De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz
Chapter 31
Wouter begon z'n relaas hakkelend en verward, en sprak nog veel slechter dan over 't algemeen de hollandsche gewoonte is, 'n fout die vergeeflyk voorkomt omdat ze in zekeren zin 't gevolg is van den rykdom der taal. Och, niet dáárop kon zich de jongen ter verschooning van z'n gebrabbel beroepen. Behalve de schaamte die hem beheerschte, hinderde hem zekere onzekerheid omtrent het bevattingsvermogen van z'n hoorders, 'n twyfel die Demosthenessen en Ciceroos zou stom gemaakt hebben. Hierdoor werd hy vooral belemmerd wanneer-i ter verklaring van z'n vreemd gedrag, oorzaken wou uitleggen die hemzelf niet zeer duidelyk waren. 't Is waar ook, waaròm toch voelde hy zich zoo ontevreden, zoo alleen, zoo weinig "thuis" in 't wereldje dat hem omgaf? De wrevel in byzondere gevallen--over de minachting, byv. waarmee de opgeblazen Hersilia hem behandeld had--was gemakkelyker te verklaren, en dit deed-i dan ook zoo goed hy kon.
--Als 't kind van de kerk was, zou ik zeggen dat je hem eens onderhanden moest nemen, zei Vrouw Claus tot den pater. En, zieje, 't is niet om 't verkwanselen van z'n kleeren alleen, en ook niet om dien perresol, maar z'n gezicht bevalt me-n-ook niet. Zeg jyzelf nu eens, pater, of-i er niet verpieterd uitziet? Nu, we zullen zien wat er aan te doen is.
Dit gezegd hebbende, stond zy op en begaf zich naar 't achterkamertje, alsof daar de geneesmiddelen voor Wouter's kwalen moesten gezocht worden. En dit bleek eenige minuten later werkelyk 't geval te zyn.
--Hoor eens, jongeheer, zei pater Jansen, wil je weten hoe ik over de zaak denk? Ik vind dat je je kleeren moest zien weerom te krygen. Zie je kans, 't huis van dien man terugtevinden?
Wouter vertoonde het adreskaartje van den menschenvriend die hem zoo edelmoedig behulpzaam geweest was in 't uit- en aankleeden. Hy maakte de opmerking dat er tot het lossen van de verkochte stukken geld noodig wezen zou, véél geld, en dat juist dit bezwaar...
--Geld heb ik ook niet veel, zei de goede man, maar als je wat wachten kan, zal ik er om schryven naar Vucht, aan m'n broer die daar smid is, en 't gaat 'm goed. En 'n herberg houdt-i ook, en zondags wordt er by hem gedanst... nou! Na kerktyd, weetje? Dàt moet je zien, vooral als 't kermis is. Een pret... je leven zoo niet!
De zedepreeken van pater Jansen waren ligt te verteren, gelyk men ziet. Of liever, 't waren geen preeken, en misschien zelfs was z'n taal onzedelyk. Want de man sprak van dansen, pret en kermishouden zonder afschuw, 'n byzonderheid waarin de scherpzinnige lezers een der oorzaken zullen ontdekken, waarom de goede pater nooit lid van 'n gemeenteraad geworden is. In zulke kollegien heeft men leden van eigenaardige bravigheid noodig. Och, Jansen was zoo braaf niet! Hy preekte niet, en sprak niet over zedelykhedens. Ternauwernood roerde hy zulke dingen aan, als 't zyn beurt was alleen te praten in de kerk, wat hem moeielyk genoeg viel, omdat hy er volstrekt geen slag van had zich aantestellen alsof-i beter was en meer wist dan 'n ander. Voor schryver zou hy in 't geheel niet gedeugd hebben. Hy was goed in den uitgestrektsten zin van 't woord, tenzy men het toekennen van deze hoedanigheid beperke tot de personen die in zichzelf iets kwaads te bestryden hadden en overwinnaars bleven in dien stryd. Dit kon nu eenmaal met pater Jansen 't geval niet wezen omdat hy niet wist wat kwaad was. Toch, of juist daarom misschien, wekte z'n voorkomen, z'n manier van spreken en vooral, waar 't noodig was, z'n handelwys, in zeer hooge maat tot deugd op. Maar ook dit was hemzelf geheel onbewust, 'n onkunde die hem bewaarde voor de nederigheid waarop hy in dat geval zich misschien zou hebben toegelegd, en die z'n overigens zoo volkomen ongekunsteld karakter zou ontsierd hebben.
Hy verhaalde nog een-en-ander van z'n dorp, en Wouter die behoefte voelde aan afleiding, luisterde met meer belangstelling dan de zaakjes die pater Jansen meedeelde, waard waren. Het was de gemoedelyke, zachte, onhartstochtelyke toon die hem goeddeed, en telkens betrapte hy zich op de verzuchting: "och, was ik maar te Vucht by dien smid!" De herberg en 't dansen hoefde er niet eens by om naar zoo'n heerlyk land te verlangen.
--Je moet 'm zien staan in z'n travalje, zei de pastoor. Klik, klak, bim, boem, de vonken vliegen rechts en links! En z'n mouwen opgestroopt tot den schouder toe, want je begrypt, zoo'n smid werkt in z'n hemdsmouwen.
Wouter voelde neiging z'n pronkjas uittetrekken, en aan 't smeden te gaan. Wat zoo'n smid toch 'n gelukkig mensch is, en hy...
--Och, m'nheer, ik zit zoo verlegen! Ik durf waarlyk niet thuis komen met dit vervloekte ding aan m'n lyf.
--O, we moeten niet vloeken. Zoo'n jas heeft er geen weet van of-i mooi of leelyk is, moet je denken. Ja, de man zal zeker veel geld willen hebben, want van z'n winst moet-i leven, zieje, en zulke menschen hebben altyd groote huishoudens. Heb je misschien kennis aan 'n horlogemaker?
--Neen, stamelde Wouter.
--Misschien weet Vrouw Claus wel waar we wezen moeten, zei de pater, terwyl-i 'n ouwerwetsch zilveren horloge uithaalde. Maar 't is niet best van loop... als we maar wisten wie 't koopen wou! Waarom huilje?
Inderdaad, de tranen liepen Wouter over de wangen.
--O neen, neen, dàt niet, m'nheer, dat kan niet!
--Ik zal er weinig weet van hebben, want dikwyls staat-i stil. 't Is heel lastig, 'n horloge dat niet goed gaat, maar 't is van m'n vader, en daarom... och, ik hecht er niemendal aan, want ik heb genoeg andere dingen van hem, die ik bewaar als goud, dat begryp je wel! Als je-n-'ns by me komt, zal je 't zien. 't Briefje van z'n eerste kommunie hangt boven den schoorsteen. Hy was ook 'n smid, en nog veel sterker dan m'n broer... zooals ze zeggen, want gekend heb ik den man niet, omdat ik pas 'n jaar oud was toen-i stierf. Als we nu maar wisten wie 't koopen wou!
De goede man woog 't horloge op de hand.
--Dat zal niet gebeuren, pater, riep Vrouw Claus, die weer binnentredend, de laatste woorden verstaan, en terstond begrepen had wat er mee bedoeld werd. Dàt zal niet gebeuren, en 't is niet noodig ook, ging ze voort, 'n papiertje waarin geld gewikkeld scheen, omhoog houdende. Ik heb hier andere hulp, maar al was dat zoo niet, dan zou ikzelf nog wel raad weten voor 'n dukaton of tien. Hoor eens, jongeheer, kyk me-n-eens goed aan... ja, pater, 't moet er nu maar uit, ze zegt het zelf, en dat gedraai en gemaal verveelt me danig. Zeg, jongen, kan je zwygen?
--Ja, zei Wouter, en hy sprak de waarheid.
--Nu dan, Fem is niet hier, en 't meiske dat je zeker gezien hebt op den weg... ja, aan je oogen zie ik dat je 'r gezien hebt...
't Is waar dat Wouter 'n eigenaardig gezicht zette by 't ontwaren van wat kans op opheldering over de vreemde vertooning van dien ochtend.
... ja, ja, ik begryp heel goed dat je 'r naar gekeken hebt! Nu, dat was onze Fem niet, jongen! Dat is, om 't nu maar zoo eens uittedrukken, 'n juffer die--hoe zal ik zeggen, pater? Want de pater weet er van, dat begryp je wel, anders deed ik 't niet!--dat is 'n juffer die van staat veranderen wil.
--Prinses Erika, riep Wouter, prinses Erika die komt ruilen! O God, o God, ik wist het wel!
--Hè? Hoe kon jy dat weten, jongen? Wat weet je? Niks!
--Prinses Erika! Heeft ze niet naar me gevraagd! O, zeg, of ze niet naar me gevraagd heeft?
--'t Is 'n juffer die van staat verandert, zeg ik je, en die by my 't wasschen leeren wil. Maar ze wil 't niet weten voor de menschen en voor 'r familie, en daarom laat ze je verzoeken, nooit 'n woord over haar te spreken. Ze zei me dat je woord houden zou als je 't beloofde. Je schynt iets met 'r gehad te hebben...
--Ja, o ja, riep Wouter.
--Men moet altyd z'n woord houden, zei pater Jansen.
--Dus je belooft het? vroeg Vrouw Claus.
--Ja, by God! riep Wouter.
--Je hoeft er niet op te zweren, mannetje, vermaande de pater, die als 'n eed opnam wat in Wouter's mond slechts 'n romanfraze was, al meende hy 't dan even goed alsof-i eenvoudig "ja" gezegd had. Hy 'n dame verraden, en háár nogal!
--Nu, goed dan, vervolgde Vrouw Claus, ik heb haar verteld wat je op die buitenplaats en te Haarlem hebt uitgevoerd, en ze zegt dat er geen kwaad by is, als je nu maar precies doet wat ik je zeggen zal.
--O, alles, alles!
--Kyk, hier is geld voor je kleertjes--steek je horloge gerust weer in je zak, pater--maar ze zegt dat het eerst gewisseld moet worden. Gut, pater, als de jongen 't nu maar niet weer verdoet!
--Je moet het vooral niet verdoen, jongeheer. Ik ken die munt wel. We hebben er eens precies zoo een in 't zakje gehad... verleden, weetje, toen er zooveel vreemde heeren in de stad waren.
't Waren gouden friedrichs, en wel vyf in getal. Vrouw Claus zei dat het meisje meer had willen geven, maar dat ze haar hiervan had teruggehouden uit vrees voor 't "verdoen." Die glinsterende stukken herinnerden Wouter aan de gemakkelykheid waarmee de schipper met den bonten muts zich gezag had weten te verschaffen in die kroeg op de Botermarkt. Er ging hem 'n lichtjen op, waarvan-i gebruik maakte om 'n schrede voorwaarts te doen op 't gebied van munt- en menschenkennis. Maar tyd om zich te verdiepen in de aandoeningen van dien vreeselyken en toch zoo heerlyken nacht, had-i niet. "Ze noemde my broeder..." begon hy te mymeren toen Vrouw Claus z'n gedachten afbrak, al had het er dan wel iets van alsof zy ze voortzette, want ook zy sprak van 'n broeder, schoon men erkennen moest dat het woord in haar mond wat minder voornaam en boekerig klonk.
Op-eens zag ze Wouter nadenkend aan, alsof z'n trekken haar byzonder belang inboezemden.
--Ja, gut, jy zag er vroeger ook lief uit, maar nu niet meer, als ik je nu eens de gulle waarheid zeggen zal. 't Was misschien voor jou ook wel 'reis goed als ie 't zeegat uitging--want, pater, hy wil naar zee... haar broer, meen ik--je ziet erg bleek, jongen, wat zeg jy, pater? Zoo'n kind versagrineert en verpietert zoo in stad. Neef Holsma zei 't ook. Maar nu dat geld, weetje waar 't gewisseld worden kan? En zal je 't niet verdoen?
--Neen, juffrouw, zeker niet! Maar...
--'t Is waar ook, je durft met die malle plunje de stad niet in. Dat zal toch moeten! En heel naar Haarlem dan, hoe zou je dàt maken?
--Als ik van dienst wezen kan, zei pater Jansen.
--Wel, pater, als je met den jongen meeging?
--Dat wil ik wel doen, antwoordde de goede man, als we maar weten waar we wezen moeten.
Wouter voelde zich groots dat-i eens eindelyk in één ding zich diligent toonen kon, en haalde met zekeren triumf weer 't adreskaartje voor den dag. Pater Jansen verzekerde dat de zaak nu heel makkelyk kon geschikt worden, en er werd afgesproken dat Wouter hem naar z'n woning vergezellen zou om daar te wachten tot het geld gewisseld was. Dan zouden ze tezamen naar Haarlem gaan.
--Ja, maar dan je moeder nog, en die heeren van de buitenplaats? Ze heeft gezegd... wacht even, pater. Ik denk dat ze nu wel klaar wezen zal, want ze wou 'n brief schryven.
Inderdaad, de juffer die van staat veranderen wou, was aan 't schryven geweest. Althans Vrouw Claus die zich 'n oogenblik naar 't achterkamertje verwyderd had, kwam met 'n briefjen in de hand terug.
--Ze zegt dat je dit bezorgen moet als je van Haarlem terugkomt, maar eerst moet je by Neef Holsma gaan, en hem alles precies vertellen. En nu, gaat heen, allebei. Ik heb 'n drukte, je leven zoo niet! En dat vreemde kind... lief en goed is ze, dat moet ik zeggen Maar, zieje, ze heeft nooit 'n hand uitgestoken. 't Is onze Fem niet, moet je denken. Dus, mannetje, je gaat met pater naar Haarlem, en dàn dat briefje... neen, eerst by Neef Holsma, en daar vertel je alles, en nu, goeien dag! Pater, pas op 't verdoen, want de jongen steekt vol rarigheid.
De beide bezoekers verlieten 't huisje. Wouter bezag met begrypelyke nieuwsgierigheid het adres. Het was de naam van 'n zeer bekende koopmansfirma, van "'n huis op Archangel" zouden z'n postkantoorvrindjes gezegd hebben, en de pater scheen dit best te begrypen: "want, zeid-i, voor ze van staat veranderde, is ze veel in Rusland geweest." Hy noodigde Wouter vriendelyk uit, aan z'n rechterzy te gaan, en begon ter opheldering van dit verzoek zeker voorval uit z'n jeugd meetedeelen, waarmee hy evenwel op verre na niet gereed was toen ze zyn woning bereikt hadden. Hier nam 't gesprek 'n andere wending, zoodat ik alweer niet in de gelegenheid ben, den lezer te doen weten waarom pater Jansen zoo doof was aan z'n linkeroor.
't Ware, echte, oude, onvervalschte katholieke moordhol vol rammelend gebeente en ander slecht volk. De gegrondheid van een stuk nederlandschen volksroem uit de 17e eeuw, afhankelyk gemaakt van de vraag of pater Jansen en Wouter in dit hoofdstuk Haarlem bereiken? Ik geloof het niet, maar de zaak kan meevallen.
Het spyt me, lezer, dat ik niet weet of ge ooit 'n protestantsch jongetje geweest zyt, en in die verheven hoedanigheid bezoeken hebt afgelegd by 'n katholiek priester? Zoo neen, dan zal 't me moeielyk vallen, u duidelyk te maken wat er in Wouter omging toen hy met den pater by de kerk was aangekomen, waarnaast of waarachter de goede man z'n verblyf hield. 't Was in 'n achterbuurt, en wie niet wist dat daar 'n kerk was, zou 't waarlyk niet geraden hebben. [26]
In den kring der Pietersens rilt men by de gedachte aan zoo'n buitensporigheid, maar er zal 'n tyd komen dat 'n schryver moeite hebben zal z'n lezers duidelyk te maken waaruit die afkeer voortvloeit. Ook Wouter begreep niet recht wàt hem beheerschte, maar zeker is 't dat hy iets als beklemdheid voelde toen pater Jansen voor 't onaanzienlyk huis stilhield "waar z'n kerk was" naar-i zeide.
--En hier is de ingang naar myn woning, vervolgde hy, 'n deur openende die den toegang afsloot naar 'n lange smalle gang naast het hoofdgebouw. Ik woon best, jongeheer, dat zal je zien. Maar zou je nu niet eerst naar de Kolveniersburgwal gaan?
Met 'n blik op z'n kleeding smeekte Wouter om genade.
--Liever als we van Haarlem zyn teruggekomen, m'nheer! Heusch, dan zal ik terstond gaan, maar nu...
--Zou je denken dat 'n jas van my...
--Neen, neen, o neen, riep Wouter haastig, dat zal niet gaan, m'nheer!
Zeker 't mankeerde nog maar aan de zonderlinge toestanden waarin hy zich telkens geplaatst zag, dat-i de Holsma's ging bezoeken in de jurk van 'n pastoor!
--Nu, wacht dan maar by my tot ik geld gewisseld heb, en dan samen op reis! Ik doe 't met pleizier, want ik ben lang niet te Haarlem geweest. Houd je van halletjes?
De goede man geleidde Wouter in z'n woning die uit 'n paar kamertjes bestond, welke door 'n somber binnenplaatsje van den achterkant dier kerk gescheiden waren.
--Kyk, zeide hy, wat ik hier best woon! Zou je wel gelooven dat ik niet ruilen wil met 'n bisschop? En gemakkelyk... nergens zoo! Soms ontvang ik hier aanzienlyke menschen--verleden week nog 'n advokaat--en ze zyn allemaal jaloersch op m'n woning, en... op 't gemak, zieje. Want als ik 's morgens opsta voor de vroegdienst--ja, ja, soms is 't nacht nog!--kyk, zóó ben ik wakker en... wip, in de kerk! Verleden--maar spreek er niet over--vond onze Styn... daar is ze juist, Wel, Styn, ik ga naar Haarlem met dezen jongeheer. Wat zeg je daarvan?
Styn zei er niets van dan: "gut, pater!" en 't was genoeg. Althans hy drong niet op verder antwoord aan, en ging, tot Wouter sprekende, voort:
--Ze bedient me-n-al over de dertig jaar, my en pastoor Koens die z'n kamers hiernaast heeft... 'n man van belang! Dien moet je leeren kennen! Hy verstaat grieksch alsof 't niets was. Jy zeker niet, hè? Nu, dat doet er niet toe. Maar verleden... wat wou ik je vertellen?
--'t Was iets van Styntje, m'nheer, en dat de kerk zoo naby was.
--'t Is gek in 'n mensen dat-i soms niet weet wat-i vertellen wou. Ja, de kerk is vlak by, en als ik 's morgens opsta... kyk, nu weet ik wat het was. Ik had gedroomd van Vucht en van de kermis, en werd wat laat wakker, en sprong 't bed uit, en haastte me met kleeden, en wat doe ik--maar ik wist 't niet, dat begryp je wel--ik vergeet een van m'n kousen aantetrekken, een van m'n zwarte overkousen. Maar Styn zag 't, want ze vond hem, en ze liep er me mee achterna, en ze riep: "pater, pater!" en ik wist niet wat ze wou, maar toen hield ze de kous omhoog, en toen wist ik het! Maar ik heb niet gelachen--omdat ik al in de kerk was, en je begrypt... dat is 'n huis Gods--en ik ben hard teruggeloopen, en toen schater-de-n-ik 't uit, en Styn ook. Maar in de kerk heeft niemand het gezien, want het was donker, en... er was nog geen mensch.
Deze onnoozele vertelling stak alweer zeer vreemd af by Wouter's hoogdravende begrippen over goddelyke zaken, en niet minder by de indrukken die de klooster- en monniken-romantiek op z'n verbeelding had nagelaten. Hy vertrouwde z'n ooren niet. Maar de goede pastoor bemerkte niets van z'n verwondering, en verliet hem nadat-i hem den raad had gegeven zich den tyd te korten met 'n paar boeken die hy uit 'n wandkastje nam en op tafel legde. Maar aan tydkorting had Wouter geen behoefte. Hy zag 't kamertje rond, en verbaasde zich over de verregaande eenvoudigheid waarmee 't gemeubeld was. Een metalen Christusbeeldje en 'n paar Heiligen-printjes maakten met het eerste-kommuniebriefje van Jansen's vader, daarvan de eenige versiering uit. Dit laatste hing achter glas in 'n lystje boven den schoorsteenmantel. De tafel was van geverfd hout, en 'n viertal stoelen met matten zittingen voltooiden de stoffeering, tenzy men de hortensia en 'n paar maandrozen meerekene, die buiten 't opgeschoven raam in de vensterbank stonden. Zelfs Wouter, die waarlyk niet aan weelde gewoon was, stond verbaasd over de spaarzaamheid van zoo'n inrichting. Kort voor de onverwachte expatriatie van den Weledelen Heer Motto had-i aan de hand van Anna Radcliffe en konsorten 'n lange galery van roomsche akeligheid doorloopen, waarin 't wemelde van overdaad op allerlei gebied. De armste monnik had kasteelen te zyner beschikking--gewoonlyk waren ze ontoegankelyk, en men moest al zeer goed den weg in 't gebergte weten om ze te zien te krygen--kasteelen waarin weerspannelingen levenslang begraven werden. Elk roomsch geestelyke bezat zakken vol goud waarmee hy den geloovigen bandiet betaalde, die de Kerk behulpzaam was in 't uit den weg ruimen van lastige personen, van iemand, byv. die bybels en traktaatjes verspreidde, of geweigerd had z'n bruid aftestaan aan 'n bisschop. Wat ter-wereld kon zoo'n pater Jansen bewogen hebben zich R. C. priester te laten maken, nu de emolumenten van 't beroep zoo armoedigjes bleken verschraald te zyn? Of zou er misschien ergens... Wouter betastte den wand om 'n geheime deur te ontdekken, en verheugde zich over 't aanvankelyk mislukken van z'n poging, omdat de ware geheimheid van zoo'n deur toch eigenlyk hierin bestaat dat ze zich niet gemakkelyk vinden laat. Nu, aan deze voorwaarde van geheimzinnigheid voldeden de toegangen tot pater Jansen's verborgen schatten en martelkamers opperbest. Wel liep er hier-en-daar 'n scheur door 't gebloemd papier waarmee de wand bedekt was, maar de richting daarvan gaf te duidelyk getuigenis van 'n onwillekeurige breuk in 't metselwerk, dan dat daarby zou kunnen gedacht worden aan de kunst waarmee romanschryvers van de bekende soort groote lokalen weten te verbergen in 'n kleine ruimte. Bovendien:
--Dáár zyn de kamers van den pastoor die zoo sterk is in 't grieksch, redeneerde Wouter, en aan die andere zy hoor ik Styntje rammelen met 'r keukengereedschap. Aan den voorkant zyn de vensters, de hortensia, de binnenplaats en de kerk, en hier... daar zou 't moeten wezen, àls er iets was. Maar...
Ik kan niet juist zeggen door welken gedachtenloop Wouter tot het besluit kwam dat die vierde wand van de kamer niets geheimzinnigs bedekken kon. Misschien bedacht hy dat er zeker aan die zyde wel buren zouden wonen die niet betrokken konden zyn in romantiek. Maar op-eens sloeg hy de oogen op den grond. Onder dien vloer was zeker plaats genoeg voor prikkelende akeligheid. O ja, tot de tegenvoeters toe. God weet hoeveel rammelend gebeente zich daar in zwygende eenzaamheid lag aantekyken! Misschien ook dwaalden er nog levende slachtoffers van inkwizitie en verliefde bisschoppen in die gewelven rond. Wie weet of niet juist op dit oogenblik de schoone Isabella haren voorlaatsten adem uitblaast. Daar knerste iets...
Wouter hield den adem in. Ik weet waarachtig niet wat er knerste, en geef den lezer in overweging te gelooven dat het geluid 'n alleronschuldigste oorzaak had.
...daar knerste iets. Zou er dan toch inderdaad onder die mat...
In geen van de romans die Wouter gelezen had, waren die valluiken met matten bedekt geweest. Dit kon de nieuwste manier wezen, en in romantiek moet men op alles verdacht zyn. Wouter was volstrekt niet van plan den goeden pater Jansen te verraden, als-i z'n geheimen zou ontdekt hebben, o neen! Integendeel, hy wou niets liever dan deelnemen aan al de schatten en kasteelen die er aan 't licht komen zouden, zoodra hy zou afgedaald zyn in 't hol waar hem de schoone Isabella zieltogend lag te wachten. Eerst dat arme schepsel bevryd, en dan met volle zeilen den oceaan der romantiek ingestevend! Isabella-zelf zou er schik in hebben, als ze maar eerst behoorlyk verlost was uit dat gewelf. Maar... wàs er 'n gewelf? Wàs er 'n hol? Om zekerheid te hebben, stampte Wouter met den voet...
--Wou ie wat, jongeheer? vroeg Styntje die juist de kamer binnentrad, en Wouter's grondig onderzoek niet best begreep.
--Neen, o neen, juffrouw, volstrekt niet! antwoordde hy bedremmeld. 't Is maar dat... dat ik...
--Als u iets mankeert... we hebben haarlemmer-olie in huis.
--Dank u, dank u. 't Was maar dat ik... dat m'n voet slaapt. Dàt was het!
--Ja, niet waar, en dat prikkelt zoo. Ik heb 't ook wel eens gehad. Maar 't gaat altyd weer over. Ik moet hier wezen, ziet u, om paters Jézekie te schuren.
En de goeie Styn nam 't Christusbeeldje van den wand, en poetste het en wreef het dat het glom. De krucifix had waarlyk geen reden tot klagen over verwaarloozing, al zou dan de oppervlakkige beoordeelaar meenen dat Styntje wel wat ruw omging met het symbool van haar geloof. De oorzaak van deze schynbare onverschilligheid lag in gewoonte, en in afwezigheid van tegenstand. Wie kwaad van 't afgodsbeeldje gesproken had, zou 't zeker by Styntje moeielyk te verantwoorden gekregen hebben, maar nu hieraan niet gedacht werd, behandelde ze haar Jézekie met niet meer omslag dan elk ander voorwerp van metaal dat ze reinigde, schuurde, wreef en oppoetste.
--Kyk, wat-i glimt! zei ze. Net 'n kaarsenmakers kat in den maneschyn, vindje niet?
Wouter had nooit 'n kat van de omschreven soort en in dat byzonder licht gezien, maar toch erkende hy onvoorwaardelyk dat het beeldjen er goed uitzag.
--Ja, 'n mensch moet zindelyk op z'n goedje wezen! Ik heb wat te stellen met pater... daar heb je geen begrip van! Want hy... denkje dat-i om iets denkt? Neen, dat doet-i niet. En weetje waarom? Wel, omdat-i altyd denkt aan wat anders. De man is 'n engel van God, en zou vergeten z'n neus te snuiten, als ik 'm niet zei: pater, je bent yerkouwen. En je gaat zoo naar Haarlem? En pater ook? Wat ga jelui daar doen? 't Is 'n heele reis.
Wouter verhaalde een-en-ander van 't voorgevallene, maar slaagde er niet in, Styntje begrypelyk te maken wat er eigenlyk geschied was. Hoofdzaak voor haar was en bleef paters reis naar Haarlem.
--Als-i maar geen kou vat, mymerde zy halfluid, of...
--'t Is mooi weer, juffrouw, zei Wouter.
--O ja, dàt is 't! Maar... och, kou vatten is ook 't ergste niet. Ik voel me-n-altyd als 'n mal mensch als-i uitgaat, en dan zoo ver! Kan je me zeggen waar-i nu heen is?
--Geld wisselen, zei Wouter.
--Geld? Daar heb je-n-'t al! Nu zit ik in doodelyken angst. Ik wou dat-i al goed en wel weerom was.