De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz
Chapter 34
Hier zweeg Jansen 'n oogenblik: en 't scheen wel of z'n gedachten minder vroolyk waren dan naar gewoonte. Misschien "schoven ze maar zoo'n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier." Wouter was wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man aantezetten tot wat gehuppel. Jazelfs hy verwachtte een flinken sprong, 'n saut périlleux. De onkunde der jeugd is wreed--cet âge est sans pitié , zei de fabeldichter--en Wouter wist niet wat-i deed, toen hy vroeg:
--En is Liesje met haar vryer getrouwd, m'nheer?
--O ja, zeker, zeker! Waarom zou ze niet met hem getrouwd zyn? Alles was immers afgesproken en klaar. Maar ze beloofde my vooraf dat ze-n-altyd goed voor haar volk wezen zou, want dàt had ik haar verzocht, maar ik zei er by dat ik niet heelemaal zeker was van de hel, omdat ik nog maar theologie-tweede was. Ja, niet waar, ik mocht me niet voor hooger uitgeven dan me toekwam, en waarom dan zoo'n meisje voor niemendal schrik aantejagen, als ik 't soms mocht mis hebben? Maar ze zei dat ze geen hel noodig had, en dat ze-n-altyd heel goed wezen zou als ze 't my maar beloofd had. Nu, ze méénde 't wel, want ze gaf er my 'n hartelyken zoen op... och, ze huilde zoo!
--Waarom huilde ze zoo, m'nheer?
--Je moet begrypen, de eene mensch is niet als de ander, en soms heeft men verdrietige buien. Misschien huilde ze-n-omdat ik zoo driftig tegen haar vader geweest was, en dat was goed van haar, want 'n kind moet altyd partytrekken voor z'n ouders. 't Begon al toen ik Trineken opnam...
--Had U dat gedaan, m'nheer?
--Ja zeker, ik was de sterkste van allemaal, en 't bed was boven in huis. Wie zou haar den trap opgedragen hebben zonder 't mensch zeer te doen? Ze was maar vel en been, en alles deed haar pyn. 't Was Koremans z'n eigen bed...
--Och!
--Daar stònd ik op! Ik hield me koppig, en zei dat het zoo wezen moest, of ik zou 'n omgekeerd Jeruzalem van z'n huis maken. En Lies wou háár bed afstaan, maar ik zei: "né, in 't zyne, of ik kom hier nooit weer!" En ik zei er 'n heel ruw woord by, tegen haar vader--je bent maar 'n ruige Ezau! zei ik--en daarom zal ze misschien gehuild hebben.
--Was ze-n-'n... lief meisje, m'nheer?
Deze vraag zweefde Wouter reeds lang op de lippen, maar de weifeling tusschen de varianten "mooi" en "schoon" deed hem telkens aarzelen. 't Een kwam hem tegenover 'n geestelyke wat gemeenzaam voor--te gemeen ook misschien--'t andere klonk te boekerig by Jansens gemeenzaamheid. Toch moest ons roman-lezertjen iets van Liesjens uiterlyk weten, en hy kleedde z'n nieuwsgierigheid naar dat hoofdmoment van de zaak, zoo deftig in als de omstandigheden toelieten. Maar ook Jansen had zeker dekorum in-acht te nemen. Niet met bewustheid tegenover Wouter, of wien ook, maar zonder zelf hiervan iets te weten, jegens z'n eigen vlekkelooze reinheid. Van mooi of niet mooi was dus ook by hem geen spraak. En meer nog: hy dacht er niet aan, hy wist het niet!
--O ja, heel lief. En vroom ook, op zondag en hoogty, dàt moet ik zeggen! Maar de heiligheid van den huwelyken staat wou ze niet vatten. 't Is by ons 'n Sakrement, weetje, en dat zei ik haar. Maar ze was er niet mee tevreden, en wou haar trouwen uitstellen tot zy al haar kristenplichten beter kennen zou, zei ze. En ze vroeg of ik 'r daarin helpen wou? Maar haar vryer had er geen zin in en zei dat hy dat wel zou doen, en toen gaf ik hem 'n boek waar alles in stond. Maar, och, zy is na haar trouwen bleek en verdrietig en ziek geworden, en heeft niet lang geleefd. Kort voor haar dood liet ze nog vragen hoe Trineken 't maakte, en of ik de stumpert wel trouw bezocht? Nu, dit deed ik, en 't zal Liesje zeker plezier gedaan hebben.
--En, m'nheer, bezocht u Liesje niet?
--Neen, want haar man was niet heel vrindelyk als ik naar haar vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou brengen, dien-i misschien liever niet zag. Want Liesje... kyk, de zaak was zóó. In 't dorp zei iedereen dat ze liever 'n ander gehad had, als ze 't maar had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander van de kerk was. Ja ja, ik weet wel wie 't was, ook!
--Hè? vroeg Wouter die 't ook meende te weten.
--Ja, maar zeg 't niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk kwamen, stond zy aan 't venster. Ook soms aan 't hek, maar zoodra we naderby kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand die niet weten wil dat-i uitgekeken heeft. Zoo zyn de meisjes, en dit wist ik heel goed, want nergens doet men zooveel menschenkennis op als op 'n simmenarie. Nu, dat ze-n-altyd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, 'n besten, besten jongen! En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om Kruger geweest zyn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat zou ik ook misschien weleens gedaan hebben, want Kruger was m'n beste vrind, en hy hield byna net zooveel van Liesjen als ik. O, heel veel!
Tot zoover was Jansen gevorderd met z'n vertrouwelykheden, toen 't paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen van de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden door een der hoofdpersonen zelf. Hy voelde wel dat Jansen eigenlyk meer verteld had dan-i zich veroorloofde te weten. Of wist hy meer? Gedurende het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man gezwegen. De eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf dreunde en 't spreken moeielyk maakte, was daarvan zeker de oorzaak. Maar toen ze weer in de open lucht kwamen, klaagde Jansen over den vreeselyken tocht die hem de oogen vol zand gewaaid had.
--Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze 'r van tranen? En ik ben moè ook. Ja, ja, ik heb vandaag al wat af gedraafd, en verlang naar 'n zitje. Maar... wat is dáár te doen?
Inderdaad, er was 'n "standje" by de aanlegplaats van de schuit Onze wandelaars versnelden hun stap, om er zoo spoedig mogelyk 't rechte van te weten.
Wat my betreft, ik meen in dit hoofdstuk voldaan te hebben aan de belofte dat ik eens 'n staaltje van pater Jansen's preekmanier geven zou, en ik zeg er dit uitdrukkelyk by, om niet dezen of genen onkundige in den waan te laten dat-i 'n idylle gelezen heeft.
Wouter en deugdzame lezers worden teleurgesteld door Fancy, die 'n lynch-vonnis kasseert. Ter vergoeding levert ze bydragen tot de physiologie van zekere nyverheid, en benoemt ze Wouter tot trooster van 'n diep bedroefde moeder. De lezer wordt gepaaid met het stuk volksroem, waarop hy al zoo lang gewacht heeft. Of Wouter Haarlem bereikt?
--Wel, jongeheer, daar schynt wat vreemds voortevallen. Hoor me die vrouwspersoon eens schreeuwen!
--Ja, m'nheer, ze schelden. Ik geloof zeker dat er ruzie is.
De opmerking van pater Jansen was gegrond, en Wouter's geloof ditmaal eens byzonder goed. Er was inderdaad iets byzonders aan de hand en er werd gescholden.
En alweer vroeg Wouter waarom die vrouw zoo schold, en "tegen wien ze 't had?" Hy kon aanvankelyk niet uit de zaak wys worden, en deed hiermee tot m'n groot genoegen z'n leermeesters by het postkantoor weinig eer aan. Uit de onnoozele vragen die hy tot z'n bejaarden vriend richtte, bleek duidelyk dat hun onderwys niet best aan hem besteed was geweest. En pater Jansen was nu juist de rechte man niet om hem behoorlyk intelichten, want er was by die schuit iets zeer gemeens te doen, en daarvan had-i geen verstand. Wel kende hy in z'n hoedanigheid van zielengeneesheer de gewone verschynselen van de ziekten die men hem in theologie-derde als "zonde" had leeren kennen en behandelen--de kursus liep, excusez du peu, in theologie-eerste tot en met genezen toe!--maar juist omdat-i ze slechts als zoodanig bestudeerd had, stond-i met de handen verkeerd, zoodra de vyand tot wiens verdelging hy ambtshalve geroepen was, zich in levenden lyve aan hem vertoonde, wat hier werkelyk 't geval bleek. De goede pater mocht van geluk spreken dat-i, eenigszins verlegen door de verrassing, en misschien ook weerhouden door de stoffeering van het tooneel dat byzonder weinig op 'n biechtstoel geleek, niet terstond aan 't bedokteren ging van de zieken die hier overvloedige blyken gaven van behoefte aan wat beterschap. De goede man zou zeker 'n gek figuur hebben gemaakt, en dit ware jammer geweest. Hy vernam by deze gelegenheid byna evenveel nieuws als Wouter, en ook zonder deze overeenstemming was 't opmerkelyk in hoevéél opzichten de indrukken die zy hier opvingen, elkander geleken. Jansen was in wereld- en menschenkennis ongeveer blyven staan op 't standpunt dat Wouter onlangs bereikt had, en alzoo steeds minderjarig in de boosheid gebleven. Het verschil tusschen deze beide kinderen bestond hoofdzakelyk hierin, dat de ontwikkelende knaap méér weten wilde en zichzelf beschuldigde van domheid, terwyl de volwassen man heel tevreden was met z'n verstandelyke toerusting. En waarom zoud-i niet? Hy had immers alle voorgeschreven examens achter den rug, en wist dus precies wat er in zake zielenherderschap kon geweten worden. Z'n tevredenheid sproot volstrekt niet uit eigenwaan voort, maar uit plichtmatig vertrouwen op de knappe luî die verklaard hadden dat-i behoorlyk volleerd was en raad wist met alle zonden. Hy had er latynsche getuigschriften van, met zegels er op. Wat wil men meer?
Ik kan de meening niet deelen van sommigen die beweren dat 'n katholiek geestelyke zoo byzonder veel menschkunde zou opdoen in den biechtstoel. Het komt me voor, dat men daarby over 't hoofd ziet hoe moeielyk het is zichzelf te schetsen, en dat de biechteling, ook by de hoogstdenkbare oprechtheid--volkomen oprechtheid is onmogelyk!--slechts daden en feiten kan openbaren. Vanwaar immers zou hy de psychologische ontwikkeling halen, die niet ontbeerd worden kan door iemand die al de schakeeringen van de roersels zyner handelingen uit elkaar wil houden? En vanwaar de welbespraaktheid om die duidelyk blootteleggen voor 'n ander? Waarlyk, wie dit kan, knielt niet naast 'n biechtstoel om de geheimen van z'n ziel toetefluisteren aan 'n priester! Niet voor dezulken is de oorbiecht uitgevonden, en niet voor hèn wordt ze in-stand gehouden. Wie dit betwyfelt, lette eens op den graad van verstandelyke ontwikkeling waarmee 't meerendeel der geestelyken blykt te kunnen volstaan. Er hing me hier 'n beeld in de pen, waarmee ik 't verschil in soort van hun werkzaamheid wilde schetsen, doch ik houd het terug. 't Was iets als 'n vergelyking tusschen den Schwartzwalder boer die houten klokjes snitselt, en den fabrikant van fyne zakuurwerken te Genève. Deugt niet, deugt niet! Er is hier geen spraak van 't onderscheid tusschen grof en fyn, niet eens zelfs altyd van meer of minder ingewikkeldheid der organismen. Op 't oneindig wyd gebied van menschkunde heerschen àndere verschillen! Reeds zeer lang geleden zagen we hoe tevreden pater Jansen was over Femke's ziel--geen Schwartzwalder snitselwerk, op m'n woord!--en onlangs stelde ik den lezer in de gelegenheid 'n brok theologischen kursus bytewonen, door hem in kennis te brengen met Styntje. Hoe gelieft men nu den toon te noemen, waarop die beidie personen zich uitlieten over zaken die door anderen slechts werden behandeld met konynenmondjes en in pontifikaal! Ondeftig was die toon, o zeker! Maar toch--en ik bedoel dit in zéér hoogen zin--onaesthetisch, grof, onzedelyk dus, was die toon niet! Er was hart in, en kinderlykheid, en overtuiging. De uitdrukkingen die pater Jansen en z'n dienstbode zich veroorloofden... och, ze wisten niet dat er iets te veroorlooven viel! Van kinds-af vereenzelvigd met hun naïf geloof, bespraken zy de dingen die daarmee in verband stonden, met dezelfde gemakkelykheid als andere belangen van hun huishoudentje, en Styntje's tevredenheid over 't vereffenen der schuld van haar moeder was van gelyke soort als haar voldoening zou geweest zyn over 't wèlslagen van ingemaakte zuurkool. 't Spyt me dat ik op 't oogenblik niemand tot getuige roepen kan die haar aankomst in den hemel heeft bygewoond, maar we mogen ons verzekerd houden dat ze by die gelegenheid even onbevangen gevraagd heeft: "wel, waar is ze nu... m'n moeder? Ze weet immers dat ik alles krek in-orde heb gebracht?" als ze Wouter opdroeg haar teerbeminden pater te beschermen tegen z'n goedgeefsheid. En ook hyzelf was er de man niet naar, om z'n God en goddelyke dingen terugstootend te maken door deftigheid. Z'n geloof en al wat daaruit voortvloeide, was hem de meest dagelyksche zaak van die wereld.
Maar... die wereld-zelf kende hy nu eenmaal niet! Hy wist er niet veel meer van dan z'n biechtelingen hem konden of wilden meedeelen, en deze zeer gebrekkige inlichtingen namen nog bovendien steeds de kleur aan van z'n eigen schuldeloos gemoed. Elk bedreven kwaad scheen hem 'n ongeluk toe, en de vermaningen die hy uitsprak of de boetedoening die hy soms meende te moeten voorschryven, geleken meer op 'n vriendschappelyk toegediende hartsterking dan op berisping en straf. 't Was waarlyk geen wonder dat-i niet recht vatte wat er by die haarlemmer-schuit verhandeld werd! Een der hoofdpersonen in het drama-bedryf dat hier werd afgespeeld, de vrouw die door haar luidruchtigheid en gemeenen opschik de aandacht van 't publiek tot zich trok, was te Amsterdam geweest om wat koopwaar optedoen voor haar winkel te Haarlem. Die koopwaar bestond in 'n tweetal... meisjes, neen--twee "meiden" zeg ik ook niet graag--uit twee jeugdige vrouwspersonen dan, die ze door geschenken en de voorspiegeling van 'n lui leven tot zich had weten te lokken. Wat ik hier "geschenken" noem, was in werkelykheid 'n driedubbel geboekt woekervoorschot. En "ze had het zwart op wit" zei ze, op haar dy slaande, waar de kostbare dokumenten geborgen schenen die haar woorden konden bevestigen. Deze bewysvoering was tegen de moeder van een der beide schepseltjes gericht, die lucht van de zaak gekregen, en gezorgd had vóór 't afvaren van de schuit daar te zyn. 't Woord "moeder" klinkt liefelyk, en de goedige lezer verwacht dat de vrouw zich daar bevond om haar kind te ontrukken--"zoo noemt men zulks" zou Stoffel zeggen--aan de klauwen des verderfs... och, ik ben daar jammerlyk op 'n boekenfraze verzeild geraakt. Dat komt er van, als men z'n schryftafel zoo vol modellen heeft liggen! [27] Die "moeder" was doodeenvoudig daargekomen om 'n aandeel te vorderen in 't reeds genotene, en vooral om 'n aandeel te bedingen in de toekomstige winst. Het toegeschoten publiek was verontwaardigd, of toonde zich zoo, en verdeelde de uiting van z'n misnoegen vry gelyk tusschen de moeder en de waardin. Deze beiden aan 't kyven! De twee rekruten zwegen, maar toch kon 'n opmerkzaam toeschouwer te weten komen wie van de strydvoerende partyen met haar sympathie vereerd werd, en wel door de plaats die zy innamen, of die ze trachtten te hernemen als ze voor 'n oogenblik vandaar waren weggedrongen. Blykbaar schaarden ze zich, zoowel in overdrachtelyke als in letterlyke beteekenis van 't woord, aan den kant der waardin. En er was reden toe! Deze had "so werachtich as Chot" niets minder verzekerd dan dat haar kontubernaaltjes 's morgens zoo lang konden slapen als ze maar verkozen, en 's avends zouden ze onthaald worden op jenever met suiker... als ze maar 'n "heer" wisten te bewegen die versnaperingen voor zyn rekening aan 't buvet te bestellen. Nu, hiertoe meenden de meisjes kans te zien. Maar 't zou haar tegenvallen. Ze overschatten den invloed en den markt-prys van haar bekoorlykheden--de goedkoopste zaak ter-wereld!--en ook wel 'n beetje de mildheid van de "heeren." Maar de beminnelyke waardin liet haar aanstaande voedsterlingetjes in den waan dat er met nagebootste huurliefde terdeeg wat 'te verdienen viel. En er werd nog meer beloofd. Ze zouden Krelien en Sefie heeten, en door de meid "juffrouw" genoemd worden. Om 'n voorsmaak van die heerlykheid te geven, en tevens van den toon die in haar etablissement heerschte, sprak 't wyf gedurig van haar "dames." Wat kon, tegenover zulke schitterende aanloksels, de moeder bieden, zy die maar 'n arme werkster was? Ik weet wel dat sommige boekenluî 'n antwoord op deze vraag gereed hebben. Ze spreken by zulke gelegenheden van tucht, reinheid van ziel, eer, gemoedsrust, moederlyke teederheid... och, onze beide Kaatjes hadden liever jenever met suiker! Maar ik moet er by zeggen dat de keus haar niet zóó moeielyk gemaakt werd, als de papiermoralisten van zoo-even wel denken zouden, want de moeder hield zich met al die roerende dingen niet op. Ze reklameerde haar deel van de zaak, en eischte vóór alles 'n bonten voorschoot terug, dat ze volgens haar beweren aan haar dochter geleend had.
--En zal ik er nou dàt niet eens van hebben, riep ze, dat ik m'n eigen goed weerom kryg? Hy heeft me drie skelling en 'n oortje gekost?
Er van? Wáárvan, o vrouw? Wáárvan? Ik vraag u, wáárvan? Nu, dit kon háár niet schelen, en:
--Dat kan my niet schelen, schreeuwde ook de waardin. Mensch, je moest je schamen, dat moest je! Wel ja, wat zeg jylui--dit was 'n beroep op de kiesheid van de omstanders, die deze onderscheiding ten-volle verdienden--wat zeg jylui? Is 't geen schande dat 'n moeder haar eigen kind 'n standje komt maken om 'n boezelaar?
--Ik wou maar dat we-n-afvoeren, zuchtte een van de Kaatjes. Wat treuzelt die schipper!
--Drie skelling en 'n oortje, zoo waar as er 'n God in den hemel is, op de Numàrt in den bontjeswinkel! Geef hier, m'n goed! 't Is myn goed, zeg ik je! Geef hier!
Een poging om 't betwist voorwerp met geweld machtig te worden, mislukte. Op-eens wendde de teedere moeder de zaak over 'n anderen boeg. Ze trachtte haar stem aandoenlyk te maken, en huilde:
--Heb ik je dáártoe opgebracht?
Wel zeker! Waartoe ànders, o teedere moeder?
--'t Is om te besterven, menschen, dat is het! En zeg, wat zal je vader daarvan zeggen?
--Nou, laat er je man maar buiten, zou ik je raden! Die zit hoog en droog in de rooie zaagsel. [28] Wat zeg jy, Ka?
Kaatje bevestigde de zaak wel niet uitdrukkelyk, maar gaf toch 'n antwoord dat heel weinig op verontwaardigde ontkenning geleek, door op-nieuw moeite te doen om zich van haar moeder te verwyderen, en 'n veilig plaatsje te krygen achter de waardin. Deze haastte zich 'n zegel op de beteekenis van Kaatje's manoeuvre te zetten:
--Wel ja, meid, 'n woord 'n woord, 'n man 'n man, niet waar? En... ik heb ommers al de papieren in m'n zak. Wat zeg jyluî? Een mensch kan toch niet meer verlangen als zwart op wit!
De vrouw had weer op haar dy geslagen, en scheen antwoord te wachten. Er gingen dan ook uit het publiek eenige stemmen op, maar ze getuigden van verdeeldheid der meeningen. Wel hoorde men hier-en-daar: "zieje, 't is toch altyd haar moeder!" maar ook toonden sommigen zich verontwaardigd over de vreemde soort van 't moederschap dat hier vertoond werd. Een stemming by zittenblyven en opstaan kon moeielyk verordend worden, omdat de heele zaak in de letterlyke termen van 'n "standje" viel. Bovendien, de strydvoerende partyen wachtten zich wel 'n beroep op de meerderheid te doen, voor ze met eenige zekerheid berekenen konden die meerderheid op haar hand te hebben. En hiertoe bestonden aan geen van beide zyden voldoende gegevens. Velerlei scheldwoorden rezen uit de vergaderde menigte op, maar 't viel moeielyk te beslissen tot wie ze gericht waren, omdat ze meestal nogal toepasselyk konden geacht worden op ieder van de vier vrouwspersonen in 't byzonder. De hieruit voortspruitende verwarring bewees hoe groot de behoefte was--ook zelfs in de laagste standen der Maatschappy--aan eenig besef van onderscheid tusschen schelden en beschuldigen.
--M'n drie skellinge wil ik hebben, kryschte de vrouw, terwyl ze trachtte haar dochter by den voorschoot te grypen. Ik wil m'n geld, m'n drie skellingen, of anders...
Haar schreeuwen herinnerde Wouter aan de wanhoop der edele Hersilia over die verloren zeven gulden dertien, en langs de rails van al wat er sedert 'n etmaal weer met hem was voorgevallen, liep z'n herinnering uit op de vyftig guldens die hy in z'n zak had. "Als hy eens die arme vrouw aan 'n nieuw voorschoot hielp? God zou 't zeker weer niet doen, en daar er nu toch eenmaal in 't helpen iets goddelyks ligt:
--Wat dunkt u, m'nheer? vroeg-i aan pater Jansen?
--Ik ben erg bedroefd over die menschen, zei de goede man.
--O zeker, m'nheer! Maar... die boezelaar? Drie schellingen is nog geen volle gulden, en als wy nu eens...
--Dat mag volstrekt niet, jongeheer! Het doet my in de ziel leed dat die menschen op zoo'n verkeerden weg zyn--want dit moet ik er haast wel van gelooven--maar 't geld dat je by je hebt, is je niet gegeven om...
--M'n drie skellinge, huilde het wyf, of anders ten-minste m'n kind weerom!
Dit "ten-minste" was verrukkelyk! Zal er misschien straks blyken dat prinses Erika onzen Wouter die vyftig guldens geschonken heeft om 'n radelooze moeder weer in 't bezit van haar verloren kind te stellen?
--Ze is heel ongelukkig, m'nheer... hoor maar! Och, wat komt er nu voor òns die ééne gulden op aan? En... 't is nog niet eens 'n volle gulden!
--We mogen 't heusch niet doen, jongeheer! Kom, kom mee in de schuit! Ik word er koud van, en kan 't heusch niet langer aanzien.
't Scheen wel dat pater Jansen z'n eigen standvastigheid wantrouwde en de verlokking ontvlieden wou. Maar hy aarzelde. Ook Wouter volgde slechts heel langzaam, en niet zonder telkens opnieuw, by z'n geleider aantedringen op interventie.
--Wat is voor òns 'n enkele gulden, m'nheer!
Kyk me-n-eens zoo'n kleine rykaard! Jansen antwoordde niet, bleef weer staan, en scheen te weifelen. De vrouw die met 'n eigenaardig armeluî's-instinkt iets bemerkt had van wat er tusschen die twee gaande was, vond het raadzaam van tekst en toon te veranderen, en begon te jammeren over de drie "wurmen die ze thuis had, en die nu zouden moeten vergaan van ongemak en kou." Inhoever deze verdrietige omstandigheden 't gevolg konden wezen van Kaatje's wangedrag, of van 't bankroet dat ze aan haar boezelaar leed, liet zy onopgehelderd. Toch had vooral de beweerde plotselinge temperatuurverlaging van die "wurmen" zoo in 't hartje van den zomer, best eenige meteorologische toelichting kunnen gebruiken. Maar hiernaar werd door de tegenparty niet gevraagd. Zoowel de waardin als anderen uit den hoop beantwoordden haar klachten slechts met onwetenschappelyke scheldwoorden, doch tereere van 't stukje publiek dat hier vergaderd was, moet ik erkennen dat ook de koopvrouw uit Haarlem niet verschoond werd. Haar beroep leverde overvloedige stof tot schimp en smaad. Maar 't scheen dat ze de uitdrukkingen waarmee men haar zedelyk en maatschappelyk standpunt kwalificeerde, wel eens meer gehoord had, en niet gewoon was flauw te vallen om 'n beetje schande. Tartend, en als om te pronken met haar ongedeerdheid, bauwde zy de scheldwoorden na die men haar naar 't hoofd wierp, en wanneer daarin zekere eentonigheid begon te heerschen, omdat de voorraad wat klein bleek in verhouding tot den duur van de scène, hielp zy de schreeuwers op den weg door 'n sarrend: "nou mot jelui dàt weer 'ns zeggen!" of: "ik heb in lang niet dàt of dàt gehoord, koman, bedenk jelui je nou 'reis goed of je niet ereis wat nieuws weet!" Deze betrekkelyke kalmte prikkelde tot opwinding, en op zeker oogenblik nam de afkeer van haar ellendig bedryf zoo de overhand... neen, dit is onjuist, men werd zóó boos over de onverschilligheid waarmee ze 't schelden opnam, dat de moeder hoop begon te scheppen. Het blyft 'n raadsel wat die vrouw eigenlyk van plan was met haar "kind" aantevangen als 't bevryd wezen zou uit de handen van de waardin, doch zonder zich hierover te bekommeren begon de meerderheid haar bytevallen.