De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz

Chapter 8

Chapter 84,051 wordsPublic domain

Drie, vier "Kavaliere" vlogen als weerlichten 't paleis in, en schenen 'n wedloop te houden om den achtergelaten joujou de Normandie te halen. Een hunner--de ongelukkige!--kon den ingang niet vinden. Vreemder is 't dat de anderen wèl wisten binnen te komen, omdat het achtste wereldwonder eigenlyk geen ingang hééft, 'n byzonderheid die zeer gevoegelyk voor negende wonder kan doorgaan, en dan ook een der hoofdgronden is van den rechtmatigen trots der Amsterdammers. Paleizen of Stadhuizen met 'n behoorlyke deur of poort kan men overal te zien krygen.

Twee ridders des Heiligen Roomschen Ryks betwistten elkander de eer van 't veroveren... nu ja, veroverd werd er niets, maar ze kwamen te-gelyk aanloopen met den joujou. Ze schenen 'n compromis te hebben gesloten, en klemden beiden juist even ver duim en wysvinger om 't gouden doosje waarin 't kleinood bewaard werd. Beiden lachten en bogen by 't aanbieden, met gelyke allerunterthänigste Pflichtschuldigkeit. Onder beiden verdeelde de rechtvaardige Palatine haar tevredenheidswenk van den zevenden rang. Beiden klopte het hart met gelyke slagen, en wie op 'n goudschaaltje de zieleverrukking van die twee eendrachtige heeren gewogen had...

Toch ontstond er later twist. In den jare O. H. tweeduizend zóóveel, procedeerden de naneven van die twee ridders, over de voorzitting in 'n demokratisch kieskollegie. Ridder A zou volgens de traditie z'n wysvinger een millimeter verder onder de doos hebben uitgestrekt dan de helft, en dus grooter aandeel hebben gehad in... grooter aanspraak op...

Gekheid! riepen de afstammelingen van z'n mededinger B. Onze voorvader heeft er ook den ringvinger aan geslagen! Ziedaar ònzen titel, ònze aanspraak! Welke onverlaat zou in deze demokratische eeuw, de rechten miskennen... enz.

--Zieje wel dat ze puissies in d'r gezicht het! riep de schoenmakersleerling.

't Was de waarheid! Koninklyk-Keizerlyke puisten! Menschelyke puisten! Dit had geen der poppen op Wouter's printen. Al z'n gekleurde prinsen en prinsessen verheugden zich in gave gezichten, en 't viel hem zeer tegen, dat 'n dame die tot den stoet van koningen en keizers bleek te behooren, zoo bitter weinig op z'n printen geleek. Als hy 't mensch gekleurd had, zou ze 'r beter uitzien, meende hy.

Hoe geheel anders was dit met... háár, met Femke! Zy had frisscher gelaat dan-i met al z'n vleeschkleur schilderen kon. En 'n houding! Nu kwam hem op-eens voor den geest aan welke figuur ze hem had doen denken, toen ze daar stond met half-opengeslagen mantel by 't flikkerend kaarslicht: aan konigin Elisabeth van Engeland... juist!

Maar deze vrouw met haar puistjes? Gut, ze kon best 'n waschvrouw wezen, 'n allergewoonste waschvrouw, die nog slordig blauwde op den koop toe, en zoekgeraakte mansetten te vergoeden kreeg.

Het onaanzienlyk voorkomen van de Paltsgravin, werkte zeer... burgerlyk op Wouter's verbeelding, en 't kwam hem niet heel waardig voor, prinses te wezen, als men daarby puistjes in 't gezicht hebben kon gelyk ieder ander. Hy beloofde zich vast en zeker, dat-i nooit Femke verlaten zou om-den-wille van welke Majesteit ook.

Wel voelde hy eenige yverzucht op 'n zeer jong mensch die kort na 't wegryden van de Paltsgravin, 'n opening in 't Paleis scheen gevonden te hebben, en naar buiten trad. Gelyk 'n deel der andere Kavaliere--de meesten torschten 'n witte pruik, met 'n staartjen in den nek--droeg hy eigen haar, dat vry lang was, en hem los om de schouders slingerde. Z'n kleeding was 'n eenigszins fantastische variant op de uniform der adelborsten van die dagen. De kleur van z'n buis was donkerblauw, met roode opslagen aan hals en mouwen, doch zonder 't minste goud, wat by de schitterende uitmonstering van al de andere heeren, zeer in 't oog viel. Ook droeg-i geen ridderorde, en scheen dus 'n gedistingeerd persoon te wezen, al ware 't hierom alleen dat-i minder dan alle anderen op 'n begunstigde koninklyke kamerdienaar of 'n hansworst geleek. Op z'n hoofd had-i 'n zoogenaamd schotsch-mutsje, zooals ligt-matroosjes gaarne dragen. Twee jockey's brachten 'n schoon paard voor, dat door den een by den teugel werd gehouden, terwyl de ander den stygbeugel hield.

--Dat 's god-straf-me-n-'n jonker! zei 'n sjouwerman. As de bliksem zes man 't grietje-want in, om dat vet in 't blok te klaren!

--Mot hy op dat paard? vroeg 'n oud-kavallerist, die 't in zyn vak gebracht had tot "oppasser" van ongetrouwde ouwe-heeren. Weetje wat ik zeg? Ik zeg: 'n zeeman op 'n paard, is 'n gruwel in Gods oog!

Wouter was te onbedreven in de vakpedanterie dezer beide pronkstukken van mislukte soldaat- en zeemanschap, om hun spotterny te begrypen. Voor-i gereed was met het ontcyferen van dat "vet in 't blok" en dien "gruwel" sprong prins Erik, den stygbeugel versmadend, op den goudvos. De toeschouwers schrikten van 't steigeren, en maakten zich gereed om wegtestuiven zoodra 't wilde beest blyk mocht geven dat de "kleine steentjes" te nauw waren voor den stryd dien 't met z'n ruiter aanving. Het zette den kop in de borst, steigerde, schoot vooruit, en stond op-eens pal, zwenkte onverwacht, brieschte, schudde de manen, schopte, trachtte z'n ruiter over-kop te werpen ... alles te-vergeefs! Of prins Erik 'n gruwel in Gods oog was, weet ik niet, maar hy zat vast in 't zaal, dit is zeker.

--Dàt 'n zeeman? riep de oud-matroos--die in zyn tyd den welverdienden bynaam droeg van "lamstralige snertmalènger"--dàt 'n zeeman? 't Is de vraag of-i 't verschil kent tusschen'n bezaan en 'n fok! Al die rykeluîs-zoontjes komen de kajuitspoort in! Ik en 'n ander kruipen door de kluisgaten, zieje! Dat 's 't ware!

En, als om op deze diepzinnige meening 't zegel te zetten, verschikte hy z'n tabakspruim van rechts naar links.

--Hm, zei de kavalerist-kleerenklopper, hy heeft meer 'n paard tusschen de pooten gehad! Anders ... ik wil maar zeggen dat zoo'n pallas van anderhalf verrel, 'r heel mal by staat. Die vliegeprikker slingert het arme beest tegen de beenen. Hy moest dat ding opgespen.

Prins Erik gespte niets op. Hy vermaakte zich met temmen van z'n paard. Toen dit gelukt was, begon hy op zyn beurt het schoone dier te plagen, en kittelde het met de sporen, onder 't inhouden van den toom. Telkens gaf het blyk van goeden wil, maar scheen wat straf te-goed te hebben voor z'n speelschen moedwil van zoo-even. Eindelyk scheen de ruiter voldaan. Hy liet den vos, die niets liever wilde dan de nog altyd wegrollende rytuigen narennen, z'n zin, en schoot vooruit. De dunne gordel omstanders brak af, en op-eenmaal bevond zich de ruiter voor 'n kruiwagen, die de dubbele funktie vervulde van voertuig en augurken-magazyn. Nog juist by-tyds hield de jonge ruiter z'n paard even in, maar toch... 't was te laat om te wyken. Op-eens liet hy den teugel schieten, en 't vlugge dier sprong welberaden over 't beletsel heen.

De weinige toeschouwers riepen: hé! en onze prinselyke adelborst joeg den stoet rytuigen na, die sedert eenige oogenblikken in de kalverstraat verdwenen was.

Het schoenmakertje, dat zooveel blyk gegeven had op de hoogte van hofzaken te wezen, beweerde dat "ze" den Diemermeer zouden doorryden, en, van daar terugkeerend, al de buitensingels om, door de Haarlemmerpoort weer naar 't Paleis.

Wouter verheugde zich hartelyk in z'n afkeer van de puistige Prinses. 't Was hem als 'n geschenk van 't lot, dat hy eens eindelyk iets had te zien gekregen uit 'n sfeer die van de zyne zoo hemelsbreed verschilde, en dat toch z'n begeerigheid niet opwekte.

Met dat schoone paard was 't iets anders! Wat 'n sprong! En wat die jonge ruiter 'n lief gezicht had! Precies Hamlet... vóór 't kleuren! Zoo'n paard zou hy ook wel eens bezitten, als-i maar op goeden voet bleef met Femke...

Dit scheen hem de eenige bron van alle geluk!

...als Femke hem maar lief had! En... zoo niet? Wel, dan verkoos-i niet eens 'n paard te hebben, geen ezel zelfs, en ... niets! 't Was immers juist om door háár te worden bewonderd, dat-i z'n beest zulke sprongen wilde laten doen over kruiwagens, of... hooger dingen!

In afwachting van die gelukzaligheid te-paard, sukkelde hy voorloopig op z'n voeten verder, en raakte weldra in de buurt van Femke's huisje.

Hier zette hy zich op haar bleekveldjen in 't gras, en peinsde, en voelde zich overmand van vermoeienis, en viel in 'n slaap die meer onrustig dan verkwikkend was.

Hy droomde allerlei vreemde dingen, waarvan de hoofdzaak was dat 'n jong meisjen op 'n tafel stond, en zich vermaakte met het opwerpen en vangen van zware mannen in schippersdracht. Ze speelde er mee, of 't ballen waren...

--Laat ik haar nu goed aanzien, vermaande zich Wouter. Straks rydt zy de lucht in ... ze ziet niet op 'n daalder... en daarom... al is 't nu maar 'n droom...

En hy zàg. Hy staarde zoo scherp als men dat in 'n droom kan, en hy onderscheidde duidelyk de trekken van ... de kleine Sietske Holsma!

Zéker was zy het! Want ze riep heel verstaanbaar: 'n "massa" is 'n heele troep, weetje!

En met zoo'n massa--die precies geleek op Klaas Verlaan en de zynen--kaatste zy...

--Dàt zal ik nu eens goed onthouden als ik wakker word, beloofde zich Wouter. Men hoeft zulk volk maar tusschen duim en vinger in den nek te pakken, en 't gaat vanzelf. Ik zal 't opschryven, want zoo'n droom...

Van Femke geen woord, helaas! Zou men niet bevreesd worden inteslapen, als men bedenkt dat dit ons verleiden kan tot zooveel ontrouw, tot zoo'n valsheid?

Lezers die gesteld zyn op deftige poëzie, kunnen ook dit hoofdstuk weer overslaan. 't Is vol prozaïsch realismus, zich openbarend in de hydrogymnastische oefeningen van 'n kastalische-fonteinnimf--tevens van beroep: waschvrouw--met 'n ridder in de luur, die 'n brief ontvangt uit den hemel: mirakel!

Toen Wouter zich in 't gras zette met z'n rug tegen 'n boom, was z'n voornemen daar te blyven zitten wachten tot-i leven bespeuren zou in Femke's huisje. Al was 't dan hoogstonzeker of ze zich dáár bevond, toch immers zou hy dan iets vernemen. In-allen-geval kon haar moeder hem zeggen, zoo hoopte hy, of ze behouden was thuis gekomen, en of de wond in haar hals of gezicht van beteekenis was? Want bebloed was ze geweest, dit had-i duidelyk gezien.

Hy wist niet of ze gedurende haar tydelyke funktien by de Holsma's--'n nicht... hoe zàt dat in elkaar!--op de Kolveniersburgwal sliep, of 's avends te-huis kwam by haar moeder. Maar hoe dit wezen mocht, iets zou hy nu zeker vernemen, als-i maar wachtte...

Helaas! Om hem overeind te houden, waren drie stevige boomen niet te veel geweest, en hy had er maar één. Hy viel dan ook weldra om, en lag daar alleronfatsoenlykst. Z'n petje rolde in de sloot, en verdween langzaam maar zeker onder 't kroos.

De zeer enkele voorbyganger die hem bemerkte, meende dat daar 'n beschonkene lag, en was ruimschoots in de gelegenheid om bespiegelingen te maken over de al te vroege rypheid van zoo'n jong ventje. Een onderzoek naar de oorzaken van 't geval--hy toch kon ziek, gewond of dood wezen--lag niet in de zeden. Dat zyn politiezaken. 't Was volgens die zeden al wel, dat niemand hem leed deed.

Gelukkig was 't aantal voorbygangers, om 't vroege morgenuur, nog zeer gering. Bovendien, hy lag niet zeer naby het pad dat door 't grasveldje kronkelde, en de meesten gingen voorby zonder hem te zien. Maar straks als er gebleekt moest worden, zoud-i in den weg liggen, dat was zeker.

Z'n droomen blyven--als 't wakend leven-zelf--'n zonderling mengsel van schyn en werkelykheid. Een beetje waarheid, en veel bedrog ...ziedaar alles! Om rechtvaardig te zyn jegens slaapdroomen, moet men erkennen dat ze maar beschikken kunnen over één soort van leugen. Even als dichters en lasteraars!--vinden ze niets uit, en bepalen zich tot eenige verandering in 't rangschikken of samenvoegen. Personen, zaken en denkbeelden wisselen gedurig van rol, en leenen van elkander 't heterogeenste. Wouter droomde precies als 'n ander in zyn geval zou gedaan hebben, d. i. onder den indruk van de gegevens die hem waren meegegeven in den slaap, en van den boomwortel waarop z'n lenden waren te-recht gekomen. Die wortel speelde voor juffrouw Laps die hem pynlyk omhelsde, maar ze sprak daarby als oom Sybrand, over taal en kippenhokken. Z'n moeder zag het aan, en geleek op koningin Elisabeth die, volgens haar, Amerika had gekocht, en betaald met háár geldje: honderd kromme pietjes. Klaas Verlaan droeg 'n fluweelen mantel, en zat schrylings op 'n gevleugelden kruiwagen vol augurken, waarmed-i heensprong over 'n dame vol puistjes en ridderorden. Daar kwam ook: "massa"--persoon geworden--met 'n pruim in den mond, en verklaarde dat-i Gooremest heette en op de Keizersgracht woonde, waar-i "met God" in effekten deed. Een zevenklapper hield redevoeringen over menschenrecht, en beukte Wouter in de ribben ... dit was weer de schuld van dien wortel. Een vries-bont boezelaar zong: honneur au plus vaillant, en scheen daarmee broêr Stoffel te bedoelen, die er naar stond te luisteren, en met allerliefste bescheidenheid 'n wolk van toegeworpen lauwerkransen opving op 'n yzeren leerlineaal.

Zoo ziet men, hoe billyk het lot is. Wie roem te-kort komt in werkelykheid, krygt z'n deel in 'n anderen droom.

Maar, in-weerwil van 't vermoeiend geflikker dezer half-uitgewreven en bont dooreen gemengde beelden van z'n herinnering, behield één figuur vry standvastig haar trekken. Ze beheerschte elk tooneel dat aan Wouter's verbeelding voorbyschoof. 't Was die van 't meisje dat op 'n tafel stond, en haar armen kruiste.

--Lieve goeie god, jongen, hoe kom je dáár? Hoe kom jy daar?

Zoo sprak 'n stem, eerst op eenigen afstand, toen naderby, en weldra zelfs aan z'n oor. Hy had 'n flauw besef dat iemand bezig was hem opterichten.

--Sietske! mompelde de slapende.

--Ja, zoo heet ik! Maar hoe weet jy dat?

--Sietske... Holsma!

--Wel zeker! Maar wie heeft je dat gezegd? En hoe kom je hier? Heel fatsoenlyk is 't niet! Ben je dronken? 't Is 'n groote schande voor zoo'n jong bloedje!

Ja, zeker was-i dronken. Maar 't was nog altyd van den slaap. En nogeens sprak hy den naam van Sietsken uit.

--'t Kan me niet schelen dat je me by m'n voornaam noemt, maar ... hoe kom je 'r aan? Heeft Fem je zoo wys gemaakt? 't Is 'n ware schand voor god, dat ie hier zoo ligt als... 'n zwyn, dat zeg ik je! En zoo-even nog... geen uur geleden, zat je d'r op als 'n banjer... 't Is schande, zeg ik!

De persoon die aldus tot hem sprak, was by hem neergeknield. Ze richtte hem wat op, en hy viel wezenloos tegen haar aan, zoodat ze wel genoodzaakt was, hem weer in 't gras te leggen.

--Och, och, och, 'n waar schandaal! Zoo jong nog, en dan al zoo gruweloos aan 't verpieteren!

De vrouw die zich met Wouter bezighield, scheen te willen voortgaan met de niet ongewone fout, 'n beschonkene z'n schandelyken toestand te verwyten op 'n oogenblik dat-i onvatbaar is voor rede. Maar op-eens bedacht ze zich, en, van toon veranderend:

--Och, lieve god, 't is waar ook, riep ze, hoe kan ik zoo praten! 't Kind is van 't paard gevallen, de stumpert! Jesis-Maria, wat ben ik 'n gemeen schepsel! Zeg, jongeheer, ben je van je paard gevallen? Och, och, och, wat doe je-n-ook op zoo'n beest! En... waar is je skos-mussie? 't Stond je zoo aardig! En je sabeltje? 't Rinkelde zoo! En nu al dood... Jesis-Maria! En je kleertjes? Och, lieve god, hy is dood, en... van z'n paard gevallen! Ben je dood?

--Sietske! mompelde Wouter.

--Goed, goed, noem jy me gerust by m'n naam. Ik geef er niets om, want groots ben ik niet, als je me maar zeggen wilt of je dood bent! Och, och, och, Maria-Josef, hy is dood! Als Femke maar hier was!

Daar trilde iets in den zevenslaper: Femke! Was zy 't? Femke? Was 't niet Sietske?

--Sietske ben ik, zei... Vrouw Claus.

Deze vreemde mededeeling was de moeite van 't oog-opslaan waard! Maar ze vielen weer toe, en hy tegen haar aan.

--Je mag me noemen zooals je wilt--gut, waarom niet? Ik ben waschvrouw--als je me maar zeggen wilt of je je bezeerd hebt, en of 't erg is? En waar is je geruite muts? 't Is schande van je moeder, dat ze je-n-op zoo'n beest zet ... 'n ware schande! Zeker heb je armen en beenen gebroken? En je ribben? En misschien je nek, hè? Zeg 't maar, jongen! Ja 't is schande van je moeder! Zoo-even zag je 'r nog zoo snoepig uit ... geen uur geleden! En nu ... leg maar gerust tegen me-n-aan. Och, wat zal Fem er van zeggen? De meid zal desperaat wezen, en... ik ook!

Wouter richtte zich 'n weinig op, en wreef zich de oogen uit.

--Zeg, wat is er aan je gebroken? Wil je dat ik pater Jansen laat roepen? Och, 't wurm kan niet spreken! Wat is er aan je stuk?

--Stuk? Gebroken? Aan my?

--Ja, stumpert, zeg 't maar!

Wouter betastte zich. Toen z'n hand de plek bereikte, waar die boomwortel z'n plooien en knoesten had ingestempeld, nam z'n gelaat 'n vragende uitdrukking aan. Geheel overtuigd dat men hem niet buiten z'n weten had geradbraakt, was-i niet!

--Gebroken? Stuk? Ik?

--Wie anders?

--En... wie zou dat gedaan hebben?

--Wie? Wèl ... jyzelf, stumpert!

--Ik?

--Wat doe je-n-op zoo'n beest!

--Op 'n beest? Ik op 'n beest?

--Weet je dan niet dat je d'r afgevallen bent?

--Ik? Van 'n beest gevallen? Van welk beest?

--Van 'n paard immers? Weet jyzelf dat niet? Ben je dan toch... misschien... 'n beetje... dronken ook?

--Ik? Dronken? Van 't paard gevallen? Ik?

En hy legde beide handen met wyd-uitgespreide vingers op de borst, als om met onomstootelyke zekerheid vasttestellen van welke ikheid hier de rede was:

--Ik? Ben ik dronken? Ben ik van 't paard gevallen?

--Wat ànders? Wie ànders?

--God, god, hoe is dàt mogelyk?

En nogeens betastte hy z'n rib die 't cachet droeg van den boomwortel. Daarop greep-i Vrouw Claus by den arm, en schreeuwde, op elk woord drukkende:

--Je... zegt... dat... ik... van... 'n paard... ben... gevallen?

--Ja, schaap, dàt zeg ik! Houd je bedaard!

Nu sloeg Wouter de handen aan z'n hoofd, misschien begrypende dat dààr de ikheid woonde die geraadpleegd worden moest. De slotsom van z'n overwegingen schynt zonderling, maar is natuurlyk:

--Ik wou me graag eens wasschen!

--Wel, dàt 's goed! riep Vrouw Claus verheugd. Zou er dan waarlyk niets aan je kapot zyn? En waar is je muts?

--Wasschen, ging Wouter peinzend voort, met heel koud water!

--Goed, jongen! Kom maar mee naar de pomp! Ben je zeker dat je loopen kunt? Heb je je beenen niet gebroken?

Wouter betastte ze, en zei zonder de minste overyling:

--Ik... geloof... het... niet!

--En je ribben?

--Ook... niet!

--En je nek?

--N...e...e...n!

Om de goede vrouw gerusttestellen, schudde hy langzaam 't hoofd, maar hy had wel eenigen moed noodig om die gymnastische bewysvoering te beproeven. 't Mocht eens niet lukken!

--Kom dan mee naar de pomp! En... zeg eens, jongen, maar jok niet, ben je altemet niet 'n beetje... dronken ook? Zeg de waarheid!

Wouter stond langzaam op, bedacht zich vry lang, en zei, blykbaar na konscientieuze raadpleging van z'n herinneringen:

--Ik geloof het niet! Maar... ik wou me zoo graag wasschen in heel, heel, heel koud water... koud als ys!

Vrouw Claus geleidde hem in en door haar huisje naar 't erf daarachter, waar 'n groote pomp stond.

--Kleed jy je maar gerust uit, m'n jongen! Niemand kan je hier zien. Maar... hoe kwam je 'r toe, my zoo op-eens by m'n voornaam te noemen? Niet dat ik 't kwalyk neem, gut né, maar...

Geheel wakker was onze slaper nog niet. Hy had tyd noodig om z'n herinneringen te regelen, en 't werkelyk gebeurde te zuiveren van de laatste droomerige toevoegsels, Hy verzekerde daarom dat-i... hoofdpyn voelde, en niet zou kunnen spreken voor-i zich behoorlyk gewasschen had. Vrouw Claus bemerkte dat-i te beschroomd was om zich te ontkleeden. Met kostbare naïveteit dacht zy te-dezer-zake in 't minst niet aan zichzelf, en meende al heel veel gedaan te hebben om Wouter gerust te stellen, door 'n paar lakens over den rand van 'n latten-schutting te slaan, zoodat nu 't erfjen, op de zoldering na, vry wel naar 'n afgesloten kamer geleek.

--Zie zoo, m'n jongen, nu kan geen mensch je zien, geen sterveling! Wie dáár overheen kykt, moet knap wezen!

Geen "mensch" geen "sterveling?" En zy dan? Wouter wist waarlyk niet hoe hy 't had. Gister nog zoud-i misschien zonder den minsten erg...

Ach, hy was zooveel ouder sedert gister! En 'n beetje wyzer ook! En dus... iets minder onnoozel ook! Of hoe anders moet het heeten, die schroom om zich te stellen op de laagte of hoogte van Vrouw Claus?

--Ja, ja, ik begryp best wat je mankeert, zei ze. Je hebt je leedjes niet tot je wil, dàt is het! Wat doe je-n-ook op zoo'n beest!

En ze pakte hem flink beet, en begon hem te ontdoen van z'n kleeren, en Wouter liet haar begaan alsof hy vyftien jaar jonger geweest was. 't Moest wel! Hy voelde zich vernietigd, en al wat in hem was, loste zich op in één uit afmatting berustend: in-godsnaam! De flauwe tegenstand dien-i nu-en-dan bood, werd door z'n baker opgevat als kinderlyken gril, en dáármee wist ze raad! 't Scheelde weinig, of ze had er 'n "suia, suia, kindje" by gezongen. Want--honni soit qui mal y pense!--zoo bakerlyk was haar indruk by 't uitkleeden van den jongen ridder.

Toen ze gereed was, zette zy hem op 'n laag bankjen onder de pomp, en sloeg de hand aan den slinger. By de eerste druppel rilde hy, en weldra klaterde 'n breede waterstraal hem op hoofd en schouders. Van teweerstellen was geen spraak. Hy kon zien noch spreken, en Vrouw Claus vatte z'n "brrr!" dat misschien beteekenen moest: "genoeg, genoeg!" als 'n betuiging van tevredenheid op.

--Ja, zieje, na zoo'n val stygt het bloed...

'n Pompslag!

--Brrr!

...naar je hoofd! En de kou van 't water...

'n Pompslag!

--Brrr!

...als je maar niet je nek gebroken hebt...

'n Pompslag!

--Brrr!

...want dan helpt het niemendal! En...

'n Pompslag!

--Brrr!

...als je ribben stuk zyn, ook niet! Zou je niet...

'n Pompslag!

--Brrr!

...denken, dat het nu genoeg is! ik heb...

'n Pompslag!

--Brrr!

...pyn in m'n milt! Maar anders, ik...

'n Pompslag!

--Brrr!

...ik wil wel! Zoo lang als je maar...

'n Pompslag!

--Brrr!

... als je maar wilt!

Op-eens hield zy op, maar liet den slinger niet los, zeker om blyk te geven van goeden wil om terstond weer te beginnen, als de patiënt het verlangen mocht.

--Gut, ik heb vergeten je te vragen of je misschien liever hebt...

--Brrr!

...dat ik je boen met groene zeep? Zoo wascht zich onze Fem altyd, weetje? 't Vel glimt er zoo van! Je moest haar rug eens zien... 'n ware spiegel, kompleet 'n spiegel!

Wouter wilde heusch iets zeggen, maar kon niet. Wàt zoud-i gezegd hebben? Femke's rug, een... spiegel?

--Ja, en haar voorhoofd ook? Heb je dat nooit opgemerkt? Nu, dat komt alleen van de groene zeep! Is je moeder niet gewoon je te wasschen met groene zeep? En dan... boenen, weetje, schuieren, schuren, flink! Maar ben jy gewoon 't zonder zeep te doen? Gut, dat wil ik ook wel...

En ze maakte zich gereed om weer te beginnen. De vreeselyke slinger rees...

--Ik... geloof... heusch... dat het nu wel genoeg zal wezen, bibberde Wouter.

En hy kreeg 'n gulp water in de mond, zoodat zy hem alweer niet verstaan kon.

--Groene zeep is ook goed voor peesknoopen...

--Brrr!

...en rimmetiek! Als je maar van-binnen niet heelemaal stuk bent, want dan...

--Brrr!

...is er niks an 'n mensch te doen.

Het was niet zonder inspanning, dat Wouter, koud, moe, beschaamd en gebiologeerd, het waagde zich en z'n bankje eventjes van onder den straal wegteschuiven. Dit sprak iets duidelyker, en bad vry welsprekend om genade. Eigenlyk had-i gedurende de heele kunstbewerking niet anders gedaan, maar wat baatte het? Besef om optestaan had-i niet. En bovendien... de goeie vrouw had z'n kleeren over 'n droogstok geslagen, die niet onder z'n bereik was, en hy, gaandeweg wakker geworden, begon schaamte te voelen over z'n volslagen gemis aan bedekking. Hy bleef onbewegelyk zitten, maakte zich zoo klein mogelyk, en verschool z'n kin tusschen de knieën. Ik denk dat Adam in Genesis III ook zoo-iets gedaan heeft, en dit zal wel de oorzaak geweest zyn, waarom hy in dat verdrietig hoofdstuk van de paradyshistorie zoo moeielyk te vinden was.