De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz
Chapter 6
Ze vloog naar 't venster. Wouter ook. Er bleek nu dat de bedoeling van den haar en hem onbekenden artillerist niet boos geweest was, want niemand lette op de nieuwe toeschouwers. Bovendien, ook andere vensters raakten gaandeweg open en bezet, waardoor de aandacht van 't straatpubliek verdeeld werd. Er bleek uit niets dat men zich om juffrouw Laps of haar gast meer bekommerde dan om elk ander die toekeek. Zonder erg werd er rechts en links gebombardeerd, en onze beide heldjes konden in alle kalmte waarnemen wat er op de straat voorviel. Juffrouw Laps kwam de zeer gewenschte vergetenheid nog te-hulp, door 't licht uitteblazen--'n voorzorg die door den overigens zoo byzonder intelligenten zevenklapper schandelyk verzuimd was--en Wouter vermaakte zich kinderlyk by 't aanzien van de pret. Hy vergat z'n buurvrouw en haar opdringende vriendelykheid, om naar 't gewoel der menigte te kyken. Het meedeelen van de hieruit voortvloeiende opmerkingen werkte op hem ontnuchterend, en ook zy vond er onwillekeurig aanleiding in om zich wat eenvoudiger voortedoen dan ze gewoon was. Ze praatte ditmaal zonder "Heer" en liet de "genade" wat rusten. Zelfs scheen ze--voor 'n oogenblikje maar, denk ik--haar plannetjen optegeven. De nacht was nog lang, dacht ze misschien. [5]
--Gut, hoe gek toch, dat al die menschen daar zoo heen-en-weer dringen, zonder zelf te weten waarom, zeide hy.
--Och, ze hebben plezier in 't zingen en joelen, en in de voetzoekers ... kyk, daar vliegt er weer een, paf!
Klik-klik! antwoordde hierop 'n zevenklapper die z'n domicilie koos tusschen 'n troep meisjes. Het gezelschap vloog met vermakelyken schrik uit elkaar. Wel zeker, voor wat anders waren die meiskes daar?
--Al dat volk is dronken, zei juffrouw Laps, en ik wou dat ze naar-huis gingen. Ik begin slaap te krygen... 't is twee uur in den nacht, weetje!
--Och, nog 'n oogenblikje! verzocht Wouter. Ik heb geen slaap. Volstrekt niet! heusch niet!
Hy begon weer angstig te worden voor haar vriendschap, en hoopte onwillekeurig dat uitstel hem de bondgenootschap van 't onverwachte brengen zou.
--Ik ben maar zoo bang, m'n lieveling, dat je kou vat aan 't venster. Dàt is het maar! Want de nachtlucht, zieje, na zoo'n heeten dag...
Volgt: al de bekende burgerluîs-praatjes over nachtlucht, verkoudheid, rhumatiek en subietelyk doodgaan. Ze hadden nu evenwel dit goede gevolg, dat Wouter z'n jasje weer aankreeg, 'n verbetering van pozitie die hem straks zou te-pas komen. O, die voorzienige Fancy!
--En zet ook je petjen op, m'n beste jongen. Ik wou voor alle wereldsch goed niet, dat de nachtlucht je-n-in 't hoofd sloeg, want... dat doet-i soms. Kyk, daar vliegt er weer een!
"Amour à la plus belle, Honneur au plus vaillant...
--Waarom zingen ze niet liever hollandsch! Wat hebben wy aan dat vreemde geseur? Begryp jy er wat van?
Wouter wist iets van de historie, en vertelde wat-i kon van den "schoonen Dunois" die zoo byzonder veel Saraceenen doodsloeg, en ter belooning trouwen mocht met de dochter van: "le comte son seigneur!" Dat was toch plezierig in ouden tyd! Maar hoe beloonde men de ridders die al eenmaal beloond waren? En kregen ze in die dagen nog ander traktement dan 'n bruid? En hoe maakten 't de seigneurs die geen dochter te begeven hadden? Welke seigneursdochter moest genoegen nemen met 'n ridder die maar 't meest Saraceenen had doodgeslagen, op één na?
Wat al moeielyke vragen!
Juist begon hy z'n gastvrouw om wat inlichting over dit alles te verzoeken, toen beider aandacht werd getrokken door zeker roepen, schreeuwen en schelden dat van andere stemming getuigde dan de in-eensmeltende geluiden van 't gejoel. Er was "ruzie." In een der groepen werd niet meer gehost, maar gevochten. Men verstond duidelyk de by zulke gelegenheden gebruikelyke vloeken en verwenschingen.
Een verwarde kluw menschen, dichter op-elkaar gepakt dan de overigen, schoof en seulde heen-en-weer al naarmate een der beide partyen aan de winnende hand was. Vreedzame hossers golfden zingend voorby de plek waar gevochten werd. De deelnemers aan den stryd werden van liever-lede ter-zy gedrongen, en wel in de richting van een der vele kroegen die de buurt zoo aantrekkelyk maakten voor 'n publiek dat z'n verdriet over de mislukking der hardzeilery wou verzetten.
De twistenden, zelf gedrongen, drongen op hun beurt anderen. Men hoorde hier-en-daar gillen en om hulp roepen. De nooit ontbrekende zwangere vrouwen, en moeders met zuigelingen lieten haar angst niet onbetuigd.
Het gedrang werd nu byzonder sterk in zekeren hoek, waar drie stroomen dood-liepen en 'n vreeselyke botsing te-weeg brachten. Daar namelyk lag 'n zeer populaire herberg, die 't doelwit scheen van 'n hossende volksverhuizing uit de Amstelstraat. De tweede stroom vloeide uit de Utrechtsche straat op dezelfde kroeg toe. En de sterkste persing ging uit van den vechtenden troep die, op-zy geschoven door voorbytrekkende benden, almede in dezelfde engte gedreven werd.
By ondervinding van zeer jongen datum wist Wouter wat het beteekende zich in zoo'n gedrang te bevinden. Wie op den grond raakte, werd vertreden. Wel was de kans hierop zoo byzonder gevaarlyk niet in de kern der samenpakking--'t vallen was onmogelyk--maar des te grooter aan den rand, waar kelders en holen zich gapend gereed toonden alles inteslikken, wat hun in de kaken werd gedrongen. Dáár kon men hals en beenen breken of liggend vertrapt worden, in 't midden slechts staande gesmoord. O zeker, die opstopping naby de herberg was gevaarlyker nog dan die van den vorigen avend in de Kalverstraat! Bovendien, daar was maar drukte, er werd niet gevochten. En hier ...
--Krrristenzielen, riep juffrouw Laps, ik word er puur akelig van!
Dit scheen ook met Wouter 't geval. Op-eens greep hy haar arm, en meende iets te zien, dat... iemand, die...
--Heel goed, m'n jongen, houd jy me maar vast! 't Is daar, zoo zondig als ik hier sta--'t eedsformulier was zoo gek niet--'t is daar moord en doodslag in dien hoek!
Wouter sprak niet. Ook had-i geen besef zich te verzetten tegen de overweldiging van z'n ... verleidster, of hoe moet het heeten? 't Scheen nu wel of Afrika voor 't caesarinnetjen openlag...
--Is 't niet of ze dol zyn? Houd jy je maar goed aan me vast, en denk maar dat ik jouw eigen Kristien ben, heelemaal van jou!
Och, hy had juist wat anders te denken gekregen dan aan z'n "eigen Kristien!" Juffrouw Laps was eenige graden minder gelukkig dan ze zich verbeeldde. Ze streelde hem, en hy liet haar begaan, o ja, maar toch...
--Wees jy maar gerust ... och, lieve jesis, 't kind is er zoo ontsteld van! Aan jou zullen ze niet raken zoolang je hier bent ... by my, weetje!
Hy kneep haar boven z'n kracht in den arm, en geen ander blyk van leven gevende, stond-i overigens als versteend. En altyd die ééne onverzettelyke blik, dat schynbaar wezenloos staren op één punt...
--Trek 't je niet zoo aan, m'n lieveling! Maar... akelig is 't! Zie je daar die meid wel, met 'r noordhollandsche kap? Ik wou niet graag in 'r plaats wezen! En jy?
--Zy is het ... Femke! O God, o God, het is Femke!
En, Laps van zich afslingerend, die hem weerhouden wilde, vloog hy de trap af, en stond weinig oogenblikken daarna in den diksten drom vlak voor de herberg.
Hoe hy zoo spoedig dáár kwàm? Ei? En Fancy dan, zyn ... fancy?
Had ze niet ook gezorgd dat-i by-tyds z'n jasjen aanhad? Wat 'n gekke historie immers, als-i dat had achtergelaten by juffrouw Laps! Hoe zoud-i zoo'n onhuishoudelykheid hebben verantwoord by z'n moeder?
De zaak is dat-i lichaamskracht borgend van z'n gemoed--en was zy dit niet?--zich als 'n razende door de menigte wist heenteslaan.
Maar de plek bereikende die hy bereiken wilde, zag-i Femke niet! Wel den man met den bonten muts en 't schippersbuis, die hem vanboven gezien had toegeschenen haar begeleider te wezen. Althans hy meende bemerkt te hebben dat ze met dien man gearmd uit de Amstelstraat gekomen was. En dit was ook zoo, maar:
--Is hier geen meisje met 'n noordhollandsche kap? vroeg hy zoo duidelyk de vreeselyke drukte toeliet.
De man, stuwend, vechtend, stompend tegen iedereen--dit deed "iedereen" ook, en Wouter moest wel meedoen: 't was 'n gezelschap Kaïns op groote schaal!--de man kon niet antwoorden. Maar Wouter bemerkte dat-i zich moeite gaf de herberg te bereiken, en maakte hieruit op dat z'n dame daarin gevlucht, of althans, met of tegen haar wil dan, daar binnengestuwd was.
Hy raadde juist. En, zich niet meer bekommerende om de slagen en stompen die hy ontving, deelde hy daarvan juist genoeg uit om weldra 't jeneverzaaltje te bereiken, waar de volte wel niet minder was dan buiten, maar er werd niet gevochten. Dit was iets!
Ziedaar, lezer, 't waar en onvervalscht relaas van de oorzaken die Wouter heel in 't begin van z'n loopbaan maakten tot 'n kroeg- en koffihuislooper. Gister in "Polen", heden in "de gekroonde Jeneverbes"... daar gesmeten, hier vechtend, in beiden door 't een-of-ander geperst... 't is te veel!
Maar hy wàs er nu eenmaal, en keek rond naar Femke.
Hy meende haar te ontdekken heel achter in 't niet groote vertrek, op 'n tafeltje dat in 'n hoek stond. Zwygend, met styftoegeknepen lippen, de armen over elkaar geslagen, en met iets als uittarting in haar trekken, zag 't meisjen op de menigte neer. De kant van haar kap hing haar aan flarden in den nek--zy, zoo net altyd!--en, erger nog, Wouter meende te bespeuren dat haar gezicht bebloed was, het lieve, lieve, lieve gezicht van Femke!
Uitgeput, had-i de kracht niet meer, tot haar te gaan. En dit behoefde ook niet. Ze stond daar ongemoeid en veilig op haar tafeltje. Hy riep, maar ze hoorde niet.
Met onderzoekende scherpte liet ze haar blikken dwalen over de aanwezenden. Toen haar oog dat van Wouter ontmoette, kromp hy in-een: ze wilde hem niet kennen!
--O God, o God, ze veracht me, snikte hy. Dàt heb ik verdiend voor m'n lafheid by de Holsma's!
--Jongetje, gehuild wordt hier niet, zei de waardin. Als je huilen wilt, ga dan na je moeder!
Makkelyker gezegd dan gedaan. Wouter kon in die volte geen voet verzetten. De aandrang by 't buvet waar-i stond, klemde hem tegen de jenever-toonbank. Het gelukte hem niet eens, Femke gedurig in 't oog te houden, schoon ze boven allen bleef uitsteken. Tranen van wrevel en smart vloeiden hem over de wangen.
--Wat doe ie dan in de drukte, zei 't jeneverwyf, as je d'r niet tegen ken? Heb je je bezeerd? Grienen wordt hier niet getapt. Zet 'r 'n borrel op, jongen, of ga heen!
Lust of niet, hy had heel graag 'n "borrel" besteld om z'n plaats te betalen. Maar--"daar-i thuis altyd alles kreeg wat-i noodig had"--hy bezat geen duit, en liep nu gevaar de deur te worden uitgeworpen wegens overmaat van matigheid. Doch ook dit kon niet, want de persing aan de deur bleef nog altyd even groot. Bovendien werd de aandacht der waardin afgeleid door de drukte van 't gevecht, dat al nader en nader kwam, en weldra dreigde de kroeg te kiezen tot "operatie-bazis" zooals dit in 't jargon der krygskunde genoemd wordt. De ware reden was dat elk der strydenden in 't byzonder zich aan de slagen van z'n tegenparty wou onttrekken door in de kroeg te vluchten. De meeste "krygskundige evolutien" hebben van ouds-her geen anderen grond.
Nog altyd stond het meisje met gekruiste armen op die tafel. En nog altyd lag er dat spottende op haar gelaat; alsof ze zeggen wilde: wie durft?
Maar hierop sloeg Wouter geen acht, of liever hy zag daarin niets dan 'n verwyt aan hèm. Femke wilde hem niet kennen. Meer of iets anders voelde hy niet!
Och, hoe gaarne had hy in 't bywezen van al die menschen de zolen van haar schoeisel gekust, om iets te verdienen van de vergiffenis, waarop-i wel geen aanspraak had--naar-i meende--maar zonder welke hy niet leven kon!--
--Femke! riep hy, als 't roepen heeten mocht, want het geschiedde zoo zacht dat z'n stem onmogelyk tot het meisje kon doordringen. Immers, er mocht eens blyken dat ze hem niet wilde hooren ook, zy die zoo... wreed--nu ja, maar rechtvaardig toch--had blyk gegeven van haar tegenzin om hem te zien! Hy durfde de proef niet nemen, en nogeens riep hy, maar 't was weer fluisterend:
--Femke! Femke!
Daar vertoonde zich de man met den bonten muts en 't schippersbuis aan de deur. Hoewel-i aanvankelyk niet behoorde tot de strydvoerende mogendheden, bleek er toch uit den gehavenden toestand van z'n kleeren, dat-i ruimschoots gedeeld had in de bekende voorrechten der neutraliteit: hy was geranseld door beide partyen tegelyk.
Of ook hy tot eigen lyfsbehoud zich trachtte te bergen in de kroeg, dan wel of-i zich zedelyk verplicht achtte, z'n dame die vóór hem dat heiligdom bereikt had, niet in den steek te laten, was Wouter niet duidelyk. Er bestond 'n tertium dat hy niet raden kon, maar dat volkomen bekend is aan den alwetenden schryver die zich bereid verklaart straks den lezer deelgenoot te maken van 't geheim.
Hoe dit zy, de man wilde volstrekt binnen wezen, en verwaarloosde zelfs 't verevenen van de hem toegebrachte stooten en stompen, om zich vastteklemmen aan den deurpost. Twee, driemaal werd-i van z'n steunpunt afgerukt, want waar velen 't zelfde begeeren, is 't verkrygen moeielyk. Toch bleek zyn wil sterker dan die van de anderen, omdat zy slechts betrekkelyke veiligheid zochten--en jenever misschien--terwyl hy werd aangespoord door... nu ja, 't nog altyd onbekende tertium.
Wouter hoopte hartelyk dat de man slagen mocht. Dan immers, dacht-i, zou Femke niet zoo geheel alleen staan temidden van dien razenden troep. Want... hy, hyzelf, wat kon-i doen? En al ware hy sterker geweest, wat hielp het: zy verachtte hem! Zou ze hem niet wegschoppen, zooals ze daar straks den dronken kwajongen gedaan had, die de hand durfde slaan aan haar vries-bont voorschoot?
Op 'n oogenblik dat de schippersgezel zich weer vertoonde voor de geopende deurruimte, scheen het meisje haar redder in 't oog te krygen. Als om den man moed intespreken, knikte ze hem vriendelyk toe, Misschien ook wilde ze hem dank-zeggen voor z'n pogingen om tot haar doortedringen. Ook kon haar lachje worden opgevat als 'n verzekering dat ze ongedeerd was, en niet bevreesd. Inderdaad, ze stond daar als 'n godin der kalmte, of althans als 'n standbeeld dat vastberadenheid kon voorstellen. Die gekruiste armen getuigden van de meening dat er geen byzondere behoefte was aan voorbereiding tot het uitdeelen van den oorveeg dien haar saamgeknepen lippen beloofden aan ieder die haar te na mocht komen.
En die glimlach! Over Wouter's hoofd heen had de wreedaard z'n weg genomen naar de deur, en daar den gelukkigen schipper bereikt. Want de man knikte terug...
--Hy heeft haar zeker nooit verloochend, dacht ons Petrusje. 't Is toch wel wezenlyk waar, dat God rechtvaardig is en alle zonden straft.
Op dit oogenblik kreeg 't wyf dat de kroeg hield, den worstelenden schipper in 't oog. Er bleek dat-i 'n goede bekende was, want ze schreeuwde van achter de toonbank:
--Zoo Klaas, ben jy daar ook? Geen wind, hè?
En met huisheerlyk gezag gebood zy, hem binnen te laten. Toen men niet spoedig genoeg gehoorzaamde, waagde zy zich 'n paar stappen buiten haar cel, smeet eenige struikelblokken op-zy, en maakte plaats voor... Klaas Verlaan, den Amstelhavenknecht, die nu niet ver van Wouter, in de nabyheid van 't buvet te staan kwam.
--Nou, man, ze hebben je mooi beet gehad!
't Was de waarheid! Wel mocht onze brakwater-filozoof zeggen dat niemand zeker van z'n dag is voor bedtyd! Dit had ook Wouter ondervonden, en niet minder zy die daar nog altyd op haar tafeltjen in den hoek geblokkeerd stond.
--Hebje-n-'n goeien dag gehad, vroeg 't wyf. Met de zeilery was 't miesserabel, hè?
Klaas lei den vinger op den mond, en scheen haar iets te willen toefluisteren dat de omstanders niet hooren mochten, iets zeer byzonders.
--'n Glas klare?
Dit voorstel kon eigenlyk niet dan met verkrachting van alle gezonde systeembegrippen gerangschikt worden in de klasse der zeer byzondere. 't Wyf had dan ook terdeeg misgeraden, en was niet gelukkiger toen ze 't onderzoek naar Verlaan's wenschen voortzette:
--Skille?
Ook niet!
--Rooie dan?
Klaas scheen dien nacht byzonder kieskeurig in 't bepalen van de soort der verversching die hy noodig had. Gedurig schudde hy 't hoofd, en deed moeite om met de waardin in vertrouwelyker gesprek te komen dan de drukte toeliet.
"Amour à la plus belle!" galmde het buiten de deur, en eenige heesche keelen binnen de kroeg trachtten meetezingen.
--Weg met die moffeliedjes! schreeuwde een der gasten. We benne-n-ommers hier allemaal Hollanders onder mekaar!
"Wel ja, we benne Hollanders...
"En al is ons Prinssie...
"Sjt!"
--Ik verkies nu te zingen: al is ons Prinssie! En wie niet mee-doet...
De prinsman sloeg op z'n vry ongekleede borst. Zóó, denk ik, zoud-i ieder slaan die niet meezong: "al is ons prinssie."
Misschien volgens de theorie van 't onbewuste meegaan--Wouter maakte weer bespiegelingen over "massa"--de meerderheid werd op eenmaal hollands- en zelfs prinsgezind. Met het verschil tusschen patriottery en keezigheid, nam men 't nu zoo nauw niet. Hoofdzaak scheen dat men zich op eenmaal Hollander voelde, of goedvond zich zoo aantestellen. Het "Prinssie" liep behoorlyk van stapel. Een der gasten ging verder, en stelde 'n soort van toost in, op de zeer vervroegde en buitengewoon langdurige ongelukzaligheid van "al die fransche flikkers!" Met andere woorden, hy wenschte ze zonder uitstel de bekende "eeuwige verdommenis" toe.
"Hoerah!"
--Ja, zieje, toen we nog Hollanders waren ...
"Ja, toen we nog Hollanders waren!"
--En onder de Republiek ...
"Leve de Republiek!"
--Toen had je-n-'ns 'n hardzeilery moeten zien! Maar nou!
"Al is ons Prinssie!" en: "Leve de Republiek!"
--Onder de Republiek waren alle menschen gelyk!
"Allemaal gelyk!"
--Zoo'n koning, zoo'n prins, al die tirannen...
"Weg met die tirannen!"
--Ze benne geen haar beter als wy!
"Dat's waar! Ze benne geen haar beter!"
--En ze zuigen 't arme Volk uit!
"Ja, ze zuigen 't Volk uit!"
--En weetje waarom? Omdat jeluî--om nou 'reis de gulle waarheid te zeggen--allemaal lamme... enz. bent!
"Ja, ze benne-n-allemaal lamme... enz."
--Jelui buigt je nek onder 't juk...
"Juist! "Ze" buigen den nek onder 't juk!"
--Als 'r 'n koning komt, of 'n keizer, of 'n prins, dan slaat de-n-angst jelui in de buik als seneblade!"
"Ja, de-n-angst slaat ze-n-in de buik as seneblade!"
--En, als jelui kerels was...
"Precies, as "ze" kerels wasse...
--Dan zou jelui...
"Ja, dan zouwen "ze"...
--'n Mensch is vry gebore...
"We benne vry gebore!"
--En 't hollandsch hart... wàt zeg je daar, vrouw Gooremest? Wàt? 'n dochter van... m'nheer...
Een allervreeselykst woord scheen den volksredenaar op de lippen te besterven. Hy werd bleek.
--'n Dochter van... m'nheer...
--Wel zeker! Vraag jy 't maar aan Verlaan.
De ontstelde jenever-Gracchus wendde zich vragend tot den schipper. Deze knikte toestemmend.
--Is 't waarachtig waar, Klaas? Wis en waarachtig? En waarom heeft ze zich dan zoo... angekleed als 'n gemeene meid?
--Och, 't benne de spulle van m'n dochter Geert, zieje. 't Is 'n rykeluîs grap...
--Ah! Jongens... er uit, er uit! Moeder Gooremest wil slapen, 'n Mensch is niet van steen of yzer. Er uit, allemaal!
"Weg met de tirannen!" "'n Mensch is vry geboren!" "Alle menschen zyn gelyk!" "Het hollandsch hart"... enz.
--Sjt! Er uit, zeg ik je, er uit! Die... jongejuffrouw...
"Wàt? Die meid? Wat zou ze?"
"Sjt! Ze is de dochter van--maar mondje toe, hoorje!--van... m'nheer--ja, hoe donder is 't mogelyk, niet waar?--de dochter van m'nheer... Kopperlith!"
"Op...de...kei...zers...gracht? Man, wat zeg je? Van m'nheer... Kop...per...lith? Op de kei... zersgracht?"
--Ja, wis en bliksems! Er uit! Er uit!
"Z'n... eigen dochter?"
Alsof 'n behuwd-hoedanigheid de zaak minder verpletterend gemaakt had!
--Z'n bloed-eigen dochter, zeg ik je! Maar... mondje toe, dit begryp jelui! Er uit, er uit!
De hollandsche harten, onbuigzame republikeinen, onkreukbare karakters, vrygeboren menschen met nooit gebogen nekken ... slopen als geranselde honden de kroeg uit.
De uitvinding om z'n beschermeling te verheffen tot 'n bewoonster van de Keizersgracht, bracht Klaas Verlaan meer "moffedukaten" op, dan-i liefst aan z'n kleinkinderen verantwoordde. En tevens komt ze den lezer te-hulp by 't zoeken naar zeker tertium, naar de oorzaak die den Amstelhavenknecht zoo koppig maakte in 't bestormen van die kroeg.
Wouter begreep minder van de zaak dan ieder ander, juist omdat hy in den waan verkeerde zooveel meer dan anderen te weten van 't meisje dat daar op tafel stond. Toen-i den... gladgeschuurden duit zag, dien Verlaan in de hand der kroeghoudster gedrukt had, en later 'n dergelyke manoeuvre met den Republikein...
Kopperlith? Kopperlith? Op de Keizersgracht? Femke op de Keizersgracht? Maar juist by dien hoogen heer Kopperlith immers zou hy overmorgen...
Z'n hoofd dreigde te bersten. Als-i op dàt oogenblik...
Neen, denken kon-i niet. Misschien bleef hem nog eenig besef dat hyzelf Woutertje Pieterse was, maar heel zeker is 't niet. Voor-i hieromtrent tot 'n onherroepelyk eindbesluit was gekomen, werd hy in één greep met 'n paar anderen de deur uitgeworpen door Klaas Verlaan en den hollandschen Republikein.
Wel zeker! Hy was niet beter dan andere stervelingen, en moest dus plaats-maken voor de "bloed-eigen" dochter van m'nheer Kopperlith op de Keizersgracht.
De volte op straat was zeer gedund. Wouter bleef in de buurt van de herberg die hem tot 'n tempel was geworden, om te zien waar z'n godinnetje belanden zou. De braking was aan 't bedaren. Nog altyd evenwel werd er van-tyd tot-tyd iemand buiten de deur gezet die, belust op de vreemdheid van 't geval, nog zoo graag 'n beetje had willen blyven om 't wonder te zien. Men krygt niet elken dag 'n "bloed-eigen" dochter van m'nheer Kopperlith te aanschouwen.
Sommigen dan wilden zich aansluiten by 't driemanschap Verlaan, Republikein & Gooremest, om mee-opgenomen te worden in aanspraak op de baten der veelbelovende ruwaardy. Maar ons trium-viraat voelde zich sterk genoeg, en vond geen reden om 't aantal deelhebbers in de vermoedelyke vruchten van den arbeid, grooter te maken dan noodig was. Menigeen die mee-schreeuwde: "er uit! er uit!" ontving zelf 'n handtastelyke vermaning om 't voorbeeld by de les te voegen.
Eindelyk hield het uitwerpen van overbodige getuigen geheel op. Juist toen Wouter zich verstouten wilde om door 'n spleet te gluren van de gordyn aan de glasdeur, werd deze geopend, en de Republikein trad er uit. Hy hoorde hoe Verlaan hem nariep:
--Dáár ergens op 'n hoek in de Paardenstraat, weetje! Kyk nu maar eens niet op 'n daaldertje... en klop ze maar flink op, en zeg aan den sleeper ...
Het woord: "sleeper"--een nu verouderd amsterdamismus voor wagenverhuurder of huurkoetsier--gaf Wouter 'n licht van betwistbare helderheid. Dat de Republikein 'n rytuig bestellen moest, was duidelyk, maar... Femke in 'n koets of brommer? Of ... al was 't maar in 'n sleê... zy?
Hy wachtte. Op bespieden van het inwendige der kroeg, was geen kans meer. Vrouw Gooremest had de blinden gesloten. Zou er nu 'n bruikbaar licht over deze zaak opgaan uit die Paardenstraat?
Na lang wachten kwam er 'n rytuig aanrollen. De Republikein sprong er uit. De deur van de kroeg werd geopend, en Klaas Verlaan vertoonde zich met z'n vermeende juffer Kopperlith op den dorpel...
--Femke, ik ben hier! riep Wouter, wild toeschietend, ik ben hier! O God, o God, Femke, ga niet mee met die vreemde mannen!
--Wat bliksem is er dàt nou weer voor een! schreeuwde Verlaan, die Wouter by den kraag pakte en naar binnen trok. Wat mot jy? Wat ben jy? Wat wil jy?
--Femke, ga niet mee met die vreemde mannen. Ik zal je thuis brengen, ik, Wouter!
--Die jongen is niet wys, zei Vrouw Gooremest, laat 'm los. Hy heeft hier al den heelen avend staan huilebalken als 'n kalf, en geen duit verteerd. Nou dáárom niet... ik wil maar zeggen dat-i niet wys is.