De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz

Chapter 36

Chapter 364,058 wordsPublic domain

Tien minuten, zeg ik? Misschien was 't nog wat minder, schoon ik erkennen moet dat de schipper z'n tonteldoos... goddank, met 'n tintelende t dezen keer, 't staat er! Ja, de schipper had z'n vuurtuig geborgen waar zulks te doen gebruikelyk is. Hy dampte deftig en dapper, en reeds had-i aan Jansen verzekerd dat het vandaag mooi weer was. Toch blyf ik beweren dat de schuit nog geen volle tien minuten gevaren had. Zóólang nog maar was de waardin woedend geweest. Dit komt iemand die 't nooit ondervond zoo heel erg niet voor, maar men moet bedenken dat de deugdzame gemaaktheid waarmee 't roefpubliek zich by haar binnentreden tegen 't voorbeschot had gedrongen, geen goed aan de zaak deed. Men kan gerust aannemen dat haar minuten dubbel telden, en waarschynlyk is 't aan deze byzonderheid te wyten dat sommige historieschryvers, haar zielewenteling verwarrende met de kopernikaansche gegevens van 't andere zonnestelsel, in de dwaling vervielen dat onze schepelingen den orgelman reeds in 't oog konden hebben. Niets is minder waar. De man was de Driehonderd Roe al lang voorby, toen de vrouw de eerste keer vroeg "of 't niet waar was?" En nu? Nu, na alles wat er sedert dat gewichtig oogenblik plaats vond? Dat ik instaat ben op 't kleinste wereldkaartje de plek aantewyzen waar hy zich bevond, mag beschouwd worden als 'n billyk schryvers-prerogatief. Maar zoolang ik m'n meerdere kennis voor mezelf houd, baat die alziendheid weinig aan 'n ander. Om nu evenwel bewys te geven dat ik op dat geestelyk overwicht niet groots ben, deel ik gulweg wat van m'n overvloed mee, door alles te vertellen wat ik van de zaak weet. Het zal velen interesseeren, vooral omdat er iets onmogelyks in voorkomt. De orgeldraaier dien ik den lezer vóór den tyd laat zien, was 'n Franschman. Dit is niet volstrekt onmogelyk. Om geloofszaken had-i z'n land verlaten. Ook dit gaat de perken van 't denkbare niet te buiten. Wie verlaat niet soms z'n vaderland wegens verschil van opinie met z'n medeburgers? Hierin lag alzoo de mogelykheid van z'n aanwezen niet, maar hy torschte een straatorgel, en dit vind ik ongeoorloofd-byzonder, omdat zoo'n ding in Wouter's tyd nog niet bestond. Zoo ziet men dat alle verbeteringen in armwezen, politiek en industrie worden aangekondigd door 'n soort van voorloopers. 't Voorgeslacht heeft er geen weet van--omdat het overleden is--de tydgenoot miskent en steenigt ze uit broodnyd, en de naneef... nu, dit ben ik in dit geval, en ik zal m'n émigré geven wat hem toekomt. Vooreerst dan kan ik u na 't raadplegen met al de oude schryvers die de zaak behandeld hebben, verzekeren dat-i op 't oogenblik toen de waardin bezig was met de vruchtelooze poging om 't hart van den schipper te doen smelten, in z'n koeterwaalsch stond te kibbelen aan 't Sloterdyker tolhek. Hy trachtte vrye passage te bedingen, maar 't lukte niet. Z'n vrouw--zaagt ge ooit 'n orgelman zonder vrouw?--en haar kinderen--wie zag ooit 'n orgelvrouw zonder kinderen?--nu, 't heele gezin stond om hem heen, en wachtte met angst de beslissing af. Maar de tolgaarder was onvermurwbaar, en betoogde op staathuishoudkundige gronden dat ouwerwetsche kwalen als die waarin hy een zoo nuttig bestaan vond, met de meeste stiptheid moesten gehandhaafd worden, omdat alleen hieruit te-eeniger-tyd de algemeene afkeer kan voortvloeien die de afschaffing zal mogelyk maken. "Maar ik zal 't niet beleven, zeid-i, en m'n kinderen ook niet!" Dit was wèl gezegd, voorwaar, en hy had gerust nog 'n paar geslachten verder kunnen gaan, wat-i zeker naliet uit de bescheiden vrees zich gezegender stamvaderschap aantematigen dan de Heer hem toedacht. Vol karakter, en met 'n aandoenlyk vertrouwen op de taaiheid van misbruik, bleef-i z'n recht tot plicht verheffen, en eischte twee duiten de persoon. Had de man geen gelyk? By de minste weifeling liep de Staat gevaar dat de Regeering in den Haag zyn toegevendheid tot precedent stempelen, en zich daarop beroepen zou om eens 'n enkelen keer met den tyd meetegaan. Wie huivert niet? En wie huivert niet nogeens by de bedenking dat misschien alle Haarlemmers en Amsterdammers op-eens vice-versa aan 't verhuizen zouden gaan, als zoo'n tweeduits-slagboom werd overgebracht naar 'n muzeum? Wie 't wèl meent met z'n dierbaar vaderland en ouwerwetsche zotternyen, huivere ten derden maal. Maar dan is 't ook genoeg.

De vrouw van den orgelman was 'n Duinkerksche, en kon zich redelyk verstaanbaar maken, maar haar aanhouden had even weinig gevolg als de niet verstane hoewel best begrepen vertoogen van haar echtgenoot. Wat te doen? De stumperts waren nu eenmaal de tien, twaalf duiten niet ryk, die er noodig waren om Haarlem te bereiken, waar ze zeker opgang en goede zaken zouden maken met hun zeil. Want ze hadden 'n zeil, waarop 'n fraaie geschiedenis stond afgebeeld. Het was, om 'n paar staken gerold, gedragen door de twee oudste kinderen, die nu echter by dien slagboom hun vrachtje moedeloos hadden neergelegd. Ook 't orgel was op den grond gezet, en de vermoeide man ging er op zitten, niet zonder vrees dat men tol zou komen vorderen voor 't beetje rust dat-i waarlyk wel noodig had. De vrouw was uitgepraat, en de tolgaarder had alle verzoeking tot het schenden van z'n plicht afgesneden door zich in z'n huisje terugtetrekken, waar-i z'n werkzaam leven voortzette. De nood was hoog, en alzoo de redding naby. Nu denkt de lezer dat Wouter aan de beurt komt. Welzeker, wat beteekenden voor hem tien duiten, of al waren 't er twaalf! Ik heb de kinderen niet geteld, en weet bovendien niet of de vele zuigelingen die daarby waren, moesten meedragen in 't onderhoud van den straatweg? Maar al had ik ze geteld, en al wist ik dat, om godswil, lezer, hoe kon Wouter hier helpen, hy die nog ver af was, en van de heele zaak geen kennis droeg? Geloof me, als Wouter in dit byzonder geval God met anderhalven stuiver was te-hulp gekomen in 't redden van vyf, zes ongelukkigen, ik zou 't zeggen! Reeds voor mezelf houd ik niet van nederigheid, waarom zou ik--ten-koste nogal van m'n roem als nauwkeurig geschiedschryver--preutsch omgaan met de verdiensten van 'n ander? Wouter zat nog altyd lang en breed te peinzen over... die twee meisjes, en wie z'n indrukken gekend had, zou gevonden hebben dat-i ditmaal byzonder weinig op 'n plaatsvervangende Voorzienigheid geleek. Er was toch iets aardigs in, dacht hy, zoo op-eenmaal door 'n vrouw uit Haarlem uit z'n gewonen kring gehaald te worden. Hy wou graag gelooven dat ze de wereld niet van den allerfraaisten kant intraden, maar 't was die Wereld toch, 't was 'n uitvlucht, iets ongewoons. Zoo'n meisje had toch veel voor. Wie zou ooit hèm komen halen, wie hèm verlossen van Stoffel, Kopperlith's en gewoonheid? Die meisjes waren "gevallen" o zeker, en dit is heel verkeerd, maar hadden ze niet byzonder prettige genoegens te wachten van 't opstaan? Ieder weet dat God graag vergeeft--men moet bedenken dat het z'n eenige uitspanning is--en ook de Maatschappy strekt tot verrekkens toe haar armen uit om berouwhebbenden aan haar vriendelyke borst te sluiten. Onder al die omhelzers bevindt zich alligt 'n prins die zich zoo verheugt over 't weervinden van 'n verloren schaap, dat-i al z'n koningryken wat weinig acht om op 't laatste blaadje van den roman te worden neergelegd aan de voeten... och, hoe jammer dat Jansen plaats had, genomen in de roef!

Maar met al die overleggingen hebben we niet te maken, omdat, we nu te Sloterdyk zyn. Daar Wouter er nog niet was, zag God-zelf zich wel genoodzaakt 'n hand uittesteken. Hy verwekte een verlosser in Israël, in de gedaante van 'n kleinen boerenjongen, die uit het dorp over de vaart heen bemerkte dat er by het tolhek iets byzonders aan de hand was, en z'n ontdekking aan twee, drie anderen meedeelde. Dezen, gedreven door den geest, maakten er ook geen geheim van, en alles liep uit, de brug over, naar den slagboom: er was Publiek! Wat kan 'n artist meer verlangen? "A la bonne heure!" zei de man, en hy gaf bevel de paaltjes in den grond te slaan, waaraan 't zeil werd opgeheschen, ontrold, vastgehecht... och, zoo kleurig! Heel Sloterdyk stond verbaasd, en er was reden toe. Want, al z'n leven, men kreeg de geschiedenis der schoone Genoveva van Brabant te aanschouwen! Wie 't zag, zou moeten erkennen dat Wouter groot gelyk had, toen-i in z'n print-kleurperiode zoo jaloersch was op dat leven in 'n woesteny. Geen kind in heel Sloterdyk dat er niet precies zóó over dacht. Het zeil was verdeeld in vier kolommen, en overdwars in zeven ryen, 'n verdeeling die me straks kan komen te staan op 't vertrouwen van den lezer. Want zie, de man zong welgeteld negen-en-twintig koepletten, en 't zal dus schynen dat ik òf 'n koeplet van eigen vinding valschelyk onderschuif, òf dat ik--erger nog--te-kort doe aan 't zeil. 't Een is zoo onmogelyk als 't ander. Men schudt geen poëzie als de hier bedoelde uit den mouw, en wat het zeil aangaat, wie zag er ooit een met negen-en-twintig vakken? Blyft men in-weerwil hiervan m'n nauwkeurigheid wantrouwen, 't spyt me wel, maar ik zal trachten my in 't verdriet daarover weer te schikken. Men is nu eenmaal niet voor z'n pleizier op de wereld. Misschien ook voelt de ergdenkende lezer berouw, als-i den tekst van de Complainte gelezen heeft. Hy zal inzien dat men zoo-iets niet machtig wordt zonder nauwkeurige bronnen geraadpleegd te hebben.

Men moet daartoe beneden de twaalf jaar zyn, of... véél ouder. Dat de Sloterdykers er niet veel van verstonden, deed weinig schade aan 't effect. De acht-en-twintig kleurige tooneeltjes op 't zeil schreeuwden wèl zoo hard en spraken duidelyker dan de beide zwervers. En wat men op printjes niet begreep, werd opgehelderd door 't larmoyeerend orgel. [30]

Niemand van de toeschouwers had achtgeslagen op 't naderen van de schuit. Wonder was 't niet, want toen ze begon in-zicht te komen, had men zich even te-voren vermaakt met de exekutie van Golo, die zoo duidelyk op het drie-en-twintigste vakje was voorgesteld dat slechts weinigen er geen kippevel van kregen, en wie in dit ongevoelig geval verkeerde, wachtte zich wel het te zeggen. Niemand beklaagde den booswicht, en als de Sloterdykers zitting hadden gehad in die rechtbank, zouden de stukjes waarin hy gesneden werd, nog veel kleiner uitgevallen zyn. De chères en de grandes tendresses waarop Genoveva vervolgens onthaald werd, waren op 't zeil heel aanlokkelyk voorgesteld. 't Doet me genoegen dat Wouter er niets van gezien heeft. Ook had de schilder middel gevonden, den toeschouwer te doordringen van haar aanhoudend omgaan met "J. C." [31] slechts afgewisseld door 't biddend en dankend gebruiken van ongekookte boomwortelen. Och, men hoeft zoo weinig fransch te verstaan om zulke dingen innig te begrypen! Nog één koeplet, en heel Sloterdyk was aan 't bidden en uitgraven van boomwortels gegaan. Ieder ziet in dat het publiekje van den troubadour, in zoo'n gewyde stemming wel wat anders te doen had dan op de schuit te letten, die daar zoo onverschillig kwam aanschuiven alsof er nooit 'n Genoveva in de wereld geweest was. En die hinde! Juist toen 't arme dier bezig was met z'n miracle nouveau, door quoiqu'on lui porte van honger te sterven op dat graf, hoste de jager voorby. De lyn van zoo'n haarlemmer-schuit is tachtig vaam lang... [32]

Oorsprong der vrymetselary. Hoe men 't moet aanleggen om met sommige menschen kennis te maken. Wouter komt niet te Haarlem. [33]

Ze was terdege boos. De lezer zal wel weten dat invloed, macht, gezag, heerschappy, overwicht en de van al deze factoren grootendeels afhangende tevredenheid met zichzelf voortdurend in stygende of dalende beweging zyn. Wie aan de verliezende hand is, voelt zich genoopt naar bondgenooten omtezien, en opent met 'n klein toespraakje de preliminaire onderhandelingen. Hy tracht te weten te kernon of er kans bestaat dat anderen in z'n verdriet deelen--of al was 't maar in z'n afkeuring--en hy staat gereed het minste blyk daarvan aantegrypen tot herstel van de ondergane krenking. Het spreekt vanzelf dat de onderliggende party gewoonlyk meer scherpzinnigheid aan deze taktiek ten-koste legt dan de zegepralende tegenstander die weleens op z'n behaalde lauweren in den dut valt, en niet aan versterking van standpunt begint te denken voor de stygende invloed van den vyand hem daartoe aanspoort. In oogenblikken van betrekkelyke gelykheid openbaart zich de wryving in morren, twist, krakeel, vechtpartyen of oorlog, al naarmate de stryd zich tot individueele belangen bepaalde, of wyder gebied innam. Daar evenwel zoodanige gelykheid nooit lang aanhoudt, en er alzoo telkens op-nieuw 'n onderliggende party gevormd wordt die aan herstel van standpunt behoefte voelt, is dat zoeken naar geestverwantschap 't perpetuum mobile geworden dat de gansche maatschappy in beweging houdt. De machtigste korporatie die ooit bestond, moet begonnen zyn met de vraag: of 't niet waar was? Maar de Geschiedenis zwygt over de tallooze malen dat er op die vraag geen weerklank werd gegeven, of wel 'n antwoord dat verdere onderhandelingen afsneed en alle toenadering onmogelyk maakte. Het is aan 'n zeer byzonder toeval te danken, dat ik kan meedeelen hoe de eerste poging van de waardin was beantwoord geworden. Zie hier wat de schipper had gezegd, toen ze terstond na 't instappen van de roef 'n gesprek trachtte aanteknoopen:

--Zeg 'ns, mensch, als ik jou was, zou ik me nou ereissies heel bedaard houwen. Ik ben hier baas aan-boord, versta je dat?

Zeker verstond ze 't wel, maar ze zal evenmin als ik begrepen hebben hoe dat baasschap hier te-pas kwam? En wat de bedaardheid aangaat, waaraan de schipper betuigde zich te willen overgeven zoodra hy háár was... och, ik zeg dat die schipper onmogelyk weten kon wat-i in dat vreemd geval doen zou.

--Wel nou keman, nog bedaard ook, en dat na zoo 'n veraffrentasie!

Meer had ze niet gezegd, en daarmee was 't voor datmaal uit geweest. Laat ons de geestkracht en de gevatheid bewonderen, waarmee ze dat komfoor te-baat nam om den aanval te hervatten. Doch we weten reeds dat ook die poging schipbreuk had geleden op de onafhankelykheid van karakter die de deugdzame schipper wist te putten uit z'n tonteldoos. Het speet ons voor de waardin, maar we zyn niet ondankbaar voor de leering hoe goed het is, by zekere gelegenheden eigen vuur by de hand te hebben. Het wyf zat nu heel menschenkennig te loeren op 'n derde gelegenheid. Dat er in elk kuras gapingen zyn, wist ze wel... lieve god, pater Jansen en Wouter waren in 't geheel niet geharnast! Ja, had ze maar met die twee alleen te doen gehad. Maar de schipper was drukkend pedant en groots. Hy blufte op z'n gezag aan boord, op z'n deugd, op z'n zes gehuwde kinderen:

--Allemaal best af, m'nheer pastoor, best! Twee by 't waagdragen... 'n mooi vak, m'nheer pastoor!

Jansen liet z'n kin op de gevouwen handen, en deze op den knop van z'n rotting rusten, maar antwoordde niet. Z'n gelaat teekende droefheid, en de waardin bespiedde z'n stemming. 't Was, meende zy, al iets dat-i door z'n zwygen weinig blyk gaf van den lust om in vriendschappelyke verstandhouding tot den schipper te komen.

--En de derde is op 'n armenschool... als onderwyzer, weet u. Dàt is er een! Als-i 'n woord ziet, vraagt-i dadelyk waarvan ontleent zich dat? En hy wéét 't! Nou, ik heb ze best opgebracht, dat moet ik zeggen. 't Oog op God, zoo zei ik maar altyd, en dan...

Een blik op de roef.

...eerlyk door de wereld! Wat zegt U, m'nheer pastoor?

Helaas, Jansen zei weer niets, en de fondsen van de waardin rezen 'n beetje. 't Leek wel of nu de beurt aan den schipper was gekomen om behoefte te voelen aan wat weerklank. De man verwonderde zich dat-i met z'n "God voor oogen!" niet beter slaagde vooral omdat-i met 'n geestelyke te doen had, die beroepshalve wel verplicht was zulke praatjes heel mooi te vinden. Maar hierin vergiste zich onze schipper. Over 't algemeen vinden die heeren 't niet aangenaam dat de terminologie van 't vak door leeken ontwyd wordt. Ze houden meer van zondaren dan van dilettanten in zaligmakery, omdat 'n klant boven 'n konkurrent gaat. Deze algemeene waarheid was nu wel niet op den goeden Jansen toepasselyk, maar de teleurstelling van den schipper werd er niet geringer om. Sedert dertig jaren verkondigde hy z'n fameuze hoofdgrondstelling tweemaal daags--op den zeldzamen keer na, dat-i geen enkelen passagier in de roef had--en nog nooit was z'n hoogstmerkwaardig maxime aangehoord zonder hem 'n zalvend: "ja, ja, schipper, daar heb je wel gelyk in!" optebrengen. Dit behoorde tot de emolumenten van z'n verheven beroep, en die pastoor zat maar zwygend op z'n neus te staren! Zelfs voor het ditmaal zoo byzonder toepasselyke: "eerlyk door de wereld!" had die vervelende passagier geen goedkeurend woordjen over, geen knikje! Er moesten andere loopgraven geopend worden:

--Ja, God voor oogen, zeg ik maar. Nou, onze Chris--want Chris heet-i naar z'n grootmoeder, omdat die ook Chris heette--'t is 'n eerst platje. 't Was eigenlyk m'n vrouws moeder... ook 'n brave vrouw, dat kan ik je gerust zeggen, m'nheer pastoor! 't Mensch is dood, maar anders... Jan, vier 'n scheutje tot die modderpraam voorby is.

Jan de knecht vierde drie vaam van de jaaglyn. Heel noodig was 't juist niet, maar de schipper vond de gelegenheid gunstig iets van z'n zeemanschap te laten zien.

--Ja, m'nheer pastoor, zoo ben ik! Ik heb graag wat speling in de lyn als er drukte-n-in de vaart is. Een mensch moet op z'n zaken passen, en... God voor oogen! Dan kom je 'r wel. Haal nu maar weer in, Jan. Zóó heb ik ze opgebracht, alle zes, m'nheer pastoor. En onze Chris zei--want hy is 'n platje--"wel, vader, waarom noemen je de menschen haarlemmer-schipper? Nou, ik begreep terstond dat er wat achter stak, maar waar 't 'm zat kon ik niet raden, want geleerd ben ik, om 't zoo 'reis ronduit te zeggen, niet. Maar ik versta m'n werk als de beste...

Waarschynlyk om Jansen hiervan te overtuigen, gelastte hy nu z'n knecht het dek van de schuit dat met teer en gestampte schulpen besmeerd was, met water te bevochtigen.

--'n Paar pussies maar, want ziet u, m'nheer pastoor, anders kleeft het zoo, als er den heelen dag de zon op staat. Nou, en m'n.. eene dochter--Jansje heet ze, omdat ze eigenlyk naar my genoemd is, want... myn naam is Jan--nu die is getrouwd met 'n boekbinder. Die heeft ook al haar vierde... allemaal meisjes. En de tweede is in de blye verwachting, want haar man is op 'n kantoor in de accynsen. Daar worden alle varkens gewogen... van de stad, weet u?

--Maar, m'nheer, waagde Wouter te vragen, waarom mag men u geen haarlemmer-schipper noemen?

--Ja, niet waar, dàt is 'n vraag! Nou, hy is 'n guit, dat zal je hooren. En alles maar zoo droog-weg. Hy zei... maar zeg eens, ben je meer te Haarlem geweest?

Of Wouter er geweest was!

--Want anders kan je 't niet zoo dadelyk begrypen. Maar ik wou m'nheer pastoor vertellen van m'n derde dochter. Die woont in de Langstraat, en haar man heeft 'n winkel, en daarin verkoopen ze zoowat van alles. 't Is om 't nu zoo eens uittedrukken: 'n komeny, maar aanspreker is-i ook, en hy bedient 'n begrafenisfonds, en dat geeft nogal. Toen verleden haar jongste gestorven is, hebben ze-n-uit hun eigen bus twintig gulden gehad. Bn nu is de middelste ook ziek, 'n meisje, m'nheer pastoor, met kromme beentjes en nogal pieperig. Ja, 't gaat 'rlui best. Ze wil altyd dat ik m'n rust zal nemen omdat ik op jaren kom, want Pietje heet ze, omdat ze genoemd is naar m'n vader, en die heette Piet. En ze wil dat ik zal uitscheien met werken omdat ik zoo erg op jaren kom, m'nheer pastoor, en al zooveel beleefd heb. Maar ik zeg maar altyd: né, zoolang God me kracht geeft...

Zóólang zoud-i zeven uren daags in dien stuurstoel zitten, en nog meer beleven, en haarlemmer-schipper blyven, of wat-i dan volgens z'n guitige zoon wezen mocht.

--Een mensch moet op z'n post blyven naar Gods bestel, m'n-heer pastoor. Dàt heb ik altyd m'n kinderen voorgehouden, en daarom gaat het hun best.

--Maar, m'nheer, waarom mag men u geen haarlemmer-schipper noemen?

--Precies, zoo kom je-n-op 't ware punt van de zaak. Wel, jongeheer, hy zei--maar 't is 'n guit, dat zal je zien--"vader, zeid-i, zoodra je Halfweg gepasseerd bent, word je Amsterdammer-schipper." 't Is waar ook, zei ik, en ik had er nooit aan gedacht. Zoo zieje wel dat zoo'n jongen me de baas is. Maar... God voor oogen, dat 's best van allemaal. Wel ja, straks voorby Halfweg--als je-n-in die streken bekend bent, zal je 't zelf zien--dan kom ik, om zoo te zeggen, van Amsterdam, en hier gaan we nog altyd maar naar Haarlem. Hoe vind je die? En hy is pas zeventien!

Wouter glimlachte even uit goedhartigheid, maar verder kon-i 't niet brengen. Dat de maçonnieke poging van den schipper om met pater Jansen in gesprek te komen niet gelukken kon, spreekt vanzelf. Dit zou 't geval gebleven zyn al ware de meegedeelde geestigheid eenigszins geestiger geweest, want de goede man repeteerde z'n theologischen kursus. Hy overpeinsde of er iets goeds kon gedaan worden, en wat? Geestelyke hovaardy was hem vreemd, maar toch voelde hy als fatsoenlyk man 'n instinkmatigen afkeer van 't wyf dat hy wel zou moeten aanspreken als-i besloot zich het lot van die twee meisjes aantetrekken. Dit nu hield hy in z'n onnoozelheid voor plicht, en... zy wist het! Ze wist dat er slechts 'n gepaste aanleiding noodig was om hem aan 't spreken te krygen. Zonder uitbundige instemming hebben we hem hooren beweren dat er op 'n Simmenarie zooveel menschenkennis viel optedoen, maar wel durven we deze eigenschap toekennen aan de vele simmenarien die onze waardin in haar jeugd bezocht, en na voleindigde studien op ryper leeftyd bestuurd had. Met grapjes of 'n geestigheid was die ernstige pastoor niet te genaken, dit voelde ze wel. Met opgedrongen vriendelykheid evenmin. De weg naar z'n gemoed... ze wàs er!

--Dàt kan ik niet aanzien, riep ze, 't schreit werachtich tot God! Schipper, leg 'ereis an, en neem die stumperts in je schuit. Ik ben goed voor de vracht.

--Ik mag 't niet afslaan, zei de schipper, die Jansen aankeek alsof-i zich verontschuldigde. Zaken zyn zaken, dat zal m'nheer pastoor ook wel weten.

Hy riep den jager toe, halt te houden. De lyn plaste in 't water, en de schuit werd naar wal gestuurd. De waardin die uit de roef in den stuurstoel gestapt was, riep en wenkte de tobbende orgelfamilie die na eenige opheldering over de onverwachte vriendelykheid in de schuit werd opgenomen.

--Zit jelui daar nou maar ereis heel op je gemak, lieve menschen, en rust wat uit. Ik ben goed voor de vracht...

En Jansen aanziende:

... wel ja, niet waar, men moet z'n evenmensch 'n beetje helpen in de wereld?

Ziedaar nu haar derde: "niet waar?" en 't beste! Jansen antwoordde wel niet terstond, maar zag haar vriendelyk aan, en toen ze daarop blyk gaf naast hem te willen plaatsnemen, overschreed de ruimte die hy maakte, de grens niet die de welwillendheid in zulke gevallen aanwyst. De waardin gunde zich de genoegdoening, den schipper 'n zegepralenden blik toetewerpen. Maar we mogen aannemen dat-i met het oog op God dien slag overleefd heeft, daar we van-goeder-hand weten dat-i eerst jaren daarna overleden is, waarschynlyk in 'n oogenblik dat-i 'n verkeerden kant uitzag. Wie dit vermoeden te liefdeloos vindt, mag veronderstellen dat de man, ook zonder de minste fout in de richting van z'n oogen, ten-laatste bezweken is aan deze of gene ziekte die Gods macht te-boven ging. Aan ouderdom, by-voorbeeld. Want dat gebeurt soms.

Hoe dit zy, by de gelegenheid die we hier behandelen, hield de man zich kras. Hy verdampte zoo goed mogelyk z'n ergernis over den triumf van de waardin. Deze was er werkelyk in geslaagd met den geestelyke in gesprek te komen, en Wouter luisterde aandachtig toe. Nu 't ys eenmaal gebroken was, bleek het wyf raad te weten voor 't wegruimen van de schotsen.

--Best, wees jelui maar vroolyk in de schuit! riep ze toen de tonen van het draaiorgel zich deden hooren. Ja, m'nheer pastoor, ik hou van vroolykheid, en de man kan nu zitten by z'n werk! 't Was niet aantezien, niet waar?

--Ja, juffrouw, zoo'n orgel is 'n heele vracht.