De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld
Part 18
Het is niet volkomen zeker, of de Ouwetyd's uit de wereldgeschiedenis verdwynen tegelyk met een der menigvuldige vallen van Babyion, die telkens zoo aandoenlyk worden geprofeteerd in de Schrift, en wel met 'n leedvermaak alsof de "Heer" 'n byzonderen hekel aan die stad had, en of 't koelen van z'n wrevel hem buitengewone moeite kostte. Ook de oorsprong van de Kopperlith's is moeielyk nategaan, en ik wraak elke inlichting die te dezer zake zou kunnen worden gegeven door 'n grieksch lexikon. Van versteende vuiligheid is hier geen spraak, want de overgrootvader van den ouden heer was loopjongen by 'n bloemist, en oefende dus een te welriekend ambacht uit, om aan etymologische pedanterie vat te geven tot het al te beteekenisvol vertalen van z'n naam. In de dagen van den tulpenhandel, was de zoon van den aspirant-tuinier 'n paar graden gestegen, zooal niet in geestelyk opzicht, dan toch in maatschappelyken rang. Eén geslacht daarna, wist de vertegenwoordiger van de familie zich te nestelen op de Keizersgracht, en wel in 'tzelfde huis waar we vandaag Wouter hebben ingeleid. De tegenwoordige "oude-heer" erfde van z'n vader 'n handel in Oostindische lynwaden, en trok zich uit de "zaken" terug toen de amerikaansche katoen zich meester maakte van de markt, en engelsche wevers en drukkers van 't fabrikaat. Het naderschuiven van de bron bedierf 't monopolie waarvan onze groot-ouweluî byzondere liefhebbers waren, omdat het openstellen van konkurrentie zekere inspanning noodzakelyk maakt, die niet kan gevorderd worden van 'n "man met fortuin, zooals m'nheer Kopperlith". Zoo luidde Dieper's plechtig advies. Het geschiedde in die dagen, dat de jongeheer Pompile werd aangesteld tot procuratiehouder en chef, doch altyd slechts voorzoover dien lappenhandel aanging, want het eigenlyk vermogen van den "ouden-heer" met het daaraan verknocht diepzinnig geknutsel "in" effekten, bleef onder diens byzondere hoede en behandeling, waarin-i met verbazende zaakkennis door den ouden Dieper werd bygestaan. Deze had hieraan op 't kantoor zekere wichtigheid te danken, die hy geenszins versmaadde, en z'n aanzien stond tot dat van Wilkens nagenoeg in rede, als 'n vod van papier tot 'n vod van katoen. Men weet nu eenmaal dat in onze eeuw, papier vóórgaat.
De "handel" in katoentjes--waarachtig, ze deden in diemet, shirting en sheeting ook!--heette te strekken tot 'n bezigheid voor de jongeluî, want: "om-den-broode hoefden zy 't niet te doen! Waarlyk niet! Volstrekt niet! Papa was zeer ryk, o zoo ryk!"
Aannemende dat het gesjacher met gedrukte katoentjes--en met de zoo diep-wetenschappelyke diemetten, waarin Wilkens 'n specialiteit was--moest strekken tot voedsel voor de ziel der jongeheeren Pompile en Eugène, en vertrouwende dat deze beide zielen geen geeuwhonger leden, kan men konkludeeren dat de twee onsterfelyke deelen der ikheid van die jongeheeren zeer goedkoop in 't leven waren te houden. De ziel van 'n muis zou by zoo'n dieet bezweken zyn. Er is handel en ... handel, dit wil ik wel gelooven. Maar de "mannen van zaken" worden beleefd verzocht, niet zeer boos te worden, als ik hier coram populo verklaar, dat hun "zaken" gewoonlyk niet boven de bevatting gaan van 'n heel klein jongetje. Godbewaarme dat ik Wouter's bekwaamheden overdryven zou, maar ik kan den lezer verzekeren dat er op 't kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith niets voorviel, dat niet allergevoegelykst had kunnen worden toevertrouwd aan zyn ontwikkeling en kennis, het schryven van 'n kort briefjen in gebroken engelsch, misschien uitgezonderd. Ook eenige routine in de boekhouding zou hem ontbroken hebben, maar overigens? Och, zoo'n "handel" is zoo eenvoudig. Men koopt iets voor ... zooveel, en verkoopt het voor 'n beetje meer, liefst voor den hoogsten prys die er te bedingen is, getemperd door de zorg om vandaag niemand afteschrikken door 'n inhaligheid, die hem al te duidelyk zou waarschuwen tegen 't vilproces waaraan men hoopt hem morgen te onderwerpen. En zoo van den eenen dag op den ander. Diepzinniger is de zaak niet. Maar wàt moet men inslaan? Hiertoe wordt kennis vereischt, zal menigeen denken, en wie luisteren zou naar Wilkens, kon allicht op 't idee komen dat er eens 'n huis te-gronde was gegaan door 't bestellen van 'n "haarstreep-diemet" te veel, en 'n stuk of wat "dubbel-gebroken-streep" te weinig. Ook Pompile wist lange verhandelingen te houden over kennis van "zaken" naar aanleiding van 'n witte-gronds-driekleur-krieuweltje. Die heeren zouden ons wel willen wysmaken dat hun "vak" bovenmenschelyke inspanning en studie vordert, en dat de arme wiens ziel haar bezigheid zocht buiten hun magazyn en kantoor, 'n zeer slecht figuur maken zou in de "zaken." Zoodanige overschatting ontmoet men overal. Welnu, lezer, 't is kwakzalvery! Verstand van koffie, verstand van kurken, verstand van lappen en vodden ... eilieve, ga eens na, wie in 't laatste ressort al die verbazende verstanden keuren en vonnissen moet. De verbruiker immers? Al de vakwysheid van den jongeheer Pompile en van m'nheer Wilkens, moest tenlaatste, om beslissend te worden goed- of afgekeurd, te-berde komen by 'n dienstmaagd die 'n bont jak kocht, by 'n boeremeid die haar vryer 'n gekleurden halsdoek wou ten-geschenke geven. Zeker soort van opgeblazenheid zal wèl doen, 'n beetje te slinken na deze opmerking. Nogeens: er is handel en handel, maar de meeste beoefenaars van dergelyke speciaal-vakken staan waarschynlyk byzonder laag in ontwikkeling, en zéker is 't dat zy tot de uitoefening van hun "vak" aan die ontwikkeling geen behoefte hebben. Wat is dat voor 'n levensdoel, zich te bekwamen in de behandeling van de vraag: of dienstmeiden zich dit jaar zullen opmooien met 'n ruitjen of met 'n streepje? Met 'n witte-grond-driekleur of 'n bruin palmpje? Of men de "dames" zal kunnen wys-maken dat de ... echte ware onvervalschte zuivere parysche distinktie van 't saizoen--haute nouveauté, heusch!--zich openbaren zal in spinazie-groen, in rooie-koolpaars, in kaas-schimmelzilver, of in 'n ander wankleurtje, liefst zoo onnoemelyk mogelyk? Ik blyf vragen, by welke wysgeerige school de studenten in zulke wetenschappen zich moeten aanmelden tot het erlangen van den meestergraad?
Toch neem ik 't niemand kwalyk dat-i 'n onbeduidend wezen is. Ook dezulken moeten er zyn, om de gaping te vullen die 'r anders bestaan zou tusschen den Mensch en z'n pantoffel. Maar ... die pantoffel mag zich niet uitgeven voor 'n rylaars. Ik ken iemand die--hoed en hooge hakken meegerekend--maar zestig pond weegt. Ben ik daar boos om? Volstrekt niet. Maar zeker zou ik wrevelig z'n pretentie afwyzen, wanneer-i zich aan my wou opdringen als 'n reus. En wèl word ik boos by 't ontwaren van lieden die, niets zynde, niets kunnende, en nooit iets degelyks hebbende uitgericht, 'n plaats in de Maatschappy innemen, welke hun meerderen toekomt. Ze zyn dieven. Afkeer van zùlk geboefte, gaf my aanleiding, in dit en 'n paar der volgende hoofdstukken het bekende draadjen om den poot der Kopperlith's te slaan. Wie nu niet in gedrukte katoentjes "doet" maar "in tabak is" of "in" gort, krenten, mixed pickle of schoensmeer--wie schoensmeer maakt staat hooger!--wie niet precies "in" die katoentjes rondkruipt, behoeft nu niet te denken dat het verboden is m'n opmerkingen toetepassen op zichzelf. Lieve hemel, wat zou m'n uitgever verdrietig zyn, wanneer m'n Wouter-epos alleen waarde had voor handelaars in manchestersche lynwaden: wittegrond-driekleur-victoria-fancies van Crawfurth-Leeds, met 'n krabbeltjen of 'n loovertjen of 'n moesjen, of met blokjes of 'n slangetjen of 'n krieuweltje met 'n oogjen ... altyd 'n volslagen niemendalletje!
En in die niemendalletjes zou Wouter studeeren, al den tyd dien-i overhield van de boodschappen voor den jongeheer Pompile. Daaraan zou z'n ziel worden besteed.
Is 't niet, om de dagen te betreuren van Pennewip's afsnydende teekens in de lucht? De dagen van den Weledelen heer Motto, met z'n gehuurden snuifpot, en wat er verder op dien Zeedyk 't "voornaamste" mag geweest zyn? Ja, ja, en zelfs--ik word daar byna onzedelyk--byna zou ik me vergrypen aan de verzuchting, m'n heldje terug te wenschen op de boven-voor-achter-beneden-insteekkamer van juffrouw Laps! De verontreiniging die hem dáár dreigde, zou ter-nauwernood weerstand hebben geboden aan de pomp van Vrouw Claus, terwyl hier ...
M'n bedoeling is nagenoeg, dat 'n gezonde beenbreuk my minder gevaarlyk voorkomt dan 't stikken in vermuffing. Gelooft ge niet met my lezer, dat er veel menschenzielen te-gronde gaan in 'n atmosfeer als die der Kopperlith's? Maak liever 'n ambachtsman van uw jongen, of 'n matroos!
Over al de rytuigen van "papa" en de hoogheid van 'n elsasser konsul "die m'n zwager is." Engelsche nottings en onderscheiden windsoorten, uitloopende in 'n lange verhandeling over 't parelduiken.
Toen Wouter, na 'n paar uur dravens, het kantoor weder betrad--Vellestaat, stokvischbeukery, olievaten, gang naast het achterhuis, binnenplaats en gangdeur ... hy vond in behoorlyke volgorde al de stadien der via dolorosa terug, die Gerrit hem dien ochtend gewezen had, en was er zeer grootsch op!--toen hy bezweet terugkwam, vond-i alleen Dieper en Wilkens op 't kantoor. De laatste was half weggedoken in 'n kast, die naast den ingang tot de alkoof in 'n donkeren hoek stond en met lappen gevuld was. Waarschynlyk zocht-i daar naar 't staal van zeker krieuweltje. Hy had Wouter niet hooren binnentreden, zoodat deze vergast werd op 't onsmakelyk staartje van 'n diskoers, of wellicht van des heeren Wilkens alleenspraak:
--Je zult zien: ik zal den schoolmeester moeten spelen! Op my zal alles neerkomen! Ze zullen my tot plakmonarch willen maken, my! Dat's m'n vak niet ... dat's m'n karakter niet! In 't geheel niet!
Toen de man die zoo bang was dat men 'n schoolmeester van hem maken wilde, Wouter ontwaarde, brak hy op-eens de roerende complainte over 't gevreesd verkrachten van z'n roeping af.
--Daar staat 'n tas koffie voor je, zeide hy met 'n majesteit in toon en vingerwyzing, alsof de oude lappen waarmede hy zich bezighield, 'n kollektie kronen en scepters geweest was. Maar hy had de zuivere waarheid gesproken. Inderdaad, daar ergens op 'n tafeltje was koffi. En de heer Wilkens had wel mogen zeggen: 'n bak. Maar "tas" kwam hem indrukwekkender of aanzienlyker voor, en Wouter, die weinig grondstof noodig had om zich te verheugen, was zeer in z'n schik met het nieuwe woord dat-i daar zoo onverwacht en gratis mocht leeren kennen. By hèm aan-huis namelyk, noemde men zoo'n ding 'n spoelkom.
--E...è...è...n, ik zou je raden dat je-n-in 't vervolg 'n kadetje meebracht, of zoo-iets.
Alweer wat nieuws voor 't jong Amsterdammertje! Hy begreep niet recht wat Wilkens bedoelde, en vreezend, dat men z'n onkunde zou aanzien voor 'n begin van dienstweigering, antwoordde hy met zekere fermeteit:
--O zeker, m'nheer! Dat zal ik zeker doen!
Och, hy was zoo gewillig! Als-i maar geweten had, wàt er dan eigenlyk moest worden meegebracht in 't vervolg? Gelukkig dat-i uit het vreemde woord niet opmaakte dat de heer Wilkens de poorten van Gaza op 't kantoor wenschte te zien, of den merinossen rok van juffrouw Pieterse! Ja, al ware die juffrouw Pieterse-zelf 't verlangd voorwerp geweest ... de kleine Simson zou't geleverd hebben, waarachtig! Want ... men moet altyd z'n naastbyliggend plichtje vervullen, en Wouter's plicht was nu, te doen wat 'm geboden werd door ... iedereen. Er bleek evenwel dat Wilkens niet aan z'n moeder gedacht had, want--wetende dat Wouter gespeend was--liet hy op z'n onbegrepen vermaning de sententieuze kommentaar volgen: dat 'n jongmensch niet zeer lang zonder voedsel blyven kon. Dit gaf licht. En Wouter's vermoeden werd tot zekerheid toen-i naast twee geledigde spoelkommen van 'n zeer aquatintig-bedropen voorkomen, eenige broodkruimels ontwaarde, in gezelschap van 'n verlept stuk krant met botervlekken. Ook Dieper en Wilkens alzoo, schenen zich 'n oogenblik geleden gedragen te hebben als jongeluî die niet lang zonder eten kunnen, en ze hadden de welwillende voorzorg gebruikt hun kiökkenmödding achtertelaten, om 'n jonger kantoorgeslacht te dienen tot baak. Dat vette stuk krant, welsprekender dan vóór de botering, fluisterde Wouter de gissing in dat de benaming van 't voorwerp dat hy in 't vervolg moest meebrengen--hoe drommel heette het ook?--weleens de zeer aristokratische ambtstitel wezen kon, waarmee men "in de zaken" 'n boteram aanspreekt. In 'n gelyksoortig vermoeden werd hy versterkt door z'n maag en door den geest van Strabbe. Hy begon namelyk honger te krygen, en voelde zich voorbeschikt om eetwaren te verstaan uit èlken klank die z'n oor bereikte, al ware het 'n engelenzang geweest, of 'n preek. Wat Strabbe aangaat ... onze handelsstudent wist nu eenmaal dat 'n spoelkom, in kantoorstyl "tas" heet ... het onbekende ding zal dus wel 'n boteram zyn! Men ziet, het was een soort van regula de tri, en juist daarin was-i zoo byzonder sterk geweest op de school van meester Pennewip.
De jongeheeren Pompile en Eugène waren gewoon zoo tegen twaalven het kantoor 'n uurtje te verlaten, om te gaan "koffiedrinken en 'n broodjen eten by mama." Aldus luidde onveranderlyk de aankondiging van Pompile, waarmede hy aan de "heeren van 't kantoor" verlof scheen te geven ook iets te gebruiken ... als ze wat hadden. Want "kadetjes" of boterammen werden niet verstrekt door het huis Ouwetyd & Kopperlith, waarvan de "papa" zoo byzonder ryk was. De "heeren van 't kantoor" mochten, indien ze niet wilden flauwvallen, zulke zaken meebrengen in hun rokzak, en de fyngevoelige Eugène maakte altyd dat-i de kamer uit was, voor die in papier gekonserveerde levensmiddelen genaderd waren aan 't oogenblik hunner ontwikkeling. Hy vond dat ze 'r zoo heel onoogelyk uitzagen, en vooral 't rantsoen van Wilkens die, wys geworden door treurige ervaring, gewoon was z'n "kadetjes" warm te houden tusschen den linker voorpand van z'n vest, en z'n edel hart. Eens namelyk hadden 'n paar neefjes van den huize--ze wisten niet, de onzaligen, dat welgeboren jongelui geen gekheid maken met 'n kantoorbediende!--ze hadden den weg gevonden naar de donkere alkoof waar de ongelukkige z'n met viktualie bezwangerde straatjas bewaarde, en de kadetjes verrykt met 'n laag fyngeknipte witte-grondjes-driekleur. De martelaar van z'n "vak" verslikte zoo goed mogelyk de taaie geestigheid der "neefjes van m'nheer"--z'n naastbyliggend plichtje, naar-i meende--maar droeg voortaan de mishandelde toeverlaatjes van z'n maag by zich, tot de finale exekutie toe. En eenmaal is 't gebeurd dat hy ze ongegeten weer thuis bracht by de trouwe echtgenoot die ze met zooveel liefde geboterd had, en nu niet zonder moeite haar eigen werk herkende. De jongeheer Pompile lag dien dag overhoop met "mama" en was op 't kantoor gebleven. De "heeren" hadden den moed niet hun spaarkruimels voor den dag te halen. En ook de kommen met geile koffi bleven dien nefasten dag onaangeroerd staan. Met is hier de plaats, een valsheid van Klaas Kolyn aan 't licht te brengen, die als eerroovend voor 'n deftig handelshuis, aan de nog levende nazaten der Kopperlith's menigen traan gekost heeft. Die knoeier beweert dat "de heeren van 't kantoor" ook hun koffie van-huis meebrachten: dwaling, valsheid, bedrog, laster! De koffi werd uit de keuken geleverd, en de "booien" zelf dronken ze niet beter. Dit is voor notaris en getuigen bevestigd door dezelfde autoriteit die dezen ochtend zoo kordaat geweigerd had, Wouter wederrechtelyk te-woord te staan by de boven-voordeur. Balthasar Huydecoper heeft dus volkomen gelyk, zich over dien kakolyn telkens zoo driftig te maken. Valsche gedenkschriften zyn zaad van den Duivel.
Juist was Wouter van meening 'n aanval te wagen op den hem aangewezen spoelkom, toen de jongeheer Pompile met z'n gewone schichtige haast het kantoor binnenstoof. Vol schrik zette de jeugdige handelsman z'n vermeten opzet uit den zin, en den kom neer. Was 't niet opmerkelyk dat-i tegenwoordigheid van geest genoeg had om 't ding niet te laten vallen?
--Ei zoo? Terug? Wèl? Hoe is 't? Wat zei de schoenmaker? En de juffrouwen Pleier? En heb je m'n huis gevonden? Je moet maar altyd kyken naar spiegelglas, want ... die glazen in m'n zykamer zyn van spiegelglas, weetje? En wat heeft de jonge mevrouw je laten zeggen? Heeft ze ie geen boodschap aan my meegegeven? En ... ben je-n-in den stal geweest? Heb je Jakob gezien? En wat deed-i? Aan 't poetsen, zeker? Zeker aan 't poetsen, hè? Want ... papa heeft 'n britschka, en 'n landauwer, en 'n tentwagen, en 'n koets, en dat alles moet gepoetst worden. En zeg me nu maar eerst, wat de juffrouwen Pleier geantwoord hebben?
De kleine Merkuur bracht relaas van wedervaren uit, zoo goed-i kon. Het scheen dat z'n eerste proefstuk niet slecht was uitgevallen, want de jongeheer Pompile knikte tevreden, en beloofde hem te zullen begunstigen met meer boodschappen. By 'n aanleg als die welke Wouter ten-toon spreidde, opgekweekt in den groeizamen zonneschyn van Pompile's tevredenheid, was het te voorzien dat deze jongste kantoorbediende--mits in leven blyvende--eenmaal den rang van alleroudsten kantoorbediende bereiken zou. Hiertoe was slechts wat tyd noodig.
--Ei zoo? Heb je mevrouw Kalbb ook al gezien? Wèl, dat is goed! Zoo leer je de menschen kennen. Mevrouw Kalbb-Kopperlith, weetje? Ei zoo, heb je die gezien? Juist, precies, dat was de britschka van papa, want ... papa houdt rytuig. Had ze d'r huurpaarden voor ... och, dat weet je nog niet. Maar anders ... 't is maar, weetje, dat papa niet graag ziet dat de paarden ... nu, dit gaat jou niet aan. Je moet alles goed onthouden ... en 'n zakboekje koopen, 'n klein zakboekjen, en daarin alles opschryven wat ik je zeg, en wat m'nheer Wilkens je zegt, niet waar, Wilkens?
--Ja, m'nheer!
--Juist. Mevrouw Kalbb is m'n zuster, mevrouw Kalbb-Kopperlith--zóó moet je zeggen!--en denk er aan dat m'nheer Kalbb z'n naam met twee b's spelt. Onthoud dat, en schryf 't op als je-n-'n zakboekje hebt ... met twee b's weetje? Want er zyn ook menschen die Kalb heeten met één b, geringe menschen, heel geringe menschen ... 'n leerkooper, geloof ik. Wat zeg jy, Dieper?
Dieper legde langzaam en voorzichtig z'n pen neer, trad 'n stap achterwaarts--hy boekhouwerde altyd overeind--snoot z'n neus, hèmde z'n keel schoon, en sprak met expresselyk voor deze betuiging gereed gemaakte organen:
--Ja, jongeheer, heel geringe menschen!
--Zieje, ging Pompile voort, m'nheer Dieper zegt het ook, en ... die leerkooper schryft z'n naam met één b. Maar myn zwager heet Kalbb ... met twee b's, en hy is konsul van den heelen Elsas, en als de Koning in de stad komt, moet-i altyd op audiëntie, en dan zegt de Koning: eh bien, m'sieur le consul, comment vont les affaires? En dan antwoordt m'nheer Kalbb ... ook in 't fransch. En dan heeft-i 'n rok aan met 'n geborduurden kraag. En dan knikt de Koning--'t is eergister nog gebeurd, en alle jaren weer!--en m'nheer Kalbb ... is m'n zwager, de schoonzoon van papa. En ... heb jyzelf nu mevrouw Kalbb al gezien? Wèl, wat zei ze?
--Ze zei niets, m'nheer.
--Zoo, zei ze niets? Dat komt omdat ze niet wist dat je hier jongste bediende bent, anders zou ze je zeker wel iets ... gezegd hebben, of ... 'n boodschap opgedragen, of zoo-iets, want ... ze is m'n zuster, weetje! Dat moet je goed onthouden. En hoe is 't afgeloopen met dat borduurpatroon?
Wouter's triumf over de afgedongen vier stuivers, werd eenigszins gematigd door 't gefronsd voorhoofd van Pompile, toen deze de buitensporigheid van z'n lichtzinnige wederhelft te weten kwam:
--Binnen geweest? Zelf de jonge-mevrouw gesproken! Ei ... zoo? Binnen-geweest in de zykamer? Waarom ben je binnen geweest?
--M'nheer, stamelde Wouter, die bemerkte dat-i 'n fout begaan had, m'nheer, de meid zei dat mevrouw me liet roepen, en dat ik ... binnenkomen moest.
--De meid, de meid! Wat geef je-n-om 'n meid? Zoo'n meid kan wel zeggen ... kyk, dit is nu zóó, weetje? Als ik je wat opdraag, dan moetje-n-altyd ...
Men hoorde een sloffenden tred in de gang. 't Spyt me. Want ik had gaarne eens vernomen hoe Wouter zich in 't vervolg zou te gedragen hebben, wanneer "de jonge-mevrouw" hem door de meid liet binnenroepen? Pompile brak op-eens z'n onderricht af:
--Daar is papa! Ik zal je voorstellen aan papa. Je moet nu zoo goed wezen heel beleefd te zyn tegen papa. Dag, papa!
De eerwaardige gedaante van den ouden heer Kopperlith schoof 't kantoor in. Met 'n welbehagelyk lachje nam hy de nederige begroetingen van Dieper en Wilkens in ontvangst, en ook op Wouter spatte een drupjen af, van den genadestroom dien hy zich alleredelmoedigst ontvloeien liet.
--Zoo, is dat de jonge Pieterse? Wel, mannetje, nu moet je maar braaf oppassen, dan kan er iets degelyks van je groeien. Je bent ons gerekommandeerd door m'nheer Dieper ...
De boekhouder trad 'n pas achterwaarts, en maakte een beweging alsof-i nogmaals verschooning vroeg voor 'n stoutheid die hy scheen begaan te hebben. Maar de oude heer glimlachte weder. Goddank, Dieper zou voorloopig niet geradbraakt worden.
--Ja, door m'nheer Dieper, die myn boekhouder is. En aan mênheer Dieper ben je gerekommandeerd door zekeren heer ... hoe heet-i ook weer?
--Och, m'nheer, antwoordde de boekhouder, als ware de naam dien-i zou uitspreken, eigenlyk te gering voor het oor van den heer Kopperlith. Och, m'nheer, 't jonge mensch is my aanbevolen door ... zekeren Kalb, 'n leerkooper ... iemand dien ik wel eens ontmoet heb ... m'nheer!
Kalb was z'n neef, en z'n beste vriend, voor-zoo-ver het kantoorbedienden en boekhouders geoorloofd is, neven en beste vrienden te hebben.
--Juist! Zekere ... Kalb. Nu, dat's hetzelfde. Je zult hier veel werk vinden, jongetje! Hard werken is de boodschap. Heeft Wilkens hem reeds een-en-ander gewezen? Is-i al in 't magazyn geweest? Op de zolders? Zeker zet je 'm aan 't kopyboek, Pompile?
Op al deze vragen had Pompile 'n dozyn: "O ja, papa's" ten-beste gegeven.
--En schryft-i 'n mooie hand?
--O ja, papa!
Wouter begon eerbied te voelen voor Pompile's doorzicht. De vereerende hoedanigheid die hem werd toegekend, was zeker gebleken uit z'n boodschappen by de Pleiers, of de Kruckers, of de Hockers, of den schoenmaker. Wat die voorname lieden toch scherpzinnig zyn!
--Zoo? Ei! 'n Mooie hand? Ei, ei! Wel, Pompile, wat zeg je 'r van, als we hem den brief van Leon 'n keer of wat lieten overschryven voor Flodoard, en voor neef Griekel, en voor de familie Pruikers?
--O ja, papa!
--Niet waar, ze inviteerden Leon altyd zoo trouw op hun kinderpartytjes. Ze zullen 't aardig vinden dat-i zoo'n man geworden is, en al zulke mooie brieven schryven kan. Maar ... op dun papier, op heel dun papier! 't Is om de port naar Rome, weetje ... op héél dun papier!
--O ja, papa!
--Zieje, dan kan 't mannetje zich met-een wat oefenen in briefstyl, vind je niet, Pompile?
--O ja, papa!