De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz

Chapter 3

Chapter 33,952 wordsPublic domain

O, eerbiedwaardige, korrekte, maar dikwyls laaghartige, toch altyd onschuldige, kansverevening, waarom moest ge dat onïngetogen ridderzwaard in-handen geven van iemand die vergeten had zich te ontdoen van z'n slaapmuts? Waarom niet die twee belachelykheden in billykheid over Stoffel en den held verdeeld? Waarom niet aan ieder wat? Den een de muts, den ander 't wapen? Of, beter nog, waarom niet Stoffel den hellebaard in de hand gedrukt, en den slapenden Laurens by uitsluiting belast met het torschen van den gepluimden diadeem? Wat kon het hèm schelen hoe hy er uitzag in z'n bed!

Maar... 'n held, 'n ridder? En dat onder de oogen van de dame die hy beschermen zal!

Arme Rebekka, wanneer Ivanhoe ware te-voorschyn gekomen met zóó'n helm!

Wouter was woedend.

En... ik ook! Op die kansverevening namelyk, en niet zoozeer om de boosaardige kombinatie van muts en degen. Zy is niet te vermyden, en de Don Ouixotten schikken zich. Weldra zien ze die pluimmuts voor 'n stalen helm aan, en hun hemd voor 'n schubbejak.

Niet dáárom alzoo ben ik boos. Ik zou waarlyk te veel te doen hebben, indien ik toegaf in de neiging tot zùlke verstoordheid. Maar om 'n andere samenvoeging die bedroevender is, en waarin 'n braaf ridder zich niet màg leeren schikken.

Wouter was lafhartig geweest, toen-i Femke had behooren te kennen en te èrkennen. En... z'n gevloden ridderlykheid kwam tevoorschyn op 'n roep uit den mond van juffrouw Laps! Dit is erger dan belachelykheid!

Tegenover reinheid had-i zich stug betoond, en arm aan ziel. De rykdom van z'n gemoed berstte weelderig uit, zoodra ze werd opgevorderd door 't gemeene. Is 't niet treurig?

Dat de Don Quixotten weldra de onheraldische beteekenis van hun pluimmutsen over 't hoofd zien--lafaards wachten zich wel voor zulke gekheid!--is begrypelyk, en te vergeven. Maar wie--en op-den-duur--genoegen nemen zou met de verkrachting van zedelyke logika, met het tragisch-heterogeene...

't Huwelyk van rapier en muts was maar komisch!

... wie op-den-duur zich tevreden stelt met... dat andere, hy is verloren! Hoogstens kan er 'n rykworder uit hem groeien, 'n schoonzoon van Kappelman, of zoo-iets.

Goddank, Wouter zou 't leeren inzien. De zeer intelligente lezer begrypt immers dat-i anders geen geschiedenis hebben zou? Maar hy was nog in lang zoo ver niet, en meende al veel gedaan te hebben tot herstel van de zoo sarkastisch bedorven tooneelzetting, toen-i met driftig gebaar z'n wapen kletterend op den grond smeet, en z'n muts--flap!--op de tafel.

Niemand had ooit geweten dat het manneke zoo driftig worden kon. Z'n moeder vroeg dan ook met de gewone belangstelling in 't welzyn van z'n zieltje: "of-i dan in gods-heeren-naam heelemaal bezeten was?" 't Had er veel van.

De "vinger" van zoo-even zal wel weer de klauw van 'n duivel geweest zyn, of... van den Duivel, naar verkiezing van den lezer.

--Ik zeg dat jelui 't kind niet zoo moet versagrineeren, zei de bibberende bezoekster.

--Oogenblikkelyk naar je bed! riep de moeder.

--Och, laat het kind zitten! Maar... wat ik je zeggen wou, juffrouw Pieterse, van m'n aardappelen...

Wouter blééf. Dat-i dit kon, had hy te danken aan de algemeene nieuwsgierigheid. Heel gelukkig waarlyk, want ik heb z'n blyven hoognoodig voor de ekonomie van m'n vertelling.

...verbeelje toen ik thuis kwam, zoo tegen half-elf... want ik kòn niet eer, om de drukte, weetje--anders... ik houd niet van remoerigheid, dat weetje wel--nu, toen ik thuis kwam--de stad is vol moordenaars en dieven, dit moet je wèl in 't oog houden!--toen waren m'n aardappelen... waar denk ie dat m'n aardappelen waren? Ze waren... weg!

--Weg?

--Weg!

--Heelemaal weg?

--Heelemaal... wèg!

--Je aardappelen weg?

--M'n aardappelen... heeeeelemaal... wèg!

--Maar...

--En ik zeg: dat hebben de dieven en moordenaars gedaan! Wie anders? Er zyn moordenaars op m'n zolder, en nu wou ik je vragen... want ik durf niet alleen thuiskomen...

Wouter's oogen flikkerden.

...ik wou je vragen of misschien... je zoon Stoffel...

Stoffel zette 'n allerzonderlingst gezicht, dat zeker alle moordenaars uitmuntend zou bevallen hebben, omdat het 'n geruststelling bevatte voor de toekomst van 't métier.

--Maar, juffrouw Laps, vroeg-i heb je dan geen kat in huis?

--Een kat? Ben je mal? 'n Kat tegen moordenaars?

--Né, juffrouw, niet tegen moordenaars. Maar 'n kat die misschien je aardappels heeft opgegeten?

--Ik weet van geen kat! Ik weet dat de stad vol gemeen volk is, dat de menschen vermoordt zonder dat er 'n haan na kraait! Niet dat ik om m'n leven geef, gut neen, niet... zie zóóveel! Als de Heer me roept, zal ik zeggen: laat je dienstmaagd gaan in vrede. M'n oogen hebben je heerlykheid gezien! En dan...

--Maar, mensch, waarom heb je niet op je zolder gezocht, of onder je bed?

--Dat mòcht ik niet, juffrouw Pieterse! Wien God bewaart, is wèlbewaard, maar... men mag den Heer niet verzoeken! Op m'n zolder ga ik niet, en onder m'n bed kyk ik niet, voor alle wereldsch goed niet! Want dáár zit-i zeker! En juist daarom wou ik je vragen of... je zoon... Stoffel... of--als Stoffel geen senie heeft--byv. je zoon... Laurens, of...

--Maar... waarom heeft uwe niet liever de buren er by geroepen, juffrouw?

Aldus sprak Stoffel.

--De buren? Nou, je moet ze kennen, die buren! De man onder me durft geen schoothondjen aan, laat staan, 'n moordenaar! En naast me woont er een die... wat zal ik je zeggen, 't is 'n jonkman, en je weet dat ik me niet graag in opspraak breng. Want... 'n mensch moet zorgen voor z'n fatsoen, en nooit ergernis geven, dat weet je-n-ook wel.

Niemand kwam op de gedachte, haar te vragen wie of wat Stoffel dan voor 'n wezen was? Géén jonkman? Zoud-i misschien "door z'n school" boven wereldsche verdenking verheven zyn?

--En bovendien, ging de verlokster voort, meen je dat al die mannen kerasie hebben? Ik zeg neen! Ze zyn zoo bang voor 'n dief, als de dood. Verleje week stond er 'n brittale bedelkerel in 't pertaal, en de vent wou niet weg. Denk je dat ze 'm aandurfden? Maar ik, ik pakte hem flink beet, en...

Ze versprak zich, en bemerkte het:

... nu ja, dat zou ik gedaan hebben als ik niet 'n vrouw was geweest. Want vrouwen moeten zich nooit inlaten met ruwigheid. Dat stáát niet... wat zeg jy, Trui? Ik liep weg, en sloot m'n kamer, zieje! Neen, kerasie hebben al die manlui niet!

"Al die manlui!"

Wouter voelde zich beleedigd, en beefde van ingehouden strydlust, of althans van begeerte om te toonen dat hy niet behoorde onder zùlke "manluî." Juffrouw Laps merkte 't wel.

--Nu, als Stoffel 't niet graag doet...

--Om je de waarheid te zeggen, ik...

... en als Laurens al slaapt. En als... niemand er senie in heeft...

Ze stond op.

... nu, dan zal ik, op God vertrouwend, in m'n eentje... maar griezelig is 't voor 'n vrouw alleen!

Ze zag allen beurtelings aan, behalve juist den eenen tot wien ze sprak. Wouter moest zich vergeten voelen, over 't hoofd gezien, en daardoor geprikkeld tot den eisch om beschreven te worden onder de ridderschap van den huize.

... als dan hier niemand is, die durft...

--Ik durf, juffrouw!

Allen stonden verbaasd, behalve onze menschenkenster die niets anders verwacht had, maar toch geraden vond zich even verbaasd te houden als de rest.

--Jy?

--Jy, Wouter?

--Jongen, ben je gek? Jy?

--Ja, ik! Ik durf, al waren er tien op je zolder, juffrouw, en duizend onder je bed!

Hm, zoo'n kleine Luther! Maar er was verschil. Luther had 'n God, waarop-i meende te kunnen rekenen... met behulp van 'n paar keurvorsten... nu ja, die behoefte hadden aan troebel water. Onze Wouter--zònder keurvorsten!--trok als 't ware ten-stryde tégen den god, die toegelaten had dat er duizend en eenige moordenaars onder 't dak en bed van juffrouw Laps konden zitten.

--Maar, jongen!

--Ik durf!

--Och, laat hem begaan, juffrouw Pieterse! Je begrypt... het is altyd 'n gezelligheid voor me, zoo'n kind by me te hebben! Zieje, dan griezelt het me minder, als er misschien 'n moordenaar op zolder zit. 'n Mensch wil aanspraak hebben, niet waar?

Ze bereikte haar doel: onze Wouter werd haar meegegeven. Met z'n nachtpon en bakkersmuts in 'n pakjen onder den arm, verliet hy 't huis. De yzeren staaf werd achtergelaten, omdat juffrouw Laps verzekerde dat zy 'n wel gevuld tuighuis had van gereedschappen waarmee men zooveel moordenaars kon doodslaan als men verkoos.

De oorzaak dat de Pietersens zoo gemakkelyk toestemden in Wouter's benoeming tot slotvoogd, lag voornamelyk in ydelheid. Eigenlyk keurde het geen der leden van 't koncilie goed, dat de jongen meeging met juffrouw Laps, maar de familie was groots op z'n moed. De zaak zou bekend raken, oververteld worden, en juffrouw Pieterse zou wel zorgen dat er bygevoegd werd:

--'t Is dezelfde jonge-heer, weetje, die laast geleseerd heeft by dokter Holsma op den Kolveniers-burgwal.

"Ja, ja, er zit wel wat in die kinderen van diezelfde Juffrouw Pieterse!" zou dan deze of gene de goedheid hebben te antwoorden.

En zoo-iets hoort men graag.

Dáárom kreeg juffrouw Laps ditmaal haar zin.

Maar... Fancy?

Preutsch was ze niet!

Dat verloochenen van Femke vond zy èrger!

Doch ook dáártegen zou ze raad weten, zy die alles was, alles wist, alles kon, tot het regelen van de kans-verevening inkluis.

Niet tevreden--o neen!--maar kalm toch, en geenszins wanhopend, ging ze met haren arbeid voort. Er was meer spot dan smart in haar gelaat, toen ze Wouter dien avend den weg zag inslaan naar de woning der oefenaarster. Ze toonde hierdoor hooger te staan dan de engel die door Moritz Retsch tot droefgeestige getuige wordt gemaakt van de nederlaag des jongelings die op 't schaakbord z'n ziel aan den duivel verspeelt.

Hm... in één party?

Moet dan het behoud der ziel afhangen van één veronachtzaamd: gardez la Reine?

Waarachtig niet!

Men zou wenschen geen ziel te hebben, als ze zóó snel kon verloren gaan!

Eilieve, dan immers stond de party tusschen God en Duivel niet gelyk?

Hoe! Eén misstap, ééne dwaling, één vergissing, zou naar de hel kunnen voeren, en na 'n lang leven vol moeite, arbeid, onthouding en stryd, is er nog 'n byzondere genade noodig om in den hemel te komen?

Dit moet 'n dwaling zyn! Maar... 'n dwaling die 't verklaart, waarom de galerie zoo gaarne voor den Duivel parieert! En waarom er zooveel speciaal-kunsten worden uitgevonden om God 'n beetje te helpen in z'n ál te ongelyke kans.

Dit hoeft niet!

Fancy zal zich weten te redden. Zich, en... hem dien ze aanraakte met haar vleugel.

Ze laat hem begaan, en doet--als ik!--haar werk. En:

... doet, als ik, haar werk! En spint den vlok tot draad, en weeft den draad Tot doek, waarop zy, eindloos voortbordurend, Den loop van al wat is, te aanschouwen geeft. En wie 't verband ontkent, is schuldig blind, Ter nauwernood onschuldig wie 't niet kent!

Van dit alles wist Wouter niets. Z'n onkunde mag wel een der oorzaken geweest zyn van de rilling die hem bekroop, toen-i met juffrouw Laps de trap van haar woning opging.

't Eerste wat ze hem aanbood, bestond natuurlyk in de gebakken aardappelen die opgegeten waren door al die gulzige moordenaars.

Hu! Wouter verbeeldde zich dat-i zou hebben raad geweten met Schinderhannes in hoogsteigen persoon. En al blyft het nu de vraag, of z'n--ongeoefende!--moed niet op 't beslissend oogenblik in de schoenen zou gezakt zyn, hy méénde toch dat-i durfde. En hy was dan toch begonnen met Schinderhannes inderdaad optezoeken...

Maar... alleen te wezen met die gebakken aardappelen, en met die walgelyke vrindelykheid--wat ranser was wist-i niet!--daar hoort méér toe!

Hy voelde berouw over z'n veronderstelden moed, en begreep niet hoe hy z'n heldentocht had kunnen aanvangen zonder te letten op de onvermydelyke byzaken.

Wèl beschouwd, was-i toch maar liever in een der driehoekjes gekropen, die Laurens gewoon was zoo grootmoedig ter zyner beschikking te stellen.

De lezer maakt kennis met een der meestberoemde Nederlanders van deze eeuw. "En de Heere zeide tot Satan: zie, al wat myn knecht Job heeft, zy in uw hand! Alleen strek uw hand niet aan hem uit." Hoe juffrouw Laps door vuur van de straat verhinderd werd deze voorwaarde te breken. Een-en-ander over de kalmte van beschermengelen.

--Tast jy maar gerust toe, m'n jongen, en seneer je niet! Of wil je misschien eerst je jasjen uittrekken, want daar je nu toch van-nacht hier blyft, zieje, om op me te passen...

Wouter hield z'n jasje voorloopig aan.

En... 'n lekker likeurtje heb ik ook voor je... 't is beste! Van Fockink, weetje, die z'n fabriek heeft in... die nauwe straat, je weet wel. Je moet nooit door die straat gaan, want daar wonen gemeene vrouwluî, en die staan aan de deur, zieje, en dat 's niet goed voor 'n jonkman als jy.

De "jonkman" Wouter keek heel vreemd op, maar ik zou jokken als ik zei dat-i boos was. Juffrouw Laps had met aanbiddenswaardige handigheid hem 'n paar tweede-luitenants epauletten op schouder gespykerd... z'n eersten rang! En welke jongen neemt dit kwalyk? De verheffing tot jonkman was streelender nog dan 't "in den handel" zyn.

Maar toch, er bleek dat-i verlegen was met z'n nieuwbakken hoogheid. Althans juffrouw Laps vond goed zich te houden alsof ze verstond dat-i toelichting wachtte. De dozis vleiery moest onverkort worden toegemeten.

--Wel wis en zeker, Wouter, je bent 'n jonkman, wist je dat niet? 't Komt omdat ze je thuis altyd zoo kinderachtig behandelen. Ik zeg dat je-n-'n jonkman bent, zoo goed als de beste! Denk je, byv. dat ik zooveel van... Stoffel houd als van jou? Waarachtig niet! Volstrekt niet! In 't geheel niet! Ik houd veel meer van jou. Wil je-n-'n pyp rooken? Je bent er mans genoeg toe. Wel zeker, waarom zou je niet 'n pypie rooken, net als andere mannen?

"Mannen!"

Help, Fancy!

Wouter antwoordde dat-i "nog niet" rooken kon. 't Kostte hem moeite dit te zeggen. Hy was beschaamd over zooveel kinderachtigheid, maar hy moest wel oprecht zyn omdat 'n eerste poging om Stoffel natedoen in deze uiting van mannelykheid, zoo byzonder ziekelyk was afgeloopen dat het voorstel tot herhaling hem schrik aanjoeg.

--Zóó? Rook je niet...

Ze liet het, "nog" weg.

...rook je niet! Heel goed! Eigenlyk is 't 'n verkeerde gewoonte van de mannen. Dat eeuwige gerook! Ik ken meer jongelui die niet rooken. Daar heb je, byv. Piet Hammel--hy is zoo oud als jy, maar wat kleiner, en vryt met 'n nichtje van me--die rookt ook niet.

Iemand zoo oud als hy, maar kleiner, en die al aan "vryen" deed: help, Fancy!

--Ja, ze willen trouwen, zoo tegen... ik weet niet wanneer. Maar... trouwen willen ze! Zoodat ik maar zeggen wil dat je-n-'n effetieve jonkman bent. 't Is heel mal dat ze je-n-altyd behandelen als 'n kind! Dàt heb ik wel al honderdmaal aan je moeder gezegd. Daar heb je nu, byv. om 'reis te noemen... zooeven op-straat. Ik was bang, niet waar? Omdat ik maar 'n zwakke vrouw ben, weetje? En 't was nacht, niet waar? Denk je dat ik nog bang was, toen jy naast me liep? Geen zier! En waarom niet? Wèl, omdat ieder zien kon dat ik 'n manspersoon by me had. Ik had je best 'n arm kunnen geven--je bent heusch grooter dan ik--maar ik deed het niet, omdat je-n-'n pakje droeg. En, bovendien... de menschen praten zoo! Want, zieje, de wacht had het kunnen zien, en dan in de buurt overal rondvertellen dat ik 's nachts met 'n heer liep.

"Met 'n heer!"

Fancy!

--Want 'n mensch moet altyd zorgen voor z'n fatsoen! Hier binnen'skamers is 't wat ànders, heel wat anders! Gut, ik weet wel dat jy geen kwaad van me vertellen zult. Wie 'n vrouw bekladt, is geen ware man, dit weet je-n-ook wel.

Ja, dit wist Wouter, al was er meer diepte in z'n besef van loyauteit, dan helderheid in 't begrip van: "bekladden." Hy vertaalde juffrouw Laps' maxime in z'n boekentermen, en las voor: "vrouw" en: "man" de hem gemeenzamer uitdrukkingen: dame en: ridder.

't Mensch werd dus ditmaal beter begrepen dan zyzelf verwachten of weten kon. Gesteld eens dat Wouter ontevreden ware geweest over de likeur--par impossible, want ze was van Fockink--of dat de olie waarmee ze haar aardappelen bakte, naar bejaardheid had gesmaakt--onmogelyk alweer, want ze bakte met boter, die niet eens veel slechter was dan de gewoonte der hollandsche vervalschings-industrie meebrengt--jazelfs al had-i grond gevonden tot het maken van gewichtiger aanmerkingen... meent men dat ridder Wouter dame Laps zou hebben geschandvlekt? Nooit... "by m'n zwaard!"

De menschkunde van juffrouw Laps ging niet ver genoeg om dit intezien, of althans om hierop zonder de minste voorzorg te vertrouwen. Voor iemand die maar zoowat beunhaasde in menschenkennis, was 't inderdaad al bekwaam genoeg dat ze zoo korrekt de loopgraven trok om de belegerde vesting. Had ze inderdaad menschkunde bezeten, ze zou geweten hebben dat ze kon stormloopen in alle gerustheid. Maar... dan had ze tevens--door geestelyke oefening veredeld!--geen lust gevoeld in zulke krygstochtjes en dus 't heele vestinkje met vrede gelaten. Zooals nu de zaken stonden, sukkelde zy, zoo goed en kwaad het gaan wilde, maar voort met de kleine middeltjes die leiden moesten naar 'n mikroskopisch doeltje.

Wat drommel, men kan toch niet meer doen dan roeien met de riemen die men hééft! Brave hoogstrevende lezer, wees niet boozer op de goeie juffrouw Laps dan u past, en vooral... minacht de wetenschappelyke laagte niet van haar taktiekje. Ik ken menigen dokter in allerbespiegelendste wysbegeerte, die niet in-staat zou geweest zyn het mensch voorby- of natestreven op 't zielkundig terrein dat ze hier betrad, en dat toch, wel beschouwd, niet eens 't hare was. Want--wie zal dit begrypen?--haar scherpzinnigheid was minder wysgeerig dan sexueel. Nooit immers zou 'n man--overigens gelyk begaafd--uit de sobere gegevens die hààr tendienste stonden, een zóó praktisch operatie-plan tegen Wouter hebben kunnen samenknutselen. En, omgekeerd, zy zou minder bekwaamheid hebben aan den dag gelegd, wanneer niet haar kinderachtig plannetjen in-verband had gestaan met verwrongen geslachtsdrift.

Wie billyk oordeelt vindt haar strategische wendingen om te kussen! Wouter had waarlyk behoefte aan voorlichting van 'n paar gepensioneerde generaals, om uittemaken of er tegen zùlken vyand verdediging mogelyk was?

En... Fancy? Wendde ze treurig 't hoofd af? Meesmuilde zy? Begon ze te schreien? Brak zy in jammerklacht uit?

Teekent haar de artist--die m'n werken illustreeren... zou, als ik 't geluk had geen Hollander te zyn--wordt ze hier door den schilder voorgesteld in gebogen houding, handenwringend?

Vlucht ze heen?

Wat toch doet hier onze Fancy?

Komaan, artisten--die m'n werken niet illustreert, omdat ik maar 'n Hollander ben, in-plaats van 'n zevende-klas buitenlandsche beroemdheid!--komaan, ik zal u helpen. Weg met die tranen op Fancy's wangen...

Een geest weent niet om zoo weinig...

Weg met die geknakte gestalte...

Geesten bukken niet onder zoo geringen last!

Ze weende niet, en boog niet, en vluchtte niet. Ze deed niets van dit alles!

Kalm en ernstig--'n glimlach misstond er niet by!--zette zy haar kans-verevening aan den arbeid. Geschiedde daar op die bovenkamer iets te véél... welnu, er zou méér geschieden, elders of hier!

Aventuur op aventuur, storm op storm, spanning op spanning...

Halt! roepen wy menschjes by zulke gelegenheid. We vreezen dat de natuur der dingen, die slechts in feiten spreken kan, taal zal te-kort komen omdat haar feiten òpraken.

Aventuur op aventuur! Is 't u te veel? Ei, ziedaar... 'n nieuwen schok!

Spanning op spanning? Te sterk, meent ge? Welaan... dàn 'n nieuwen takel aan de koord geslagen... ze kan méér dragen, méér heffen, en knappen zal ze niet!

Storm op storm! Te hevig, meent ge? De sterke Fancy geneest uw angst met 'n orkaan!

En ze glimlacht!

Want, ziet ge... gy, A, zy is niet A! Want, ziet ge, B... zy is niet B! En ook C is ze niet! En D niet! En de rest niet!

Zy is Fancy, de groote, de ryke, de machtige, de majestueuze.

Zy is de Natuur, die alles in voorraad heeft, en ryker wordt, al gevende. Zy is er geen tiphon armer om, al heeft ze gister nieuwe vastlanden opgestormd uit den oceaan, al heeft ze zooeven met den adem van haar mond melkwegen gezuiverd van nevelvlekken.

De lezer begrypt dus dat en waarom ze zich niet zeer angstig toonde voor 't gelukken der menschenkennige kunstjes van juffrouw Laps. En ik verzoek hem uit-bestwil, z'n deel te nemen van die kalmte.

Neen, dit begrypen sommige lezers nog altyd niet. Dus meer daarvan!

Wie verzekert ons dat Fancy die kunstjes vreezen zou, ook al was 't slagen zéker?

Voorwaar, voorwaar, daar is steviger bodem voor 't goede dan de verleidbaarheid van 'n halfwassen jongeling, al zy het dan dat de zoetigheid van Fockink's likeurtjes, en de nog zoeter drang van gekittelde ydelheid mee-oprukken als bondgenooten van het booze!

Ook zelfs by zekerheid van den aanstaanden "val"--och, arm!--blyft het misschien de vraag, of 't Fancy de moeite waard wezen zou de wapens aantegorden in 'n stryd van zoo weinig belang? Dat... "booze" was maar ordinair.

Wanneer ze 't doet, geschiedt het waarschynlyk uit luim alleen. Want... luimig is ze. Luimig als 't spel, als 't weder, als de wereldgeschiedenis, als alles wat òns luimig toeschynt omdat ze dom zyn, beginnertjes maar in de moeielyke studie van 't rerum cognoscere causas! [1]

En àls nu eens onze Fancy--uit zoogenaamden luim dan!--mocht blyven versmaden 't belaagd jongetje by-tyds de hand te reiken, àls...

Juffrouw Laps was 'n slecht wyf. O, zeker! Maar, geloof me, lezer, het doelwitje van haar begeerte beteekende veel minder dan volgens boeken-traditie geloofd wordt. De schuld dezer dwaling ligt aan de vermeende eischen van 't boekmakers-ambacht. Sedert onheugelyke tyden gebruiken de heeren van 't métier, dergelyke zaakjes als hoofd-katastroof. 't Afgezaagd: "en ze viel!" is de lievelings-kataklysme tot opbeurende kitteling van arme lezende zielen.

Ze, ja, ze! Want in-verband met de duurte der voedingsmiddelen, en de daaruit voortspruitende behoefte aan 'n "fatsoenlyk huwelyk"--ik erken volmondig die behoefte, doch alleen: "omdat uwe harten boos zyn"--is 't vallend voorwerp gewoonlyk 'n stumperige "zy."

Welnu, die "zy" begaat 'n fout als ze valt. Men moet niet vallen. Al vinden de lezers--die de zaak hardschreeuwend afkeuren!--zoo'n "val" allerplezierigst, en 't onmisbaar element in 'n "mooi" boek: men moet niet vallen!

En wanneer by uitzondering de valler 'n "hy" is ...

Minder pikant, omdat de maatschappelyke pozitie daardoor niet aan 't wankelen wordt gebracht. Wouter, byv. zou geen haarbreed ongeschikter voor den "handel" geworden zyn wanneer-i z'n jasje had uitgetrokken, en z'n... vestjen er by!

... als er 'n "hy" valt...

Wèl, dan heeft-i 'n fout begaan, 'n Mensch moet niet vallen. Hy heeft beter dingen te doen.

Doch--"hy" of "zy" dan--leugen is 't, zulke nietigheidjes voortestellen als uitgangspunten van wel-gekonditionneerde verdoemenis!

Dààrtegen protesteeren Jezus en ik.

Neen, heeren predikers van kakangélien, zóó makkelyk komt men niet in de hel! Zóó ligt is de taak van den Satan niet! Dat mocht-i willen, de oude stumpert!

Leugenachtig dus is die triumfelyke voorstelling van 't kwade. Zoo overdryven kwakzalvers 't gevaar van 'n lichte ongesteldheid, om hun poeiertjes aan-den-man te brengen.

En leugen is 't ook uit 'n aesthetisch oogpunt, als men van zulke armzalige gegeventjes alleen, 't zedelyk schoon of de leelykheid eener figuur wil laten afhangen.

Byna zou ik lust gevoelen, juffrouw Laps 'n handje te helpen in haar plannetjes--'t staat aan my!--om te doen in 't oog springen dat m'n heldje, zóó gevallen, nog altyd redelyk wel tot stáán kan worden gebracht. Maar ik heb 't recht niet, m'n Fancy vóórtegrypen, die wel weten zal wat er te doen is. En hierop reken ik dan ook, dat zy me wel gelegenheid verschaffen zal ter-zyner-tyd aantetoonen dat zulke valgeschiedenissen...

Met... dàt, kan men goed zyn, of goed worden.

En velen zyn afschuwelyk, zònder... dat!

Vlek is vlek, bezoedeling is bezoedeling: geen genade voor de minste afwyking van de wetten der zedelyke logika...