De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld

Part 25

Chapter 253,702 wordsPublic domain

--Van de heeren Ouwetyd en Kopperlith, stamelde Wouter met 'n mislukte poging om iets officieels te brengen in stem en houding.

En hy haalde het smeerige briefje voor den dag.

--Fader, zei de nog jonge vrouw, d'r binne ze-n-al met een f'n de wisseltjes... och Chot, de stumpert het 'r f'n nacht fan legge yle!

Wouter vond het vreemd dat zy iemand scheen toetespreken, want buiten haar zag hy niemand in de kamer. Dit werd evenwel terstond opgehelderd. Er klonk antwoord achter de gordynen van 'n bedstee.

--Je heb 'm wakker gemaakt! zei de vrouw op verwytenden toon.

--Och, wat spyt me dat, antwoordde Wouter met meer vriendelyke belangstelling dan z'n funktie meebracht of toeliet.

Zeker, als 't wisseltje hèm behoord had, zoud-i hebben voorgesteld 'n andermaal eens terug te komen.

--Wâ sel ik je segge, riep de zieke, ik hep de koors. En f'n wie komt het?

--Van de heeren Ouwetyd & Kopperlith...

--Dâ ken me nie skele. As ik je seg, dâ me dat nix skele ken! Ik fraag je wie de trekker is. Kyk jy 'ns Ribbetje, of 't briefie is f'n Sjomele, of 't briefie f'n Bussemakers, of 't briefie f'n Bebbel Roels in Keule? Want er ferfalle drie f'ndaag... een f'n sefen-en-dertig, sestien, acht, en een f'n driehondert-drie en een f'n sevehondert-dertien, ses, twaalf. En geef me nog wat asynwater, Ribbetje, want ik heb so'n dorst f'n de koors. Sefehondert dertien, ses, twaalf is f'n Sjomele, en hier is 't gelt.

Rebekka gaf haren echtvriend iets te drinken. Toen ze daarop Wouter verzocht haar 't briefje te toonen, hield deze het haar voor, zonder 't lostelaten. De vrouw toonde zich door dit komiek wantrouwen volstrekt niet beleedigd. Ze scheen 't niet vreemd te vinden, zoo weinig zelfs dat ze 'r geen acht op sloeg.

--'t Is f'n Sjomele, fader.

--Sefehondert dertien, ses, twaalf, goet! En hier is 't gelt.

De zieke scheen bezig iets optedelven onder z'n matras. Men hoorde hem woelen en hygen, en weldra 't geluid van gevulde geldzakken die tegen elkaar stootten. Rebekka wees Wouter 'n latafel aan, waarop ter-nauwernood 'n plekje leeg was. Daar zou wel 'n pen liggen, zei ze. En ook bracht ze hem na eenig zoeken 'n aptekersfleschje met wat inkt.

--Ja ... maar ... juffrouw ...

--Ribbetje, ik hep weer so'n dorst, klaagde de zieke.

Dit doet me genoegen voor Wouter. Die dorst bewaarde hem voor al te ruwe uiting van beleedigende voorzichtigheid. Met Rebekka, die op-nieuw haren man te drinken reikte, trad hy op 't bed van den zieke toe. Ze scheen bevreesd dat kou of tocht by 't openen der gordynen ...

--Ik zal je helpen, juffrouw, riep Wouter, meezorgend dat de opening niet grooter werd dan juist noodig was om 't verlangde doortelaten. Nadat Roebens gedronken had, reikte hy twee zakken geld aan.

--Maar, zei Wouter weifelend, ze hadden me gezegd dat het geld me zou worden voorgeteld?

--As ik je seg dâ 'k de koors hep, en siek ben as e geslage man, wâ wil je? As ik heb geteekent m'n hant f'r betale, na, wâ sel ik doen? Ik betaal. En as ik teeken m'n hant f'r telle, sel 'k telle. Help 'm, Ribbetje, en geef me wat drinke, ik heb so'n dorst f'n de koors. En tel 'm 't gelt foor ... sefehondert dertien, ses, twaalf.

Het jonge vrouwtje, na haar man gelaafd te hebben, hurkte op den vloer neer, en Wouter knielde er by. Ze stortte het geld in haar schoot uit, en wilde beginnen te tellen. Maar 't ging niet. Zyzelf kon niet wys worden uit de tallooze geldsoorten die haar man had weten by-een te brengen. Men zou er 'n muzeum mee opgezet hebben. Ook was er geen plaats, want de vloer lag vol prullen. Ach, de oude Gerrit wist het wel, en als 'n donderslag klonk Wouter de vreeselyke profetie in de ooren, "als je 'r afkomt met 'n daalder, mag je van geluk spreken!" Hy werd zeer angstig.

Daar stommelde iets op de trap, en 't oude vygenvrouwtje vertoonde zich in de geopende deur. Ze sprak bargoens, en scheen Ribbetjen iets te zeggen over dat geld. Het jonge vrouwtje hield op met uitzoeken en tellen.

--Fader, d'r is grootemoe, en se seit ...

Hier volgde een-en-ander dat Wouter weer niet verstond, maar wel onderscheidde hy eenige keeren den naam van Racheltje. Nogeens begon de oude vrouw haar verhaal, en ze wees op hem, en scheen zich driftig te maken tegen al die afgeknabbelde dertiend'halven en schellingen en byna onherkenbare muntstukken.

--Na, zei de zieke, 'k heb wel goet gelt ook as 't weze mot. Hier, Ribbetje, neem an ...

Hy reikte z'n vrouw 'n grooten zak over, die hy met blykbare moeite had opgegraven uit z'n beddegoed.

--Neem an, Ribbetje, en tel er uit ... twee hondert stuks, en dan nog ... twintich stuks, en ... ses. En ... doe 'r 'n achtetwintich by, die goet is, en ... ses Uiterse duiten, en laat 'm gaan met Chot! En geef me te drinken, Ribbetje, w'nt ik hep so'n dorst.

Wouter ontving z'n geld in gerande dukatons, en bedankte zeer vriendelyk. De welwillendheid van die oude vrouw had hem goed gedaan, tot roerens toe. Wanneer-i op dat oogenblik in het toekennen van vereering had moeten kiezen tusschen haar en de zooveel beter geboren mevrouw Kopperlith ...

Zonder 't minste opzet om 't rimpelig moedertje natepraten, wenschte hy haar by 't weggaan duizend goddelyke zegens toe. Haar, en m'nheer Roebens die zoo ziek was. En de jonge vrouw die zoo liefderyk haar man verzorgde. En kleine Racheltjen ... o, allemaal!

Eerst toen hy de straat bereikte, schoot hem in den zin dat-i--sakkerloot, hoe jammer!--by het teekenen ... z'n krul vergeten had. Nu, dàt 'n andermaal! Hy was verheugd dat-i menschen ontmoet had die hem zoo beminnelyk voorkwamen, en dit was meer waard dan de mooiste krul.

Alweer over 't kleine. Wouter wordt op post gezet voor de zenuwen van "mevrouw." Kent de lezer Gus Halleman nog? Verhandeling over het denken. De auteur maakt tenslotte fiasco in colloquia prava. [20]

Mochten sommige lezers klagen dat ik hen gedurende vele hoofdstukken reeds, byna zonder afwisseling rondleid op 'n tentoonstelling van nietigheden, dan neem ik deze klacht aan als betrekkelyke lofspraak ... op die nietigheden zeker niet, maar op m'n arbeid. Een zeer groot gedeelte des levens bestaat nu eenmaal uit 'n aaneenschakeling van 't geringe. Ik zou aan de waarheid te-kort doen indien ik deze eigenaardigheid over 't hoofd zag. En aan de goede trouw, als ik 't deed om hof te maken aan iets wat met betwyfelbare juistheid "aristokratie van den smaak" wordt genoemd. Ook 't woord: tentoonstellen, is my een niet ongewenschte kwalificatie van m'n arbeid. Zeker, de artist stelt de indrukken tentoon, die hy van de wereld opving, en weergeeft in zekeren vorm ... den zynen! Om evenwel ook de vele graven en markiezen onder m'n lezers tot moedhouden optewekken--onder ons gezegd, de onverzadelykste liefhebbers van zekere voornamigheid logeeren in stal of keuken--verbind ik my Wouter niet te laten sterven voor-i statiglyk zal geprezenteerd zyn aan 't een of ander hof. Misschien zelfs ga ik verder, en huur 'n huis voor hem op de Keizersgracht. Om de vermetelheid optedoen die voor zoo'n sprong noodig is, wacht ik 'n oogenblik van byna krankzinnige tuchteloosheid af. In kalme stemming zou 't niet lukken. Het is echter de vraag of hy--aangeland in zóó verheven sfeer--fyner dingen zal te zien krygen dan de aandoening die 't oude vygenvrouwtje bewoog ook op haar beurt 'n herodiaansche expeditie naar de derde verdieping te ondernemen en dus haar "handel" over te laten aan de bescheidenheid der voorbygangers, alleen om Wouter te beschermen tegen al te uitgebreide muntkennis van haar kleinzoon.

Wat overigens het aristocratische van den smaak aangaat, de myne is van edel bloed. Te edel, b.v. om zich aftegeven met de zeer burgerlyke voorkeur van mevrouw Kopperlith, die geen schoonheid vatte zonder goud, fluweel en aanzienlykhedens, en die dus hierin--op de naïveteit na--nog altyd op de laagte stond van 't kind Wouter. Wat my betreft, ik blyf aan redelyk goed brood de voorkeur geven boven zieke truffels. Doch, voor den honderdsten maal, niet hierin ligt het kriterium van den smaak. De eenige eisch is: waarheid. Den kunstenaar die hiernaar streeft, zal al 't andere toegeworpen worden ... natuurlyk op de toejuiching der koprolithen na, die hy missen kan.

Wouter oogstte by m'nheer Dieper eenigen lof in over den uitslag van z'n tocht, en vernam tot hartsterking: "dat-i 't by-gelegenheid eens weer mocht doen." Maar Gerrit verzekerde dat het niet altyd zóó zou afloopen, wat ieder weldenkende volmaakt met Gerrit eens wezen zal.

De bezigheden die men onzen jongsten-bediende opdroeg, kwamen vrywel overeen met den voorsmaak dien hy daarvan had gekregen op den eersten dag. Kopieeren, boodschappen doen voor m'nheer Pompile, het knippen en opplakken van staallapjes, ziedaar hoofdzakelyk z'n werk, om nu niet te spreken van 't vegen op de zolders en in 't magazyn, lokalen waar, volgens m'nheer Wilkens, voor 'n jong-mensch altyd iets te leeren viel.

Het is my een gewetensplicht hier alle aanleiding tot zeker misverstand uit den weg te ruimen, dat zeer veel jongelieden welkomer wezen zou dan behoorlyk is. Ik verklaar uitdrukkelyk, geen aanmerking te maken op de soort van bezigheden die men Wouter opdroeg. Niet hierin waarlyk ligt het zwaartepunt myner aanklacht tegen zekere klasse van menschbedervers. De stalen moesten nu eenmaal uitgezocht, geknipt en opgeplakt worden, en die brieven gekopieerd ... wie anders dan hy kon daarmee belast worden? En zelfs die boodschappen! Geestverheffend waren al deze werkzaamheden voorzeker niet, doch men neemt geen jongste-bediende in 'n lappenhandel, met het doel om meetewerken aan 't verheffen van z'n geest. Dit is evenmin de eisch zyner vorming, als 't in billykheid verwacht kan worden van de personen die over hem te beschikken hebben. De bekende spreuk: il n'y a pas de sot métier, il n'y a que de sottes gens acht ik hier van volkomen toepassing. Een geest die zich niet weet te ontwikkelen in-weerwil van 't handwerk, is de moeite der ontwikkeling niet waard. In-weerwil? Dit is de vraag. Juist zulke nietige bezigheden laten het denkvermogen vry. Ik meen reeds ergens gezegd te hebben dat ik jaloers was op Spinoza den brilleslyper ... den geluksvogel! Ook roerde ik in myn Mattheus XIX de hier behandelde stelling aan. "Uit de Schrift leert men strikvragen stellen, maar er is veel antwoords in 't denken by 't spinnewiel." [21] Niemand staat voor 't geringe te hoog, en zeker was dit dan ook 't geval niet met onzen Wouter, die aan 't breidelen van z'n begeerten zoo byzondere behoefte had. De kwestie was of-i netjes knipte en plakte, of z'n kopie korrekt was? Hierin alleen lag z'n naastbyliggende plicht, en niet in 't onbesuisd haken naar voornamer werkkring. Schreef niet ook Jezus voor, getrouw te zyn in 't kleine?

Nog 'n andere bezigheid kwam--aanvankelyk nu-en-dan, later byna geregeld--voor Wouter's rekening. Hoe weinig er ook in de zomermaanden "gehandeld" werd, toch kwam het by-uitzondering voor, dat er verzendingen moesten geschieden "naar buiten." Het "pakken" van zulke goederen in grof lynwaad behoorde natuurlyk tot de funktien van Gerrit. Sedert vele jaren evenwel, had deze zich zoo geoefend in 't voorwenden van allerlei oorzaken tot onthouding van arbeid, dat men zich telkens genoodzaakt zag de hulp van Flip den kruier interoepen, en de posten die deze interventie op 't "weekbriefje" te-voorschyn bracht, bezwaarden het handelsgeweten van den jongeheer Pompile. Uit eigen beweging nam Wouter, by-gelegenheid eener byzondere styfte van Gerrit's rhumatiek, de paknaald ter-hand, en werd zoo geprezen over den uitslag van z'n eerste poging om dat werk te verrichten--men had het tot-nog-toe voor 'n vak gehouden dat zonder speciale opleiding ontoegankelyk was--dat de jongeheer Pompile al zeer spoedig hem gelastte de goedheid te hebben by èlke voorkomende gelegenheid als pakhuis-knecht optetreden. En inderdaad, de pakken die hy vervaardigde, waren onberispelyk! Kantig van rand, plat aan de zyden, symmetrisch gebouwd--gemetseld, had ik byna gezegd--netjes genaaid, wèl bestand tegen stuwing, wentelen en nattigheid, keurig gemerkt... waarlyk, er was elegantie in de balen die Wouter pakte. En... de stevigheid! Men kon ze "over 'n huis gooien" als 'n wel-ingepènd kraamkind uit de oude bakerschool. "Het is of-i 't al z'n leven gedaan heeft!" betuigde zelfs m'nheer Wilkens in 'n eenzaam oogenblik van openhartigheid. En ik moet erkennen dat ook Wouter schik had in 'n bekwaamheid die hem verraste, 't Was hem 'n eerezaak dat er nooit klachten werden ingebracht over avary, noch zelfs over kreukeling, van goederen die hy had toegerust om de wereld integaan. Deze eerzucht stond hem schooner dan wrevel, en het ware te wenschen geweest dat men niet op misdadiger wys z'n overmaat van goeden wil misbruikt had. Er werd 'n bezigheid voor hem uitgedacht... neen, 'n bezigheid was 't eigenlyk niet. Het was 'n oefening in geduld, en zelfs dit niet... een kursus in versuffing dan. Om ieder te geven wat hem toekomt zullen we maar terstond zeggen dat het vindingryk vernuft van den jongeheer Pompile zich alweer in de hier bedoelde zaak van 'n zeer gunstige zyde deed kennen. Op zekeren morgen kwam de oudeheer het kantoor binnensloffen, en onthaalde het personeel op de gewone inleiding tot z'n belangryke gesprekken:

--Zeg, Pompile, ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is.

--Zoo, papa?

--Ja, Pompile. De juffrouw heeft hem gezegd dat mama den heelen nacht gedroomd heeft!

--Dat is zeker nogal heel akelig, papa!

--Ze heeft gistr'avend kreeftensla gegeten, weetje?

--Zoo, papa?

--En daar droomt ze zoo van. De juffrouw heeft aan Gerrit gezegd dat ze heel zenuwachtig is, byzonder erg zenuwachtig.

--Dat is wel verdrietig, papa!

--Niet waar?

--Héél verdrietig! Want, papa, om u de waarheid te zeggen, de familie Krucker...

--Ze kan niets verdragen. De juffrouw mag niet borduren...

--Hè, papa?

--Ja, zóó erg is 't! Want... het ophalen van de draad maakt zoo'n vreeselyk leven, zegt mama.

--Dat is heel fameus erg, papa! Weet u wat de Pleiers zeggen, papa? Ze zeggen...

--Maar, Pompile, wat zullen wy 'r aan doen? Mama lust haar portwyn ook niet meer...

--Dat is wel heel ontzaggelyk treurig, papa!

--En ze vraagt nu telkens madera. Ze zegt dat ze zoo zenuwachtig wordt van chocola, als ze niet terstond daarop twee glazen madera drinkt.

--Zoo, papa? En vroeger, papa, werd mama zoo byzonder zenuwachtig van madera?

--Zonder chocola, Pompile! De dokter zegt ook dat madera heel gezond is, maar... met chocola, altyd met chocola! En ook de chocola is niet goed voor mama... zonder madera, weetje. Maar 't helpt allemaal niet, als er zoo'n vreeselyk leven in huis is. Dat eeuwige schellen, Pompile!

--Ja, papa!

--De bel staat niet stil, Pompile, en mama schrikt er zoo van.

--Hé, papa, daar is wel raad voor, papa! Zeg, Pieterse, jy moet eens zoo goed wezen in den kelder te gaan staan, weetje? En als er dan iemand de stoep opgaat, dan tik je-n-aan 't venster, zieje? En je ziet... wie 't is? En je vraagt wat ze willen, zieje? En als 't dan iemand voor de keuken is, dan sluit je de deur, en je gaat zeggen in de keuken, dat er... iemand voor de keuken is, weetje? En als 't voor "huis" is, dan sluit je de deur, en je komt hier zeggen aan m'nheer Eugène... niet waar, Eugène?

--Hm!

...dat er iemand voor "huis" is, zieje? En dan zeg je-n-aan m'nheer Eugène wie er is. En tegen de menschen zeg je dat mevrouw zoo ziek is, zoo byzonder erg zenuwachtig, moet je zeggen. Maar denk er aan, dat je-n-altyd de deur van den kelder sluit. Ziet u, papa, dan wordt er niet gebeld, en... als dan mama weer beter is, kan ze naar-buiten, papa. Want ik heb gister de Hockers gesproken, papa, en hun gezegd...

Lieve hemel, hoe kan ik nu weten wat de jongeheer Pompile gister aan de Hockers gezegd had? Vorder 't onmogelyke niet, lezer! Zonder nu juist te beweren dat ik geen andere bronnen raadpleeg dan Wouter's eigen gedenkschriften, spelen toch die dokumenten 'n groote rol in m'n geschiedkundige navorschingen. Geen lid van de beroemde familie Hocker heeft zich verwaardigd my iets meetedeelen van 't gesprek waarop hier de jongeheer Pompile blykt te doelen. En wat Wouter-zelf aangaat, hy stond reeds lang op-post achter de glasdeur van 't magazyn, voor die teedere zoon z'n papa deelgenoot maakte van de Hockersche konfidentie.

Ja, daar stond-i! Met z'n gewonen dienstyver hield hy de linkerhand aan de kruk van de deur, en de andere tot tikken gereed, voor 't geval dat iemand zich verstouten mocht mevrouw Kopperlith's zenuwachtigheid te prikkelen door onbescheiden bellen aan de bovendeur. Zóó stond-i daar dan uren achtereen in die kelder-atmosfeer op-schildwacht voor mevrouw Kopperlith's rust! Geen vlieg zou kunnen naderen zonder aangeroepen te worden. Nooit bracht 'n schildknaap die zich voorbereidt tot het ontvangen van den ridderslag, meer konscientie mee in z'n wapen-vigilie dan Wouter aan z'n afmattende taak ten-koste lei. Waarlyk, de verdienste zyner inspanning was niet gering! Dat z'n naastbyliggende plicht alweer met z'n wenschen noch met z'n gaven overeenkwam, doet minder ter-zake. Die gaven kende hy niet, en z'n wenschen telden niet mee. Het sprak vanzelf, begreep hy, dat men zich moeite en onaangenaamheden getroosten moet om "iets te worden in de wereld" en 't kwam niet in hem op dat er misbruik werd gemaakt van z'n goeden wil. Hy beschouwde de vreeselyke verveling die hy te bestryden had--en den stank!--als zoovele vyanden die op-straffe van lafhartigheid moesten verslagen worden, en hy week dus niet! In gewone gevallen zou het niets-doen-op-zichzelf hem geen plaag geweest zyn, omdat hy al zeer spoedig in de vryheid zyner gedachten 'n middel zou gevonden hebben tot bezigheid niet alleen, maar zelfs tot uitspanning. Geen gegeven was hem onbruikbaar tot punt van uitgang. Een luchtbelletjen in de vensterruit, de richting van de reien der straatsteenen, 'n voorbydryvend wolkjen... alles en 't minste was voldoende om hem aan 't denken te brengen en te houden. Maar juist dit was hem ontzegd, want hy vreesde aftedwalen van 't besef zyner naastbyliggende verplichting. Was-i niet zoo-even reeds byna gereed met z'n berekening hoevelen der voorbygangers wel in-staat wezen zouden 'n examen afteleggen als hulp-onderwyzer, toen de jongen van den pasteibakker reeds drie treden van de stoep had bestegen, om de taartjes te komen brengen die mevrouw Kopperlith moesten troosten in haar vreeselyke ziekte? Wouter schrok van z'n nalatigheid, en beloofde zich plechtig z'n neiging tot denken, vorschen, uitpluizen, redeneeren, te offeren op 't altaar van z'n onverheven plicht. Zoo ver mogelyk liet hy z'n blikken rechts en links de straat beheerschen, om by-tyds--en liefst te vroeg--te kunnen beoordeelen welke onverlaat 'n storing der rust van mevrouw Kopperlith in 't schild voerde. Maar zéér ver reikten z'n bespiedende oogen niet. Aan-weerszy werden de beenen van den hoek dien hy overzag, door de uitbouwsels der stoepen saamgedrongen tot 'n engte die voortdurende oplettendheid vorderde, en hem telkens plaagde met den angst dat z'n waarschuwing te laat komen zou. De gedachte rees in hem op: als ik maar voortdurend tikte, en iedereen van 't beklimmen der stoep terughield? Hm... dat zou gek staan! Wat zou ik zeggen? "M'nheer, ben je-n-ook misschien van plan hier aanteschellen aan de bovendeur?" Hy zag in, dat dit niet kon. En ook, dat er in den handel 'n groote mate van geduld noodig is. En dan... dat pynlyk slapen van z'n linkerbeen!

Volgens geloofwaardige annalen beging hy in dit gedeelte van z'n loopbaan slechts twee keer 'n fout. Eens had 'n bedelbrief-industrieel z'n waakzaamheid verschalkt, door by arglistige overklimming van de achterleuning der stoep, de bovenbel te bereiken. De jongeheer Pompile was er zeer verstoord over, en ook Wouter-zelf voelde verdriet. Wat zou er van hem worden by zoo'n slordige plichts-vervulling?

Een andermaal had hy aan de majestueuze Hersilia den toegang door den kelder geweigerd. In-plaats daarvan sloot hy haar de glasdeur voor den neus dicht, en ging op 't kantoor aan m'nheer Eugène zeggen: dat mevrouw Kalbb daar was: "voor huis" naar-i giste. Zeker, ze kwam voor "huis" en was zeer boos "dat die jongen 't in z'n hersens had genomen, háár niet doortelaten." Wouter ontving by deze gelegenheid onderricht in 't groote verschil tusschen: "papa's eigen dochter, mevrouw Kalbb, weetje, de eigen vrouw van den konsul van 't heele land Elsas, weetje, en... allerlei gemeen volk dat misschien wat stelen zou in 't magazyn!"

Hy beloofde beterschap, en hield woord. Het tooveren moet wel inderdaad 'n onmogelyke zaak zyn, want Wouter leerde het niet achter die glasdeur. Wat de verantwoordelykheid der Kopperlith's aangaat... wat wisten zy daarvan? Het verslonsen eener ziel is geen handelszaak waaraan men aandacht hoeft te wyden. In-plaats daarvan hielden ze treffende verhandelingen over 't bederf der kleuren van de stapeltjes die vooraan in 't magazyn beschenen werden door 'n straaltje zon. Wouter moest zorgen dat ze altyd gedekt waren met 'n stuk zaklinnen of papier, want:

--Kleuren kunnen de zon niet verdragen, zei Wilkens, leer dàt van my!

Wouter leerde het, en verzorgde die voorste stapeltjes als z'n oogappels. Geen zon zag kans ze te bereiken zoolang hy was aangesteld als beschutter. Wat echter het beschutten der kleuren van z'n gemoed aangaat... komaan, waren die heeren huns broeders hoeder? En Wouter wàs niet eens 'n broeder. Geen neef zelfs. Hy was 'n burgerjongetje, en de heeren Kopperlith woonden op de Keizersgracht. Ze behoefden 't zich niet aantetrekken dat hy zich daar stond te vervelen en te versuffen tot krankzinnig-wordens toe! Misschien zelfs wisten zy niet eens dat er kwaad in stak. Maar welke professor had dan overredingskracht genoeg bezeten om hen te doordringen van 't besef dat gekleurde lappen 't licht niet verdragen kunnen? Wie toch had déze wysheid weten intepompen aan zulke indociele gemoederen? Magnus Apollo!

Doch zie, dat geestverdoovend schildwacht-staan was 't ergste niet! Aan veel gevaarlyker proef werd Wouter gewetenloos blootgesteld door de hem opgedragen taak om elken ochtend de brieven van de post te halen, of liever: om te vragen of er brieven waren? Want drie, vier malen 's weeks kwam hy met ledige handen op 't kantoor. De toon waarop hem dan de jongeheer vroeg: "of er alweer niets was?" maakte den indruk alsof hy 't helpen kon dat niemand 'n wittegrondje-driekleur bestelde. Toch was hem die gang naar 't postkantoor en 't wachten daar, een der minst onaangename plichtjes van z'n betrekking, en hierin lag juist het gevaarlyke.