De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz

Chapter 9

Chapter 93,944 wordsPublic domain

--Wou je nog wat? vroeg z'n goedige Najade.

--Neen, neen, o neen, antwoordde hy snel, bevreesd dat 'n nieuwe straal--de slinger rees al!--hem weer de spraak zou afsnyden. Neen, maar...

De onschuldige vrouw begreep niet wat hy wilde. En daar-i als 'n klomp en in-een gedoken zat:

--Heb je véél pyn? vroeg ze.

--Neen! Pyn juist niet, maar ...

--Ben je misschien moe van 't ryden?

--Van 't ryden? Ja, ja, ik ben erg moe!

--Dàt is het! riep Vrouw Claus. En ik heb 't wurm in z'n slaap gestoord! Weetje wat we doen zullen? Je moet wat slapen... dat denk ik er van.

En met 'n onbeschroomdheid, waarvoor ik eerbied vorder van den lezer--zouden er zyn, die hiertoe te laag staan?--droogde zy Wouter af. Ze trok 'n beddelaken van de schutting, wikkelde hem--zoo opgevouwen als-i was--daarin, en droeg 'm weg als 'n pakje waschgoed.

Hy voelde dat ze hem neerlegde, en warm toedekte...

--Strek jy je beenen gerust uit, m'n jongen, als ze maar... in-godsnaam niet gebroken zyn.

Wouter deed wat ze gelastte, en voelde 'n onbeschryfelyke gewaarwording van welbehagelykheid. Z'n lichamelyke aandoening steeg tot verrukking, toen z'n voedster de dekens naast hem "instoppende" de heerlyke woorden uitte:

--Ja, slaap maar, arm kind. Je ligt daar goed... dat is 't bedje van onze Fem, weetje!

Op Femke's bed! Wèl mocht Vrouw Claus zeggen dat dit hem goed zou doen! Was 't niet jammer dat-i de kracht niet had, zich wakker te houden om te blyven beseffen waar-i was! Hy beproefde dit... als kleine man en als ridder, maar hy bezweek als 'n mensch.

Doch hoe plezierig 't wakkerblyven zou geweest zyn, ook de slaap--nu van gezonder aard dan zoo-even op dien boomwortel met wat gras er naast--werkte weldadig. Straks by 't ontwaken, zoud-i heel op z'n gemak aan Femke denken. Zoo had hy zich voorgenomen toen-i Vrouw Claus hoorde wegsluipen tot halfweg de deur. Voor ze die geheel bereikt had, nam hy niets meer waar, zelfs z'n droomen niet.

Wel beschouwd, hy had tot-nog-toe niet te klagen over Fancy's leiding, al koos ze vreemde middelen om hem optevoeden tot mensch...

Want--onder ons, lezer--dáárop eigenlyk scheen de zaak aangelegd!

Toen-i zoo ongeveer tegen vier uren in den namiddag wakker werd, hoorde hy fluisterend spreken. Hy spande zich in, eerst om te weten waar-i was, toen om te begrypen hoe hy daar kwam, en daarna om te verstaan wat er gezegd werd.

Het scheen er op toegelegd, op-nieuw voedsel te geven aan de zonderlinge verwarring tusschen Femke en Sietske, die in z'n gemoed ontstaan was. Zeer duidelyk hoorde hy Vrouw Claus zeggen:

--Ja, Siet, maar... wat doet-i op zoo'n paard! Als ik z'n moeder was...

En hoe Sietske nogal nuffig antwoordde:

--Nicht, ik denk dat z'n moeder er niets van weet. Herman heeft het ook eens gedaan, want, nicht, de jongens zyn zoo!

Dus: Sietske was dáár! En... Vrouw Claus was haar nicht, en heette ook Sietske! En... 't meisje dat op de tafel stond...

Och, op-eens voelde Wouter zich weer minder gelukkig! Hy kon maar in 't geheel niet wys-worden, noch uit het gebeurde, noch uit z'n aandoeningen. Lichamelyk gevoelde hy zich welvarender dan ooit...

Nooit had-i zóó 'n bad ondergaan, nooit zóó geslapen, na zóóveel spanning en vermoeienis!

...maar juist dit gaf hem volle ruimte om verdriet te voelen over de verwarring van z'n denkbeelden. Was... dàt, dàt en... dàt, wáár, of was 't niet waar? Daarop moest orde gesteld worden! Straks misschien zou men hem komen vertellen dat-i op 't bed lag van Klaas Verlaan, of van de liefelyke weduw Gooremest!

Neen! Zóó ver zou de helsche spokery niet gedreven worden! Hy lag wel inderdaad in Femke's kamertjen, of in haar bed toch, want 'n byzondere kamer had ze zeker niet.

--Als ik nu 'n stuk uit het laken knipte, dach hy, om morgen te kunnen zien en tasten, en zeker te zyn?

En hy bracht er Samuel 26 by te-pas, en droomde zich voor, hoe hy Femke zou bezweren dat-i haar spies en waterkruik niet had meegenomen om te dienen als getuigen tegen háár--'n spies zag hy niet, maar 'n Rebekka stond er--doch alleen om zichzelf 't zwygen te kunnen opleggen, als hy eens later weer mocht beginnen te vragen, te twyfelen, te ontkennen...

Wat overigens het beddelaken aangaat, waaruit hy naar Davids voorbeeld 'n slip snyden wilde... 't was eigenlyk jammer dat-i niet aan zeer fyn linnen gewoon was. Dit belette hem, de poëzie van 't byzonder grove te genieten. Rein wàs dat lynwaad, als zy die daartusschen geslapen had! Maar Wouter stond nog in lang niet hoog genoeg, om gevoelig te zyn voor schoonheid in 't geringe. Was-i niet nog kinderachtig verslingerd op fluweel, goud, satyn, en zulke voddery? Het zeer grove weefsel van die lakens was wel inderdaad nog altyd te grof voor z'n smaak, doch hierom alleen wyl die smaak niet fyn genoeg was om de tegenstellend-fyne beteekenis der grofheid van dat weefsel te waardeeren. Gelyk zeker soort van boekenmakers, zoud-i 'n prinses laten slapen op geborduurde zyde... waarom niet op paarlen, tusschen lakens van scherpgeslepen diamant? Hy wist nog niet dat men zich--behoudens alle deftigheid, en eerbied voor de grondwet--Koninklyk-Keizerlyke Hoogheden by-nacht, ànders kan voorstellen, en dat eenmaal misschien 'n prinses zich te gering achten zou, om Femke's bedje te schudden.

Neen, neen, zóó ver was Wouter nog niet! Toch keek hy met innig genoegen 't kamertje rond, en ademde den geur in, die z'n verbeelding meedeelde aan alles wat-i zag. Al voelde hy zich dan niet in-staat, den hier uit alles sprekenden eenvoud boven boekerige majesteit te stellen, toch was-i reeds genoeg gezuiverd van 't àllergemeenste, om die eenvoudigheid hooger te schatten dan 't benauwd-burgerlyke waaraan-i gewoon was en dat hem zoo kwelde. Aan paleizen--die hy nog nooit gezien had--bleef-i nog altyd de voorkeur geven boven 'n hut. Maar te kiezen hebbende tusschen hutten en huizen, tusschen armoede en burgerlijkheid... o, dan helde z'n smaak onvoorwaardelyk over naar den kant van 't geringste.

En, alweer bedroog zich z'n smaak! Om nu niet te spreken van 't onrecht dat-i aandeed aan wat ik nu in één woord: "burgerlykheid" noem, door de achter- onder- boven- voor- zy- en opkamertjes waarin dat maatschappelyk standpunt zich tot-nog-toe aan hem had geopenbaard, te verheffen tot type--hy zag, door vergelyking dáármee, de Holsma's voor ryk en voornaam aan--in veel wyder opzicht beging-i 'n fout. Noch hutten, noch grove beddelakens, noch achterkamers, noch paleizen, noch zelfs... de puistjes van 'n Palatine, bedingen--d. i. veroorzaken of weren--de poëzie! Voor haar is dit alles gelyk. Zy zoekt en vindt haar voedsel in 't schynbaar geringe, niet meer--maar vooral niet minder ook!--dan in voornaamheid. Gelyk 'n godin--dit is ze, en... de eenige!--alles overziend, alles waardeerend op juisten prys, alles vervormend naar háár beeld, alles behoudend, samenvoegend en gebruikend voor háár doel, de ongelyksoortigste bestanddeelen overgietend met háár kleur, heft ze alles gelykmakend tot zich op, zonder aanzien van persoon, standpunt of omgeving. Dit is haar roeping, haar behoefte, haar Wezen.

't Was nog al wèl, dat Wouter niet naar juweelen zocht in 't kamertje van de prinses zyner ziel. In-plaats hiervan bemerkte hy dat er nòg een slaapplaats was: 'n "bedstee." Daar sliep zeker Femke's moeder. Tegen een der wanden van 't vertrek was 'n wyde gemetselde schoorsteen, alleraardigst gekleed in Delftsche ticheltjes. Ze stelde met hun allen de opwekking van Lazarus voor, en de man met wien ik den lezer by 'n vorige gelegenheid in kennis bracht [8] ontbrak niet. Wouter voelde zich door dit staal van al te wonderbewyzend realismus minder gestuit dan anders 't geval zou geweest zyn, want... op die poppen had Femke's oog gerust. Dit denkbeeld adelde alles wat-i zag. Het kamertje was overigens gemeubeld met vier matte-stoelen, waarvan een voor 't bed stond, met z'n kleêren, netjes gerangschikt en blykbaar gereinigd, er op. Zelfs z'n ryglaarsjes waren gepoetst. Die goede Vrouw Claus!

In 't midden van de kamer zag hy 'n vierkante tafel, waarin 'n lade die openstond. Het ding kon niet anders, omdat het gaapte door overlading. De ons bekende wollen kousen staken boven den rand uit, en wachtten op herstelling of misschien op terugzending naar den eigenaar... naar pater Jansen? daar was meer brei- en ook naaiwerk in die lade... goeie hemel, geestelyke onderbroeken misschien!

Wouter sloot z'n oogen, en keerde zich gemelyk om. Wollen kousen... va! Maar die onderbroeken... hy zag geen kans ze te poëtizeeren! De schuld lag aan die broeken niet, meende hy, maar aan den pastoor. Ik zeg dat de schuld aan hemzelf lag. Of er onderbroeken lagen in die uitgeschoven tafella, kan ik niet zeggen, doch zoo ja, dit zou voor Wouter geen reden geweest zyn, zoo vies z'n oogen te sluiten. We willen hopen dat-i 't maar deed om 'n voorwendsel te hebben tot nadutten. Dit kon wel wezen, want al voelde hy zich hersteld van de vermoeienis, hy was nog niet bekomen van den slaap. Toch begreep hy dat er 'n eind moest komen aan z'n Capua. Niet zonder inspanning sloeg hy de oogen weer op, en zag nu iets dat hem liefelyker voorkwam. Aan den wand by 't hoofdeneind van z'n kribbe--heel veel meer was Femke's bedje niet--hing 'n krucifix met wywaterbakje van zeer gewonen steen, waarop de bezitster hoogen prys scheen te stellen. Daaraan toch had zy de eenige versiering aangebracht, die van haar hand in 't gansche vertrek te vinden was. Het rustte tegen 'n vierkant schildje van haakwerk, dat op 'n blad karton was gespannen. Blauw glanspapier gluurde vriendelyk door de symmetrische gaatjes.

"Daarmee zegende zy zich" dacht Wouter, en onwillekeurig stak hy de hand in 't bakje...

Het was droog. Nu, om 't water was het ons protestantsch jongetje niet te doen. Hy wilde slechts z'n hand... wyden door aanraking met iets dat door háár voor heilig gehouden werd. Hy wist met dogmatische precizigheid--lieve god, op z'n katechizatie was-i de eerste in die zaken, en had er mooie pryzen mee behaald--dat Roomschen zeer dom zyn, en aan allerlei gekheid gelooven. Hierin namelyk ligt het verschil tusschen Katholieken en... andere menschen. Wel beschouwd, begreep hy dus zeer goed dat zoo'n wywaterbakje niets helpt voor de zaligheid, en dat de lieden die aan zulke prullen gewicht hechten...

Maar Femke dan? Was ook zy zoo byzonder afschuwelyk papistisch dom... zy? Wel neen, ze was... Femke! Dit beteekende heel iets anders in Wouters oog. Aan z'n eigen afgodery met háár, dacht-i in 't geheel niet. Daarvan stond niets in z'n katechismus, en hy hoefde er dus niet tegen te waken.

Heel onprotestants sloot-i z'n vingers om den rand van 't schulpjen, en trachtte zich voortestellen dat ze daar háár vingers ontmoetten. Dat steenen ding was wel Femke niet, maar 't kwam hem te-hulp in 't aanschouwelyk vóór zich dagen van haar beeld, en alzoo...

Wat is dàt?

Iets als 'n brief van zeer groot formaat, toegevouwen en dichtgegomd, viel van achter 't karton uit, en op z'n bed. Wouter nam het op, en zocht--'n oogenblik lang door naïveteit bewaard voor verbazing--naar 't adres... aan hèm, natuurlyk! Het steenen Jesusje had hem iets te zeggen, naar 't scheen. Een achtste kruiswoord misschien? Of kwam de boodschap van... haar? Of van beiden tegelyk?

Zóó was de eerste indruk van ons protestanterig vrydenkertje. Een adres stond niet op den brief, doch in-plaats daarvan, 'n datum van 'n maand of wat oud. Gelukkig dat Wouter zich 'n oogenblik bezon, voor hy den omslag losbrak. Reeds was z'n onbescheiden vinger daartoe gereed, toen-i zich nog juist by-tyds verweet dat het stuk onmogelyk aan hem kon gericht zyn. Immers, welke besteller had hem kunnen vinden in dat domicilie? Hyzelf begreep ter-nauwernood waar-i was. Dit konden bovendien noch Femke weten--hy vergiste zich: ze wist het--noch dat steenen poppetje.

Maar... 'n wonder? Gekheid! De "Heere" doet geen wonderen dan... op zeer grooten afstand en... heel lang geleden. Dit is elk rechtschapen Protestant bekend.

Uit al deze beschouwingen,vloeide rechtstreeks de slotsom voort dat de geheimzinnige dépêche onmogelyk voor hem kon bestemd zyn...

Domme jongen! De brief was wel degelyk aan hem gericht! Met al z'n wonderhekel wàs-i wel genoodzaakt den inhoud te zien, te begrypen, in zich optezuigen...

Bevend van aandoening en met eerbied plaatste hy 't kostbaar stuk--ongeopend... maar gelezen en verstaan hàd hy 't!--op de oude plaats, en sprong 't bed uit.

Hy had den gesloten brief tegen 't licht gehouden, en... zyn gekleurde Ophelia herkend. Dat beeldje bewaarde Femke in haar binnenste Heilige der Heiligen...

Nu eindelyk was-i wakker. Wie zou niet wakker worden na 't ontvangen van zóó'n brief uit den Hemel?

Nieuwe blyken der verdorvenheid van Vrouw Claus--en van den auteur--in-zake: aesthetika. Een weerbarstige verloren zoon. Verschyning van 'n muts en 'n Sybille. Geroepen, en... àls geroepen! Wouter begint iets van de "vier windstreken" te zien.

Hy kleedde zich aan, en trad in het andere kamertje, waar-i z'n gastvrouw en de kleine Sietske meende aantetreffen. Maar er was niemand. Nu eerst bedacht hy dat-i, na de weinige woorden die hy verstaan had, geen verder gesprek had waargenomen. Het jonge meisje was zeker na 'n kort bezoek by haar "nicht" reeds weder vertrokken.

En Vrouw Claus zelf? Blykbaar had ook deze haar huisje verlaten, doch ze deed het niet zonder 'n eigenaardig kenmerk achter te laten van haar ruw karakter, grove levensopvatting en gebrek aan opvoeding. Dat heeft men van de menschen die nooit verzen of romans lezen!

Verbeeld u, lezer, wat het onbeschaafde vrouwmensch zich veroorloofd had! Op 'n klein witwerks-tafeltje, waarby 'n stoel stond aangeschoven als om uittenoodigen tot plaatsnemen, lagen twee boterammen van de ons bekende soort op 'n ontbytbordje, en stonden mèt dat bordje op 'n alleronhebbelykst groote kom koffi. Die koffi was nagenoeg koud, maar... overigens? Zouden niet sommige smakelooze realisten iets als gloed meenen te ontdekken in dien toestel? Hoe jammer, niet waar, dat zoo'n vrouw niet in haar jeugd door den bekenden: "dominee die terstond bemerkte dat er wat in zat" gekuischt was met latynsche verzen! Zonder maat, rym, spondaeen of mythologie, schreeuwden die plompe boterammen:

--Tast toe, m'n jongen! Je moet honger hebben!

Zóó verstond Wouter de alexandrynen van Vrouw Claus. En hy handelde flinkweg naar z'n overtuiging, door ze met smaak te verslinden, waartoe wel eenige volharding noodig was, want waarlyk ... één mondvol meer, en 't was te veel geweest. Hy voelde zich versterkt, en ook die lauwe koffi deed hem goed. O, dat heerlyke, heerlyke proza! Zoo'n namiddag-ontbyt...

't Is waar ook! Eigenlyk was 't plan geweest, dat-i zou ontbeten hebben by...

Hy ontstelde, en verviel--nu door honger noch slaap gekweld--in angst voor den afloop van z'n zonderlinge uithuizigheid. Het huis Pieterse torende als 'n verzwelgende waterhoos voor z'n verbeelding op, en verdreef zelfs de behoefte aan opheldering van al de mysterien die hem omstrikten.

Naar huis? Hy durfde niet!

Z'n moeder, Stoffel, z'n zusters... zy allen vertoonden zich als Shakespearsche heksen, met kromme nagels, en ongekamde slangen op het hoofd. Zelfs Leentje, z'n goedig advokaatjen anders, zou hem--als by gelegenheid van de aardappelgeschiedenis--verraderlyk afvallen, en zeggen:

--Ja, maar... zieje, Wouter, dat 's ook geen fatsoenlyke manier van doen! Déze keer moet ik heusch je moeder gelyk geven. Weetje wat je doen moet? Vraag excuus, en zeg dat je 't nooit weer zult doen.

Och, och, Leentje, je weet niet wat je zegt, kind! Ik geef 't je-n-in drieën, in zessen, in tienen, om na zóó heen-en-weer te zyn gegooid...

Een oogenblik dacht Wouter aan 't vierde tafereel van den Verloren Zoon... hm! Hy wist zeer goed dat de zaak niet op vergiffenis en kalfsvleesch zou uitloopen. "Vader--dit werd: "moeder" hier, maar 't variantje doet niet tot de zaak--moeder en Stoffel dan, ik heb gezondigd...

Sakkerloot, ik hèb niet gezondigd! Niets ... niemendal! Heb ik wat verkwist? M'n erfdeel? Geen duit! Heb ik wyn gestort? Geen drup!

De zuivere waarheid! Noch juffrouw Laps, noch Vrouw Gooremest, wat dan ook overigens de grieven van deze beide dames tegen Wouter wezen konden, hadden 't recht hem aanteklagen van bovenmatige spilzucht. En... Vrouw Claus? Deze had hem, ongevraagd-ongeweigerd immers, krediet gegeven voor koffi, boterammen en verblyf... dagverblyf slechts, nu ja, maar dit kon nu eenmaal niet anders, omdat de nacht onherroepelyk was voorby geweest toen ze hem opvischte van dien boomwortel. Kon hy dit alles helpen? Was-i nu daarom prodigue, of... verloren dan, als men zich koppig houden wil aan den hollandschen tekst, die nog altyd--volgens juffrouw Pieterse--de eenig-ware is?

Wouter vloekte nogeens: sakkerloot! Verder durfde hy ditmaal niet gaan, hoewel-i terdeeg boos was. Hy kon niet wys-worden uit al z'n zonden, en begreep toch dat er iets aan hem haperde, want... naar huis durfde hy niet.

Met wyde stappen liep hy de enge kamer op-en-neer, en sprak of dacht:

--Heb ik pleizier gehad? Neen! Heb ik gastmalen aangerecht met vier dames? Neen! Heb ik jachthonden laten rondloopen in de eetzaal? Neen! Heb ik al m'n goederen op 'n kameel gepakt? Neen! Heb ik 'n zwarten knecht gehad, die m'n paard hield? Ben ik er op gaan zitten? Weggereden...

Hier bleef-i steken! Van kameelen en hooggekleurde juffers voelde hy zich zuiver. Ook van jachthonden, wynkruiken en dien zwarten knecht, maar... 'n paard? En... ryden?

Vrouw Claus was toch niet gek, niet beschonken! Had ze hem op z'n paard gezien... ja of neen? Had-i op zoo'n beest gezeten... ja of neen? Zoo neen, dan was ook dat meisjen in de herberg niet Femke geweest! Dan was zy evenmin Sietske geweest! Dan was ook die kroeg geen kroeg geweest, die schipper geen schipper, Laps geen Laps, likeur geen likeur... dan was àlles schyn, verblinding, droom, goochelspel, waan, bedrog, razerny, dolheid! Dan was ook het standbeeld met gekruiste armen en strengen blik... o God, zou ook dàt niets geweest zyn dan 'n sarrend spook?

Maar... dit was nu de vraag niet. De vraag was, hoe hy 't moest aanleggen om zich weer te doen inlyven by den huize Pieterse, waartoe hy nu eenmaal van gods- en rechtswege behoorde...

Hy pluisde de kruimels van z'n bordjen, en riep, ditmaal niet zonder onbehoorlyk zeedyksch tusschenvoegsel:

--Ik wou--...........--dat ik zoo'n kruimel was! Dan wist ik ten-minste waar ik heen moest!

En hy stak 't ding in z'n mond.

Ziedaar de eerste broodkruimel die zich beroemen kan, benyd te zyn geworden door 'n heertje van de Schepping.

--Naar... Amerika?

Dit lachte hem wel toe. Als-i maar in 't bezit was geweest van de fameuze honderd guldens, waarmee men--volgens z'n moeder--in dat land kan leven als 'n prins. Doch, nader overlegd, ook die verbazende som zou hem niet geholpen hebben. Hy kon immers 't huisje van Vrouw Claus niet ongesloten overlaten aan de hebzucht der voorbygangers? God weet wie daar al zoo vermoord zouden worden, als voorbygaande booswichten 't leeg vonden, en onbewaakt! Mocht hy z'n post verlaten, hy die aanvankelyk was uitgetrokken--'t is waar ook, maar 't was hem ontgaan--tegen roovers? En, zonder nu juist aan moord of doodslag te denken, was 't geen medeplichtigheid aan heiligschennis, Femke's wywaterbakje--en wat daar achter stak!--bloottestellen aan den ongewyden blik van nieuwsgierigen?

--Neen, neen, riep-i, en hy nam de huisgoden tot getuigen, ik ga niet naar Amerika!

Bovendien, wat zoud-i daar doen, zonder... háár? Dat de Weledele heer Motto vertrokken was in z'n eentje, was zyn zaak--ieder moet handelen naar z'n overtuiging!--maar hy, Wouter, 'n nieuw werelddeel betreden, zonder by 't aan-wal stappen, het neerteleggen voor háár voet... zonder tot háár te zeggen: trap er gerust op, daartoe juist heb ik 't expres veroverd voor jou... dat nooit!

Amerika zelf zou 'r geen vrede mee hebben! Wat is 'n ridder zonder dame? En welk werelddeel nam ooit genoegen met 'n zoo gebrekkig toegerusten veroveraar?

De zaak was nòg onmogelyker dan ze hem in-den-beginne toescheen. By nader inzien kon-i evenmin naar Amerika, als naar huis... hy had geen hoed, geen pet, geen muts! Verbysterd keek hy rond, en zag niets dat op 'n hoofddeksel geleek. Toch wel! Daar hing 'n noordhollandsch-friesche kap op 'n mutsebol, maar...

De deur werd behoedzaam geopend, en 'n onzichtbare hand die om den rand boog, hield Wouter 'n elegant mutsje voor... precies geschikt voor veroveraars, en jongeluî die 't worden willen. Wouter sperde mond en oogen op, en stond daar als 'n verbaasde Term...

Wouter's verbazing was gegrond. Hy staarde 't geheimzinnige mutsjen aan, en twyfelde weer of-i wakker was. Het aardig spookje scheen aan den rand van de deur te kleven, maar onbewegelyk was het niet. Verbysterd vroeg Wouter, alsof hy te doen had met 'n levend voorwerp:

--Waar kom jy vandaan? Wat wil je van me?

't Was al wel dat-i niet, gelyk Luther den Duivel, 't onschuldig voorwerp iets naar den kop keilde. Z'n boterambordje, byv. dat zeer geschikt was voor zoo'n worp.

Er was beweging in de deur, en ook 't mutsje trilde. Nogeens vroeg Wouter vry onthutst--'t klonk inderdaad als 'n vade retro!--wat het wilde?

Als 't mutsje zelf geantwoord had, zoud-i 't op dit oogenblik niet vreemd gevonden hebben. In-plaats daarvan echter piepte een bevend stemmetje van achter de deur:

--Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik mag niet binnen komen. Hier is je mussie ... neem maar aan... als je de rechte bent, want dat moet ik eerst weten.

Wouter bekeek zich. "Ik... naakt? Wel neen! En... de rechte? Ben ik de rechte?" Dit scheen-i niet te weten.

Hy liep naar de deur. De muts verdween, en de deur werd toegetrokken tot op 'n kier.

--Wie is daar? Wie ben je? snauwde hy.

--Ik ben 't Stakkervrouwtje. Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik breng je je mussie... as jy 't bent, de rechte!

Woedend rukte Wouter de deur open, en grimde de zonderlinge boodschapster aan ...

'n Heks, 'n ware heks! De gelykenis met een der Megaeren uit den Macbeth op z'n printen, was treffend.

Wat al overleg moet het Fancy gekost hebben om die vrouw te doen geboren worden op 't vereischt oogenblik, en haar tachtig jaar in 't leven te houden--in wèlk leven!--om dáár op haar post te zyn met 'n muts in de hand, juist toen hy om zoo'n kleedingstuk verlegen was. O, domme ondankbare Wouter! Want:

--Wat motje? zeid-i zoo ruw mogelyk.

De arme mismaakte stumpert schrok drie waggelingen achteruit.

--Is uwe niet naakt meer? Wezenlyk niet?

--Heere-krrristis, wyf--de lapsische verbazings-terminologie had school gemaakt--wat wil je van me?

Ze bekeek Wouter van 't hoofd tot de voeten.

--Ze had gezegd dat je rooie lappies op je kraag had...

--Wàt op m'n kraag?

--Rooie làppies. En 'n sabeltje!

--En dat ze je-n-onder de pomp had gezet...

Dit klonk minder onzinnig. Onder de pomp was-i geweest, inderdaad en... terdege! Maar wat er nu volgde, maakte Wouter weer kriegel.

...en heelemaal naakt had uitgekleed... as 'n wurm. En dat ik niet moest binnengaan, omdat ze niet wist of je-n-al je kleertjes áánhad. Waar is je sabeltje?

Ze hield het mutsjen op haar rug, als om te betuigen dat ze 't niet zou afgeven voor ze dat sabeltje zag.

Wouter wist niet wat-i zeggen zou, en begon weer te twyfelen aan z'n verstand. Na eenig zwygen:

--Wie bèn je?

--En wie ben jy dan, jongeheer? Ben jy 't matroossie die van 't paard is gevallen? Je ziet er niet uit als 'n matroos, en ik geef je de muts niet! Vrouw Claus zou me...

De naam van z'n gastvrye bronnefee bracht Wouter tot nadenken. Hy meende 'n gelegenheid te bespeuren, eenig licht te doen opgaan over al de geheimenissen die dreigden hem krankzinnig te maken. Op-eens van toon veranderend, noodigde hy 't oude vrouwtjen uit, binnen te komen. Ze gaf hieraan aarzelend gehoor, maar bleef den muts aandrukken tegen den onderkant van haar bochel.

--Vertel me-n-eens, zei Wouter zoo minzaam hem mogelyk was, wat je hier komt doen, en wie je gezonden heeft? Wil je niet zitten vrouwtje?