De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz
Chapter 37
--En die arme vrouw met al haar wurmen van kinderen! [34]
--Ja, zeker, juffrouw, 't is wel om meely mee te hebben. Maar...
Wat-i "maren" wou, wist hyzelf niet recht. Geheel onwillekeurig voelde hy aandrang tot iets als protest tegen háár bevoegdheid om 'n aandoening te openbaren die goed was, of by hem voor goed doorging. De slimme feeks, op den weg gebracht misschien door 'n eigenaardige uitdrukking op z'n gelaat, begreep iets van de vyandige strekking die zich zoo schroomvallig openbaarde, en nam haar maatregelen:
--Och, m'nheer pastoor, ik kan m'n evenmensch niet zien lyen. Als ik niet zoo vol behuisd was... kyk, ik nam zoowaar graag een van die stumperts by me, al was 't de kleine jongen die op 't orgel zat.
--Hé, riepen Jansen en Wouter tegelyk.
--Ja, m'nheer, ja, jongeheer, zoo ben ik, werachtich as Chot!
--Maar, juffrouw...
--Och, m'nheer pastoor, menig mensch is niet zooals-i 'r uitziet. Ik heb altyd m'n evenmensch geholpen, dat heb ik. Daar heb je nu die twee meissies daar vóór in 't ruim! Wat is 't geval? De een heeft geen moeder, geen vader, geen levendige ziel... nooit gehad, m'nheer pastoor! Wat doet ze? Ze loopt voor oud vuil op de straat rond. Ze had om zoo te zeggen, geen hemd aan 't lyf. Wat heb ik gedaan? Ik heb 'r kleeren gekocht, voor dertig gulden kleeren, m'nheer pastoor! En die andere? Nou, die heeft 'n moeder... godbetert! Liever géén, zeg ik. Ze stuurt 'r kind de straat op om jongens nateloopen, jongens en heeren! Nou, 't zyn er heeren na! En van dat schandloon wil de moeder 't hare hebben! Ik vraag u, m'nheer pastoor, wat komt er te-recht van 'n meid die op straat loopt?
De arme Jansen was verbluft, en niet genoeg ingewyd in de geheimen van 't vak, om zoo terstond te weten wat er te antwoorden viel. De vrouw ging voort:
--Toen heeft ze my 'n brief geschreven... of ze 'm zelf geschreven heeft, laat ik daar, maar ze vraagt of ik niet in Haarlem 'n nette fatsoenlyke dienst voor haar weet by stille menschen, en... en... en... om 'n beetje voorschot, zooals 't by zulke gelegenheden gaat. En wat doe-n-ik? Ik zend haar tien dukatons. Tien dukatons, m'nheer pastoor! En nu ik kom om haar aftehalen--wel ja, van m'n verlies kan ik niet leven!--wat gebeurt er? De menschen schelden me-n-uit!
Hier begon de edele vrouw zeer toepasselyk te schreien. Wouter bleef haar bewegingloos en met open mond aanstaren. Jansen was geheel in de war. Uit het ruim der schuit klonken 'n paar wegstervende maten van de fransche complainte. De schipper richtte z'n oog... altyd op God, natuurlyk, maar nu ook zeer in 't byzonder dan eens op de wolken, dan weer op den nagel van z'n linkerduim, 'tgeen scheen te moeten beteekenen dat het verhandelde hem niet aanging.
Met allerlei praatjes bracht de waardin 't zoover dat Jansen haar uitnoodigde de reis naar Haarlem niet met de beide meisjes voorttezetten. "Hy zou haar wel eens willen spreken" zeide hy, en ze had er niets tegen. Hieruit vloeide voort dat Jansen, Wouter, de waardin en haar beide beschermelingen zich by 't "overloopen" te Halfweg 't genoegen ontzegden den haarlemmer-schipper te zien overgaan in 'n amsterdammer. Zy wenschten hem goede reis, en namen gezamenlyk plaats aan 'n herbergtafeltje voor 't gastvrye Huis Ter-Hart, waar Wouter alweer niet van z'n preek over zuinigheid verloste. Arme Styntje!
De waardin kwam 'n volle schuitbeurt later thuis dan ze gedacht had. Voor haar vertrek van 't Huis Ter-Hart had ze Jansen, Wouter en de beide berouwhebbende Kaatjes te-voet het pad der deugd zien inslaan, dat was--in dit byzonder geval, en zonder de minste konsekwentie voor den vervolge--den vervelenden straatweg naar Amsterdam...
Om-'s hemelswil, we willen toch hopen dat Jansen niet van plan is die twee schepsels by Styntje te introduceeren?
AANTEEKENINGEN
[1] = het kennen van de oorzaken der dingen.
[2] = mengsel.
[3] Idee 1149 besluit M. met de overweging, dat de massa noch goed noch slecht is.
[4] = schennis van de menschelyke waardigheid.
[5] I. 1156 behelst een archaeologische beschouwing over het hossen.
[6] In I. 1163 weidt M. uit over de bron van smart en geluk.
[7] = zoo voor haar, niet voor my.
[8] In een noot by Idee 140 stelt M. het realisme, dat op middeleeuwsche schilderyen een der omstanders afbeeldt met afgewend gelaat, de neus tusschen duim en wysvinger, hooger, dan de verklaring van den modernen schipperenden Renan, die Lazarus schyndood verklaart!
[9] = O, Meliboeus, een god heeft deze... idylle voor ons gemaakt.
[10] In I. 1180 weidt M. uit over Hollandsche tooneelkunstenaars en Napoleon's tooneelbegaafdheid.
[11] In I. 1181 geeft M. een beschouwing over Rotgans' stuk als navolging van navolging.
[12] Naar aanleiding eener uitweiding over de z.gen. onschuld der meisjes Pieterse betoogt M. aan 't slot van I. 1184, dat alle studie ascetisme vordert: een oratio pro domo!
[13] In 1191a betoogt M. dat orde en arbeid geneesmiddelen zyn voor krankzinnigheid.
[14] Dit hoofdstuk wordt onderbroken door een beschouwing over de "diepzinnige kwestie, of 'n auteur uitspraak en dialekt" zyner personen moet weergeven, naar aanleiding van 't op een congres te Antwerpen verhandelde, eindigend in een lofrede op Busken Huet. (I. 1194-1199.)
[15] In I. 1213 volgt hier een komische uitweiding over de aristocratische voornamen der jonge Kopperliths.
[16] De verrukking van Prinses Erika ontlokt aan M. een uitweiding over "echt-vaderlandsche" krantenschryvers en de burgervadery in Wouter's tyd. (In I. 1223.)
[17] = de gevolgtrekking geldt: van zyn tot kunnen, d. w. z. omdat het zoo is, moet het ook kunnen.
[18] Pienders = pinda's of apenootjes.
[19] M. besluit 't hoofdstuk met "'n bespiegeling over gebrek aan israëlitische kontroverse"; hy constateert, dat de Joden niet meer van Jehovah afvallen tot vreemde eerediensten, maar hy verwondert er zich over, dat hun rabbi's en geleerden evenmin het Christendom bestryden. Hy wyst op allerlei wetsovertredingen die de Joden geregeld begaan, door 't erkennen van niet-Joodsche vorsten, 't omgaan met onbesnedenen, het niet kwytschelden van alle schuld om de zeven jaar enz. M. komt tot de conclusie, dat de Joden "even uitmuntend als de Christenen 't kunstje van akkommodeeren verstaan." (I. 1224.)
[20] = kwade samensprekingen.
[21] I. 183.
[22] In I. 144 en 464.
[23] = afkeer van leegte.
[24] Nader licht M. dit toe met een beschouwing over de bestryding van het geloof aan spoken en wonderen: "daar het kind geen stap in de maatschappy doet zonder iets van dien god te vernemen," is het "ouders en opvoeders onmogelyk deze spokery uit te roeien door onthouding." (I. 1233.)
[25] Wouters tocht naar het "buiten" der Kopperliths leidt M. in met een schoone verhandeling over buitenplaatsen; opmerkingen over hun ontstaan, de geestelyke ontwikkeling hunner bewoners in de 17de en 18de eeuw, het verschil tusschen een werkelyke buitenplaats en een optrek worden afgewisseld met de geestige anecdote van pastoor Alonzo Ramirez. (I. 1236-1242.)
[26] De onaanzienlykheid van de Roomsche kerk in die achterbuurt ontlokt M. een lange uitweiding over den toestand der katholieken in ons land, over de halfheid van Thorbecke en de liberalen, die het beginsel, dat godsdienst geen voorwerp van staatszorg mag zyn, niet doorvoeren; over zedelyken schoonheidszin, verderfelyke goddienery en natuurstudie met eenige Engelsche en Duitsche voorbeelden van minderwaardig zielevoedsel voor kinderen. (I. 1254-1259.)
[27] Zie noot blz. 305.
[28] Dat wil zeggen: in het tuchthuis waar de veroordeelden Campêche- of Fernambakhout raspten. (M.)
[29] In I. 1272 geeft M. een verhandeling over de machteloosheid van wet, regeering en philantropie in den stryd tegen de onzedelykheid: de theorie vermag hier niets tegen de praktyk. Het eenige middel om den handel in ontucht te gronde te richten is ware beschaving, d. i. "zy, die den lust inboezemt, en de bekwaamheid meedeelt, om genot te vinden in arbeid."
[30] In het troubadourslied wordt verhaald van de edele Genoveva, die door den verrader Golo van overspel beschuldigd, aan den dood ontkomt, doordat twee dienaars haar met haar kind laten ontkomen. In het woud leeft ze van wortels, haar kind wordt door een hinde gezoogd. Op de iacht vindt haar gemaal haar: Golo's verraad komt uit en Genoveva wordt in eere hersteld: maar ze blyft een ascetisch, vroom leven leiden, ze voedt zich enkel met boomwortels, en denkt slechts aan Jezus Christus. Als ze sterft treuren allen,--de hinde weigert op haar graf alle voedsel en sterft er.
[31] = Jezus Christus.
[32] Om zyn naam als letterkundige eer aan te doen verklaart M. dit te weten, niet door het meten van het touw, maar door het raadplegen van andere bronnen: als Plinius en Plutarchus! Vervolgens geeft hy in I. 1278 het in de opschriften van vorige hoofdstukken (zie blz. 265 en 288)aangekondigde "stuk 17de eeuwsche volksroem," voorafgegaan door een afbrekende kritiek van Engelsche letterkundigen op Vondel en Cats, n.l. een citaat vol buitenlandsche lof over de geregeld varende Treck-schuyten, "dat bestemd was 'n helder licht te werpen op den vermoedelyken afloop van Wouter's reis naar Haarlem."
[33] Dit laatste zinnetje voegde Mevr. de Wede. Hamminck-Schepel aan dit opschrift toe naar aanleiding van uitlatingen van M. over Wouters reis.
[34] Hier volgt een opmerking over de oud-testamentische dwaling, die de goddelyke zegen afmeet naar 't kindertal.