De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld

Part 2

Chapter 23,991 wordsPublic domain

Heel gelukkig evenwel werd-i terstond na 't ontbyt aan 'n bezigheid gezet die allergeschiktst is om iemand met het leven te verzoenen.

Men had hem met algemeene stemmen veroordeeld tot het reinigen van z'n jasje--een vonnis dat m'n volkomen goedkeuring wegdraagt--en hy spande zich zóó in, dat-i na 'n uur arbeids met betrekkelyke tevredenheid naar z'n moeder liep, en juichend uitriep:

--Kyk, moeder, er is niets meer van te zien!

't Onnoozel triumfjen over 'n kleine moeielykheid joeg de wolken voort, die z'n gemoed beneveld hadden.

Men zou voor z'n plezier in limonade vallen, als men wist hoe weldadig de inspanning werkt die noodig is tot het reinigen van 'n paletootje.

De ongelukkige die nooit z'n eigen kleeren borstelde, kent het leven niet.

--Ik zal haar vergeving vragen, dacht Wouter.

En by dit... oneerlyk voornemen lei zich de storm die z'n gemoed beroerd had, geheel neder.

"Oneerlyk" noemde ik dit omdat het ware berouw geen vergeving zoekt by anderen, maar by zichzelf. Wie met 'n uitgesproken klank tevreden is, wie z'n geweten meent te kunnen paaien met 'n kwitantie van schuld, geteekend door 'n ander...

Ei zie, daar ben ik alweer op het terrein van schuldvergiffenis en genade! Pas-op, lezer, juffrouw Laps is in de buurt! Wie haar niet ontmoeten wil, moet dit hoofdstuk overslaan. En vooral dien vrydagavend niet by de Pietersens komen. Want dáár zou ze optreden, en wel ditmaal met haar wouterkundig: voilà Toulon!

Maar eerst moet ik nog iets zeggen over 't ellendig gehalte van Wouter's schuldbesef. Zeker, hy zou vergiffenis vragen! En na 'n beetje getob zou Femke zeggen--precies als in Kotzebue's Menschenhaat--"ik verrrgeef het u!"

En dan zou de zaak zyn als niet gebeurd.

Hoe sneller hoe beter dan!

Een ondragelyken last werpt men terstond neer! Terstond!

Wouter's last bleek niet ondragelyk. Want hy besloot hem nog 'n tydje te blyven dragen.

De oorzaak hiervan was deze. Om Femke te spreken moest-i naar de Holsma's. En dit... durfde hy niet. Wat zouden die menschen 't gek vinden!

Gáán zoud-i, o zeker! Maar... niet op dien vrydag!

't Kon immers best wachten tot-i eerst 'n paar dagen... "in den handel" geweest was? Dit geeft houding, vond-i, en dàn zoud-i zeggen...

Nu ja, hy zou vergeving vragen, en Femke "heusch" verzekeren...

De uitvinding van dit "heusch" was zoo kwaad niet. By lamlendige beroerdheid... frazen vóór! Van welken letterkundige had onze misdadiger dit geleerd?

Hy zou haar verzekeren...

Wàt?

Dit, byv. dat de Weledele heeren Ouwetyd & Kopperlith in wier "handel" hy nu was aangeland...

Ja, ja, hy zou iets vertellen van de Weledele heeren Ouwetyd & Kopperlith en hun "handel."

Dan hoefde hy niet zoo naakt voor-den-dag te komen met... dat andere.

Misschien zou z'n nieuwe chef hem pryzen over... z'n krulletters! Of over z'n aardrykskunde! Of over z'n strabbische uitgeleerdheid! En dan kon-i tegenover Femke z'n schande hullen in 'n wolkje van allervereerendste byzaakjes. 't Meisje zou verbaasd staan over z'n knapheid, en ten-slotte hèm vergeving vragen voor de vrypostigheid dat ze zich had laten verloochenen door zóó'n handels-fenomeen!

Aldus redeneerde Wouter niet. En zelfs niet op deze wys werd hem z'n onbewust gevoel kenbaar, doch... er was iets in hem--wat dan ook!--dat voorwendsel en verschooning leverde voor 't niet doen van z'n plicht.

Bovendien... die plicht was zoo makkelyk niet!

Naar den kolveniersburgwal gaan? Goed.

Aanschellen? Goed.

Maar... wat dàn?

De deur zal geopend worden. Door wien? Juist immers door de dienstmaagd uit Joh. XVIII, vs. 17, wier aanblik meer dan iets anders den wankelmoedigen Petrus weerhouden zou van ridderlyke oprechtheid?

De zaak is dat onze Wouter zich niet waagde aan dokters Kaatje! Wat zoud-i zeggen? Iets als:

"Vryster, ik moet Femke spreken, 't adjunkt-kindermeisje?"

Daar hoort wat toe, waarachtig!

En dàn?

In de gang... 'n knieval doen? Of zelfs--o gruwel!--in de keuken?

Om-godswil, lezer, wat zouden al de ridders uit z'n boeken daarvan zeggen!

Welke Turk zou zich laten doodslaan door iemand die zich schuldig maakte aan zoo'n dorperheid?

Die engelsche lord zou hem zeker geen hand geven--en de Afrikanen geen kroon!--als-i...

Zou Ivanhoe 't gedaan hebben? Neen! Ypsilanti? neen! Themistocles? Neen! De "Eduards" van Lafontaine? Hm... dit kon-i niet zoo stellig ontkennen. In de werken van dien schryver komen inderdaad huiselyke trekken van ridderlykheid voor. Maar... ze staan in 'n boek, en de lezer kykt er naar, en zal 't weten dat er, zonder harnas, pluim of veldgeschrei dan, groote daden geschieden in 'n hoekje. De auteur heeft gewaarschuwd: het boekeheldje kampt onder de oogen van 'n publiek.

Zou ook dokters Kaatje gevoelig zyn voor 't grandioze van de vernedering, als ze daar Wouter zag geknield liggen op de vloermat? Zoo'n held in de boeken heeft makkelyk plichtdoen. Ieder slaat acht op z'n prouesses, en weet ze te schatten.

--Welnu, dacht Wouter, ik zàl m'n plicht doen, o zeker, ik zàl! Maar eerst "in den handel" en bovendien...

Een nieuw duiveltje bekroop z'n gemoed. Wie weet of Femke niet spoedig de Holsma's verlaten zou, en terugkeeren naar 't huisje by de aschpoort. Dáár... of in de buurt... of op de "paden"... of by 't brugje, zou alles makkelyker gaan, dacht hy. Daar was geen nood van Kaatje's fâcheuze tegenwoordigheid, noch van Willem's onmenschelyk latyn. En ook Sietske die zoo majestueus sprak over drie-guldens...

De lezer gelieve optemerken dat er 'n leelyk deficit bestond in Wouter's gemoed en dat de aanzuivering daarvan meer moeite kostte dan 't reinigen van 'n bemorst jasje.

Dat overigens 't verloop van z'n... liefde voor 't meisjen, 'n geheel andere richting insloeg dan z'n onschuld...

Hier spreek ik van verloren onschuld, en ik meen te weten wat ik zeg!

...nu, dit spreekt vanzelf! Om lieftehebben, moet men goed zyn, en Wouter was niet goed op dien vrydag!

Nu komt de "vinger Gods" die hem straffen zou. Dit goddelyk lichaamsdeel lei 't zonderling aan.

De vrydag hield zich alsof-i voorby was. Wouter maakte zich gereed z'n nauwe bedstee te beklimmen in opgeruimder stemming dan hem paste. Hy had zelfs geen lust in 't kibbelen met Laurens, die altyd--zonder pretentie op 't konstrueeren van 'n meetkunstig werkstuk--de diagonaal beschreef.

Zeer eigenaardig nam ons Petrusje zich voor, z'n inslapen te doen voorafgaan door 't overdenken van de voorvalletjes die gedurende den afgeloopen dag aan de orde waren geweest.

Heel natuurlyk! Hy voelde geen lust zich bezig te houden met zichzelf, wat anders z'n gewoonte was.

Zekere prins had geld onder 't volk gestrooid...

--Hé... als ik zoo'n prins was!

Nu, deze indruk was de leelykste niet. De meeste jongens denken in zoo'n geval: hé, als ik mocht meegrabbelen!

De Paltsgravin van... hoe heet het land waar ze vàn was? Ik heb geen lust den naam optezoeken dien ik haar gaf. 't Mensch was in 't Trippenhuis geweest, en daar--volgens de couranten--minzaam, zeer minzaam...

--Dàt zou ik ook zyn, dacht Wouter, als ik... Paltsgravin was. Wat is dat toch voor 'n betrekking?

De Koning had audiënties en 'n diner gegeven, en gezegd... och, de gewone praatjes. Maar voor Wouter waren ze nieuw en belangryk. Het welzyn van de Hoofdstad ging Z. M. byzonder ter-harte. Wouter ook. Dit belette niet dat hy deze byzonderheid heel lief vond in den Koning. In Afrika zoud-i precies hetzelfde doen! En zyn hoofdstad...

Neen, weg met Afrika!

Hy smeet z'n linkerkous onzacht weg, zoodat het ding zich om den sport van 'n stoel slingerde als 'n stervende paling.

Weg met Afrika! Want...

Daar rees de schim van Femke op, en dreigde, en vroeg of zy haar plaats verbeurd had op dien troon? En of ze...

Weg met Afrika!

Wat al zonderlinge vertellingen over prinses Erika! Men zei dat ze huwen moest met 'n grootvorst, maar... geweigerd had.

Alle burgerlui vonden dit heel mooi, zonder nog te weten of 't niet 'n malle koppigheid was van prinses Erika.

Ze was zoo zonderling van gedrag en manieren, en kon zich niet schikken in de hoogheid van haar stand...

Wouter trok z'n tweede kous uit, en keurde 't af dat prinses Erika geen lust had in aanzienlykhedens. Hm... zou ze misschien willen ruilen? Hy: prins Erik. En zy...

Zou ook zy 's nachts zoo'n leelyke muts opzetten? Wel neen, dacht Wouter, prinsessen dragen mutsen van diamanten. 't Is waarlyk zonde en jammer dat zoo'n schepsel haar geluk niet waardeert!

En dit scheen toch 't geval. Toen ze met de Paltsgravin uit het Trippenhuis kwam--waar ze minzaam geweest was--had ze geweigerd terstond mee terug te ryden naar 't paleis. Ze wou den "amsterdamschen Jodenhoek" zien, en nam flinkweg 'n kamerheer onder den arm, die haar den weg wyzen zou. De man kende dien zelf niet, en had alle moeite haar te loodsen tot op Vlooienburg... in 't hartje! En zie, hy droeg 'n korte broek--gelyk byna iedereen, in Wouter's tyd--en zyden kousen. En die kousen werden bespat. En prinses Erika had er zoo om gelachen. En nog meer onvorstelyke zonderlingheden van die soort...

Maar dit alles stond niet in de courant. De krant sprak alleen van de minzaamheid.

Nu, ook op Vlooienburg was de prinses allerminzaamst geweest, of zelfs meer dan minzaam. Ze had 'n heele kruiwagen vol maagdeperen leeg gekocht, en de straatjeugd gebombardeerd met handenvol sappig genot.

Maar dit stond alweer niet in de krant. De redakteurs wisten niet hoe ze dat voorvalletje salvâ reverentiâ zouden inkleeden, en bepaalden zich dus maar tot de alom bekende minzaamheid. Toch had ieder er van gehoord, al wist men dan niet of 't waar was. Duizenden schiepen er stof uit tot drie vertellingen. Eerst: dat het geschiedde: "wezenlyk!" Daarop dat het 'n verzonnen praatjen, niet geschied was: "wat ik je zeg!" Eindelyk: dat het wel deze keer misschien niet geschied was, maar dat, wel beschouwd, zoo-iets wel 'ns op 'n anderen keer geschieden kon, en dat het zeer moeilyk was altyd precies te weten wàt geschied was, en wat niet.

Dit vind ik ook.

Prinses Erika...

Wouter blies z'n kaarsjen uit, of wilde dit doen. Hy had peiling genomen op een der twee scherpe driehoeken die Laurens hem te kiezen had gegeven, en op-eens verneemt hy groote ontsteltenis in den huize Pieterse: beroering!

't Is waar, er was drie, vier malen hevig gescheld, ja gebengeld. Brand?

Hm! Zou 't misschien prinses Erika wezen, die komt ruilen?

Och neen, 't was juffrouw Laps.

Ruilen kwam ze niets.

Maar wat dàn, zoo laat op den avend?

Wouter trok z'n ééne been terug uit den tophoek, en luisterde.

Wy ook!

Zelfs juffrouw Laps zegt soms 'n waarheid die 't overdenken en toepassen waard is. Dezelfde autoriteit in-zake: menschenkennis. Don Quixote de la Mancha. Goden, duivels en... Fancy.

Het vertrekje waar Wouter met Laurens in één bedstee sliep, was boven de huiskamer. Ze deelden dat verblyf met twee van hun zusters, en moesten uit kiesheid altyd 'n kwartiertje vroeger slaap voelen dan die jonge-juffrouwen.

Ik ben niet geleerd genoeg om te weten hoeveel zuurstof vier jonge menschen gedurende acht uren noodig hebben om net even niet te stikken. Maar benauwd wàs 't in dat hokje! Soldaten zouden "gereklameerd" hebben.

In 'n ander lokaaltje had 'n soortgelyke verdeeling van engte plaats, en ook daar werd het oogenblik van slaperig worden geregeld en bepaald door gelyke wetten van kiesheid.

Met 'n weinig administratief genie zal nu de lezer kunnen berekenen wat de oorzaak was dat 'n gedeelte van den grooten staf der Pietersens--en wel het deel dat tot de klasse der vrouwspersonen behoorde--nog altyd in de huiskamer by-een zat, op 't oogenblik toen Wouter zich voordroomde dat die gekke prinses Erika wel 'ns in 't hoofd kon krygen met hem te komen ruilen van pozitie.

In-plaats dáárvan echter, hoorde hy de stem van juffrouw Laps, die als 'n razende de trap scheen opgevlogen, en schreeuwend, snikkend en huilend het huisvertrek binnenstormde.

De gewone tusschenwerpsels van: "mensch, wat is er?" en: "goeie god, wat is er gebeurd?" waren afgeloopen. Wouter kon waarnemen dat het traditioneele glas water was aangeboden en leeggedronken, en tevens hoe men de blykbaar allerdiepst-ongelukige vriendelyk uitnoodigde om "te bedaren." Een zonderling voorstel altyd.

Juffrouw Laps begon met de zeer verstaanbaar geartikuleerde verzekering dat het haar onmogelyk was 'n woord uittebrengen.

De zaak scheen dus belangryk. Wouter trok z'n eene kous weer aan om beter te kunnen luisteren.

--Ik zweer je by God allemachtig, juffrouw Pieterse, dat ik niet spreken kan van schrik en alteraasie.

--Gut, mensch!

--Waar zyn je kinderen... allemaal? Al naar bed? Toch nog niet naar bed, wil ik hopen! Ik kan waarachtig niet spreken! Nog 'n glas water, Trui! Hoor 'ns hoe ik bibber... 'n mensch klappertandt van schrik, niet waar? Dankje, Trui, en waar is... Stoffel?

--Wel, mensch, die kleedt 'm uit. Hy gaat me vóór, my en Petró. Want... Mine schopt zoo, weetje, en Trui moet by de jongens wezen... anders vechten ze. En daarom slaap ik met Petrò, weetje. En daarom kleedt Stoffel 'm uit, en dan sluit-i z'n gordyntje, weetje, als-i ons op de trap hoort. Maar, mensch, wat scheelt er an?

--Ja juist... wat me scheelt, niet waar? Ik ben geschrokken, erg, heel erg! En is... Laurens ook al naar bed?

--Gut ja, mensch, al lang! Want-i moet vroeg op z'n drukkery wezen. Maar...

--Allemaal al naar bed! En ik...ik loop als 'n ongeluk langs de straat, als 'n mal mensch--van schrik, weetje!--en weet niet waar ik belanden zal. Zóó? Is hier... iedereen al... naar... bed...

--Maar wat is er dan toch gebeurd?

--Ik zal 't je zeggen, juffrouw Pieterse... och, als je wist hoe ik geschrokken ben! Verbeelje...

Wouter trok uit 'n akoustisch beginsel z'n tweede kous aan.

--Je weet, juffrouw Pieterse, dat er tegenwoordig veel gestolen wordt?

--O ja, maar...

--En ingebroken? En gemoord? En dat de politie er maar niet achter komen kan wie dat telkens gedaan heeft? De moord van de oude Mevrouw en haar dienstmeid, in de Lommerstraat...

--Maar mensch, daarvoor zitten er drie in de gevangenis! Wat wil je meer?

--'t Mocht wat! De moordenaars loopen vry rond, wat ik je zeg! Dat gevangen-zetten van die drie kerels is maar om ons 'n doekie voor de oogen te binden, en dat de menschen niet vragen zullen: waarvoor dient de jistiessie, zieje! De luî die 't gedaan hebben, willen wel zoo, en hebben al den tyd om op 'r gemak hun boeltjen opteknappen. Want weetje wat ik altyd zeg... ik zeg dat 'n gemeene kerel die 'n moord doet, en veel geld steelt, z'n bebloede kleeren niet kan verdonkeremanen. En al dat geld ook niet!

Want, zeg ik, hy is niet gewend met zooveel geld omtegaan. Al z'n buren kennen z'n buizen en broeken van-buiten. 'n Kast waarin-i wat kan wegstoppen, heeft zoo'n man niet. Verstand van effekten of obbeligaassies ook niet! En den weg naar 't buitenland weet-i ook niet! En vrinden die hem den weg wyzen om van z'n boeltjen aftekomen, heeft-i ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil dat... 'n moord of 'n diefstal, of... zoowat... als ze den moordenaar niet terstond pakken... nu, juffrouw Pieterse, dan zeg ik dat het door 'n fatsoenlyk man gedaan is, die meer rokken en kasten en kemsoossies heeft dan alleman weet, en... ongeteld linnengoed, zieje! En vrinden onder bankiers, zieje, die 'm afhelpen van z'n obbeligaassies. 'n Gemeene vent zou honderdduizend gulden in z'n broodkast leggen, en daar vinden 't de kinderen als ze boter snoepen. Wat zeg jy, Trui?

Trui had nooit nagedacht over dezen wel-eens uit het oog verloren grondregel van kriminalistiek. Althans Wouter vernam geen antwoord, schoon de nieuwsgierigheid hem noopte z'n broek aantetrekken.

--Maar, hoorde hy op-nieuw z'n moeder vragen, wat is er dan toch met je gebeurd?

--Wat er gebeurd is? Ik ben geschrokken... kyk, hoe ik bibber! De stad is vol moordenaars, juffrouw Pieterse!

--Lieve-god, mensch, wat kan ik daaraan doen?

--Niks, juffrouw Pieterse, heelmaal niks! Maar ik ben geschrokken, en kom je-n-om raad vragen. En... gaan Stoffel, en... Laurens, en... iedereen hier altyd zoo vroeg naar bed? Kyk, hoe ik nog bibber. Zou je wel gelooven dat ik niet naar m'n huis durf te gaan?

--Maar waaròm dan niet? Denk je dat ze je vermoorden zullen?

--Ja, juffrouw Pieterse, dàt denk ik! De moordenaars van die ouwe Mevrouw en haar dienstmeid loopen nog altyd rond--gister by de ullemenatie hebben ze god weet hoeveel horlogies gerold!--en de policie... weet je wat de policie doet? Ze kykt of iemand 'n vloerkleed uitklopt na tienen 's morgens... dàt doet de policie! Maar al die moordenaars laat ze loopen. Dat zeg ik!

--Maar wat weet je dan van die moordenaars? Geef ze-n-aan, als je ze kent! Dat 's je plicht, mensch!

Wouter trok z'n vest aan, en deed 'n dasjen om.

--Wat ik er van weet! Ze belagen me-n-in m'n eigen huis! Is 't erg of niet? Ik ben van middag uit geweest, om 't hardzeilen op den Amstel te zien. Maar er was niets te kyk, omdat er geen wind was. En 't was heel vol op den weg, en by den Amstel ook, tot Ouwerkerk toe. Al die koningen waren er, en die vreemde prinsen en prinsessen, weetje, en de menschen keken naar de koetsen, en ik ook. Niet dat ik om 'n koning geef, gut né! Want hy is 'n wurm in Gods hand, net als jy en ik, en als de Heer hem niet steunt... och al 't aardsche is maar gekheid. Stof en asch... geloof dàt maar! Maar ik keek naar de koetsen, weetje, en naar de paarden, en naar al 't volk... dat er naar keek. En ik dacht zoo by mezelf, als ik vanavend thuis kom, zal ik m'n aardappelen opbakken, want... die had ik over van van-middag, en als ik aardappelen over heb, bak ik ze 's avends altyd op, weetje. En er was groot gedrang by den Amstel, en 't speet ieder zoo dat er geen wind was, want de menschen zyn dol op plezier, en slaan geen acht op wat des Heeren is. Wereldsch waren die prinsen en prinsessen... kyk! Ja dacht ik, 't wondert me volstrekt niet dat er zoo erg gemoord wordt, en gestolen, want ze verzoeken God. En: de Heer zal jeluî wel krygen, dacht ik, maar Hy wacht z'n uur af. Want, juffrouw Pieterse, dàt doet-i altyd. Eén dame--'t mensch had roode puisten in 't gezicht, en was nog ouder dan jy, juffrouw Pieterse!--wat denk je dat ze-n-op 't hoofd had? 'n Tulleband, mensch! En ze zat in 'n koets met vier paarden. Is dat den Heer tergen of niet? Dat vraag ik maar! En ze speelde met 'n soesoe, en toen er 'n prins te-paard naast haar koets kwam, stak ze d'r hand uit het portier, en liet 'r soesoe driemaal op-en-neer gaan. En dat deed die prins ook. Waren ze mal of niet? En wat moet de Heer daarvan zeggen. Als er geen pestilentie komt...

--Maar... wat is je dan toch overkomen?

--Ja juist... wat me-n-overkomen is? Dàt zal ik je zeggen... maar ik beef nog zoo. Ik had m'n aardappelen aan schyfjes gesneden, en op 'n schoteltjen in de kast gezet. Want, dacht ik, als ik thuis kom, kan ik terstond aan 't bakken gaan, want ik hecht niet aan wereldsche dingen--want ik heb de genade, weetje--want ik dacht zoo by mezelf, dat ik niet lang onder al die menschen blyven wou... gut, juffrouw Pieterse, je moest... Stoffel roepen. Dan kan-i hooren wat me-n-overkomen is.

Stoffel was reeds in aantocht, en dit deed Wouter genoegen. Hy had geruisch in de kamer naast zich gehoord, en grondde op Stoffel's opstaan de hoop dat ook hyzelf weer voor-den-dag zou mogen komen, om 't spannend verhaal wat meer op z'n gemak aantehooren dan door de porien van z'n kamervloer. Intusschen had hy zich geheel gekleed, omdat-i niet door juffrouw Laps wou gezien worden in z'n nachtpon. Hy nam nu waar dat Stoffel de, huiskamer binnentrad, en dat de bezoekster, na den gewonen groet en de plechtige verzekering dat ze nog altyd van 't bibberen niet spreken kon, de vraag deed: waar toch... Laurens bleef?

Laurens? Wèl, hy sliep, en leverde door z'n neusgaten de demonstratie van 't pythagoreïsch vraagstuk, waarin hyzelf de hypothenuze zoo aanschouwelyk voorstelde.

Dit zou juffrouw Laps volkomen onverschillig geweest zyn, als ze 't geweten had. Ze wist alleen--en 't hinderde haar erg, naar 't scheen--dat... Laurens zich niet bevond onder haar gehoor.

Was dit misschien de reden dat ze zoo talmde met de katastroof? Moest juist... Laurens getuige wezen van de ontwikkeling en de uitbersting? Waarom toch?

--Zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of de stad niet vol moordenaars en dieven is?

Stoffel zoog z'n bovenlip naar binnen, en trachtte met de andere de punt van z'n neus te bereiken. De lezer wordt uitgenoodigd dezen mondgreep natebootsen, en hy zal, volgens de door my meegedeelde methode van ziel-ontdekking, nagenoeg weten hoe en wat Stoffel niet antwoordde op deze vraag.

Juffrouw Laps hield zich of ze "ja!" verstond, omdat het zoo in haar kraam te-pas kwam. En dus:

--Zie je wel, Stoffel zegt het ook! De stad is vol dieven en moordenaars, en... 'n fatsoenlyk mensch durft niet meer in z'n eentje naar bed gaan. Dat zeg ik!

--Maar... juffrouw...

--De policie? Gekheid! Wat helpt de policie, als je niet op God vertrouwt? Dàt 's 't ware! En wie dàt niet doet, is verloren. Menschelyke hulp... ik kan me niet begrypen dat... Laurens altyd zoo vroeg slapen gaat. Weet jelui wel, dat het niet gezond is zoo veel te slapen! Wat zegt de Schrift? Waak en bid! Maar... ieder z'n sinnigheid! Ik kan je voor God verklaren dat ik niet alleen naar huis durf, en...

Hier vertoonde zich weer 'n "vinger!" Wouter's nieuwsgierigheid was ten hoogste gespannen. Om beter te kunnen verstaan stond-i in gebukte houding, en leunde met één hand op den rug van 'n stoel. Z'n steunpunt kantelde, de stoel gleed uit, knerste over den grond, bereikte 'n ander meubel...

--Heere-jesis-kristis, wat 's dàt nu weer? kryschte de moeder. Ben jy 't, Laurens?

Wouter piepte verlegen terug, dat het: "ik" was. Uit deze stoornis vloeide voort dat-i zich wist overteplaatsen in den kring waar zulke belangwekkende dingen werden verhandeld.

Z'n entrée de salon had plaats onder de allerongunstigste omstandigheden. Hy werd hevig berispt omdat-i "nog" niet uitgekleed was, en...

--Zet jy je bakker op, voor je je kleeren uittrekt?" riep de moeder.

Zoo waar, de jongen had vergeten zich te ontdoen van z'n slaapmuts! Hy meende van schaamte te verzinken. Liever had-i àl 't andere gemist, dan dat eene te hebben!

--En... wat heb je dáár?

Helaas! Ons heldje was belachelyker nog dan men in-staat is zich te maken met 'n pluimmuts alleen. Er bleek dat-i zich gewapend had met den yzeren staaf die in voorhistorische dagen door z'n vader gebruikt werd tot recht-afsnyden van leêr. Gedurende 't begin van 't lapsisch verhaal dat zoo slecht vlotte, meende hy, dacht-i, hoopte hy...

Nu ja, hy verstond iets van 't oude: "waar blyft Wouter?" Uit den mond der spreekster niet, o neen--'t waren immers juist de woorden die ze by-voorkeur niet uitsprak!--maar... hy meende ze toch te hooren, al kwamen ze tot hem van geheel anderen kant.

Wel was-i dien vrydag laag en slecht geweest, onridderlyk en infaam, maar... hy bleef nog altyd Wouter!

Moordenaars? Dieven? Een vrouw in nood, 'n dame--ze heette Laps, godbetert!--wat anders kon daarop volgen, dan:

--Ce sera moi, Nassau!

en..:

--God laat die moordenaars maar begaan... ik niet! Ik, Wouter! Ivanhoe was-i gewis dien dag niet geweest... helaas! Doch er was toch nog altyd genoeg in hem van zichzelf, om niet lager te staan dan de slechtaard Brian de Bois-Guilbert, die toch ook niet wegliep voor gevaar, al was dan z'n gedrag jegens Rebekka hoogst-indelikaat.

Slecht? Het zy zoo! Maar lafhartig ook? Dat zou te veel zyn.

In zóó'n stemming had Wouter--hy scheen niet te weten dat ook z'n eigen felonie voortkwam uit lafheid!--tusschen z'n tweede kous en z'n broek in, den leder-lineaal gegrepen. En dat ding hield-i nog altyd in de hand, toen er door zoo'n zonderlingen samenloop van omstandigheden 'n welgelukt beroep werd gedaan op z'n moed.