De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld
Part 15
--Hm ... ja ... zoo! Ik praatte met mezelf, antwoordde hy verlegen. Ik was opgestaan omdat het zoo warm was in 't bed, en ... en ... dáár sprak ik over!
Laurens sliep alweer, en Wouter voelde zich nog juist bytyds gewaarschuwd dat-i weer bezig geweest was met het verbodene, met iets anders dan de naastbyliggende werkelykheid. Zóó had de dokter gezegd!
En nogeens dwaalden z'n gedachten af. Die vreeselyke juffrouw Laps! Nu, geen afwyking makkelyker te herstellen dan deze: hy waschte zich. En daarna, om goed te doen blyken zeker van de oprechtheid zyner schuldbelydenis, ging-i zitten bladeren in z'n Strabbe. Met dat boek bracht-i de paar uren door, die hem nog scheidden van 't ontbyt.
Juffrouw Pieterse had het zeer druk met de wichtigheid van den dag, en was mild in 't uitdeelen van lessen omtrent de manier waarop Wouter zich in z'n nieuwe betrekking zou te gedragen hebben. Hy moest vooral heel fatsoenlyk wezen, en door z'n gedrag de heeren opwekken tot het besef der goede hoedanigheden van z'n moeder. Ook was 't niet kwaad hun meetedeelen dat-i by de Holsma's op den Kolveniersburgwal gelogeerd had, en dat de schoenen van z'n vader ...
--Ja, moeder, zei Stoffel. En hy moet vooral precies op z'n tyd op 't kantoor wezen. Daar houden zulke menschen van.
--Juist! Altyd precies op je tyd, want daar houden ze van. En als ze je-n-iets vragen, dan moet je maar risseluut antwoorden, heel risseluut. En kyk niet telkens zoo scheef-uit, dat verfrommelt je boordje, en dat stáát niet voor 'n jongen die al op 'n kantoor is.
Dat boordje--amsterdamismus voor: halskraag--had 'n groote rol gespeeld in de voorbereidingen tot de geschiedenis van dezen dag. De belangstellende lezer herinnert zich zeker 't jukkraagje, waaronder Wouter gebukt ging toen we 't eerst kennis met hem maakten in de Hartenstraat. Door 'n verdrietige gaping in m'n archief--daarvan zullen zich méér sporen vertoonen, helaas!--ben ik niet in-staat met juistheid al de overgangen te schetsen, die in dit opzicht de toenmalige periode scheidden van de tegenwoordige, doch wel weet ik dat de opstaande boordjes die Wouter vandaag zouden begeleiden naar "den handel" 'n zeer voornaam bestanddeel uitmaakten der fondamenten van juffrouw Pietersen's hoop. En ook Wouter-zelf dacht niet gering over deze verandering. De twee plankstyve linnen lappen die z'n wangen bedykten, maakten op hem 'n dubbelen indruk. Eerst en voornamelyk dien van 'n toga virilis. Vervolgens 'n paar roode streepen, die den weg wezen van z'n mondhoeken naar z'n ooren. Hy was er grootsch op, en reeds hierom alleen zoud-i zoo graag Femke ontmoet hebben. Wie styf-overeindstaande halsboorden draagt, is geen kind, en niemand zou dit beter inzien dan iemand die voor bleekmeisje fungeerde, en dus beroepshalve gewoon was met zulke onderscheidingsteekenen omtegaan. Maar dat deze roemryke blyken van volwassenheid 'n lastige keerzy hadden, is ook waar. Wouter moest voortdurend recht voor zich uit zien om z'n pronk niet te bederven. Hy voelde dat dit hem 'n zot voorkomen gaf, en de neiging meedeelde om te spreken als Stoffel, maar 't was juist dit gemaakte, dit onnatuurlyke, waarmee hy, volgens de niet geheel onjuiste menschkundige berekening zyner moeder, de gunst moest winnen van z'n nieuwe chefs. Dus:
--Draai toch in-godsnaam je hoofd niet zoo telkens rechts en links, 'n Mensen moet vóór zich kyken. Je kunt er vast op aan, dat zulke heeren van deftigheid houden. Je moet je nu met je nieuwe boordjes--'t zyn ouwe van Stoffel, maar dat doet er nu niet toe, wat zeg jy, Trui?--je moet je niet aanstellen als 'n wilde.
Van wildheid was geen spraak, toen Wouter 'n kwartiertje na deze laatste vermaning, allerbeschaafdst aanbelde aan zeker huis op de Keizersgracht, dat met den naam Kopperlith gemerkt was. Doch, helaas, 't scheen wel of reeds z'n eerste aanraking met die firma 'n misgreep wezen moest. Twee toegangen boden zich--niet zeer oprecht uitlokkend, maar bruikbaar toch--den bezoeker aan. Een dubbele glasdeur vertoonde zich op de laagte, of zelfs ten-halve beneden de laagte, van de straat, doch daar-naast gaf 'n "opgaande stoep" gelegenheid om doortedringen tot 'n soort van bel-étage. Wouter, vol fatsoensbejag, vond den laatsten weg 't geschiktste, en met niet zeer flink gestrekte knieën besteeg hy de acht of tien trappen. Op 't bordes aangeland, trok hy zoo zacht mogelyk aan de bel: men mocht het eens hooren! Onwillekeurig, en byna met schrik, ontwaarde hy door 't venster van de "zykamer" het gelaat eener bejaarde dame, dat zonder de geringste uitdrukking van welwillendheid z'n figuurtje scheen te monsteren. 't Scheen wel dat ze hem de stoep wou afkyken. Wouter had er 'n pynlyk gevoel van, en maakte zich zoo klein mogelyk. 't Is niet ieder gegeven, en vooral niet iemand die z'n eerste opstaande halsboorden torscht, zonder angst, op de stoep te staan van 'n huis op de Keizersgracht! Met genoegen ware onze held hard weggeloopen, maar... wat dàn? Bovendien, hy had geen militairen rang, en moest dus stáán blyven onder bereik van 't geschut uit die zykamer. Het... vrouwspersoon bleef hem aanzien met een vinnigen blik, en scheen maar niet te kunnen verdragen dat er iemand aanklopte aan háár paleis. De martelende inspektie duurde lang, zóó lang dat Wouter ernstig begon te denken, óf aan den aftocht, óf aan 't herhalen van z'n klinkende aanmelding. Maar ook tot deze beide uitersten was 'n moed noodig van heel andere soort dan-i... misschien eenmaal hebben zou, doch gewis op dit oogenblik evenmin bezat als de vereischte. Wat baatte hem nu Holsma's heerlyk voorschrift om altyd flink z'n naastbyliggenden plicht te doen? Wat viel er nu te leeren? Wat kon-i arbeiden op die stoep? In 's hemelsnaam: hy wachtte!
Lezers, die omgegaan hebben met goden, keizers, prinsen en mannen en place, weten waarschynlyk dat iemand die zich respekteert, moeielyk te genaken is. De bewoners van de amsterdamsche Keizersgracht respekteeren zich zeer, waarin ik dan ook 't heel eenig kenmerk vind, dat hen uit de verte op goden doet gelyken, zonder nu juist te beweren dat ze zich aan den anderen kant te-buiten gaan aan humaniteit. Wat overigens dat respekt aangaat, ze hebben eigenaardige manieren om ook anderen daarmee aantesteken, en wie niet op z'n hoede is, wordt er ziek van. Achtenswaardige oude schryvers, die de Natuurlyke Historie der Kleinstädterei tot onderwerp van hun studien kozen, verzekeren dat de dienstboden in bedoelden kring worden afgericht op 't inboezemen van ontzag aan bezoekers: ze laten de ongelukkigen die door 'n gram noodlot veroordeeld werden zich daaraan bloottestellen, zeer lang wachten op 't openen van de huisdeur. Het schynt dat de ad hoc dienstdoende keukenmeid, door een tot de uiterste grenzen der mogelykheid gerekt dralen, den bezoeker in den waan moet brengen, òf dat het huis zoo byzonder groot is, of dat haar bezigheden onafbrekelyk zyn omdat ze zoo byzonder veel te koken heeft. Bedoelde auteurs schryven dezen diepzinnigen gedragsregel op rekening van zekere jacht naar aanzienlykheid. God-bewaarme dat ik die jacht loochenen zou, maar de aanzienlykheid draagt in myn mond 'n heel anderen naam. Ze komt my--met het oog op de van dit woord in m'n vorigen bundel gegeven definitie--ploertig voor. En aan zulke ploertery is nu ons Woutertje voorloopig overgeleverd. Hy wachtte met heldhaftig geduld. Heel eindelyk werd de deur door 'n vry onoogelyk vrouwspersoon geopend, doch maar heel even, en niet verder dan volstrekt noodig was om Wouter toetesnauwen:
--Wat mòtje? Mot je by mefrôô weesse? Wa's je booschap? Je skelt huis, jonge! Ik ken niet f'r jou plessier den heelen dag de skel naloope. Waarom skel je huis?
By mevrouw? O neen, gewis niet! Wouter dacht niet aan mevrouwen. Maar: "je skelt huis"... wat is dàt?
--Of skel je keuke?
Deze tweede vraag gaf licht. Wouter bemerkte nu dat er twee belknoppen uit de deurpost staken, en dat ze onderscheiden waren door de benamingen "keuken" en "huis." Wie groente, vleesch, boter, of melk kwamen brengen, moest zich melden door middel van de keukenbel. En alleen bezoekers die aanspraak konden maken op toegang tot het salon--'n ding dat er in zekeren zin niet was, gelyk we zien zullen--mochten zich aanmatigen de zeer pretentieuze huisschel in beweging te brengen. Wouter die noch viktualie kwam brengen, noch z'n opwachting maken wilde aan "mevrouw"--zou zy 't wezen, die zoo onlieftallig door 't venster van de zykamer gegluurd had?--Wouter erkende stamelend dat-i zich vergist had, en niet wist waar-i wezen moest. Juist wilde hy zeggen dat-i... de jongeheer Pieterse was, toen de meid, die zich volstrekt niet nieuwsgierig toonde naar z'n identiteit, hem de deur voor den neus dichtsmeet.
Door m'n al te vurig dichterlyk genie heb ik me daar laten verlokken tot 'n overdryving die zeer te betreuren is. Herhaaldelyk sprak ik van 'n deur, en... die geopend. Een klein beetje maar, heel eventjes, zoo ongastvry mogelyk, maar geopend toch! dit nu was de waarheid, maar... een deur? Vervloekte hyperbolen: 't was 'n halve! De huisdeur waarachter 'n rechtgeaard Amsterdammer z'n vrouw, z'n effekten en z'n schimmelig patriciaat verbergt, is halverhoogte in tweeën geknipt. De bezoeker moet eerst deugdelyk gerekognosceerd zyn, voor men hem door 't openen van de onderste helft, den toegang vry laat. De zeer letterlyk-exklusieve strekking dezer byzonderheid ligt alzoo voor-de-hand, en wordt duidelyker nog, wanneer men ze in-verband brengt met de tallooze hekjes en afsluitingen die elken voorbyganger schynen toeteroepen: "myn huis, je komt er niet in!" En nog zyn er gevoellooze bedillers, die 't den Amsterdammer van zulk gehalte kwalyk nemen dat-i, by zoo'n benauwde levensopvatting in den regel 'n dom schepsel blyft! Die onbillykheid is niet uittestaan.
En nog altyd spionneerde die leelyke dikke dame door 't venster van de zykamer. 't Kwam Wouter voor, dat zy iets hem betreffende meedeelde aan iemand die in haar gezelschap was. Een heer van minder dan middelbaren leeftyd, boog over haar heen naar 't venster, en wenkte Wouter met niet zeer vriendelyk gebaar, dat-i de stoep verlaten, en beneden aanschellen zou. Goddank, nu wist onze kandidaat-handelsman ten-minste iets. Allerbeleefdst nam-i z'n hoed af, en schoof blootshoofds eenigszins bukkend dat dreigende venster voorby, en de stoep af. Inderdaad, beneden by de dubbele glasdeur was ook 'n bel, en daarnaast las hy 't woord: magazyn.
Hier zal ik moeten wezen, dacht hy. Kantoor en magazyn zal wel zoo omstreeks 'tzelfde zyn. En hy belde.
De persoon die belast was met het "naloopen" van deze schel, zou alweer zeer gevoegelyk kunnen doorgaan voor 'n kurator of superintendent van 't respekt. Hy gaf Wouter veel tyd tot meditatie, vooral over den tekst hoe moeielyk het is integaan tot den huize Kopperlith. Of onze expektant-handelsridder behoorlyk gebruik maakte van de zoo gul aangeboden gelegenheid tot ontwikkeling van z'n denkvermogen, is te betwyfelen. Bovendien, hy werd gestoord. Men tikte--en op den klank af geoordeeld, eenigszins toornig--tegen 'n glasruit van de zykamer. Wouter stapte een tred achteruit, en zag naar boven. De m'nheer van zoo-even beduidde hem met driftige bewegingen, dat-i nogeens moest aanbellen, en wat harder. Wouter bedankte door het afnemen van z'n hoed--had niet z'n moeder hem vóór alles, fatsoenlykheid aangeprezen?--en hy waagde nu 'n harder trekje, dat nog al tyd niet terstond door 't openen van de deur gevolgd werd. Het scheen wel dat de Cerberus van 't "magazyn" 'n zeer hoog denkbeeld koesterde van 't respekt dat de heeren Ouwetyd & Kopperlith noodig hadden. De man overdreef z'n yver. Dit begon zelfs de heer in de zykamer intezien, die alweer tikte, en wenkte: "schel nògeens voor den drommel!" met 'n uitdrukking alsof Wouter 't helpen kon dat er niemand kwam. Hy voelde heel duidelyk hoe de ware fatsoenlykheid voorschreef, vergeving te vragen dat men hem zoolang wachten liet.
Intusschen gluurde hy door de glasdeur, en wierp nieuwsgierige blikken in 't "magazyn." Het was een van die lokalen welker afmetingen men gewoon is uittedrukken door de dichterlyke vergelyking met 'n pypelâ. Eenigszins in afwyking van de bekende omschryving in de meetkunst, verheugde zich de hier bedoelde ruimte in de eigenschappen van lengte, breedte en... laagte. De breedte was met die van 't huis gelyk. De lengte werd aan de voorzy begrensd door de reeds bekende glasdeuren, die in haar poging om wat licht doortelaten, werden bygestaan door 't schuins hoekje venster dat z'n hypothenuze gemeen had met de stoep, en bovendien door 'n ander raampje dat aan de vóórzy van die stoep aan de straat uitkwam. Het hokje dat door dit venstertje z'n licht ontving, heette "het kantoortje" in tegenstelling van 't "kantoor" dat we straks zullen te zien krygen. Wat overigens de "laagte" van 't magazyn aangaat, deze benaming is zoowel gegrond op de zeer geringe afmeting van den opstand, als op 't peil van den vloer. Een volwassen man kon met z'n opgeheven hand de zoldering bereiken, en de bodem lag 'n voet of drie beneden den beganen grond. Hy verhief zich niet verder boven de riolen die in de gracht uitliepen, dan juist voor de bewoners noodig was om niet te worden meeweggespoeld met de vuiligheid. Wat de verlichting aangaat, men begrypt dat het weinige glaswerk aan de voorzy, niet àl 't werk alleen kon doen. Ongeveer op één derde van de lengte, hield het binnenkruipend licht op. Wie evenwel scherp van gezicht en rechtvaardig was, moest erkennen dat-i, heenborende door de duisternis van 't midden, vry duidelyk kon bemerken dat de bouwmeester gepoogd had ook aan den achterkant iets te laten binnendringen dat naar vermindering van duisternis geleek. Daar namelyk was door vriendelyke bemiddeling van 'n boven de zoldering van 't magazyn gelegen binnenplaatsje, iets te zien dat niet volstrekt zwart kon genoemd worden. Hoe de venstersoort heette, die dit wonder te-weeg bracht, weet ik niet recht. Een lantaarn, of 'n koek-koek, of zoo-iets. Er is altyd wat armoedigs in zulke bouwkunstige meesterstukken. Ze geven getuigenis van bekrompenheid--in alle beteekenissen!
Voor-zoover Wouter's blikken in 't magazyn konden doordringen, bemerkte hy dat de langsche, middelruimte was ingenomen door 'n breede tafel, waarop stapels lynwaad gerangschikt lagen. Ook rechts en links langs de muren waren zulke koopmanschappen opgestapeld, zoodat slechts 'n nauwe doorgang aan weerszyden van die lange tafel overbleef. Alleen aan 't vooreind, tusschen 't "kantoortjen" en de glasdeur, was eenige ruimte overgelaten, waar 'n meubel op schragen stond, dat hy later leerde kennen en waardeeren als "de paktafel."
Waarlyk, er begon kans te komen, dat de deur tenlaatste zou geopend worden. Dat Wouter eindelyk in een der gangetjes iemand naderen zag, zou wat veel beweerd zyn, en alweer aan sommige kunstrechters die in polemiek op hun gemak gesteld zyn, gelegenheid geven tot de bakerlyke aanklacht van overdryving. Neen, Wouter zag niets in die duisternis, maar wel kwam 't hem voor, dat de duisternis zelf zich begon te bewegen. Er schoof iets zwarts over den zwarten grond. En dat zwarte werd--zonder overyling altyd--wat bruiner en gryzer en lichter ... waarachtig, er naderde een menschelyk wezen. Heel natuurlyk. Gerrit Sloos kwam de deur openen, en beslofte reeds de ruimte naast de paktafel. Nog één sekonde, en de slotbrug van het tooverkasteel zou worden opgehaald. Wat vreemds lag daarin? Voor u en my niets, lezer, maar Wouter was aan 't versteenen geraakt, en stond op het punt vasttegroeien in z'n wachtstemming. Alle verwondering over de moeielykheid om in dat heiligdom doortedringen, was zoo volslagen geweken, dat hy, nu de deur eindelyk geopend werd, zich niet kon onthouden van eenige verbazing over het tegendeel. 't Scheelde weinig of hy had aan Gerrit Sloos gevraagd, of-i zich ook vergiste? In-plaats daarvan echter, nam hy--voor de hoeveelste maal nu reeds!--z'n hoedjen af, en Gerrit keek vragend tot hem op. Wouter stotterde iets.
--Ben jy Pieterse, de jongeheer die hier op 't kantoor komen zou?
--J...a...a, m'nheer!
--Zoo? Je hoeft geen m'nheer tegen me te zeggen. Ik hiet Gerrit ... Gerrit Sloos, weetje. Eigenlyk is m'n naam Schlossmann, maar och ... wat heeft 'n mensch aan die moffekuren, niet waar? Daarom zeg ik maar Sloos, en zoo teeken ik ook, want ... ik ben de knecht, weetje, de kantoorknecht. Kom maar in!
Wouter daalde de drie trappen af, die toegang verleenden naar het hol. Z'n eerste beweging, toen-i naast de paktafel stond, was 'n onwillekeurige greep naar z'n neus. Want ... de stank was onverdragelyk.
--O né, zei Gerrit, als antwoordende op dit welsprekend gebaar. Dat reukjen is niet van 't magazyn--ik zeg maar kelder, weetje, want zoo zeien we vroeger toen de ouweheer-zelf nog meedeed--die lucht is van den kelder niet, maar van de riolen, weetje!
Zoo troost een edle ziel haar deelgenoot in 't lyden!
--O zoo, zei Wouter, alsof deze opmerking de pestlucht veranderde in 'n geur. O ... zoo!
--Ja, van de riolen. Daarom ook staat al dat goed daar tegen den muur op planken, zieje. Als 't den grond raakte, zou 't verrotten. Kom mee naar 't kantoor. Maar je komt veel te vroeg, want we benne-n-in den komkommertyd. Dan is er niet veel te doen, dat begryp je-n-ook wel. Maar hoor eens, je mot niet vóór schellen, aan den kelder--de jongeheeren zeggen tegenwoordig: magazyn... fransche wind allemaal ... 'n engelsche notting, weetje! Nou, ze hebben 't van dien mallen Wullekes!--je mot het kantoor ingaan in de Vellestraat. Ik zal 't je wyzen. Voor vandaag komt het er nou niet op aan, omdat het de eerste keer is, en omdat je 't niet weet. Je ziet, ik heb je opengedaan ...
Gelukkig!
... maar anders, weetje, wie op 't kantoor wezen mot, komt in door de Vellestraat. 't Is heel makkelyk te vinden ... als je-n-'t maar eens weet. En daarom zal ik 't je wyzen. Kom maar mee. Maar zet je hoedjen op. Je hoeft tegen my zoo beleefd niet te wezen, want ik ben de knecht maar, weetje. De heeren komen straks, zoo tegen negenen. 't Is komkommertyd, moet je denken. En daarom heb je zoo lang gewacht voor ik je opendeed. Want ik zat in de keuken, en ik zei tegen de meid dat zy zou opendoen--in de bovengang, weetje--want dat het zeker 'n nieuwe aschkarreman was, die nog niet wist waar-i schellen moest. Maar ze wou niet--'n lui beest is ze!--en ik zei: 't gaat my niet aan, want we benne-n-in den komkommertyd, en dan wordt er zoo vroeg niet aan den kelder gescheld door iemand die de zaken kent. Dat zal jyzelf ook wel te zien krygen, als je hier 'n tydje geweest bent. Weetje hoe lang ik hier al dien?
Wouter klaagde zich aan van verzuim. Hoe drommel kon-i zich veroorloven niet te weten hoe lang Gerrit Sloos reeds in dienst was van Ouwetyd & Kopperlith? De booswicht stamelde vol schuldbesef dat-i 't niet wist.
--Nou, raad eens!
Elk ander zou 'n cyfer genoemd hebben. Wouter was te stipt, te vol geweten, om aan zeker getal jaren de voorkeur te geven boven 'n ander getal. Waarom twintig? Waarom dertig? Waarom meer of minder? Hy bleef er by dat-i 't "heusch" niet wist, en ook geen kans zag het te raden.
--Zoo? Nou, dan zal ik 't je zeggen. Verléje Pinkster was 't drie-en-veertig jaar. Wat zeg je dáárvan?
--Hè!
--Ja, 't is 'n lange tyd, niet waar? Als je 'r vóór staat, denk je dat het wat is. En als 't voorby is ... weet je wat het dan is? Niemendal ... 'n engelsche notting! Dat zal je zien, als je-n-'n ouwe kerel wordt, want nu ben je maar 'n jong borssie. 't Zal me benieuwen of je-u-'t zult kunnen vinden met Wullekes, met m'nheer Wullekes. Want tegen hem moet je "m'nheer" zeggen, schoon ik 'm gekend heb zoo kaal als 'n luis. Toen had-i geen nagels om met permissie ... z'n neus te snuiten, en hy liep me na als 't horloge van 'n trekschipper die 'n ouwe juffrouw ziet aankomen. Maar nou ... wind, wind, allemaal wind! En wat is 't? 'n engelsche notting! En z'n vrouw--ook 'n gekkin van de bovenste plank!--praat altyd over prinsessen die ze-n-eens gezien heeft. Né, die Wullekes ... wie 'm kent, koopt 'm niet! Nou, je zal 't zelf zien en ondervinden, als ie tyd van leven hebt. Ieder moet maar altyd z'n eigen weg gaan, en dat doe-n-ik dan ook. Maar die Wullekes ...
Kyk, hier is 't. Tusschen de olievaten moet je door--'t is hier altyd even smerig, dat komt van 't lekken, want die vaten lekken altyd--maar eerst moet je door de stokvischbeukery, en als je dat doet. kom je vanzelf op 't kantoor.
Wanneer Gerrit Sloos met dit "vanzelf" bedoelde: gemakkelyk, geleidelyk, zonder omslag, en wat men zou kunnen noemen: op 'n niet onprettige manier ... 't zy zoo! Over den smaak valt niet te twisten. Gerrit zal 't maar zoo by-wyze van spreken gezegd hebben.
Onder 't luisteren naar al deze mededeelingen, had Wouter den half-onderaardschen weg afgelegd, die van de Keizersgracht naar de dwarsstraat leidde, waar inen den ingang tot het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith te zoeken had. Hy prentte die stokvischbeukery en de gang naast het oliepakhuis diep in z'n geheugen, om zeker te zyn dat-i nooit weer zou worden overgeleverd aan de spitsroeden die hem zoo hadden gepynigd aan den voorkant van 't huis. Dat die verheven stokvisch-industrie en dat oliepakhuis, niets te maken hadden met de "zaak" waarin Wouter leerling werd, zal de lezer wel begrypen. Er lag op dat terrein 'n servituut van doorgang, en de stokvischbeuker moest gedoogen dat er op de deurpost van z'n lokaal 'n ovaal bordje pronkte met het opschrift: "Ingang naar 't kantoor van Ouwetyd & Kopperlith." Ook de olieman mocht den doortocht niet versperren, doch hy nam z'n verplichting zoo nauw op, dat men er gewoonlyk niet dóór kon zonder 'n paar smeervlekken meetenemen. Juffrouw Pieterse heeft daarover vaak gekeven, ook Wouter-zelf vond het heel onaangenaam. Maar... had-i zich dan voorgesteld, met de wereld in aanraking te kunnen komen zònder bezoedeling? Beste jongen, dat gaat niet!
Wacht-oefeningen, als geschikte objektieven voor 'n fotografie-kastje. Nieuwe portretten. Hoestende intree in de handelswereld. Multa tulit!
By 't nalezen der laatste helft van 't vorig hoofdstuk, bemerk ik, 'n gedeelte van den weg die van de Vellestraat naar 't "kantoor" leidde, te hebben overgeslagen. Na 't voorbyworstelen van de glimmende olievaten, moest men de gang door, langs een achterhuis van 'n paar verdiepingen hoog, en eindelyk de binnenplaats over, waarop 't kantoor "uitzag." De lezer die op nauwkeurigheid gesteld is--anderen zyn me onverschillig--wordt gewaarschuwd deze binnenplaats niet te verwarren met het plaatsje dat zoo edelmoedig wat licht meedeelde aan 't magazyn. Tusschen die beide "open-luchtjes" in, lag 'n groot gedeelte van 't huis, dat lang, smal en hoog was. Na de ontdekkingsreis geleidde Gerrit onzen Wouter naar 't kantoor, wees hem daar 'n tabouret aan, en gaf hem den raad te wachten tot "de heeren" zouden komen. En, zei de man:
--Dat zal nog wel 'n uurtje duren, want we zyn in den komkommertyd. En ik ga m'n kommetje koffi drinken in de keuken. 't Ga je goed, zoolang.
Wouter dreef inderdaad de onbescheidenheid zoo ver, dat-i den tabouret opklauterde, die hem aangewezen was. En hy peinsde.
De voorwerpen die z'n aandacht tot zich trokken, waren niet zeer geschikt om z'n stemming byzonder vroolyk te maken. Het uizicht door de twee verweerde vensters op de binnenplaats en 't achterhuis, was--op 't verschil in warmtegraad na--nova-zemblisch:
Een eeuwig grauwe lucht hangt loodzwaar op de ... wanden. Hier houdt geen sterfling 't uit. Hier komt geen Noorman landen. Geen andre plek op aard, hoe karig ook bedeeld, Is zoo ellendig naakt, zoo arm aan groei en teelt!