De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld
Part 12
--Man, hoe kan je 't zeggen! 't Is 'n onfatsoenlyk stuk, vol gemeene woorden.
--Nu ja, maar ... aardig toch!
--Dat weet ik niet. Ik heb 't nooit gelezen, omdat het zoo gemeen is. In poëzie gaat by my niets boven deftigheid, en wat niet deftig is...
--Och, wat geeft zoo'n Keizer daarom?
--Ik begryp heel goed waarom ze van-avend 'n stuk van Rotgans spelen. Hy droeg altyd z'n stukken op aan een van de Huydekopers. Dàt is de zaak!
--Hy was van de familie.
--Juist! Misschien wil een van de schepens, als de Keizer 't stuk mooi vindt, hem zeggen: Sire, de dichter van die... Scylla, of hoe heet de man?--die Scylla is 'n bloedneef van me, om uwe Majesteit te dienen.
--Gekheid! Wie zal grootsch wezen op de verwantschap met 'n man die komedies maakt?
--Hm ... in Frankryk is dat anders, heel anders!
--Bovendien, Rotgans was zoo'n minne man niet. Hy had 'n buitenplaats aan de Vecht.
--Dat moeten ze dan den Keizer er by zeggen.
--De hoofdzaak komt neer...
Weer 'n lakei. Alles vloog omhoog als duveltjes uit 'n surprise-doosje. En alles--op de zwygende Holsma's na--schimpte weer op de verdoemelyke karakterloosheid van "ze".
...de hoofdzaak komt neer op de toespraak van Thomasvaer. Dit zeg ik maar!
--Daarin zal dezen keer 'n echt-vaderlandsche geest heerschen, naar ik hoor.
--Ja... echt-vaderlandsch! 't Moet heel mooi zyn. De prefekt van policie heeft 't zelf gezegd. Er zyn drie gezworen translateurs by te-pas gekomen. Je begrypt dat men zich zooveel moeite niet geven zou voor 'n prul?
--Zeker niet! En de vertaling is naar Parys geweest? De minister heeft er eigenhandig op geschreven: approuvé!
--'t Is toch maar altyd 'n zékere waarheid, dat ze-n-in 't buitenland eerbied hebben voor onze letterkunde.
--O ja, en voor ons karakter!
--Er is geen beter volkskarakter dan 't hollandsche.
--En geen beter letterkunde! Die is... echt-nationaal.
--Dat zegt de Préfet de Police ook. Hy laat alles vertalen wat er uitkomt. Wat hem vooral bevalt, naar ik hoor, zyn onze alexandrynen ...
--Nu ja, en 't karakter!
--Zeker, 't karakter ook. Maar de alexandrynen zyn even lang als die van Racine, en dat 's juist het mooie. Ik ben zeer benieuwd naar de maat van Thomasvaer. Korte regels kan ik niet verdragen...
--Hm! Bellamy's Roosje dan?
--Ja, en z'n: Schoone maan, zeg, ziet gy heden...
--En z'n: 't Was nacht toen u uw moeder baarde...
--Mooi, hoor!
--En z'n: Oproeping aan de Bataafsche jongelingen, om den Engelschman te bestryden. Dat's óók geen gekheid!
--En z'n toespraak: Aan de vaderlandsche meisjes. Dáár zit pit in, hè? Weetje wat-i zegt? Hy zegt:
Indien ik ooit ontaarde Van Vaderlandsche fierheid, Dan moet gy, waardste Fillis...
Weer kwam 'n lakei deze echt-vaderlandsche ontboezeming afbreken. De man inspekteerde ditmaal de kussens in de loge der Palatine die byzonder graag op 'r gemak zat. Als door 'n veer bewogen, stond het heele Publiek op. Die groene rok met gouden tressen ...
--Och, 't is weer zoo'n doodeter. 'k Wou dat de vent...
En teleurgesteld nam men weer plaats. De liefhebber van korte verzen waarin echt-vaderlandsche "pit" zat, liet zich niet van z'n stuk brengen:
Indien ik ooit ontaarde, Dan moet gy my verachten, Dan moet gy my vervloeken!
--Dat's táál, hè?
--Heel mooi, maar ik houd meer van alexandrynen. Ze zyn honderd percent deftiger, dunkt me.
Het gegons werd gedurig sterker. De keeren dat het Publiek misleid werd door dezen of genen die de deur van een der loges opende--'n foppery die telkens op 'n te-loor gaande eerbiedsbetuiging te staan kwam--waren niet meer te tellen. Men begon te morren, maar... zacht, zeer zacht, zoo zacht als maar gemord worden kan.
Wat onzen Wouter aangaat, hy vond alles vreemd, maar tot behoorlyke ontleding van z'n indrukken was-i niet in-staat. Voor den tienden keer reeds sedert twee dagen, verdrongen de gebeurtenissen die hem overstelpten, de aandoeningen van 'n oogenblik te-voren. Hy was er duizelig van. Tot zelfs de eigenaardige reuk van de zaal, bracht het zyne by tot verdooving van z'n begrip. Zoo-even in 't rytuig nog, had-i zich ingespannen om iets te verstaan van Willem's vertellinkje, en ook de daarvan opgevangen indrukken waren nu reeds uitgewischt, of althans zeer vermengd met iets anders. Hy geleek op 't lang gebruikt leiblad van den schoolknaap, waarin de oude krassen 't later schrift onleesbaar maken zonder baat voor eigen duidelykheid. Op 'n palimpsest dat ingewyd werd met catullische zangen, daarna dienst deed als afstandwyzer van germaans-romeinsche castra, vervolgens 'n spikspelder nieuw systeem van--nogal oude--wysbegeerte op z'n rug droeg, en eindelyk tot ons kwam als lofzang op de H. Maagd, gratiâ plena. Er behoort veel geduld toe--en scheikunde--om al dat overpleisterd menschenwerk uit elkaar te houden. En wanneer nu, gelyk hier 't behandeld palimpsest, zelf 'n mensch is... 'n codex, zooveel moeielyker te ontwarren dus dan elk ander geschrift...
Zoo goed mogelyk luisterde hy naar de gesprekken om hem heen. De graad van belangrykheid der opmerkingen die hy hoorde maken, herinnerde hem eenigermate aan de godzaligheid van pater Jansen, die hem zoo erg was tegen-gevallen. Al die voorname heeren zeiden òf gewone dingen, òf erger. De Holsma's waren de eenigen die niet spraken. Eens slechts hoorde hy Oom Sybrand die naar 'n loge wees, iets zeggen, en 't kort gesprek dat daaruit voortvloeide:
--Ik denk dat ze dáár zitten zal... àls ze komt!
--'t Zou me leed doen, als ik m'n kleinen Erik had alleen gelaten voor niemendal, antwoordde mevrouw Holsma.
--Nu, Femke is vertrouwd!
--O ja! Maar 't drukt me dat ik hier zit, terwyl m'n kind ziek is. Lang wacht ik niet op haar...
--'t Is de vraag, of ze gelyk komt met de anderen. Ik hoorde zeggen dat ze veel luimen heeft, en die altyd in-volgt. Aan etikette stoort ze zich niet. Dat schynt in 't bloed te zitten.
--Als ze 'r om tien uur niet is, ga ik heen. Héél veel belang stel ik niet in de zaak...
De beteekenis van dit gesprek hield Wouter maar weer kort bezig. Hy had ter-nauwernood tyd zich de vraag voorteleggen, wie toch wel de persoon wezen kon, die oorzaak scheen te zyn dat mevrouw Holsma tegen haar zin het ziekbed van den kleinen Erik verlaten had.
Een groote beweging in de zaal, dwong tot aandacht. Men hoorde een oogenblik haastig schuifelen... alles rees op, en bleef ditmaal staan ...
Een... Keizer of zoo-iets, betrad de koningsloge. Wouter zag er weinig van. Hy hoorde fluisterend behandelen wat er geschiedde. Z. M. was haastig naar den voor hem bestemden fauteuil gestapt, niet zonder 'n paar stoelen omver te loopen, die hem in den weg stonden...
Dit was de niet onpraktische gewoonte van Zyne Keizerlyke Majesteit. Vivat sequens!
...hy had daarna 'n oogenblik--één oogenblik maar--in de zaal rondgezien, éven geknikt, als iemand die byna geen tyd heeft om te zeggen: "'t is wel!" en daarna z'n fauteuil met 'n ruk schuins naar-achter gehaald. Hy liet zich daarin neervallen, en 't Publiek kon weer gaan zitten... nog niet voor goed.
Ook de andere loges werden nu als door 'n tooverslag gevuld. Men zag zonderlinge kostumes: de "Wede. Maaskamp en Zonen!" Dames met lyven van drie duim, en 'n schoot van byna zooveel ellen. De boezems zweefden tusschen kin en ceinture. Kleine pofmouwtjes wisten zelf niet, of ze dienen moesten tot bedekking van den bovenarm of van den schouder. Maar dit te-kortschieten werd eerlyk aangevuld door witte kabretleeren handschoenen, die van den pink tot den oksel reikten. Op 't hoofd droegen de dames tulbanden, toques, bloemtuinen... dáár was wat te plukken gevallen voor Scylla! Maar al wat er leelyks te zien was, werd overtroffen door de onuitstaanbare militaire kostumes van dien tyd. Wie die steeken en chakots gezien had, begreep terstond waarom de vyand altyd zoo verschrikt op den loop ging. Die aanhoudende vlucht ontstond uit schoonheidsgevoel.
De muziek speelde...
't Spreekt vanzelf... daar wàs ze weer, de lyzige melodie van den dapperen Dunois!
Een vreeselyk geraas stoorde op-nieuw onzen Wouter in het toegeven aan de herinneringen die deze lamentable deun in hem opwekte. Ook immers gisteravend op de straten, was dat lied de tolk van... van... nu ja, van geestdrift niet, maar van de zucht toch om zich aantestellen alsof men byzonder verheugd was. En zelfs by Vrouw Gooremest...
Debout... debout! werd er geroepen. Een der hardste schreeuwers was de man van de korte verzen, waarin zooveel echt-vaderlandsche "pit" zat. En alles schreeuwde mee: debout! Men moest opstaan voor den: jeune et beau Dunois!
Reeds was de muziek gevorderd tot de strofe: de bénir ses exploits, toen er met 'n bundel papier vry driftig op den rand der koningsloge werd getikt, juist op de plaats waar men berekenen kon dat de Keizer zat. De Holsma's recht naar-boven ziende, werden slechts 'n stuk van den zonderlingen hamer gewaar, waarmee Z. M. de maat sloeg...
De maat? 't Mocht wat! Het geklepper met dat pak dokumenten, in der haast saamgevouwen tot dirigeerstok, sloeg heel wat anders dan de maat! Ieder die in 't parterre zat, kon aan de angstige blikken die uit de loges naar den vreemdsoortigen kapelmeester werden geworpen, duidelyk bespeuren dat er iets haperde, schoon men van-beneden-af de oorzaak niet begrypen kon. Deze werd dan ook niet spoedig geraden, zelfs niet door de bewoners der hoogere sfeeren. Ook de Palatine, juist bezig haar lievelings-vyandin, de Hertogin-titulair van Groenland, heel hartelyk te verwelkomen in de tegenover liggende loge, raakte in de war, wat anders de gewoonte van deze dame volstrekt niet was. De koord van haar joujou krinkelde, en 't ding bleef levenloos hangen, als 'n geëxekuteerde. Dit was hem in de hand der Palatine nog nooit overkomen!
De Keizer stond op, en tokkelde met z'n rol papier als 'n razende.
Een afgescheurd driehoekje schrift warrelde tegenzinnig omlaag. Wie 't opving, kon te weten komen dat er wat aan-de-hand was met Kykduin en 't perfide Albion.
Onze verstoorde tamboer stond op, en zette een gezicht als 'n izegrim. Een dame die naast hem zat, scheen genade te vragen, maar hy luisterde niet, en ranselde hoe langer hoe heftiger op 't fluweel van de balustrade, zoodat het stof er uit vloog. Lakeien, koningen, kamerheeren, maarschalken, adjudanten, aides de camp, schoten toe. Maar Z. M. verkoos niet te zeggen wat hem zoo boos maakte. Hy verwaardigde zich alleen, het hoofd te schudden, en den roffel 'n oogenblik aftebreken, om met z'n papieren trommelstok naar 't orkest te wyzen. Men had nu vryheid, te raden wat dit beteekenen moest. De bevolking van de voorste loges gaven den orkest-direkteur te kennen, dat de schuld der stoornis aan hem scheen te liggen, en siste hem van alle kanten toe. De man schrok, en bleef als versteend staan, met z'n maatstok zuid-oost half-oost in de lucht, dat hier zooveel beteekende als heelemaal buiten-west. 'n Plotselinge stilte verving nu 't geraas, en liet verraderlyk toe, dat men heel duidelyk 'n te laat ingehouden vaderlandsch nagalmpje te hooren kreeg. In den engelenbak namelyk--dezen avend bezet door fatsoenlyke burgers, want alle standen waren 'n graad of tien in waarde gedaald, omdat de markt van rang overvoerd was--in den engelenbak had 'n onverlaat zich de magere voldoening gegund: al is ons prinssie te zingen, wèl bedekt natuurlyk onder de noten van koningin Hortense's prachtstuk.
Was zy de dame die om genade gesmeekt had voor haar liedje? Misschien wel. Maar de lezer weet nu eenmaal, dat historische juistheid me byzaak is, omdat ik my de verplichting opleî, juister te zyn dan de Historie. We hebben hier noch met stellig gebeurde feiten noch met datums te doen, en trachten slechts mogelyke indrukken te schetsen, en menschen te teekenen zooals de denker zich kan voorstellen dat ze geweest zyn.
De stoornis was pynlyk. Allerlei waardigheidbekleeders vlogen als opgejaagde vleermuizen heen-en-weer, en de arme orkest-direkteur kommandeerde eindelyk in den angst van z'n hart: "où peut-on être mieux." De vaderlander uit den engelenbak maakte zich gereed de muziek toetelichten met de bekende romance van 'n "sleepersknol... op hol" toen er bleek dat Z. M. nog altyd niet voldaan was. 't Moest: "veillons au salut de l'empire" wezen! Dacht hy er aan, dat het huiselyke: "waar kan men beter zyn" bewaard moest blyven voor de Beresina, by den terugtocht uit Rusland? Want by die gelegenheid is 't--o bloedig sarkasme!--gespeeld.
"Veillons" dus! Weer het knikje: 't is wèl! en weer liet hy zich vallen in z'n fauteuil, waar-i voortging zich te verdiepen in de vestingwerken by Huisduinen. Toen 't "Veillons" behoorlyk was afgespeeld, mochten al de vaderlanders weer gaan zitten. Nu eindelyk voor goed, goddank!
Het scherm ging op, en 't woord was aan Rotgans:
Ja, Minos, aan 't geschenk dat ik u heb gegeven, En uit de kerk geschaakt...
--Wàt? vroeg Wouter. Uit de kerk? 't Purper haartjen uit de kerk? Ik meende...
--Sjt! zei Willem. Straks zullen we wel te weten komen wat dit beteekent. Misschien 'n licentia poetica, weetje.
Heel juist geraden! De treurspeldichter had den vreemsoortigen crinis purpureus heel handig omgesmeed in 'n schild dat door Scylla geroofd wordt. Zeer wel. Maar... uit de kerk?
...hangt Nisus' kroon en leven!"
--Qu'est-ze qu'elle changte? riep de Paltsgravin. Il barait que zela zera excèzivemang larmoyang! Za doilette est egzégraple! La bedite est attivée d'une magnière ... et quelle langue, mong Dié, mong Dié, quelle langue! Za m'égorssche les oreiglles!
Onder al de aanwezige vreemdelingen had niemand minder te lyden van den klank der taal, dan die Keizer. Hy was by Kykduin, te Boulogne... te Dover... overal, behalve dáár! Behalve daar, en... op Sint Helena!
Wouter luisterde als 'n vink. Niet omdat hy alles begreep, nog minder omdat alles hem schoon voorkwam, maar de geheele zaak was hem te vreemd om niet z'n aandacht volkomen in beslag te nemen. Z'n wangen rustten op beide vuisten, en z'n elbogen op de leuning der bank vóór hem. Wie met half geopenden mond deze houding nabootst, kan precies weten hoe nieuwsgierig hy was naar den afloop van Scylla's tocht in 't kamp van Koning Minos.
Een schild in-plaats van 't haartje? Dacht hy. Wie weet of niet de dichter, als-i toch aan 't verzinnen gaat, ook iets zegt van onechte zoons, en van het terugkeeren op 't pad der deugd, dat de menschen altyd met zooveel plezier schynen te verlaten... zeker om het terugkeeren mogelyk te maken.
Voor deze sarkasme verklaart zich de auteur niet aansprakelyk. Wouter mag zeggen en denken wat-i wil. Ik wasch m'n handen in onschuld.
De tuchtelooze auteur--gebrek aan school!--vertelt niets van 't purpren haartje, doch integendeel allerlei zaken die in 'n roman niet te-pas komen. Hy geleidt den lezer langs keizerlyken weg in de kommeny waar Leentje zout moet halen. Verzoeke vriendelyk dit gebrek aan zout niet meer dan driemaal in-verband te brengen met des auteurs schryfmanier.
Die arme Rotgans! 't Was wèl de moeite waard 'n paarduizend verzen by elkaar te rymen, om zóó verwaarloosd te worden! Geen der toeschouwers was geroerd door de treurspellige bravigheid van Minos, die de ontaarde juffer zoo flink op haar plaats zette. Men luisterde niet. [10]
Met naïve verbazing trachtte Wouter de tirades van 't stuk te volgen. Ze bevielen hem niet, en byna klom z'n ontevredenheid op tot den moed, zichzelf in-staat te achten tot het leveren van iets beters. Vooral trof hem de verregaande leegte aan denkbeelden. De aan Ovidius ontleende handeling van 't stuk mocht dan in zekeren zin hoofdzaak zyn, tot het schetsen dáárvan waren geen tweeduizend regels noodig. Aan "gaan en komen" waren meer verzen besteed dan aan menschkundige ontwikkeling, of aan opmerkingen die de moeite van 't onthouden waard schenen. Zoo gaat het meer. Is dàt 'n dichter? vroeg Wouter. [11]
Wouter bemerkte dat de volwassen leden van de familie Holsma by-voortduring niet den minsten acht sloegen op het stuk. Ze richtten hun blikken naar de loges, doch blykbaar met andere bedoeling dan de meesten, of zelfs dan àlle anderen, die de hooge personaadjes alleen om de vreemdigheid aangaapten. Ook uit de afgebroken zinsneden die tusschen Oom Sybrand met z'n broeder en zuster gewisseld werden, scheen te blyken dat hun aandacht door iets zeer byzonders werd tot zich getrokken.
--Als ze niet spoedig komt, ga ik heen, zei weder mevrouw Holsma.
--Misschien zit zy in de keizersloge, en achter-af. Dan kunnen we haar van-hier niet zien.
--Men heeft me gezegd, dat ze te Parys nooit 'n kwartier achtereen op dezelfde plaats blyft. Misschien komt ze straks dáár of dáár...
En met 'n bescheiden beweging van den uit z'n vuist opgestoken duim, wees Holsma 'n paar der zyloges aan.
--Ze komt soms in 't parterre ook, naar ik hoor.
--Langer dan nog vyf minuten wacht ik niet, zei mevrouw Holsma. M'n kleine Erik is my meer waard dan duizend...
Wouter meende te verstaan: "dan duizend nichten." Ja, zóó zal 't ook wel geweest zyn. Want:
--Van den koning, voegde Holsma er by.
Dit deed hem den draad weer verliezen. Hy had gemeend dat Femke bedoeld werd. En nu: van den koning? Waarom was juist die prinses zoo belangwekkend? De loges zaten vol neven en nichten, de een nog meer opgepronkt dan de ander. Welke byzonderheid verhief juist die eene afwezige, in aanspraak op belangstelling tot mededingster van den kleinen zieken Erik? Toen de tooneelspelers het derde bedryf hadden afgealexandrynd, was de zorgvuldige moeder niet langer te houden. Ze verliet de zaal met Oom Sybrand, die weldra zou terugkeeren met Femke:
--Als ze wil! voegde hy er by, op 'n toon die twyfel te kennen gaf. Want, zeid-i, ze houdt niet van drukte.
O he, dit meende Wouter beter te weten. Oom Sybrand had haar eens op de Botermarkt moeten zien, en in de gekroonde Jeneverbes! Maar zulke dingen verklapt geen ridder. Hy zweeg dus.
De oude Minos is byzonder verliefd op Ismene die zeer schoon en deugdzaam is. Scylla is byzonder verliefd op Minos die zeer oud en eerbiedwaardig is. Ismene is byzonder verliefd op Fokus die zeer heldhaftig is. En Fokus is byzonder verliefd op Ismene... dat's mogelyk. Maar hy spreekt haar zonderling toe, en wel juist op 'n oogenblik dat ze het in alle treurspelen onmisbaar voorstel doet, om voor haar beminde te sterven. Ik geloof gaarne dat Fokus 'n held was, maar heel hoffelyk was de man niet:
"Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...
Wat is dàt? Een nieuw rumoer, en ditmaal in den engelenbak. Aller oogen richtten zich opwaarts, maar niemand kon spoedig te weten komen wat er in dat hoog regioen voorviel. Eerst meende men dat er gevochten werd, maar dit scheen toch 't geval niet te zyn. Na eenig dringen en andere blyken van roering en onrust, werd de uniform van 'n policiekommissaris zichtbaar, die blykbaat met vruchtelooze moeite iets wilde begrypelyk maken aan 'n paar mannen op de voorste bank. Het scheen dat ze van 'n ander gevoelen waren dan hy. Om z'n fransch of italiaansch te vertolken, greep de vertegenwoordiger van 't gezag die beide personen by den arm, en trachtte hun aan 't verstand te brengen dat ze niet zouden worden opgehangen, noch zelfs gearresteerd, maar dat ze hun plaatsen moesten ruimen.
"Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...
--Qu'y a-t-il encore? vroeg de keizer weer.
En toen een der kamerheeren hem op deze vraag geantwoord had, begon hy hartelyk te lachen. Er scheen iets nieuws geschied te zyn, dat byzonder in den smaak viel van de aanzienlykste bezoekers der zaal, want in alle loges stak men de hoofden by elkaar. Men fluisterde, en lachte, en giechelde, en staarde naar den engelenbak. Zelfs de keizer stond op, boog zich over den rand van z'n loge, en keek rechtuit naar boven. Maar zonder baat, want krom-zien kon hy niet, wat hem by deze gelegenheid wrevel, en zelfs eenige verwondering op den hals haalde. Ook de bewoners der lagere sfeer in 't parterre, kregen voorloopig niets te zien dan de gebaren en mimiek der personen die men verjagen wilde van hun welbetaalde plaatsen, en die zich hiertegen hardnekkig bleven verzetten. Onze oude kennis, de Paltsgravin, gaf weldra blyk meer van de zaak te begrypen, dan de onderste laag van 't gezelschap. Halverweeg uit haar loge buigend, telegrafeerde zy met iemand die in 't paradys nog altyd op den achtergrond scheen te blyven. Het stuk van Rotgans... och!
"Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...
De Palatine groette met haar joujou. Wien of wie groette zy? Het scheen dat ze zich byzonder vermaakte. Met wyd uitgestrekten arm wees ze aan al haar buurtgenooten in aanzienlykheid, dat daarboven in die gemeene-volkskooi iets zeer byzonders te zien was. Arme Rotgans! En arme akteur ook. De man zag van alle gepruikte en ongepruikte hoofden niets dan de kruin. Blyf eens begeistert... achter zoo'n Publiek! Nogeens, en als sprak hy nu zeer in 't byzonder tot de Palatine:
... Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen ...
De Palatine gaf er niets om. Ze schaterde van lachen--ook de keizer had gelachen: het mocht dus!--en ze scheen maar niet tot bedaren te kunnen komen van plezier.
Nu moest ik 'n dubbele pen hebben, om te vertellen wat Oom Sybrand zei, die teruggekeerd was na mevrouw Holsma te hebben thuis-gebracht, en te-gelyker-tyd den uitroep van Wouter behoorlyk weertegeven, die met open mond en verdraaiden hals zat te kyken naar het tooneel van den stryd.
--Waar is Femke? vroeg Holsma.
--Ze wil niet, zei Oom Sybrand. Ik dacht het wel.
--O God, daar is ze! riep Wouter.
--Wie?
--Femke, m'nheer! Femke, Femke... o God, dàt is nu wel wezenlyk Femke! En ze... vecht! Zie, dáár, daarboven, zie!
Hm... 't had er veel van! Maar vechten deed ze toch eigenlyk niet. Het meisjen in den engelenbak had den policiekommissaris by den kraag genomen, hem achteruit getrokken, was zoo goed mogelyk tusschen de bezitters van de nauw-bezette voorbank heengedrongen, en liet zich daar neervallen op de twee halve schoten van de buurtjes die ze zoo onbarmhartig gescheiden had.
--'t Is Femke, m'nheer! O god, het is Femke! Als men haar maar geen kwaad doet!
Weer stond de keizer op, en weer staarde hy naar boven. Hy kreeg 't meisje met den noordhollandschen kap in 't oog, en knikte haar toe...
--Maar, m'nheer Holsma, het is Femke... onze Femke!
En de Paltsgravin groette het meisje nogeens met den joujou, als om haar geluk te wenschen met de verovering van dat plaatsje...
--Maar, m'nheer, 't is Femke! riep de verbaasde Wouter, die maar niet begrypen kon dat-i geen antwoord kreeg.
Ook Holsma en Oom Sybrand waren verbaasd, doch niet als Wouter, die zich by 't hoofd greep om te voelen of-i wel terdeeg wakker was?
--Nu, kinderen, zei eindelyk de dokter, je kunt straks aan moeder vertellen dat we haar gezien hebben.
En, zich tot Wouter keerende:
--Dat meisjen is 'n nicht van ons...
--O ja... Femke!
--Neen, ze heet anders, en...
--M'nheer, 't is Femke! Zou ik Femke niet kennen!
Ei, Petrusje! Dit klinkt reeds geheel anders dan: wie is die meid? Of... dan zelfs dàt niet!
Op-eens kreeg 't vreemdsoortig meisje dat haar groote blauwe oogen onbeschroomd door de zaal liet dwalen, onzen kleinen jongen in het oog. Ze bukte voorover, staarde hem met aandacht en inspanning in 't gelaat, knikte vriendelyk, en wierp hem 'n kushand toe...
Zoo meende hy, en zoo wàs het. Maar 't geheel parterre was ditmaal al te zeer van zyn gevoelen. Ieder meende dat ze hemzelf, of allen meenden dat zy allen gegroet had. De deftige lui ergerden zich aan de verregaande onbeschaamdheid van zoo'n boeredeern--in hoofdsteden heet elk provinciaal 'n boer--en de meer vroolyk gestemden beantwoordden haar groet met spottende overdryving. Weldra echter werd er gesist. Uit de hoogere sfeeren kwam de tyding neerdalen dat 's konings nicht, prinses Erika, 'n blyk willende geven van sympathie voor 't Nederlandsche Volk, zich kwam vertoonen in "nationaal kostuum" of wat by vreemdelingen daarvoor doorgaat.
--O god, geloof er niets van, m'nheer Holsma! Ik zeg u dat het Femke is, verzekerde Wouter met tranen in de oogen.