De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld

Part 21

Chapter 213,950 wordsPublic domain

Toen Wouter eindelyk met z'n afschriften gereed was, begon Wilkens hem toetespreken op 'n toon en in bewoordingen die niet volstrekt misplaatst zouden geweest zyn by 'n inwyding in de Eleuzinische geheimenissen, en den adept dan ook niet weinig angstig maakten. De mysterie kwam evenwel ditmaal neder op iets wat geen byzondere illuminatie van den geest vereischte of te-weeg bracht. Wouter kreeg 'n groot aantal gekleurde katoenen lappen, die hy netjes moest afknippen naar 'n opgegeven maat en daarna op karton plakken, 'n bezigheid waarvan-i zich beter kweet dan m'nheer Wilkens erkennen wilde. De man was niet gewoon iets goedtekeuren dat niet de eer had uitgegaan te zyn van hemzelf.

--En, Wilkens, nu moest je-n-eens zoo goed zyn hem in den kelder te brengen, zei Pompile, die nogeens onder vier oogen by Dieper wou aandringen op 't klagen over Gerrit's hardnekkig-styve rhumatiek.

Wouter werd weggeleid naar de onderzeesche bewaarplaats van allerlei heerlyke zaken. Hier kreeg-i de stapeltjes lynwaad van-naby tezien, waarvan hy reeds de voorsten had waargenomen toen hy dien ochtend zoo geduldig stond te wachten buiten de glasdeur. Wilkens onderrichtte hem met 'n pedanterie die moeielyk te beschryven is, omdat gelaat, houding, stembuiging, jazelfs 't heen-en-weer schuiven van z'n bril, daarby zóó groote rol speelden dat Wouter zich alweer zeer bezwaard voelde onder 't gewicht van den nieuwen kursus.

--Dit is... de kelder. Doch ik zou je maar raden Magazyn te zeggen, want 'n jong-mensch moet altyd... bescheiden zyn in z'n uitdrukkingen. Voor jonge-lieden is bescheidenheid 'n hoofdzaak, en dus... magazyn!

--Magazyn, stamelde Wouter.

--Juist! Ma...ga...zyn! Zóó is het! Alle deze goederen zyn... koopmansgoederen, en alles ligt--gelyk je ziet--op plankjes. Dit doe ik aldus... om de vochtigheid, want... de vloer is vochtig. Let daar wel op, en geef acht dat je nooit 'n stuk op den vloer legt... nooit ofte nimmer!

--Dat zal ik nooit doen, m'nheer!

--Zeer wel! Maar de goederen die op deze tafels liggen... leg ik niet op plankjes, gelyk je ziet. Want... ze liggen op tafels. Dit begryp je-n-immers wel?

--O ja, m'nheer!

--Juist! Al deze goederen ontvang ik uit Engeland, namelyk uit Manchester. Kan je dit onthouden?

--Uit Manchester, in... Engeland, m'nheer!

--Precies! Ze zyn els-breedte, en meten acht-en-twintig yards. Nu moet je weten hoe lang een yard is. Onthoud dit wel: drie yards zyn vier ellen. Onthoud dit goed! Indien je een behoorlyk zakboekje hadt, zou je 't kunnen opschryven. Een jong-mensch moet altyd trachten iets te leeren. Drie yards maken vier ellen, dit moet je goed onthouden.

Wouter knikte zoo hard hy kon dat-i altyd z'n best zou doen alles goed te onthouden. Het diepzinnig onderricht werd voortgezet.

--De vyf-kwarts katoenen, anders gezegd: de katoenen van vyf-kwart-el breed, voor-zoo-ver ik die laat komen uit Manchester, zyn slechts vier-en-twintig yards lang. Dit maakt dus 'n verschil. En de zwitsersche katoenen, die ik laat komen uit Mühlhausen in den Elsas...

Hier had-i byna gezegd "een groot land, waarvan myn schoonzoon konsul is." Maar hy bedacht zich:

...in den Elsas alzoo. Nu--let wel op!--die stukken hebben geen vaste maat. De maat staat er op, gelyk je ziet, niet waar? Zoo'n papiertje draagt de benaming van: etiket... e...ti...ket! Onthoud dit wel! En het cyfer dat daarop genoteerd staat, beteekent wat men noemt: aunes. De lengte van het stuk in... aunes. Kan je dit onthouden?

--Aunes, m'nheer!

--Zeer wel! Aunes of fransche ellen, want... 'n fransche el noemt men: aune. Elf van die aunes maken zestien ellen. Ook dit moet je trachten te onthouden. Wie zich bekwaam wil maken voor den handel, moet... alles onthouden. Je begrypt dit toch wel?

--Ja, m'nheer!

--Anders moet je 't opschrijven. En hier in den hoek hangen eenige vegers... je ziet ze wel?

--Ja! m'nheer!

--Daarmee... veeg je. Je veegt er de goederen mee... als er stof op ligt. Er is hier in den kelder--zeg jy maar altyd magazyn--altyd iets te doen, vooral voor 'n jong mensch die wat leeren moet. Zie... zóó veeg je!

En de leeraar streek met 'n stoffer 'n paar maal over 'n stapeltje om Wouter goed te toonen hoe die bezigheid behoorde verricht te worden. Ik kan verzekeren dat de les terstond begrepen werd, en dat de leerling nu op-eens "den handel" weer wat minder moeielyk begon te vinden.

--Dan moet je-n-altyd zorgen dat de stukken behoorlyk recht op elkaar gestapeld liggen... ziehier, de ruggen in één lyn, en ook de zyden aan den lichtkant gelyk, want... soms zyn ze niet precies van dezelfde breedte, zieje. Daarop moet je dus wel letten, want 'n jong-mensch...

--Ja, m'nheer!

--En nooit 'n stuk kreukelen...

--Neen, m'nheer!

--Of in 'n verkeerden plooi leggen...

--Neen, m'nheer!

--Nu zullen wy eens naar de zolders gaan. Want... ook daar is altyd wat te doen voor 'n jong-mensch.

Wilkens geleidde nu Wouter naar de hoogere verdiepingen van 't huis waar-i hem met gelyksoortige lessen besproeide. De daar opgestapelde koopwaren bestonden gedeeltelyk in goederen die zich door de mode hadden laten voorbystreven, gedeeltelyk in diemet en shirting, waarin Wilkens "zoo byzonder knap" was. Hy weigerde evenwel iets van z'n uitstekende bekwaamheid in dit "vak" aan Wouter overtedoen. Dit kon, zeide hy, zoo niet te-hooi en te-gras geschieden in 'n paar uur sprekens. Dat het hem op z'n zestigste jaar nu gelukt was eenigszins op de ware hoogte van de zaak te komen, moest men als 'n zeer byzonder geval beschouwen. Hy had van der jeugd af "aanleg gehad voor witte goederen", maar dat gebeurt niet alle dagen. Gewone menschen brachten 't nooit zoo ver.

Wouter hoorde deze mededeelingen met betamelyken eerbied aan, en zou er nog meer van genoten hebben als-i niet zoo'n honger gehad had. Toch maakte hy met groote belangstelling kennis met het windas. Dàt was alzoo de mekaniek die Flip de kruier--en de jongeheer Pompile... met heel veel kussens--wilde toepassen op de verhuizing van de dikke mevrouw uit de zykamer! Vanwaar toch dat deze eenvoudige toestel die door 't straalverschil van twee assen overbodige snelheid omzet in vereischte kracht, hem aanlokkelyker voorkwam dan al die stapeltjes katoen en die vegers? Hy zag terstond in, hoe sterk de hand werd die het touw hield waarmee men 't groote rad in beweging bracht, en dat de last die slechts invloed had op de dunne spil... waarachtig, men zou lust krygen met zoo'n ding de dikste mevrouw van de wereld het venster uittehyschen. Hy hoopte dat-i zoo'n exercitie beleven zou, en vooral dat men hem vergunnen mocht meetedoen. Wel zou zoo'n prouesse zonderling afsteken by de dozynen schakingen en venster-evakuaties waarvan hy ooit gelezen had, maar...

--En met de kisten die dáár staan, hebje je niet te bemoeien, zei Wilkens. Dat zyn oude papieren die je niet aangaan... volstrekt niet! 'n Jong-mensch moet zich nooit bemoeien met iets dat hem niet aangaat. Leer dit van my. En nu zullen wy de zolders sluiten. Ziehier, op dezen sleutel... één keep. Dit beteekent: eerste zolder. Op dezen sleutel zyn twéé keepen, hetwelk tweede zolder beduidt. Eén keep: eerste zolder, twee keepen: tweede zolder... onthoud dit wel!

--Ja, m'nheer!

--En nu zal ik je de zaal toonen. Gedurende den winter gebruiken wy die zaal niet. Maar des zomers, als de familie naar-buiten is, dan gebruiken wy de zaal, en wel voornamelyk voor de nieuw-aangekomen goederen van 't voorjaar. Tracht dit te onthouden.

--Ja, m'nheer!

De fameuze "zaal" werd nu voor Wouter's blikken ontsloten. Het was een niet zeer groote kamer die er met al haar "hoezen" uitzag als 'n blindeman of 'n hospitaalgast. Zelfs 't vloertapyt was tegen onbescheiden blikken en ruwe zolen beschermd door 'n grof-linnen kleed. En ook van Mozes by 't Doornbosch was niets te zien dan 'n bleek vierkant skelet. Wouter beging de vermetelheid er naar te vragen ...

--Dàt zyn nu eigenlyk je zaken niet! We zyn hier niet om schilderyen te zien maar om te werken! 'n Jong-mensch moet zich door niets laten aftrekken van z'n werk! Leer dit van my.

--Ja, m'nheer!

--Je ziet wel dat ook hier alles op plankjes ligt? Zoodra er nu op 't kantoor, of in den kelder, of op de zolders niets voor je te doen is--want 'n jong-mensch moet nooit ledig zyn!--dan ... veeg je hier 't stof van de stapeltjes, en je legt alles behoorlyk te-recht ... alles altyd op z'n eigen plaats, begrypje? En kom nu weer mee naar 't kantoor. Ik zal eens met m'nheer spreken over de uren van je gaan en komen, want ik ben zeer op orde gesteld, en jonge-menschen moeten zich daaraan wennen.

Er werd bepaald dat de nieuwe jongste-bediende "zoo tegen drieën eventjes naar huis zou gaan om te eten." En zie--goddank!--'t wàs byna drie uur, want Dieper sloot z'n boeken, en trok z'n jas aan "voor de beurs."

Nooit richtte Wouter met zooveel genoegen z'n schreden huiswaarts, 't Scheen er op toegelegd hem te doen beseffen dat er kringen bestonden waar even nietige denkbeelden heerschten als in den zynen. Moest-i genezen worden van den waan dat geen levensopvatting die van zyn familie kon te-boven gaan in dorheid? Met zeker genoegen zag-i z'n moeder en zusters weer, en vooral Leentje die hy met nog meer uitvoerigheid dan de anderen, deelgenoot maakte van alles wat-i ervaren had. Ze vond het zeer belangryk. Ook de overige leden van 't huisgezin namen begeerig deel aan de byzonderheden uit 'n wereld die hun zoo nieuw was. Niets evenwel trof juffrouw Pieterse zóó, als de moeielykheid van 't binnen-komen. Ze vond daarin iets plechtigs.

--Zieje wel, dat's wat ànders dan by zoo'n slechten kerel op den Zeedyk, waar ieder maar uit- en inliep! Deze menschen zullen niet op-eens naar Amerika gaan met 'n andermans geld! En ... 'n zaal, zegje? En ... 'n Buiten? En ... eigen rytuig? Ga jy nu eens naar de komeny, Leentje, en zeg dat de jongeheer ... neen, praten hoeft niet, maar 't is toch 'n heel ding voor Wouter, nu by menschen te zyn die 'n zaal in hun huis hebben, en 'n buitenplaats, en eigen rytuig! Als je nu goed oppast, Wouter ... jongen, je kost is gekocht! Wat zeg jy, Stoffel?

--Ja, moeder.

--Want ... weetje wat ik zeg? Ik zeg: 'n mensch is sterfelyk. En die oude heeren ... voor hoe oud zag je ze wel aan, Wouter?

--Moeder, die boekhouder was wel ... zestig. En m'nheer Wilkens ook zoowat.

--Zieje! Ik zeg dat 'n mensch sterfelyk is. En daarom ... niet dat ik naar iemands dood verlang, gut né, maar ... als iemand zóó oud is ... wat zeg jy Stoffel?

--Zeker, moeder.

--Als zoo'n boekhouder nu eens ... sterft--want alle menschen zyn sterfelyk, niet waar?--dan zou Wouter best ... denk eens, Trui?

--Ja, moeder, waarom niet?

--En die m'nheer Willekes ook. Waarom zou Wouter geen boekhouder kunnen worden, of ... m'nheer Willekes?

--Né, moeder. Uwe meent ...

--Nu ja, wie kan altyd zoo op z'n woorden letten! Ik meen maar dat z'n kost gekocht is. Wat kan 'n mensch meer verlangen? En dat zakboekje ... gut, ik heb er graag alles voor over. Kyk jy maar eens onder je bedstee, Stoffel, daar staat 'n mand met ouwe prullen, en je zult er zeker nog wel de brieventasch vinden van je vader. 't Wurm kan er alles in opschryven wat-i onthouden moet, en ... z'n kost is gekocht ... dàt wil ik maar zeggen! Je mag nu wel 'ns gauw naar m'nheer Calb gaan om hem te bedanken, Wouter! Want hy is de man die je gerekommandeerd heeft. Hoe zou je 't vinden, als je-n-eens 'n vers maakte op z'n verjaardag?

Dit voorstel werd door Stoffel afgekeurd. Hy bracht z'n moeder onder 't oog dat m'nheer Calb waarschynlyk, als "man van zaken" 'n hekel aan verzen hebben zou, en dat 'n stoffelyk bewys van erkentelykheid ... 'n anker wyn, of 'n vaatje boter ...

--Wel zeker, juist wat ik altyd zeg. Denk er aan, Wouter, dat je m'nheer Calb 'n vaatje boter zendt, of 'n anker wyn ...

--Gut, moeder!

--Nu ja, als je ... boekhouder bent, meen ik. Want ... alle menschen zyn sterfelyk, en als die m'nheer Dieper zoo klaagt over zinkings ... jongen, je kost is gekocht!

Door deze en dergelyke zottepraat liet zich alweer Wouter's week gemoed biologeeren tot ingenomenheid met z'n nieuwen werkkring. De niet zeer aangename indrukken die hyzelf had opgevangen--zonder ze evenwel te durven verheffen tot meening--werden uitgewischt of overpleisterd door 't waarnemen van de belangstelling zyner verwanten. Hy voelde dat er iets van den eerbied dien men z'n "patronen" toedroeg afstraalde op hemzelf, en dit liet-i zich zonder protest aanleunen. Z'n moeder vroeg hem uitdrukkelyk of-i de saus naast of over z'n aardappelen hebben wou, want:

--Denk eens, Trui, ze hebben 'n zaal in-huis! En jy, Wouter, eet nu wat dóór, en ga 'r gauw weer heen. Je moet nu ook van jouw kant toonen dat wy óók by-de-handte menschen zyn, wat zeg jy, Stoffel? Gut ... 'n eigen Buiten!

Wouter deed wat-i kon om zich aan doorschynende aardappels en yver te verslikken. 't Sloeg ter-nauwer-nood halfvier, toen-i zich alweer 'n weg baande door de stokvischbeukery en langs de olievaten, en 'n oogenblik daarna stond-i hygend en dienstbereid op 't kantoor. Buiten den ons reeds bekenden stank en de naakte Merkuriussen, vond hy daar niemand ... ja toch, daar hingen de zoldersleutels! Eén keep: éérste zolder, twee keepen: twééde zolder! Hy schreef deze kenmerkende byzonderheden op in de vaderlyke portefeuille die inderdaad onder Stoffel's bed opgedolven, en meegegeven was met de dringende aanbeveling tot vlytig gebruik. Ook maakte hy dat eerwaardig zakboek tot vertrouwde van de andere studiën waaraan hy dien dag een zoo groot gedeelte van z'n onsterfelyke ziel besteed had. Mochten misschien eenmaal de lagen stof en asch waaronder de Pietersburg begraven ligt, worden weggeruimd, dan zal de onderzoekende nazaat nog altyd kunnen te weten komen hoe lang in Wouter's eeuw 'n stuk engelsch katoen van acht-en-twintig yards was. En waar de Pleiers woonden, en de Kruckers en de Hockers, en de juffrouw die borduurpatroontjes verkocht. En hoe 't Buiten heette van m'nheer Kopperlith. En aan welk soort van vensterglas men de woning van den jongeheer Pompile herkennen kon. Waarlyk, men zou lust krygen z'n eigen achterkleinzoon te wezen, om tegenwoordig te zyn by 't opgraven van al die historische byzonderheden. Moet de lezer niet erkennen dat reeds hierom alleen de annalen van Wouter's ontwikkelingsgeschiedenis alle andere jaarboeken in belangrykheid te-boven gaan? Wortelen ze niet--als de magazyn-kelder en 't karakter van de firma Ouwetyd & Kopperlith--tot ver beneden de riolen? Zullen ze niet eenmaal met hun gebladert van zóóveel vellen druks den schedel belommeren van den laatsten sterveling die over 'n eeuw of wat onfatsoenlyk genoeg wezen zal om nog hollandsch te verstaan? O, zeker, ik hoor in m'n verbeelding reeds 't verdrietig geroep van Pompeji en Herculanum: berg, val weer op ons, herbesluier onze aangezichten met schaamtedekkende lava ... we bezitten niets ... niets ... niets dat waard is het daglicht te aanschouwen na de heuchelyke verryzenis van Wouter's agenda!

Zóó zal 't wezen! Maar even als de romeinsche bakker wiens achtvakkige broodjes thans zoo'n eervolle plaats innemen in 't muzeum te Napels, niet weten kon dat z'n bollen een zoo schitterende karrière maken zouden, was ook Wouter onbewust van 't belang der byzonderheden die hy in z'n zakboek noteerde. Hy volbracht de hem opgedragen plicht met z'n gewone konscientie, maar hoe onmeetbaar groot ook het aantal was van de wetenswaardigheden waarmee men zoo edelmoedig z'n geest verrykt had, er kwam toch 'n eind aan z'n opschryven. Hy begon zich te vervelen, en leed onder zekere verdrietige verwondering over de leegte van z'n gemoed. De romantiek was--niet voor altoos, waarschynlyk--uitgeput, geknot, bedorven. Z'n worsteling tegen afdwalen begon vrucht te dragen, en de inspanning om zich met niets te bemoeien dan wat allernaast voor-de-hand lag, werd te pynlyker omdat hy met de hem ingegeven nietigheden z'n ziel niet voeden kon. Hy was als iemand dien men 't ongezond gebruik van snoepery verbiedt, en in-plaats daarvan op zaagsel en zand onthaalt, of ... op niets. Tien, twaalfmaal las-i de opgeschreven zaken over, en vond zich in-staat 'n prachtig examen afteleggen in alles wat hem dien dag geleerd was. Maar juist hierom vreesde hy dat hem iets mocht ontgaan zyn, want ... want ... hy voelde zich door den last zyner nieuwe wetenschap niet bezwaard genoeg naar z'n zin. Ze moest zwaarder drukken, meende hy, en daar dit toch maar niet het geval worden wilde, lag de schuld zeker weer aan hem! Ook z'n moeder zei altyd dat er nooit iets van hem komen zou ... óók! Want hyzelf begon weer--en voor 't eerst niet!--'n dergelyke meening te koesteren, als 't koesteren heeten mag, dat smartelyk wroeten in eigen borst! Die m'nheer Wilkens was 'n dóórkundig man met grys haar en 'n bril en over de veertig jaren kantoordienst. Wat die man hem zoo majestueus verkondigde, moest wel belangryk wezen, en de moeite van zware inspanning waard. Maar hy, botterik, bleef maar altyd niet begrypen waarop-i z'n inspanning moest toepassen? De pogingen om de moeilykheden van z'n nieuwe pozitie te overwinnen, ketsten af op de onwetendheid waarin toch die moeieiykheden bestonden? Had-i misschien, om niet al te ver beneden z'n plicht te staan, terstond moeten weten hoeveel fabrieken en inwoners er waren in Manchester? Och, als m'nheer Wilkens hem dit maar had gelieven te vragen! Dan zoud-i z'n onwetendheid ... niet geloochend hebben, o neen ... maar tevens beloofd morgen bekwamer te zullen zyn. Dan had-i geweten wat er vandaag aan hem gehaperd had, en hy kon zich beteren!

Men ziet dat de oorzaken van Wouter's verdriet van ongewonen aard waren. Misschien ook ligt de ongewoonheid slechts in myn poging om ze te verklaren, want omstandigheden als waarin hy verkeerde, moeten wel eens meer voorkomen. By elke gelegenheid namelyk, waar naïve hoogmoed samenvalt met even naïve nederigheid. En dit was hier 't geval. Wouter voelde aandrang tot het allerhoogste, en zou weldra geklaagd hebben dat er niet iets moeielykers te bereiken was dan dat. Maar tevens meende hy dat ieder boven hem stond, en dat hy 't nooit zoo ver zou brengen als de laagste. Op buitengewone inspanning was-i dus voorbereid. Al de moeite die hy zich ooit had getroost om meester Pennewip--en z'n dame!--te voldoen, zou kinderspel wezen by de taak om 'n bruikbaar jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith te worden. Hiertoe dus had-i zich--vooral na de vermaningen van dien goeden dokter Holsma--met byzonderen yver aangegord. Geen "som" uit z'n Strabbe, meende hy, vereischte zóóveel scherpte van oordeel, zóóveel nauwgezetheid, zóóveel geheugen, als er zou te-pas komen in dien nieuwen werkkring. En zie, den eersten dag den besten reeds, vatte hy alles wat men hem zei met 'n gemakkelykheid die hem angstig maakte. Daar moest méér achter zitten! Men wordt geen Ouwetyd & Kopperlith of jongeheer Pompile--noch zelfs 'n behoorlyke m'nheer Wilkens!--zonder àndere draken verslagen te hebben dan men onzen kleinen St. Joris te bestryden gaf! Eén keep ... twéé keepen ... zeker, begrypen is genot--en dit was vooral in Wouter het geval--maar juist hierom wantrouwde hy 't genot dat hem ditmaal wat al te gemakkelyk gemaakt was. De gedachte dat z'n leermeesters met hun gryze haren, brillen, Buiten's en eigen rytuig, beneden hem stonden, kwam niet in hem op. Het was hem als iemand wien men te raden geeft: "wat 'n stokjen is, aan de uiteinden bestreken met zwavel" en die vreest 'n domheid te zeggen door zoo'n ding te verklaren voor 'n zwavelstokje. De hem aanbevolen plicht om zich steeds te bemoeien met het naastbyliggende, was hem op 't hart gedrukt met ernst, en als iets belangryks ... waarin--dit zeg ik er by--Holsma volkomen gelyk had! Deze plicht moest dus moeilyk te vervullen zyn, meende Wouter, doch slechts ten-deele was dit juist gezien. Moeielyk zou ze hèm vallen, omdat-i de neiging had wat vèr en wat hoog te staren, maar op-zichzelf beschouwd zou ze byna doorgaans uit 'n aaneenschakeling van nietigheden bestaan. En juist dit bracht hem in de war. Zonder de nederigheid die hem eigen was, zoud-i--na 'n oefening van zeer weinig weken alles geleerd hebben wat er op dat kantoor te leeren viel--zeer spoedig z'n hoogwyze patroon met hun lappenkraam hebben geminacht. En zonder z'n hoogmoed ware hy volkomen tevreden geweest met hun goedkeuring zyner vorderingen in 't vlytig bestudeeren van niemendal. Wat Oxenstiern aan z'n zoon schreef over de onbeduidendheid der hefboompjes waarmee de wereld geregeerd wordt, is van volle toepassing op 'n tal van andere zaken, en niet het minst op kringen als waarin thans onze Wouter was aangeland. Toch zou men verkeerd doen 't wanstaltig huwelyk zyner ziel met 'n omgeving van zóó laag standpunt, in alle opzichten te betreuren. Juist zùlke aanrakingen, en niet boekerige heldenfeiten, leveren de ware vuurproef. De tyd moest komen dat Wouter zeggen kon ... niet: "ik ben niets, want ik werd gesmoord in den lappenwinkel van de heeren Ouwetyd & Kopperlith!" maar: "zie, hoe ook bedolven onder de modder van misdadige gewoonheid ... ik bleef myzelf, en heb me tot iets weten te maken." Ik behoef hier immers niet bytevoegen dat dit de ellendelingen niet verschoont, die 't kind aan deze vuurproef onderwierpen? 't Was hùn doel waarachtig niet, onzen Wouter tot mensch te maken!

Hy verveelde zich, en voelde verdrietige verwondering over de leegte van z'n gemoed. Naastbyliggende plicht doen? Als-i eens naar den zolder ging--twee keepen: den twééden!--om te vegen, en op z'n gemak dat belangwekkende windas te bekyken?

Zóó gedacht, zoo gedaan! Hy was recht grootsch dat-i den weg naar-boven wist, en toen hy op de trap de meid ontmoette, die hem zoo onheusch-officieel had afgewezen aan de boven-voordeur, gunde hy zich de weelde van eenig gerammel met de sleutels, niet zonder 'n zegevierend blikje dat zeker zeggen wilde: je ziet, ik bèn er, en wel in dienst!

Zoo'n windas is 'n aardig ding. Er zitten gedachten in, en Wouter wist ze 'r uittehalen.

--Die dikke mevrouw is zeker tweehonderd pond zwaar ... de fauteuil, twintig ... de kussens ... hm ... stellen wy voor alles en alles ... tweehonderd-vyftig pond. Ik weeg maar tachtig, denk ik. Als dus die dikke mevrouw en ik tegenover elkaar hingen aan 'n gewonen takel, zou ze my 't zoldervenster uithyschen, in-plaats van ik háár uit die zykamer. Maar als ik háár gewicht oprol om die dunne spil, en ikzelf wentel dat groote rad ...

Hy hoorde sloffen op de trap. 't Was Gerrit, die eens kyken kwam wie er naar den zolder gegaan was.

--Ah zoo! Ben jy 't Pieterse. En wat doe je daar?

--Ik ... veeg, zei Wouter.

--Zoo? Nou, als je zóó yverig blyft, zal je gauw slyten, jongen!

--Maar m'nheer Wilkens heeft gezegd ...

--Wullekes is 'n gek. Maar ... wil je vegen, goed! Veeg maar! En wat veeg je-n-al zoo?

--De stof van de stapeltjes ...

--Daar ligt geen stof op! En al lag er stof op, wat doet dat er toe? En al deed het er wat toe, wat helpt het of je die van den eenen stapel op den anderen veegt, hè? Je doet monnikenwerk, wat ik je zeg!

--Gut!

--Ja, monnikenwerk! Je moet niet alles zoo letterlyk opnemen wat die Wullekes je zegt. Hy schiet met ... varkensvleesch, weetje?

--Hè!

--Dàt doet-i! Ik dacht het wel dat je zou luisteren naar dien windmaker, en toen ik iemand naar-boven hoorde gaan met de sleutels--want ik zat in de keuken, omdat ik styf van rimmetiek ben--toen begreep ik dat jy 't was. Want er kon niemand anders op 't kantoor wezen. Die Wullekes heeft je zeker niet gezegd dat we-n-in den komkommertyd zyn, en dat je zoo'n haast niet hoefde te maken met terugkomen? Hyzelf komt eerst zoo tegen zessen even kyken, en nu hy weet dat er iemand is om de boodschappen aantenemen, zal-i nog later komen, of misschien in 't geheel niet. En de jongeheeren zyn uit ... om 't mooie weer, weetje? Je moet de zaak niet zoo zwaar opnemen, jongetje! Dan ga je-n-er onder door! Je neemt me-n-ommers niet kwalyk?

--Gut neen! Maar ik wou zoo gaarne ... m'n plicht doen, m'n naastbyliggende plicht, weetje?