De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld

Part 22

Chapter 223,891 wordsPublic domain

--Dáár heb ik nu zoo, wil ik maar 'ns zeggen, geen verstand van. Ik zeg maar dat het schande-n-is dat ze-n-'n jong borssie als jy zoo'n heelen dag op dat muffe kantoor laten zitten. Ik zeg ... 't is wind en 'n engelsche notting!

--Hè, Gerrit, ik ben den halven ochtend op-straat geweest!

--Ja, ik hoor dat je veel boodschappen hebt gedaan voor den jongeheer Pompile. Nou, dat pleizier kan je dikwyls hebben! Hebben ze je-n-al gezegd dat je naar de post moet, alle morgens, om den briefbesteller optewachten? Dat 's 'n baantje voor jou, je zult het zien! 't Zal je stuivers kosten voor 'n borrel! Want als je dàt niet doet, kryg je de brieven niet. Ze zyn te gierig om droddebot te betalen ... vyf-en-twintig gulden in 'n heel jaar. Daarvoor kan jy dan staan blauwbekken in de kou ... als 't winter is, meen ik. Zeg eens, heeft Dieper je-n-al gesproken over inkasseeren? Want ... als ik styf van rimmetiek ben, komt dat voor je rekening. En ... als je niet handig bent met geld, kan dat baantje je veel kosten. Je begrypt wel ... wat er te-kort komt, leg je-n-er by. Ja, ja, je moet niet denken dat je hier voor je pleizier bent! Ik heb hier al prinsjesdagen beleefd in alle saizoenen van 't heele goddelyke jaar, en daarom ... nu ben ik styf van 't rimmetiek. 't Kan je-n ook gebeuren. Zoodat ik maar zeggen wil dat je-n-in de komkommerdagen niet zoo yverig hoeft te wezen. Je bent immers ook maar 'n loontrekkend dienaar, net als ik, niet waar, en zult dus ook niet graag meer doen dan noodig is? Geen mensen die er je voor dankt, jongen, en wie z'n eigen doodwerkt, wordt onder de galg begraven. Komaan, laat dat vegen nu maar blyven. O, als je alles doen zou wat die Wullekes je zegt ... nou!

Als ys viel deze zonderlinge Gerritsche filosofie onzen Wouter op 't gemoed. Beschaamd sloot-i den zolder, en begaf zich naar beneden met Gerrit, die hem verzocht niet te verklappen dat-i op den bovensten zolder geweest was. Want, zeid-i:

--Dan sturen ze m'n op boodschappen uit. En daar ik styf van rimmetiek ben ... kyk, m'n duim is er krom van, en dus ... loopen kan ik niet, dat zieje wel!

Op 't kantoor gekomen, sloeg de knecht 'n klein register op, waarin de vervaldagen van wissels en acceptatien genoteerd stonden.

--Zieje, juist wat ik dacht! Morgen is er 'n smerig papiertjen in den Jodenhoek. Nu, dáár zal je pleizier van hebben! Die smous zal wel gauw merken dat je-n-'n onnoozel bloedje bent, want ... je ziet er naar uit. Als je-n-er beneden den daalder afkomt, mag je van geluk spreken. Daar komt waarachtig Wullekes al ... zeker heeft z'n vrouw hem de deur uitgejaagd, maar zy is even mal als hy, met 'r prinsessen. Ze heeft 'reis in den Haag 'n prinses gezien, en daarvan praat ze-n-altyd. Allemaal wind en 'n engelsche notting. Die Wullekes ... hoor eens, als-i naar me vraagt ... zeg maar dat je niks van me weet, en dat ik styf ben van rimmetiek, weetje, want ... ik ga na de keuken om m'n kommetje thee te drinken, 't Zal wel koud wezen, maar ... ik moest toch 'reis even zien wie daar na 't zolder liep. Jawel, hy is het ... dat kan ik altyd precies hooren aan 't openhalen van de achterdeur. Hy heeft ruimte noodig voor 'n heel peloton ... ik ben serjant geweest, weetje, by de Burgerwacht in anno zooveel!

En Gerrit vertrok. Z'n zonderlinge toespraken hadden dit goede, dat Wouter--zooals de lezer misschien--er niet veel van begreep, en dus iets te denken kreeg. De vreemde opvatting van plicht, die den ouden knecht ... iets minder van andere knechts onderscheidde dan wenschelyk was, verraste hem. Droddebot? Wat's dàt voor 'n ding? En: 'n "smerig papiertje" dat hem 'n daalder zou kunnen kosten ... wat kon dit zyn? Vanwaar zou die daalder komen? Waren dàt de emolumenten van z'n nieuwe betrekking? Heel gaarne had-i m'nheer Wilkens om inlichting gevraagd, doch sedert z'n struikelen over Mozes by 't Doornbosch durfde Wouter dat grimmig orakel niet naderen. Bovendien, hy werd weer aan 't plakken van gekleurde lappen op karton gezet, en dezen arbeid legde hem Wilkens met zooveel vertoon van stichtelyken ernst op, dat hy 't niet waagde iets anders aanteroeren. Hy plakte z'n lappen, en zweeg en mymerde, en betreurde z'n boeken op den Zeedyk. Nog 'n beetje maar, en Motto zou hem de gedaante vertoonen van 'n beminnelyken beschermengel die wegzinkt in de nevelen van 't verleden, en waarnaar de verlatenen reikhalzend maar vruchteloos de armen uitstrekt.

Armoediger kon 't met z'n zieltje niet geschapen staan, meent men?

Wie weet! Lieve-god, het wordt nog erger.

Kwajongens. Vloermat-meditatien. Een onhebbelyke barbier en 'n benyd vogeltje. Treffende opmerkingen over vergankelykheid. Champollion. Handel! Onverwachte verandering van 'n geminacht briefje in wichtige dukatons.

Of 't veroorzaakt werd door de byzondere styfte van z'n rhumatiek, zou ik niet durven zeggen, maar zeker is het dat Gerrit 'n eigenaardige manier had om uitheemsche woorden onkenbaar te maken. Droddebot, byv. beteekende: droit de boîte, hetgeen zooveel zeggen wilde als het recht om de brieven te doen afhalen van 't postkantoor. De briefbestellery liet in Wouter's tyd veel te wenschen over, en veel kooplieden kozen dit middel om zich onafhankelyk te maken van den duur en 't gewicht der konfidentien die de zeer ongevleugelde boden des handels gewoonlyk met hun straatvrinden hadden te wisselen. In dit alles zal nu wel verandering hebben plaats gevonden, vooral omdat de post meermalen daags aankomt. In Wouter's tyd, en lang daarna nog, werd de zoogenaamde "fransche, duitsche en engelsche post" slechts twee keeren 's weeks uitgereikt. Binnenlandsche brieven niet meer dan eenmaal daags, en wel des-morgens. Het afhalen der brieven voor de kantoren die droit de boîte hadden, behoorde natuurlyk tot de funktien van de "jongste-bedienden" 'n soort van loopjongetjes die in twee opzichten zeer typelyk verschilden van leerlingen op 'n ambacht: ze leerden niets, en waren onbezoldigd. Sommige handelshuizen wisten 't misbruiken van zulke knapen te verheffen tot systeem, door zóóveel allerjongste bedienden te houden dat ze daarmee het bezoldigen van 'n volwassen persoon konden uitwinnen. Zoodra zulke jongeluî begonnen aanspraken te gronden op 't verouderen van hun doopceel, gaf men hun den raad die ontkiemende eerzucht te doen wortelen in anderen bodem.

Wat nu overigens dat fameuze droit de boîte aangaat, er waren ook handelshuizen die wel gaarne hun korrespondentie iets vroeger ontvingen dan de slakkengang der bestellers toeliet, maar toch niet genegen waren de daarvoor vastgestelde belasting te betalen. Ze vonden een probaten maatregel uit, hoofdzakelyk gegrond op de overweging dat de tyd van 'n onbezoldigden jongste-bediende geen geld reprezenteert. Zoo'n kereltje moest in de nabyheid van 't postkantoor den besteller afwachten, en hem overhalen om de voor "m'nheer" of "de heeren" aangekomen brieven op-straat aan hem aftegeven. Dewyl nu noch het uur van aankomst der post, noch de tot het sorteeren noodige tyd stipt kon bepaald worden, moest hy om zeker te zyn dat de besteller hem niet ontsnapte, altyd véél te vroeg daar wezen. Het natuurlyk gevolg hiervan was dat zich elken ochtend 'n klubjen onrype jongeheertjes naby 't postkantoor samenkluwde. By slecht weer was 't vereenigingspunt in de cour der inrichting. En hier werd veel kwaads uitgebroed, want in geen stadium, klasse of ontwikkelingsperiode vertoont zich de Mensch leelyker dan in die van halfwassen jongeling, 'n leeftyd die door de eene helft van ons geslacht moest kunnen overgewipt worden. Al wat de Maatschappy oplevert, staat in rang boven hen: kinderen, meisjes, vrouwen, mannen, grysaards, jonkers, prinsen, soldaten, sjouwerluî, ambachtslieden ... alles, tot publieke vrouwspersonen toe. Zyzelf zyn de eenigen die dit niet weten, en staan verbaasd als 'n wezenlyk mensch blyk geeft van den misselyken indruk dien ze op hem maken.

Maar wèl had het moeten bekend zyn aan de heeren Kopperlith, vader en zoons. En misschien wisten zy 't. Maar dit belette niet dat Wouter, toen-i den eersten avend van den belangryken handelsdag dien ik trachtte te beschryven, verlof ontving om naar-huis te gaan, van m'nheer Wilkens het bevel meekreeg, den volgenden morgen voor-i op 't kantoor kwam, zich aantemelden by m'nheer Pompile "die hem zou onderrichten in z'n verplichtingen omtrent de post."

--Zieje wel, Stoffel, riep z'n moeder, ze hebben allerlei voor hem te doen! Net zooals de dokter zei: 'n jong-mensch moet veel werken. Precies wat ik altyd zeg. Veel werken is de boodschap. Zorg nu vooral, Wouter, dat je-n-op je tyd daar bent, en laat vooral die m'nheer ... hoe heet-i ook?

--M'nheer Pompile, moeder.

--Nu ja, de naam doet er niet toe. Ik meen maar dat je zorgt op je tyd te wezen. Wat zou je-n-er van zeggen als je dat nu eens opschreef?

--Ik zal 't wel onthouden, moeder.

--Schryf 't liever op. Waartoe dient anders je boek? Ik heb 't je dáárvoor gegeven, jongen!

Met of zonder opschryven dan, reeds om zeven uur schelde Wouter aan 't huis met spiegelglas. De meid zei dat m'nheer nog niet op was, en vergunde hem plaats te nemen op de vloermat ... daar stond-i! Wie myner lezers weet hoe lang 'n minuut is? Nu, dàt wist de friesche klok die daar in de gang Wouter stond gezelschap te houden met z'n tik ... tik, en om de zooveel tikjes 'n zwaarder tik! Dan versprong de groote wyzer als met 'n zenuwachtig schrikje, en met saaie volharding zette de sekondeslinger z'n eentonige reis voort: aktie, reaktie, tik, tik ... die klok verveelde zich niet! En 't ding stond op vier zwarthouten ballen, en hoefde niet te verwisselen van zwaartepunt of heup. Wouter wel. Dan rustte hy links, en dan weer rechts, dat is: hy rustte niet. Men begrypt dat z'n naast-byliggende plicht niet toeliet tegen den wand te leunen in 't huis van z'n patroon. Z'n enkels, knieën, heupen en ruggegraat ...

Tik, tik, zei de klok. Ja juist, zoo-iets voelde hy in al z'n leden. Geen Demosthenes kon 't juister uitdrukken.

Er werd gescheld. Met z'n gewone zucht om te helpen opende Wouter de deur. De meid die niet zeer spoedig en zonder haast kwam aansloffen, bedankte hem in 't minst niet. Wouter mocht getuige zyn van haar verzekering dat ze geen schuurzand noodig had--want het was 'n trafikant in dit handelsartikel, die zich aanmeldde--en dit verschafte hem wat afleiding. Hy hoopte dat men nògeens schellen zou.

Waarlyk, dit geschiedde, en zelfs nog geen vol kwartier daarna. Een melkboer! Deze verhaalde iets aan de meid over 't weer, en Sientje was van zyn gevoelen, maar zei er by dat mevrouw niet tevreden was over z'n melk, waarop de man iets antwoordde. 't Onderhoud was ... zeer onderhoudend, maar voor Wouter wat kort. Tik, tik, zei de klok weer.

Nog andere menschenvrienden kwamen by lange tusschenpoozen de welsprekendheid van die klok afbreken, en Wouter had ze wel willen kussen. Heel eindelyk schelde de barbier. Ook deze werd uitgenoodigd te wachten tot "m'nheer òp zou zyn."

--Dat doe-n-ik niet, zei de man. Ik kan al m'n andere klanten niet laten wachten op één van 'n stooter in de week!

En hy ging. Wat 'n brutale barbier! Zeker, 't was afkeurenswaardig, 't Was ruw, ongemanierd ... o ja! Maar toch betrapte zich Wouter op de verzuchting:

--Och, misschien zou 't beter voor me zyn, barbier te worden dan in den handel te blyven.

De ondankbare! Juist immers toen hy zich aan dezen wreveligen indruk overgaf, vernam-i schreden van iemand die in 't achtereind van de gang de trap scheen aftekomen. De Heer was naby, of ... de jongeheer Pompile toch. Hy vertoonde zich in z'n kamerjapon, en werd Wouter gewaar.

--Ah ... zoo? Ja, juist! Je bent daar? Heel goed! Wilkens heeft je zeker gezegd ... heel goed, heel goed! Weet je wat je doet? Je moet zoo goed wezen ... even te wachten.

M'nheer Pompile verdween in de suite, en de klok was weer aan 't woord.

Had Wouter maar niet zoo'n pyn in z'n lenden gehad, hy zou wel in-staat geweest zyn, gedachten te borduren op 't kanevas van dat eentonig geluid. Maar stoffelyke aandoening belemmerde hem in 't aan-eenknoopen van z'n indrukken. Hy voelde zich suf en machteloos, 't Was om neertevallen.

Na slechts drie-kwartier kwam m'nheer Pompile weer tevoorschyn uit de suite, waar-i ontbeten had. In 't voorbygaan droeg hy Wouter op, de goedheid te hebben even te wachten omdat-i zich nu ging kleeden ... tik, tik!

Alweer 'n afleiding. De meid scheen in de suite geroepen, want ze kwam haastig aanloopen, en opende de deur van dat vertrek. Wouter mocht vernemen hoe mevrouw haar meedeelde dat er vandaag 'n kanarievogeltje zou gebracht worden, en:

--Als 't komt, Sientje, breng 't vooral terstond binnen!

Dit beloofde de meid. Wat moest nu Wouter bepeinzen? De onafhankelijkheid van dien barbier had hem verlokt tot 'n rudiment van weerspannigheid. Vorderde nu de konsekwentie dat-i verviel in dolle yverzucht op dat bevoorrecht vogeltje? Misschien wel. Zuinigheid op z'n aandoeningen zou misplaatst geweest zyn, al ware het hierom alleen wyl ze van alles wat-i hier te zien en te aanschouwen kreeg, het duurzaamst blyken zouden. M'nheer Pompile is ter-zyner-tyd zoo goed moeten wezen te sterven. Ook zoo'n kanarievogel leeft maar kort, en laat geen andere leegte na dan twee duim kubiek in z'n kooitje. Het beestje had lang uitgetjilpt voor Wouter de lessen van onafhankelykheid leerde ontberen, die hy nu nog--ter-loops, maar gretig toch--opving van 'n barbier. En ook deze chirurg is ter-ziele. Hopen wy dat de Hemel hem niet gesloten bleef, omdat hy oorzaak was dat m'nheer Pompile's baard gevaar liep 'n dag langer te zyn dan anders te verwachten is van zestien welgetelde duiten scheerloon in de week. Zooveel namelyk bedroeg de "stooter" waarvan we zoo-even iets vernamen als bydrage tot de Lukullische weelderigheid van den jongeheer Pompile.

Al die dingen zyn dus weggewischt, uitgewreven, vergaan. En nog steeds leven er gedachten van Wouter ... aere perenniores! 't is mogelyk dat die klok nog altyd hier-of-daar z'n tikkende loopbaan voortzet, en dat er nog altyd 'n huis staat met vensters van spiegelglas, op de Leliegracht--deftige zy, héél deftige zy--maar wat beteekent dit in vergelyking met 'n hoofdstuk uit de zielegeschiedenis van 'n mensch? Huizen en klokken zullen voorbygaan, maar niet voorbygaan zullen de uitvloeisels der gemoedsbitterheid van iemand die daar de gelukzaligheid staat te benyden van 'n opgesloten vogeltje dat terstond mocht binnenkomen als 't zich aanmeldde. Toch gis ik dat Wouter niets of niemand benydde. Hy was er te moê toe, en werd te zeer bezig-gehouden door 't spit in den rug.

Daar werd zoowaar de jongeheer Pompile weer zichtbaar, nog altyd ongekleed.

--Zoo, sta je daar nog? Ja ... zoo ... hoor eens! Weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed wezen, gauw 'n barbier voor me te halen.

Die lieve goeie Pompile! Hy vergunde Wouter zich eens te bewegen. Deze vervulde z'n naastbyliggend plichtje met yver en dankbaarheid. Toen-i het verlangde gevonden en binnengeleid had, nam-i z'n vorig domicilie op de vloermat weer in, en verstond heel duidelyk wat de klok zei:

--Zoo, ben je daar wéér? Ik ben er nòg ... tik ... tik!

De installatie by 't postkantoor geschiedde wel niet met plechtigheid, maar toch met al de bereddering die de jongeheer Pompile gewoon was toetepassen op de nietigheden waarmed-i zich gewoonlyk bezighield.

--Kyk, je moet nu eens zoo goed wezen hier te komen staan, alle morgens! En dan houd je 't postkantoor in 't oog. En als ze dan uitkomen--de bestellers, weetje?--dan let je goed op. En je loopt ze na. En je vraagt de brieven voor de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Maar je moet dat niet vragen hier vlak voor 't kantoor, want als de direkteur het ziet, dan worden ze gestraft ... omdat het verboden is, weetje? Je loopt ze na, daar in die steeg, en als ze je-n-'n fooi vragen, of 'n borrel--want dit doen ze ... gemeen volk!--dan zeg je maar dat je ... neen, dan zeg je niets. Of je zegt maar ... dat je de brieven vraagt voor de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zóó moet je zeggen! En 'n fooi? "Met nieuwejaar" kan je wel zeggen, maar zeg niet dat ik 't gezegd heb, want dan verwachten ze te veel. Onbescheiden volk, weetje? Kyk, daar komen ze! Nu zal ik je wyzen wie onze buurt heeft. Daar, dáár, die magere met z'n dikken neus en slobkousen ... dàt is-i! Zeg hem dat-i nog pas gister 'n stuiver van me gehad heeft, en dat-i je de brieven geeft voor de heeren Ouwetyd & Kopperlith, zóó moet je zeggen!

Wouter liep den aangewezene na, en haalde hem weldra in. De man, die hem niet kende, wees hem stug af. Maar de deftige m'nheer Pompile stond op 'n afstand te wenken en te telegrafeeren, met dit gevolg dat Wouter zich kon beschouwen als formeel voorgesteld aan den mageren besteller met den dikken neus en de slobkousen. Er was inderdaad iets aangekomen voor 't huis Kopperlith. Deze of gene winkelier in een der provincien scheen behoefte te hebben aan 'n krieuweltje. Wouter kwam zegevierend met den brief aanloopen op 't kantoor waar-i 't eerwaardig sanhedrin van z'n patroons reeds vergaderd vond, Pompile meegerekend die, na 't overseinen van Wouter's geloofsbrieven, zich gehaast had de gemeene steeg te verlaten, welker duisterheid gewoonlyk het geknoei met die brieven medeplichtig beschaduwde.

Onze jongste-bediende werd nu met de noodige aanbevelingen tot "net werken" aan 't kopieeren gezet van 'n paar brieven. De jongeheer Pompile Kopperlith maakte gebruik van den komkommertyd, om eenige debiteuren die wat achterlyk waren, aan betaling te herinneren. 't Een-of-ander genie uit den voortyd had deze bezigheid vereenvoudigd door 't vaststellen van drie formulieren die elkander opvolgden in graden van nadrukkelykheid. Formulier één: beleefd. De aanzuivering was waarschynlyk den zeer geachten handelsvriend door 't hoofd gegaan, en de heeren O. & K. konden niet nalaten deze gelegenheid aantegrypen om "uwe zoo byzonder vereerde firma" hiernevens 'n paar stalen aantebieden van onbegrypelyk-pryswaardige diemet. Formulier twéé: de--nog altyd eenigszins geachte--vriend verloor uit het oog dat de pryzen à comptant waren berekend, en ofschoon men zoo byzonder gaarne zaken met hem deed, was men wel genoodzaakt ditmaal ... enz. Géén stalen. Derde formulier: binnen acht dagen solide remise, of anders ... enz.

Wouter bewonderde de bekwaamheid van z'n chef, die zoo precies wist hoe men al die menschen moest toespreken. Toch was 't kopieeren van die korte briefjes weldra afgeloopen, en hy werd weer aan 't plakken van z'n stalen gezet.

--En ... zouden wy hem nu maar niet met-een de letters van 't woord laten leeren? vroeg Pompile aan Wilkens.

Er scheen iets vreeselyks in dit voorstel te liggen, want Wilkens keek ontsteld op.

--M'nheer!

--Ja, denk je niet? Me dunkt dat ...

--Maar ... m'nheer!

Al had Pompile voorgesteld het jonge-mensch te villen of te skalpeeren, de schrik van Wilkens kon niet grooter geweest zyn.

--Maar, m'nheer! Dit zou, onder uw welnemen, verbazend onvoorzichtig zyn!

--Hé, dacht je dàt?

--M'nheer, ik kan u plechtig verzekeren dat ik reeds drie jaar by de zaken was, voor men my de letters van 't woord wees! Men moet jonge-menschen niet over 't paard ligten, m'nheer! De verwaandheid komt er gauw genoeg in, m'nheer!

--Nu, zooals je wilt, Wilkens. Ik had er zoo diep niet over nagedacht, weetje?

Dit was de zuivere waarheid, en wel de waarheid eens-voor-al, want de jongeheer Pompile dacht nooit diep na. Maar in het tegenwoordig geval zou z'n ligtzinnigheid--als-i niet bekleed ware geweest met den rang van patroon--onvergeeflyk zyn voorgekomen aan m'nheer Wilkens. De lezer zal dit beseffen zoodra hy weet dat de zeer belangryke zaak neerkwam op de vraag of men Wouter reeds nu zou inwyden in de geheimzinnige teekens waarmee de heeren Ouwetyd & Kopperlith de inkoopspryzen hunner goederen op de etiketten wisten uittedrukken. Er behoorde veel toe om deze teekens grif te verstaan. Meer nog om 't vertrouwen waard te zyn, dat men dit geheim ongeschonden bewaren zou, en volgens m'nheer Wilkens was Wouter nog lang zoo ver niet. Glansryk was de triumf van den oud-gediende tegen den onvoorzichtigen jongeheer Pompile die, zonder zyn raad, dat jonge-mensch zoo maar op-eens 't licht zou vertoond hebben dat den tabernakel van 't kantoor omluisterde. Maar de zegepraal van den kleingeestigen grysaard was niet volkomen, voor Wouter-zelf 't bewustzyn van z'n voorloopige uitsluiting terdeeg geslikt had. Want deze begreep niet wèlk woord en wèlke letters te heilig werden beschouwd voor z'n nuchter verstand, onbeproefde eer en geringe verdienste. Wilkens merkte de door hem opgeplakte stalen met nummers, en zette daaronder de diepzinnige hierogliefen, waarover hy 'n vraag wist uittelokken om aanleiding te hebben tot het verpletterend antwoord:

--Dàt past je nog niet! Dat past je volstrekt niet! Vraag dáár eens na, als je-n-'n half-dozyn jaren behoorlyk gewerkt hebt, of ... langer!

Het vooruitzicht was prachtig. Het spreekt vanzelf dat Wouter hevige begeerte voelde naar de vrucht van een zoo aptytelyk verboden boom. Reeds den volgenden dag ontcyferde hy met geringe inspanning, door 'n beetje vergelyking, de beteekenis van die geheimzinnige letters. Daar hy--uit voorzichtigheid of konscientie--'t aldus weldra gevonden heiligwoord niet in z'n zakboek heeft opgeschreven, kan ik het den lezer niet meedeelen. Met Pompile's baard en vensterglas, met de krieuweltjes en de wittegrondjes-driekleur, is deze mysterie onopstandelyk ten-grave gedaald, 'n gaping in myn verhaal waarvoor ik verschooning vraag.

By 't schetsen van al deze nietigheden, waarby ik de waarheid zoo trouw mogelyk tracht naby te blyven, kan ik my niet onthouden van de vrees dat sommigen my verdenken van overdryving. Deze beschuldiging tegen 'n schryver is gewoonlyk een kenmerk van oppervlakkigheid, en byna altyd ongegrond. Hoogstens zou men recht hebben de wyze van behandeling aftekeuren, de manier van voorstellen, en de door hem uit de feiten afgeleide gevolgtrekkingen. Overdryving in 't schetsen van die feiten-zelf is nagenoeg onmogelyk, want de graad waartoe menschelyke dwaasheid kan afdalen, is voor den boosaardigsten artist onbereikbaar. Waar deze dwaalt, ligt de fout aan z'n onbekwaamheid in 't nateekenen, in 't verkeerde van de voorstelling, niet in overdryving. Dat er onder 't half-dozyn personen waarmee Wouter hier in aanraking kwam, geen enkele was die zich verheffen kon boven 't àllerlaagste peil van verstand en hart, mag slechts vreemd voorkomen aan wie de Maatschappy niet tot 'n onderwerp van studie gemaakt heeft. Myn schets is wáár. En zelfs behoef ik me niet te beroepen op de bekende spreuk: que le vrai peut quelquefois n'être pas vraisemblable, om te betoogen dat deze waarheid ditmaal geenszins in-stryd is met waarschynlykheid. Wie dit begrypen wil, hebbe slechts nategaan wat er door wezens als de hier bedoelde, levenslang is uitgericht? Wat hun wenschen waren, hun neigingen, bezigheden, geestelyke behoeften? Hoe hun opleiding geweest was ... dit doet er minder toe, maar: met welke opleiding zy volkomen tevreden waren? Nooit kwam het in hen op dat ze, wèl beschouwd, behoorden tot de laagste soort van schepsels die met zoölogische welwillendheid gerekend worden boven de dieren des velds te staan. En ... by dit alles, die koddige trots!

Ik weet zeer goed dat geestelyke en zedelyke waarde niet volstrekt samengaat met de meer of mindere belangrykheid van het beroep, noch daarvan afhangt. Het is begrypelyk dat menigeen om-den-wille van z'n onderhoud zich moet tevreden stellen met 'n kostwinning, die òf geen punten van aanraking oplevert met z'n gemoed, of zelfs lynrecht tegen de opwellingen zyner ziel indruist. Ik laat nu daar, in-hoe-verre deze disparatie mogelyk en te verontschuldigen is, en stel dus niet de vraag of, byv. 'n gevoelig mensch 'n degelyk vleeschhouwer of scherprechter wezen kan--misschien wel!--doch wáár blyft het dat iemand die ongenoodzaakt z'n levensonderhoud zoekt in grove of nietige bedryven, blyk geeft van 'n laag standpunt.