeer gewoon zich goede uitkomsten voortestellen van het tegendeel. Dit is onjuist. Ik kan den lezer verzekeren dat de kleerenjood die zich zoo handig toonde in zaken, niet eens millionair was toen-i stierf, en dit is 't geval met velen die zich vermeten minachtend neertezien op 't eigenaardig gebrek aan praktyk, dat 'n uitvloeisel is van nog onvolkomen dichterlykheid.