De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld
Part 26
De soort van 't gezelschap waarmee hy daar kennis maakte, heb ik reeds met 'n enkel woord omschreven. Indien niet Wouter door byzondere omstandigheden in deze levensperiode was voorbeschikt tot afdwaling, zou hy voorzeker in dien omgang geen smaak hebben gevonden. Maar er bestond by hem wel degelyk aanleiding tot misgrypen, en zelfs byna noodzakelykheid. Sedert eenigen tyd voelde hy zich ontwassen aan al het kinderlyke zyner eerste ideaaltjes, en al zocht hy nu niet uitdrukkelyk naar aanvulling van de hierdoor teweeggebrachte leegte, toch onderging hy onbewust de gevolgen van die ylheid. Ware dat eerste hoofdstuk van z'n zieleleven opgevolgd door ingespannen arbeid--ook zelfs door schynbaar vernederenden arbeid, mits: vermoeiend!--dan had de overgang van kind tot mensch geleidelyk plaats gevonden, en er zou weinig of geen kracht zyn verloren gegaan, iets wat in psychologie, als in werktuigkunde, de eisch is. Hierop waren dan ook de vermaningen van Holsma voornamelyk gegrond. Wouter moest genezen worden van z'n voorliefde voor 't kontemplatieve, de klip waarop zoovelen--en de slechtsten niet!--te-gronde gaan, en die hen doet aanlanden in de buurt waar ze 't minst te-huis behooren: by de luiaards. De hier bedoelde methode laat zich, zonder de minste aanspraak op wetenschappelyken klank--maar de uitdrukking is er niet minder schilderachtig om--samenvatten in 't huisbakken voorschrift: "zit niet te droomen, steek je handen uit!" Denken is voorwaar des menschen edelste bezigheid, maar juist het wèl denken schryft handeling voor. De maat der splitsing tusschen 'n geoorloofd toegeven in bespiegeling, en dat: "handen-uitsteken" is evenwel geenszins voor allen gelyk. Dit laatste is niet by-uitsluiting laag by den grond. Het eerste niet, op en door zichzelf, verheven. De verhevenheid ligt in de korrekte toepassing van beiden. Een onpraktische droomer staat waarlyk niet hooger dan de domste "man van zaken." We kunnen evenmin in de wolken wonen als in den modder, en er bestaat geen enkele reden om aan 't vervliegen van geest de voorkeur te geven boven 't smoren van geest. Het maat-houden tusschen deze beide uitersten is onze taak, en niet alleen ontwaren wy telkens groot verschil in neiging tot overslaan, wanneer we onderscheiden individuen met elkander vergelyken, maar zelfs in den enkelen mensch bestaat groote onregelmatigheid. In sommige perioden van het leven hebben wy ons in acht te nemen tegen de gevaren van onberaden vlucht. 'n Andermaal moeten wy onszelf opwekken en inspannen om de mollegangen te verlaten waarin we bezig-waren ons te versteken. Uit de wet der traagheid alweder is het te verklaren dat wy, na terugkeer van den verkeerden weg, ons vergissen in de maat van afwyking aan de andere zyde. Dit oscilleeren is geestelyk en zedelyk leven. Hoe kleiner de boog, die de tong der balans beschryft, hoe beter, maar volslagen stilstand zou de dood zyn.
Wat Wouter aangaat, hy streed nog niet. Het kleine voorpostengevecht met die vreeselyke "naastbyliggende plichtjes" vorderde wel zware inspanning, doch wortelde niet in 'n beginsel. Hy deed dit omdat-i by-uitstek dociel was, en 't werd hem voorgeschreven door iemand dien hy achting toedroeg. Er scheelde weinig aan, of hy zou 't zichzelf hebben toegerekend als 'n goedige poging om dokter Holsma pleizier te doen. En deze beschouwde z'n voorschrift eenvoudig als 'n tydelyk middel om hem zonder struikelen heen te helpen over de hinderpalen van z'n leeftyd. Het was nu eenmaal de waarheid dat hy aan dat: "handen-uitsteken" behoefte had, een ziekteverschynsel waaruit zich myn ingenomenheid met het pak-naaien laat verklaren. Indien ik over hem te beschikken had gehad, hy zou eenige jaren leerjongen by 'n smid geworden zyn. Geenszins om hem binnen de grenzen van dit ambacht te bepalen--'n smid met Wouter's gaven zou zich onmisbaar ontwikkelen tot 'n Krupp!--maar om z'n al te eenzydige neiging tot het kontemplatieve te-keer te-gaan, en die te-gelyker-tyd voor zooveel noodig, te steunen. Met vermoeide leden zou hy dan 's avonds neervallen op z'n stroozak, en den volgenden morgen geen herinnering hebben van de gedachten die hem hadden bezig-gehouden na 't uittrekken van z'n tweede kous, ja van z'n eerste misschien. En wat het opwekken, aanwakkeren en voeden van z'n zucht tot bespiegeling aangaat, juist dáártoe is niets geschikter dan een handenarbeid die genoeg inspanning van spieren vereischt om op zeker oogenblik van lichamelyke afmatting "halt!" toeteroepen aan de fantazie. Vóór dat oogenblik werken de geestvermogens regelmatiger en met beter uitslag, dan wanneer men zich meent bezig te houden: alleen met denken.
Dit eenmaal aangenomen, zie ik niet in dat het trekken aan den blaasbalg eener smidse onzen Wouter zou geschaad hebben. Dàt, of zoo-iets, ware hem weldra de basparty geworden, waarop hy de melodien had kunnen zetten waarvan z'n ziel vervuld was, doch die hy nu niet verstaanbaar wist te maken, noch aan anderen, noch aan zichzelf. En, by-gebreke van zoo'n handleiding liep hy gevaar...
Wel zeker, hy maakte kennis met die jongelui by 't postkantoor! Zy zouden 't hongerig zieltje vullen met hun voosrype wysheid. En Wouter's eetlust was groot! Niet alleen psychologisch leed hy honger. Ook in maatschappelyken en huiselyken zin was dit het geval. Hy voelde behoefte aan gezelligheid. We weten reeds dat hieraan ten-zynent niet voldaan werd. En wat de "heeren op 't kantoor" aangaat... ze deden er niet in.
Doch in gezelligheid werd wèl "gedaan" door die jongeluî aan 't postkantoor. Nu ik eenmaal--met stoute miskenning der waarheid zoowel, als van de lokaal-kleur--de heeren Ouwetyd & Kopperlith tot 'n "handelshuis" heb verheven, durf ik even ongepast die loopjongens bevorderen tot kantoorbedienden. Zoo namelyk betitelden zy zichzelf. De eerste aanleiding tot kennismaking werd geleverd door de ontmoeting met een der Hallemannen. Ook hy was: "jongste-bediende." Wouter sprak hem aan, en zei: "Gus!"
--Ah zoo... je bent Pieterse, geloof ik.
Wouter keek vreemd op by dit "geloof". Maar Pieterse wàs-i.
--Ja zeker, Gus. Wèl, ken je me niet meer?
--Ik ken je wel, maar ik moet je ronduit zeggen dat ik geen kinderachtigheid verdragen kan. 't Lykt wel of we schooljongens zyn, zoo praat je!
Wouter begreep er niets van. De zaak was, dat-i: Halleman had moeten zeggen. Hy leerde dit, en weldra begon-i ook z'n eigen familienaam mannelyker en aanzienlyker te vinden dan: Wouter. Hy zag al zeer spoedig dien Gus voor 'n groot man aan, die 'n breede opvatting van 't leven had. De kwajongen was dan ook inderdaad 'n tweetal jaren ouder dan hy, en wel twintig in kennis, gelyk we zien zullen, of nagenoeg.
Ach, lezer, ik heb 'n verdrietig werk te doen. Vloek over de ellendelingen die m'n Woutertje blootstellen aan zùlke kennismaking!
--En by wie ben jy op 't kantoor?
--By de heeren Ouwetyd & Kopperlith... Keizersgracht, weetje?
--Hm! Dat's nu juist zoo'n heel groot huis niet! In 't geheel niet. Wy doen in koffi. Jelui doet, geloof ik, op Smirna, hè?
--Dat weet ik nog niet, zei Wouter, ik ben er pas.
--Zóó? Weet je dat niet. Nou, dat's 'n rare!
Nieuw aangekomen "jongeluî" sloten zich aan, en hadden heusch als wezenlyke menschen gegroet met: "morge, heeren!" Misselyk en komiek, maar 't was zoo. En Wouter vond dien toon uitstekend. Hy had zich zoo'n verheffing zelfs in 'n droom niet durven voorstellen. Helaas, hy die zoo kort geleden nog in den omgang met zichzelf zich wys-maakte dat-i god wàs, en koning... worden zou, hy voelde zich gestreeld 'n stuk heer te zyn in de oogen van kwajongens die almede voor iets als heeren wilden doorgaan!
--Zeg, dàt's 'n rare! Hy weet niet eens waarin ze doen. Hoe vind jelui die?
De "heeren" vonden 't byzonder gek. En Wouter, die zeer gevoelig was voor spot, werd verlegen.
--Maar, zeid-i stamelend, je vroeg iets van Smirna, en dàt begreep ik zoo gauw niet. Een van onze jongeheeren is te Rome. Meen je dàt misschien?
--Wy zyn op Portugal, zei 'n derde.
--En wy op de Oostzee. Granen, weetje?
--Hoe héét dan je huis? vroeg 'n vyfde.
Wouter noemde de firma.
--Wel, wat bliksem...
't Sprekertje vloekte alleraardigst. En dit deed het heele troepje. Toch ging 't de mannetjes niet glad af. Men kon duidelyk bespeuren dat ze nog niet recht thuis waren in de handige toepassing van al hun mannelykheid. Dit was er 't grappige van.
--Wat bliksem, dat is in manufakturen! Weet je dàt niet? In manufakturen, zeg ik je.
En de spreker-zelf betuigde dat-i "in" assurantie was.
--Kyk maar, daar heb je polissen. Dat zyn allemaal polissen, weetje?
En allen beschouwden met eerbied 'n pakje blanko-dokumenten, dat de loopjongen zoo-even uit den kantoorboekwinkel gehaald had.
--Ja, ja, polissen! zei Gus, met 'n nadruk die zooveel beduidde als: "ik weet precies wat dat voor dingen zyn. Ik heb er ook in gedaan."
--Kyk, wat 'n mooie meid!
--Pst, pst! Hei! Kom 'reis hier!
Het dienstmeisje dat zoo hoffelyk werd aangeroepen, spuwde op den grond, en liep door. Het beste wat ze doen kon! Ze hoefde niet de minste kuisheid te-hulp te roepen om zich zedig te betoonen.
--'t Is Mie uit de bakkery, zei 't huis op Portugal. Nou!
Welke lezer verstaat dit "nou?"
--Nou! zei 'n tweede.
--Nou! herhaalde 't koor.
Wouter begreep er niets van. En dit was te dommer van hem, omdat hy de gelaatstrekken zag, die dezen uitroep vergezelden. Kon hy 't helpen dat-i nog altyd de hiërogliefen van gemeenheid niet grif lezen kon, die al dat genou illustreerden? Erg genoeg dat-i weldra die taal zou leeren verstaan. Vloek over de Kopperlith's!
Waarschynlyk keek hy onnoozel, want een van z'n leermeesters vroeg hem:
--Ben jy op 'n kantoor, jy?
--Ja... in... manufakturen, heusch! antwoordde Wouter.
--Weet je wat ik geloof? Ik geloof dat je nog maar 'n nuchter kalf bent. Dàt geloof ik er van!
En deze overtuiging werd bezegeld met 'n kernachtige heerenuitdrukking.
--Hy is zoo onnoozel als...
Als 't een-of-ander maar, dat niet onnoozeler behoeft te zyn dan wat anders, wanneer 't slechts terdeeg gemeen klinkt. De bedoeling zal geweest zyn dat-i byzonder onnoozel was.
--Zeg, weet jy nog niet eens waar de kindertjes vandaan komen? Nou... dàt mankeert er maar aan!
Goddank, dit wist Wouter! En als hy 't niet geweten had, zou hy hier in de gelegenheid geweest zyn het te vernemen, en wel op 'n manier sui generis. Ook andere wysheid was hier optedoen, die wel strikt genomen evenmin nieuw was voor den leerling, maar welke hem dan toch werd meegedeeld in bewoordingen die hem onbekend waren. Uit verregaande mannelykheid hield hy zich als sedert lang behoorlyk ingewyd. Hy gaf zich moeite om zoo wys mogelyk te lachen, wat hem slecht afging en heel leelyk stond.
't Was 'n liederlyk troepje. Ik heb op dit oogenblik geen lust uitvoeriger te zyn.
Wat Wouter aangaat, hy werd by dat Postkantoor bedorven voor-zoo-ver hy te bederven was. Dit blyft, met of zonder uitvoerige beschryving, treurig genoeg.
Over zekere volksverhuizing die--by groote uitzondering, voorzeker!--inderdaad heeft plaats gehad. Wouter, al lager en lager zakkende, komt eindelyk te-land achter de "britschka van Papa."
Op zekeren dag was er 'n groote beweging op de Keizergracht by de Vellestraat. De vensters der bovenverdiepingen aan den overkant prykten met dienstmeisjes die dagdievend op den uitkyk stonden. Misschien ook gluurden enkele stervelingen die zich verbeeldden oneindig verhevener standpunt intenemen, door 'n kykgaatjen in de gordynen der beneden-voorkamers. Voorbygangers die meer tyd hadden dan bezigheden of voortvarendheid, bleven staan by 'n schouwspel...
Hier zou nu romanshalve de beschryving van dat schouwspel moeten volgen. Helaas, lezer, wat zal 'n arme auteur doen? Er was, om de waarheid te zeggen, eigenlyk niets byzonders te zien, en de opmerkzaamheid van die dienstmeisjes, voorbygangers en... anderen, was maar 'n blyk te meer van de bekende armoed aan indrukken, die ik reeds in den tweeden bundel behandelde. Wilt ge die bladzyde eens naslaan lezer? (Verz. Werken, IV:37, I. 451.)
"De Kopperlith's gaan naar buiten" verhaalden elkander de Grietjes en Mietjes uit de buurt. En wie zich byzonder goed onderricht wilde toonen, kwam 'n half-uurtje na 't ontvangen van die boodschap terug met de vraag: "zeg eens, weetje wel dat de Kopperlith's naar-buiten gaan?"
Ik zou 'n onwaardig geschiedschryver wezen, als ik verzweeg dat zich hier-en-daar 'n variant voordeed. Drie mevrouwen, negen "juffrouwen", zeven-en-twintig kameniers--tevens linnen- en kindermeiden--verzekerden niets, maar namen zich voor, by de eerste gelegenheid te onderzoeken of 't wel wezenlyk waar was dat de Kopperlith's naar-buiten zouden gaan?
Ja, zeg ik. Ja! Ja! Ja! De Kopperlith's zouden inderdaad naar-buiten gaan. Er lag 'n zolderschuit voor de deur. Om nu den niet-Amsterdamschen lezer, die evenmin weet wat 'n "zolderschuit" is, als wat "voor de deur liggen" beteekent, te doen verlangen naar 'n herdruk met noten, geef ik hier de onheldere toelichting dat 'n zolderschuit zeker brak-watervaartuig is, zonder zolder, maar met 'n vloer. "Voor de deur" beduidt hier zooveel als in de gracht "waarop" het huis staat. Wie hiervan nu niet veel begrypt, geeft blyk van zekere bekwaamheid, maar 'n Paryzenaar of andere buitenman moet zich niet verbeelden dat men zoo op-eenmaal 't ware begrip hebben kan van de eigenaardigheden eener stad als Amsterdam.
Een zolderschuit lag alzoo voor de deur, en de gedienstige geesten van den huize waren druk in-den-weer met het aansleepen van den inboedel. Oppervlakkig kan het bourgeois voorkomen, dat de begrooting van de familie Kopperlith geen dubbel stel meubels dragen kon. Eilieve, om dat verhuizen was 't juist te doen! De buren en voorbygangers moesten de zolderschuit en de bereddering zien, die hier op de Keizersgracht denzelfden ontzag-inboezemenden dienst deden, als de beeremuts van Holsma's koetsier by de Pietersens. En dit moest nogeens geschieden in 't laatst van Oktober, by het thuiskomen. Ook dan weer zou de heele buurt zeggen: "weet je wel dat de Kopperlith's weer in de stad zyn?" Er is niets wat zoozeer op de eigenaardige zotternyen in zekeren stand gelykt, als de... zotternyen in 'n anderen stand. Wie er een kent, kent ze allen.
Alle-man was te-hulp geroepen. Daar waren Flip de kruier met z'n kameraden. Ook de koetsier met 'n paar geïmprovizeerde noodhulpen. Gerrit's rhumatieke styvigheid bleek dien dag redelyk lenig, misschien wel omdat "die Wullekes" niet in de zaak betrokken was. Zelfs--o hemel!--werd er meegeholpen door de kamenier, en--o, honderd hemels!--door de "juffrouw." Ieder ligtte, schoof, reikte aan, zette te-recht, droeg, stutte, duwde, trok en riep: "voorzichtig!" De intelligente lezer begrypt dat de "juffrouw" die 'n ontzettend quantum fatsoen had optehouden of... te veroveren, zich slechts waagde tot aan de huisdeur, en... schuchtertjes maar! De voorbygangers mochten eens ontdekken dat ze handen aan 't lyf had. En de kamenier-linnenmeid... nu ja, ook deze waardigheidsbekleedster was niet gehuurd op kruierswerk. Ieder moet z'n stand ontzien, en ze kwam dus niet verder dan de derde stoeptree, wèl geteld.
Al die meubels moesten naar Groenenhuize. "Mama" zou volgen met byzondere gelegenheid. Hoe 't gelukt is, haar uittepellen... neen, deze uitdrukking deugt niet. Ik dacht aan limburger peteunekes, maar die behoeven niet héélgehouden te worden, en dáárop kwam 't in dit byzonder geval juist aan. Met 'n speld pluist men zulke alikruikjes by stukjes en brokjes uit hun huisjes, en de weledelgeboren Vrouwe Mevrouwe Kopperlith moest uit haar zy- en binnenkamer worden voor den dag gehaald... integraal! Dit slechts weet ik, dat zy weinige dagen later den bodem van Groenenhuize bezwaarde, en dat ook de oudeheer z'n verveling daarheen overplantte met wortel en tak. De jongeheeren vertrokken vrydags-avends of saterdags-ochtends uit de stad, en kwamen meestal 's maandags terug. Gerrit en z'n egae Jans werden, zooals sedert jaren de gewoonte was, tot huisbewaarders bevorderd. De ware, echte, fatsoenlyke zomer was alzoo aangebroken en de jongeheer Pompile kon z'n woord lossen aan de Pleiers en de Hockers en de Kruckers... goddank!
Intusschen was Wouter's verveling op 't kantoor, op de zolders, en in 't magazyn, niet gemakkelyk naar den eisch te beschryven. Het pynlykste daarby was dat-i zich altyd moest aanstellen alsof hy wat uitvoerde. Want m'nheer Wilkens beweerde dat er voor 'n jong-mensch altyd iets te doen was: "leer dàt van my!"
Dit is waar, o m'nheer Wilkens! En ik zou byna durven verzekeren dat er ook voor 'n oud mensch gewoonlyk iets te doen valt. Maar dit was de vraag niet. De vraag was wàt men aan Wouter te doen gaf. Of er voedsel voor den geest stak in dien arbeid? Heilzame vermoeienis voor 't lichaam? Geveegd hàd-i. Gekopieerd hàd-i. Stalen uitgezocht, geknipt en opgeplakt, hàd-i. Hy kende de patroontjes van al die gekleurde sitsen uit het hoofd, met de nummers van het stalen-kontraboek er by... ja heusch, en zelfs in den droom! Dat slangetje met 'n gebroken kruisjen en 'n wipjen of 'n brokkelig moesjen op 'n blauwig marmer grondje, was... zesduizend zooveel, waarlyk! En zeventien nummers lager stond hetzelfde patroon, maar de moesjes waren rond, en 't wipje wipte wat minder. En die diemetten, en die fancy-checks en die fancy-stripes... och, hy wist het aantal draden op elken inch van schering en inslag! En wat er te rekenen viel, was niet meer moeielyk: "zooveel pounds, shillings en pence, tegen twaalf en drie." En al begreep hy dan den allereersten keer niet wat er bedoeld werd met dit jargon van den koers, hy vatte de zaak toen men ze hem eenmaal had gelieven uitteleggen. In z'n Strabbe kwamen moeielyker "sommen" voor. Wezenlyke inspanning kon hy slechts plaatsen in z'n stryd tegen verveling, zeker een der onwaardigste manieren waarop 'n jongmensch z'n ziel verkwisten kan. En 'n oud mensch ook. Voor Wouter was hiervan het onmiddellyk gevolg dat de "gezelligheid" by 't postkantoor op al te willigen bodem viel.
Reeds jaren geleden [22] heb ik er op gewezen hoe het horror vacui [23] der oude natuurkundigen zich ook in het zedelyke alom openbaart. Men behoorde van deze eigenschap der dingen gebruik te maken in de opvoeding. De ziel heeft 'n opzuigend vermogen. Men houde haar gezond voedsel voor en ze zal versmaden wat vuil is omdat ze dan daarvoor geen ruimte heeft. [24]
Men vulle het kind met kennis, men make hem gewoon aan begrypen en weldra zal 't hem stuiten iets aantenemen dat, met z'n weten en begrip in-stryd, zoowel 'n miskenning van z'n oordeel wezen zal, als 'n beleediging van z'n smaak.
Dit was by onzen Wouter ten-eenen-male verzuimd. Het weinigje kennis dat men hem had meegedeeld, was op-verre-na niet voldoende om z'n aandrift tot kennen, weten en begrypen te bevredigen. Zoolang hy kind was, had z'n fantazie 't noodige verricht, en meer dan dat. De tyd was nu gekomen dat-i zich vermoeid voelde van 't vruchteloos grypen naar 't onmogelyke. Z'n begeerten gingen rond als brieschende leeuwen, zoekende wat er te verslinden viel... och, alweer 'n beeld dat niet deugt! Er werd niet gebriescht en niet rondgegaan. Hy knaagde ontevreden op 't weinige dat hem werd toegeworpen, en voelde zich ongelukkig, 't Ergste was dat-i alleen zichzelf de schuld gaf van z'n toestand. Ieder ander, meende hy, was beter, wyzer, bekwamer, gelukkiger, dan hy, en in zekeren zin was dit de waarheid. We mogen vaststellen dat noch de jongeheer Pompile, noch de kantoor-satraap Wilkens, geleden hadden onder 'n wanverhouding tusschen hun gaven en de aanwezige middelen tot uiting, zooals die welke by-voortduring het evenwicht van Wouter's gemoed verstoorde. Elke afleiding werd hem welkom, en van keus was geen spraak meer. Hy zoog op wat zich voordeed. Ware hy in aanraking gekomen met drinkers... hy had gedronken. Met dieven... hy had gestolen. Met godzalige jongelingen... hy ware aan 't preeken en katechizeeren gegaan. Zelfs zóó ver daalde hy af, dat-i--opgeblazen nu van z'n recente postkantoorsche wysheid--berouw voelde over de onnoozelheid waarmed-i juffrouw Laps zoo teleurgesteld en geërgerd had. Berouw? Neen! Maar... schaamte toch. Hy trachtte zich optedringen dat-i 'n volgenden keer... hm! Zou die volgende keer ooit komen! 't Geval was vreemd geweest, zeer vreemd! Zoo-iets gebeurt maar eens in de eeuw, meende Wouter, die zich al z'n vroeger onbegrepen romanlektuur voor den geest bracht, en daaruit meende te moeten opmaken dat nietigheidjes als waarvan hy er een... byna ondervonden had, de spil zou zyn waarom zich 't leven draait. De lezer weet misschien dat zulk misgrypen in schatting van belangrykheid nog steeds by ouderen dan Wouter, zeer ten-nadeele der ware zedelykheid, 'n zotte rol speelt. Ook hier kan Larochefoucauld's ceux qui s'appliquent (trop?) aux petites choses, enz. van volle toepassing geacht worden.
Toch was Wouter er niet beter om dat-i berouw voelde over 't gebrek aan ondeugd, waaraan hy meende zich te hebben schuldig gemaakt. En dit voelde hy zeer goed. Hy dacht niet gaarne aan wat hem vroeger liefelyk voorkwam, jazelfs dit durfde hy niet! Z'n herinneringen aan de indrukken die Femke hem meedeelde, z'n eerzucht, z'n lust om met 'n beetje almacht het goede te bevorderen, z'n onverzadelyke begeerte om de oorzaken der dingen te kennen... och, dit alles hinderde hem. Even ontevreden als immer met z'n tegenwoordigen toestand, had hy zoomin lust zich bezig te houden met het verledene, als met 'n toekomst waarover 't bestuur hem ontglipt was omdat schuldbesef idealen bederft. Tot krachtig hopen is reinheid noodig, en wèl is 't grof en dom van godenmakers, dat zy, om afdwaling te bedreigen met straf, meenden behoefte te hebben aan 'n àndere hel dan 't verlies van die reinheid meebrengt. Het ambt van paradys-uitjagende Cherub is 'n ware sinekuur.
Eens, op-straat--boodschappen doende voor den jongeheer Pompile, natuurlyk--bepeinsde Wouter 't nieuwste nieuwtje van ontwikkeling, dat dien morgen door een van z'n kameraadjes aan 't Postkantoor was ten-beste gegeven, en zie... daarginds zag hy Femke aankomen. Hy keerde zich om en sloeg 'n dwarsstraat in. Waarom toch? Tot 'n beetje vermindering van z'n schande moet ik hierby zeggen dat-i den avend van dien dag langen tyd wakker lag voor hy den slaap vatten kon, en dat hy lust in schreien voelde. Maar hy kon evenmin schreien als slapen. 't Was zeer pynlyk, en hy nam zich voor... ja, wàt?
Met schrik bedacht hy dat het tydstip waarop Holsma hem had uitgenoodigd verslag te komen brengen van de pogingen om altyd z'n naastbyliggenden plicht te doen, sedert lang verstreken was. Ook dien goeden dokter zoud-i gemeden hebben, wanneer hy hem op de straat in de verte had zien aankomen. En misschien zelfs pater Jansen... 'n slecht teeken!
--Toch zou ik wel 'ns willen weten, dacht-i, waarom die goeie pastoor zoo doof is aan z'n linkeroor?
Hierover peinzende viel-i ten-laatste in slaap.
't Was donderdag geweest en vrydag geworden, en Wouter werd, op 't kantoor komende, verrast met de uitnoodiging om den volgenden dag zich te komen verlustigen op Groenenhuize. De jongeheer Pompile verwaardigde zich in hoogsteigen persoon hem deelgenoot te maken van deze genadige beschikking, niet zonder Wilkens 'n wenk te geven dat de tien stuivers welke den betrokkene voor reiskosten moesten worden uitbetaald, zeer gevoegelyk konden geboekt worden op: huishouden.
--Niet waar, Eugène? Zeg jyzelf nu eens of zulke uitgaven de zaken aangaan wat je noemt de zaken?
--Hm!
--Juist! Niet waar? En wat zeg jy, Dieper?
--Wel zeker, jongeheer! Ik vind dat zulke uitgaven... want, weet u, 't zyn kleinigheden, niet waar?