De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz
Chapter 30
Wouter verweet zich dat niemand in gelyke maat als hy, de begaafdheid had zich vasttewarren in 'n net van verdrietelykheden. Gelyk de meeste jongelieden die in nood zitten, dacht-i aan zelfmoord. De lezer herinnert zich dat dit meer geschied was. Het leven kwam hem ondragelyk voor, en hy drong zich op, dat-i ditmaal wel degelyk van plan... wezen zou daaraan 'n kordaat einde te maken, als-i maar niet zoo terugschrikte voor 't denkbeeld dat die vervloekte Kopperliths in z'n minneklachten zouden snuffelen. Eerst die verzen vernietigd, dacht hy, en dan sterven! God zou wel begrypen dat-i 't niet kon uithouden in zóó'n wereld! In den hemel was zeker wel deze of gene werkkring die hem paste. Daar zoud-i zich stipt toeleggen op z'n... naastbyliggenden plicht! O, waarom had-i dien goeden dokter Holsma veronachtzaamd? En... hoe zou 't zyn als-i zich in z'n tegenwoordigen nood--ei, zonder sterven, alzoo?--tot hèm wendde?
Al wat hy zich van die familie herinnerde, kwam hem nu liefelyker voor dan ooit. Die vlugge Sietske! Die waardige moeder! Die ernstige oom Sybrand! En Willem... nu ja, z'n wyzigheid was drukkend, maar kon hy 't helpen dat Wouter geen latyn verstond? Had z'n moeder hem dàt maar laten leeren, meende hy, dan zou alles anders wezen! Hy zou dan nu op weg zyn om dominee te worden, of advokaat, of rechter, of minister... allemaal menschen die 'n behoorlyke jas aanhebben, en precies weten waar ze belanden moeten als 't nacht wordt! Dit namelyk wist Wouter nog altyd niet, en 't bezwaarde hem zeer. Maar al was 't dag geweest, waarheen, waarheen? Op die gansche aarde geen plek waar-i zich vertoonen kon! Zeker, zeker, God zou er genoegen mee nemen, als-i onaangediend en ongeroepen in den hemel kwam.
Sterven dus! Heel goed, als-i maar geweten had, hoe? Inweerwil van deze onzekerheid stond z'n voornemen byna vast. Byna! Want het afscheidnemen van z'n plannen, van z'n droombeelden, van z'n toekomst, viel hem zeer moeielyk. En zelfs het verledene, hoe dor en schraal ook, bood hem gezichtspunten aan waarvan hy de oogen niet kon afwenden. Die verschyning in den Schouwburg... die dubbelgangster van Femke... hemel, de rozeknopjes! Ook die immers lagen in z'n lessenaar op 't kantoor, geborgen in z'n zakboek, in 't zakboek dat-i anders altyd op 't hart droeg--schoon 't hem zéér deed, als-i vuile praatjes aanhoorde by 't postkantoor!--maar dat-i nu voor 't eerst had weggesloten om er niet mee bezwaard te zyn op z'n voorgenomen tocht naar "buiten." Mocht-i aan sterven denken zoolang hy dat pand niet had teruggehaald om het te vrywaren tegen hoon? En nog iets! Was 't niet al te jammer, van deze wereld te scheiden voor-i zeker wist hoeveel prinselyks er stak in Femke, hoeveel van 'n bleekmeisjen in die prinses? Hy begreep niet hoe hy zoolang zich had kunnen bezighouden met allerlei onderwerpen, en vond het onverantwoordelyk zoo'n raadsel onopgelost achtertelaten.
Leven dus, leven! Makkelyk gezegd, als-i maar geweten had waar-i slapen zou? En... eten! Z'n sarrende fantazie hield hem 'n monster-boterham van Vrouw Claus voor, en hy begon nu werkelyk zich te verbeelden dat z'n honger onuitstaanbaar was. Stoffelyke behoefte nam de overhand op smart van anderen aard--daar is ze voor!--en hy begon afgunstig te worden op 't lot van Jakob Claesz. Want, meende hy, in zoo'n onbeschaafd Vuurland waren zeker allerlei vruchtboomen, en er groeide niets eetbaars in den Haarlemmer-Hout. Die Laurens Coster had ook beter gedaan, vygen en ananassen te planten--of al waren 't dan maar burgerlyke appels en peren geweest!--dan zich bezigtehouden met de uitvinding van die vervelende drukkunst! Wat heeft 'n dolend wildemannetje daaraan? En wat baatte hem nu z'n braaf oppassen by Pennewip? O, die vervloekte beschaving! Hy verlangde naar 'n voorwerp waarop-i z'n woede kon koelen, al ware het, byv. 'n bende Vuurlanders geweest. Dan had-i geweten wat het Noodlot van hem verlangde: stryden en... overwonnen worden, nu ja, en men zou hem opeten, ook. In-godsnaam! Daartegenover immers stond altyd de kans dat hy--onder aanroeping van deze of gene dame: 't was meer gebeurd!--de overwinning behaalde, z'n vyanden tot Christenen maakte, en zichzelf tot koning, juist wat-i wezen wilde. Wie weet of niet Jakob Claesz ook zoo-iets gedaan had, en Wouter besloot dat Vuurland eens. te bezoeken zoodra hy te beschikken had over 'n vlootje. Dan zoud-i...
Helaas, heiaas, wat gekke overleggingen in zyn toestand! Beurtelings woedend en verdrietig, slenterde hy laan-in laan-uit, en wist geen raad. Eindelyk zette hy zich moedeloos onder 'n boom, en viel in slaap. Hy droomde dat-i in nood was en dat Femke hem redde. Toen-i wakker werd, was 't volkomen nacht. Het kostte hem veel moeite zich te bezinnen wat er gebeurd en hoe hy daar gekomen was. Maar helaas, hy voelde zich wel genoodzaakt het gebeurde voor inderdaad geschied te houden, en z'n verdriet weer aanteknoopen waar 't eenige uren geleden was afgebroken door den slaap. Toch was de daartusschen liggende droom te levendig geweest om daarop geen acht te slaan, en by gebrek aan beter dwong hy zich dien optevatten als 'n wenk. Hy besloot dus naar Amsterdam te gaan en zich onder Femke's hoede te stellen. Al zag hy niet in hoe zy hem van dienst wezen kon, 't zou hem reeds verluchten indien hy iemand kon deelgenoot maken van z'n verdriet. En de schaamte die hem pynigde omdat-i haar zoo lang had verwaarloosd... zeker, dit maakte den stap niet gemakkelyk. Want hy voelde zeer goed dat-i zich haar onwaardig had gemaakt, en kon het denkbeeld niet van zich stooten dat zy dit wist. Ach, mocht hy den dag van vandaag, en dien van gisteren... neen, de vier, vyf laatste maanden kunnen overleven! Zyn nu verwaarloosd gemoed zou daarby wèlvaren, en Hersilia's parasol ook.
Na lang zoeken en dwalen bevond hy zich op den weg dien hy den namiddag van den vorigen dag was langsgekomen in 't achterbakje van de britschka. Reeds toen was-i niet tevreden. En nu! Naar Femke, naar Femke! riep hy, alsof 't meisjen 'n toovergodin was die maar te bevelen had om verandering te brengen in z'n verdrietigen toestand. En ongegrond was Wouter's vertrouwen eigenlyk niet, schoon hyzelf daarvan zeker geen reden geven kon. Femke's eenvoudige kalmte--uitvloeisel der harmonie van haar gaven, inborst, ontwikkeling en begeerten--maakten haar inderdaad tot 'n goede raadsvrouw. Zeer vermoeid kwam Wouter tegen den morgenstond by haar huisjen aan. Hier wachtte hem 'n zonderlinge verrassing... o, die ondeugende Fancy!
De buitenblinden waren gesloten, wat Wouter niet verwonderde daar het nog zeer vroeg was. Maar wel was z'n verbazing groot, toen hy bemerkte dat de deur áánstond. Zou die den geheelen nacht open geweest zyn? Was Vrouw Claus zoo vroeg reeds uitgegaan? Of misschien Femke-zelf? Helaas, zou ze dáár wezen? Moed om 't meisjen optezoeken by de Holsma's, had-i niet. Hy was beschaamd voor die familie, en bovendien, hy durfde de stad niet in, om die gekke jas! Zeer waarschynlyk had juist de afkeer om zich in de straten te vertoonen, hem 't denkbeeld ingegeven hulp of raad by Femke te zoeken, of wel--indien ze hem noch het een noch het ander verschaffen kon, gelyk immers te voorzien was--haar tot vertrouwelinge van z'n kommer te maken, om wat troost. Zeker zoud-i niet tot dit besluit gekomen zyn als 't meisjen in de stad gewoond had, en niet op 'n buitensingel waar ze bereikt worden kon zonder 'n spitsroedengang tusschen de reien van 't straatpubliek. By 't opsporen van de oorzaken onzer handelingen, moeten we niet zelden afdalen tot het nietigste. Wouter wist niet dat er verband was tusschen liefde en stryd, en al ware hy in dit opzicht minder onkundig geweest, dan nog blyft het de vraag of-i lust zou gevoeld hebben zich in z'n allerzonderlingst kostuum te vertoonen aan de uitverkorene van z'n hart. Bovendien, nooit had hyzelf zich rekenschap van z'n verhouding tot Femke gegeven. Nog altyd dobberden z'n aandoeningen op die grens die 't kind overschryden moet om mensch te worden, en 't was meer de ontwakende behoefte aan liefde die hem vervulde, dan de liefde-zelf. Wouter was niet veel meer dan 'n jongen, en wanneer-i met wat meer juistheid z'n standpuntje begrepen had, zoud-i ontheven zyn geweest van 'n groot deel der schaamte over z'n bespottelyke uitrusting. Wel beschouwd kwam 't er nog drommels weinig op aan, hoe hy er uitzag. Maar hy was alweer niet jong genoeg ook, om onbewust de voordeelen van z'n onbeduidendheid te genieten. Hoe dit zy, de nood perste, en hy voelde instinktmatig behoefte aan 't ontmoeten van iets liefs, iets vriendelyks, na al 't leelyke waarmee men hem sedert zoo langen tyd oververzadigd had. Toch wist-i zeer goed dat Femke niet bymachte wezen zou hem zyn kleeren terug te bezorgen, noch de verhouding tot die gevreesde patroons in orde te brengen, noch hem te verzoenen met z'n moeder die woedend wezen zou als ze te weten kwam dat-i onfatsoenlyk was geweest, parasols gebroken, en fortuinen met voeten geschopt had. Neen, neen, Femke zou hem niet kunnen helpen! Byna begon hy te wenschen dat-i niet dáár was.
Maar Vrouw Claus dan? Evenmin! In-godsnaam, als-i zich dan maar 'n oogenblik in haar huisje mocht neerzetten, haar z'n nood klagen, en... 'n dikken boteram eten. Dàt zou hem de kracht geven om afscheid van 't leven te nemen. Hy wou wel sterven, heel graag zelfs, als-i maar niet zoo'n honger gehad had! Dááraan eerst 'n eind gemaakt, en dan...
Juist wilde hy de deur openstooten en binnengaan, toen z'n aandacht werd getrokken door 'n luid gelach. Het kwam van verre. Over 't bleekveld heen, den weg op, zag Wouter twee gestalten die hem schenen te naderen. Met begeerigheid elk voorwendsel aangrypend om 't gevreesd binnentreden uittestellen, staarde hy zoo scherp mogelyk op de beide personen die in luidruchtig gesprek schenen. Van-lieverlede werden de omtrekken duidelyker. De een scheen 'n jong zeeman en de ander... myn God, was dat Femke niet? Wouter keek zich blind, en moest telkens de oogen uitwisschen om opnieuw... ze wàs het! En de ander? 't Was wel waarlyk 'n matroos: wie anders draagt zoo'n gelakt-leeren hoed? Van-tyd tot-tyd kaatsten daarop de nog horizontale zonnestralen in schitterend goud af, zoodat Wouter de oogen sluiten moest als ze door dien glans getroffen werden. Maar, ze weer opslaande, kon hy zich niet troosten met onzekerheid. Femke liep daar in den zeer vroegen morgen--byna was 't nacht nog--met 'n matroos! Ach, Wouter zou minder tydmeterig-fatsoenlyk met z'n aandoeningen hebben omgegaan, wanneer de begrooting van de heeren Ouwetyd & Kopperlith vyf-en-twintig gulden 's jaars had kunnen dragen aan busrecht!
Femke liep daar in den zeer vroegen morgen, naar Wouter's meening, met 'n matroos! Een oogenblik lang vlood alle herinnering aan 't gebeurde en aan de oorzaken die hem daar brachten, op den achtergrond, om slechts plaats te maken voor yverzucht, vreeselyke yverzucht. De arme jongen had 'n gevoel alsof hem 'n gloeiende dolk in 't hart werd gestoken. Z'n knieën knikten, en als wezenloos viel hy tegen den post van de deur aan. Maar jalouzie is de minst kleinzeerige van alle kwalen: ze houdt van pyn. Wouter sloeg geen oog af van 't schouwspel dat hem zoo wondde en hoe langer hoe smartelyker aandeed, want de blykbare vertrouwelykheid tusschen de beide jongelieden was groot. Gedurende hun wandeling gaven ze elkander de hand, of liever 't scheen dat ze hun pinken ineenhaakten. Dit kon worden opgemaakt uit 'n eigenaardig gelykmatig slingeren van den linkerarm der persoon die rechts liep, en van den rechterarm der andere. Het gesprek was luidruchtig en zelfs van sarrende vroolykheid. Vooral het meisje joelde en schaterde, en hierdoor voelde Wouter zich als vernietigd. Het baatte niet of-i zich al vóórzei dat ze hem niets schuldig was, dat hy geen recht op haar had, en dat ze... god in den hemel, moest het nog erger worden? Daar liet zy de hand van den jongeling los, en viel hem om den hals, en 't duurde wel 'n eeuw, vond Wouter, of 'n uur, of zooiets, maar 'n zéér langen tyd in allen geval. In al de romans die hy gelezen had, werd de aandoening die hy onderging omschreven met de woorden: "onze held stierf duizend dooden" maar hy had waarlyk geen afgezaagde boekenfraze noodig om te voelen wat-i leed. Na de omhelzing hervatte het dartele paar de wandeling op den weg, en naderde, telkens omkeerend, nu en dan het huisje, waarop dan ook eenige malen door 't meisje gewezen werd alsof ze daarover iets aan haar vrindje te vertellen had. Wouter spande zich in om iets van hun gesprek te verstaan, maar 't lukte niet. Als om hem 't begrypen onmogelyk te maken, keerden zy zich telkens om als-i juist op 't punt meende te zyn eenig gevolg verzekerd te zien aan z'n onbescheidenheid, en dan slenterden ze weer den weg naar de Aschpoort op. De arme jongen meende te droomen, want zelfs 't niet verstaan van wat er gezegd werd, bracht het zyne tot z'n verbazing by. Telkens meende hy eenige klanken duidelyk genoeg te hebben opgevangen om te begrypen wat-i hoorde, en toch wou dit maar niet het geval worden. Hy wreef zich de ooren alsof daarover 'n vlies gespannen was, doch zonder baat. En, wanneer 't paartje weer wat verder-af was, hoorde hy slechts 't geschater. Er ontbrak maar aan dat ze daar gingen dansen op den publieken weg. Waarachtig, 't scheelde niet veel! Het uitgelaten meisje pakte 'n paar malen den jonkman, die iets bedaarder bleek dan zy, by den arm, en zwaaide hem om zich heen. Daarop volgde dan weer luid gejuich en gesnap... er was geen eind aan! Ja toch, eindelyk bleven ze staan en schenen afscheid te nemen. Er werd hartelyk gekust, de jongeling verwyderde zich, en 't meisje sloeg met bedaarder tred, den weg naar 't huisjen in. Eens nog stond ze stil, wuifde met 'n doek, en ontving haar groet behoorlyk van 't zeemannetje terug, die driemaal met z'n hoed zwaaide. Voor evenwel 't meisje genoeg genaderd was om Wouter met kennis te zien, liep deze woedend heen, en wou... en zou... ja, wat? Na eenig heen-en-weer zwerven, waarby hem z'n onbehagelyke kleeding zeer ergerde, vooral omdat het getal der voorbygangers aangroeide, niet zonder verdriet ook over den honger dien-i zich toedichtte om 'n afleider te hebben van z'n velerlei wanhopen... kortom, 'n half uur daarna stond-i weer voor 't huisje van Vrouw Claus, en ditmaal trad hy binnen. De tafel droeg toebereidselen tot 'n flink ontbyt--goddank!--maar hy zag niemand. Uit het kamertje waar-i eens zoo heerlyk geslapen had, klonk 'n stem--'n lieve heldere jonkvrouwelyke stem toch!--die hem begroette met 'n soldatesk: werda! Wouter antwoordde niet, of byna niet, want het onnoozele "ik" dat-i zeer verwonderd uit-piepte, mag geen naam hebben. Hoe drommel kon-i voorbereid wezen op zoo'n militaire ontvangst? Gelukkig dat zich hierop Vrouw Claus vertoonde, die hem wat burgerlyker toesprak.
--Zoo, jongeheer, ben jy daar? Heel goed! Waarom bleef je zoo lang weg? Onze Fem heeft wel honderdmaal naar je gevraagd. Ga zitten... ik kleed me, zooals je ziet, en kom terstond weer by je.
Ze trad haar kamer weer in, en Wouter hoorde haar zeggen: "dat is nou 't jongetje van 't paard, weetje?" Hierop volgde iets als teruggehouden lachen en daarop 'n doodelyke stilte. Wouter wist alweer niet hoe hy 't had. Na eenig wachten waagde hy 't even in de kamer te gluren, waaruit men hem zoo geheimzinnig had toegeroepen. Vrouw Claus, dacht-i, zou nu toch wel met haar toilet gereed zyn. Nu, dit was zoo, maar in de kamer was niemand. Moeder en dochter waren zeker op 't erf by de bekende pomp. Een oogenblik daarna keerde Vrouw Claus terug, en noodigde op haar gewone vriendelyke manier Wouter op 't ontbyt.
--Asjeblieft, juffrouw. Maar wil u me asjeblieft zeggen waarom Femke niet komt?
--Fem? Jawel, o jawel, die zal wel komen. Of misschien komt ze niet, want ze staat te wasschen. Zoo zal ik nu maar zeggen, weetje? Weetje wat jy doet? Eet 'n boteram, jongen, en hier is koffi. En zeg me nu eens gauw hoe 't met je moeder gaat? Die is immers ziek geweest? Ja, 'n mensch kan gauw wat krygen... neem er wat kaas op.
--M'n moeder is heel wel, maar...
--En jy? Heb je geen pyn meer? Van je val, meen ik. Och... neen, neen, neen, ik weet al! Je hebt immers nooit op 'n paard gezeten. Hoe kan ik zoo mal vragen, maar je moet altyd denken, 'n mensch z'n hoofd loopt wel 'reis om. En is moeder weer heelemaal in orde. Wel, dat's best. Als ze nu maar oppast niet weer ziek te worden. Was 't koorts, of wat was het?
--M'n moeder is heel wel, juffrouw, maar ikzelf ben 'n beetje...
--Ben jy ziek? Wat mankeert je? Maar... gut, jongen, wat heb je daar 'n gekke jas aan je lyf. Hoe kom je daaraan?
--Ja, dat komt... dat is... ik moet... ik wilde...
Wouter stotterde. Vrouw Claus greep hem by den arm, trok hem van z'n stoel, en draaide hem in de rondte, om hem op haar gemak van alle kanten te bekyken.
--Ajakkes, jongen, wat schikt jou moeder je raar op! Je lykt wel 'n sjouwerman, neen... ik weet niet wat je wel lykt! Je broekie is netjes, dat moet ik zeggen, en je boordjes zitten redelyk, maar die jas! En wat zit je vol stof. Waar heb je gezeten, jongen? Waar ben je geweest?
Toen de goede vrouw zich bukte om 't stof van z'n schoenen te slaan, kreeg ze tot overmaat van ergernis, Wouter's hoed in 't oog, dien-i by 't plaatsnemen had verstopt onder z'n stoel.
--Heeremensch, wat 'n hoed! Ik geloof dat je mal bent, jongen! En, nu ik je wel bezie, je gezicht staat ook niet best! Och, och, vroeger was je zoo'n lief jongetje, en op dat paard... o neen, op 'n paard heb je nooit gezeten, maar toch, je zag 'r vroeger aardig uit. En nu? 't Is 'n ware schand zooals je moeder je toetakelt!
--Moeder kan 't waarlyk niet helpen! Ik zal u alles vertellen, juffrouw.
--Wàt? Kan je moeder niet helpen dat jy voor spot loopt? Ik zeg je dat het schande-n-is, 'n ware schande, ja... 'n schandaal! Hoor eens, ik ben maar 'n waschvrouw, en dat wil ik blyyen ook, al zouden ze... nu, dit gaat jou niet aan, maar ik verzeker je dat ik me schamen zou, schamen, ja schamen, hoorje!
--M'n moeder weet het niet...
--Weet je moeder niet wat je-n-aan je lyf draagt, jongen? Waar is ze dan moeder voor?
--Neen, juffrouw, maar...
--Zeg jy maar Vrouw Claus. Ik ben geen juffrouw, en wil 't niet wezen.
--Och, Vrouw Claus, m'n moeder weet er niets van. Ik kom van Haarlem, en...
--Van Haarlem? Wat deed je dáár? En moet je 'r daarom zoo verpieterd uitzien? Als Fem hier was, zou ze...
--Is ze dan niet hier, vroeg Wouter haastig, is Femke niet hier? En ik heb 'r gezien!
De beurt om verlegen te worden, was aan Vrouw Claus. Ze antwoordde met 'n zonderling gerekt "ja" dat heel best kon gelden voor 'n ontkenning.
--Nu ja, Fem is wel hier, maar... toch, neen, ze is hier eigenlyk niet. Je moet denken, ze is dikwyls uit, en by m'n nicht op den Kolveniersburgwal ook, en ze brengt waschgoed weg... och, ze heeft allerlei te doen, en weetje wat jy doet, jongen? Eet jy nog 'n boteram of twee, want als je heel van Haarlem komt... onze Fem is aan de wasch, weetje, en als ze gehinderd wordt in haar werk... jeesis-maria, wat lieg ik!
Met dezen kreet op de lippen stoof Vrouw Claus de kamer uit, en 't achtervertrekjen in. Het scheen wel dat ook zy wat te verbergen had, want Wouter bemerkte tot z'n verbazing dat zy de deur achter zich sloot, alsof ze bevreesd was dat-i haar volgen zou. Een oogenblik lang meende hy 'n onderdrukt lachen te hooren, maar weldra werd het in de kamer naast hem volkomen stil. Zeker was Vrouw Claus op haar erfje by de pomp gegaan, om daar aan Femke te vertellen hoe bespottelyk hy was opgetooid. Hy begon zich optedringen dat de in 't oog vallend zonderlinge houding der moeder, inverband stond met dat al te vroegtydig bezoek van den matroos. Zeker giste Vrouw Claus dat hy daarvan iets bemerkt had, en ze wist niet hoe ze dat voor de eer van haar huisje zou goedpraten. Zoo wàs het! Weinige maanden geleden nog, zou Wouter zeker niet op zulke gedachten gekomen zyn. Maar z'n wereldwysheid was aan 't groeien, en wel als naar gewoonte den verkeerden kant uit. Wat de kans op juist-raden aangaat, had-i beter gedaan zich te houden aan z'n kinderlykheid, want de wysheid van deze wereld is dwaasheid by Fancy.
Wouter bleef niet zeer lang met z'n boterammen alleen. De buitendeur werd opengesloten, en een man die blykbaar zoo-even was komen aanryden met 'n handkar waarop 'n koffer geplaatst was, vroeg of-i te-recht was by Vrouw Claus? Er bleek dat deze 't voertuig had zien aankomen, en tevens dat zy de bestemming daarvan kende, want voor nog Wouter tyd had gehad iets te vernemen van de herkomst--sommigen beweren dat-i grooten lust had er naar te vragen--kwam de goede oude vrouw haastig aanloopen. Ze stuwde Wouter op-zy, toen-i met z'n gewone dienstvaardigheid behulpzaam wezen wou in 't afladen, en droeg met den kruier 't vry zware voorwerp dat haar gebracht werd, het huisjen in, en met één vaart naar de achterkamer door. Indien 't haar plan was, den naam des afzenders voor Wouter geheim te houden--en zoo scheen 't wel--liep ze gevaar hierin te worden teleurgesteld door den kruier die op haar vraag naar 't bedrag van 't veerloon, ten antwoord gaf dat de vracht voldaan was door de heeren... sakkerloot, Wouter verstond den naam niet! Na 't vertrek van den man met de handkar voelde hy zich verlegen omdat hem maar al te duidelyk gebleken was dat er iets voor hem verborgen werd. Hy wilde dus niets liever dan vertrekken, maar werd weerhouden door Vrouw Claus die hem op-nieuw 'n stoel aanwees.
--Ze zegt... ik wil maar zeggen dat ik nu graag eens precies weten wou waarom je 'r zoo mal uitziet, en wat je toch in 's heere-menschen-naam te Haarlem hebt uitgevoerd? Zeg, jongen, wat deed je te Haarlem, en waarom heb je zoo'n schandaligen hoed op? En die jas? Vertel me nu eens alles precies, net of ik je moeder was. Want ze wil alles weten ...
--Femke? vroeg Wouter.
--Ja, neen, nu ja... Femken ook, dat kan je denken. Heeremensch, wat verveelt me dat liegen...ah!
Deze uitroep gold pater Jansen, die z'n goedig gezicht aan de deur vertoonde. Wouter zag hem met groot genoegen. Er was in dat bejaard kind iets vredigs, iets verzoenends, dat weldadig werken moest op 'n ontstemd gemoed.
--Wel, dat 's goed, pater! Ga zitten, en eet 'n stuk. Heb je-n-'n zieke-n-in de buurt.
--Dat ook. Maar ik kom 'ns hooren of ze 't gedaan heeft?
--Ja zeker! Maar... dat jongetje weet er niets van. We praten er dus maar niet over voor-i weg is.
Natuurlyk alweer wilde Wouter, zich hoorende uitmaken voor zoo storend, z'n bezoek afbreken. Maar Vrouw Claus liet het niet toe.
--Neen, mannetje, jy blyft nog wat. Net goed dat pater 't hoort wat je hebt uitgevoerd. Kyk 't kind er 'ns disselaat uitzien, pater!
De goede pastoor bekeek Wouter van onder tot boven, maar hy was nu juist de rechte man niet om den snit van 'n jas te-beoordeelen, en toonde dus minder verontwaardiging dan volgens Vrouw Claus behoorlyk zou geweest zyn.
--Nu, pater, jy weet dat zoo niet, maar hy is 'n fatsoenlyk mans kind, en ziet er uit als 'n schooier uit de polders. En hy is te Haarlem geweest zonder dat z'n moeder er van weet. Maar vertel dan toch, jongen, wat je gedaan hebt! Wel ja, niet waar, dan weet pater 't ook!