De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz
Chapter 27
--Precies! En daarom zeg ik altyd... maar, kyk, daar komt my iets nog beters in den zin. Zeg, Eugène, weet je-n-ook of Calbb en Hersilie van plan zyn morgen op Groenenhuize te komen? En of ze papa's britschka gevraagd hebben... met huurpaarden, weetje? Want zieje, dan kon Pieterse best meeryden. Weetje wat je doet, Pieterse? Je moet de goedheid hebben even by m'nheer Calbb te gaan, en doe't kompliment van my--van m'nheer Pompile, moet je zeggen--en vragen of m'nheer Calbb...
--Calbb is niet thuis, bromde Eugène.
--Zoo? Wel, Pieterse, dan moet je-n-eens zoo goed wezen naar m'nheer Calbb z'n huis te gaan, en... je schelt huis, weetje? En je doet het kompliment van my, van m'nheer Pompile, en je zegt--aan de meid, weetje, die je opendoet--dat je morgen buiten mag komen--buiten, op Groenenhuize, moet je maar zeggen--en dat ik vragen laat of mevrouw Calbb en m'nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz--want Ludwig-Bonifaz heet het zoontje van m'n zuster, mevrouw Calbb-Kopperlith, weetje?--nu, dan zeg je dat ik vragen laat of de familie van-plan is morgen met papa's britschka--met de britschka van m'nheer Kopperlith, moet je zeggen--met huurpaarden...
--Hm, bromde Eugène.
--Ja, juist... van huurpaarden hoef je niet te spreken. Dat weten ze zelf wel... wat zeg jy, Eugène? Nu dan vraag je-n-of m'nheer Calbb en mevrouw Calbb en de jongeheer Bonifaz naar buiten gaan? En hoe laat? En... of ie mee mag ryden? Maar... asjeblieft, moet je zeggen, niet waar, Eugène?
--Hm!
--Juist! Asjeblieft, zeg je, en je moet vooral het kompliment van my doen. Zeg, Eugène, vind jy 't niet wat indiskreet van Calbb, zoo altyd met de britschka van papa...
Vóór Wouter Eugène's meening over dit diepzinnig vraagstuk te weten kwam, was-i reeds lang op weg naar den huize Calbb. Hy deed z'n boodschap met de voorgeschreven asjebliefts en komplimenten, en kreeg ten-antwoord dat mevrouw en m'nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz Calbb zoo tusschen negenen en twaalven de Haarlemmer Poort passeeren zouden. "Als dus Pieterse mee wou, liet de edele Hersilia door de meid aan Wouter op de vloermat boodschappen, had-i te zorgen op z'n tyd dáár te zyn, en men zou hem 'n plaatsjen inruimen. Maar... lastig was 't wel, want de jongeheer Bonifaz was er op gesteld zich te laten vergezellen van z'n hobbelpaard, en dat nam veel plaats in."
Wouter had den moed niet, m'nheer Pompile voortestellen den weg naar Haarlem te voet te maken, al zy 't dan dat de onsmakelyke wys waarop hem passage zou verleend worden, hem zéér deed. En toen hy, te-huis gekomen, bemerkte dat z'n moeder opgetogen was van de eer die in hem de heele familie werd aangedaan, meende hy alweer dat-i zich vergist had in 't beoordeelen van den indruk die mevrouw Calbb's plompheid by hem te-weeg bracht.
--Gut, in 'n britschka! Dat 's zeker 'n koets, Trui, 'n staatsiekoets, denk ik! En daarin zal Wouter ryden als 'n banjerheer, den heelen weg over van hier af tot Haarlem toe, en dat zal de heele wereld te zien krygen...
--Met 'n hobbelpaard, moeder!
--Nu ja, met 'n hobbelpaard, maar... wat zou dat? Denk je dat iemand daarvan iets te weten komt? Wat zeg jy, Stoffel? En bovendien, wie loopt er op den Haarlemmerweg? Geen mensch! Geen levende ziel! Geen sterveling! Niemand zal 't merken dat je met 'n hobbelpaard in die... koets zit. Weetje wat ik zou doen in jou plaats? Ik nam 't tusschen m'n knieën...
--Gut, moeder!
--Wel zeker! En je legt 'n zakdoek op je schoot, dan kraait er geen haan na. Je bent 'n ontevreden jongen. Kyk eens naar al de arme kinderen die God danken zouden op hun bloote voeten... ja, dat zouden ze, als ze ook zoo 'reis naar-buiten mochten gaan, naar 'n wezenlyk Buiten.
--Drie uur wachten aan de Haarlemmer-Poort!
--Wel, wat zou dat? Wou je dan dat zoo'n heer als m'nheer Calbb zich haasten zou voor jou? En de mevrouw van die m'nheer? En de jongeheer... hoe heet-i?
--Zoo'n jongeheer kan toch niet, om jou pleizier te doen... weet je wat je bent, Wouter? Je bent 'n rechte izegrim. Als je vader 't beleefd had, die zoo zuur voor z'n brood...
Den volgenden morgen stond Wouter op z'n post. 't Was nog niet volkomen middag, toen de familie Calbb zich vertoonde in de britschka van papa. Er was in dat tentwagentje inderdaad geen plaats over, en Wouter werd uitgenoodigd zich te behelpen met de ruimte die door 'n menigte pakken en pakjes was opengelaten in 'n achterbakje. Heel grootsch was-i niet toen hy bemerkte dat z'n inscheping de aandacht trok van den accynsman aan de poort, en van 't half dozyn straatjongetjes dat uit armoed aan pleizier gewoon was geraakt 'n heele gebeurtenis te zien in 't stilhouden van 'n rytuig. Helaas, hy had graag zichzelf tusschen de knieën genomen, en... 'n zakdoek er over! Hy haalde adem toen de Haarlemmerweg bereikt was. Zoo volstrekt verlaten van menschen, levende zielen en stervelingen, als juffrouw Pieterse beweerd had, was deze weg nu wel niet, maar toch niet zéér veel personen kregen gelegenheid optemerken hoe benepen onze Wouter daar zat tusschen al die bagage. Dat was'n àndere tocht voorwaar, dan de rit te-paard waarvan Vrouw Claus... gedroomd had! Hy sloot z'n oogen, en trachtte in 't sukkelig schokken van den wagen, de kadans te vinden van z'n eigen galoppeerend rooverslied: met m'n zwaard... hop, hop, hop... enz. Mevrouw Hersilia Calbb-Kopperlith spaarde hem 't voortzetten van z'n vruchtelooze pogingen, door 'n vermaning:
--Zeg, Pieterse... of hoe je heet, je zit toch niet op den zak met soezen? En... hou toch die mand wat tegen! 't Ding schommelt zoo tegen m'n hoededoos.
Wouter deed alweer wat hem gelast was. Mand, hoededoos en soezen kwamen onbeschadigd op Groenenhuize aan. [25]
Wouter wordt begunstigd met het verlof om diepzinnige gesprekken aantehooren, en voor pedant meespreken bewaard door 'n vereerende zending naar de mangelkamer.
De uitspanning der bewoners van die landelyke optrekken was... zoo onlandelyk mogelyk. Men ontving bezoek van ebenbürtige optrekmenschen, maar liever van hooger geplaatsten. Men maakte rytoeren in den omtrek, waarby de tentoonstelling van "eigen equipage" hoofddoel was, en... verveelde zich. Een der minst betwistbare genoegens die men van 't Buiten-zyn trok, was de voldoening der ydelheid z'n "Buiten" door vrienden en kennissen te laten bewonderen. Ieder hield er z'n Pleiers en z'n Hockers en z'n Kruckers op na, jazelfs z'n "jongste-bedienden" wier plicht voorschreef met open mond de heerlykheid van den gastheer aantestaren, en zoo mogelyk te bersten van afgunst. In dit bejag kwamen de optrekmenschen vry-wel met hun meerderen, de bezitters van eigenlyke Buitenplaatsen overeen. En hierin hadden zy inderdaad iets bovenmenschelyks, daar wy in de meeste katechismen--heidensche, grieksche en christelyke--als 'n eigenaardigheid der goden vinden aangeteekend dat ze zich zoo byzonder verheugen als 'n menschenkind zich op hun grootheid stom, blind en gek staart.
Vandaag was de beurt aan onzen Wouter om op Groenenhuize de rol van lamgeschitterd Serafyntje te spelen.
De oudeheer Kopperlith had de waarheid gezegd: z'n buiten lag vlak by "de Logementen." Dit was gezellig, zeide hy, want men vond er couranten, en menschen uit de stad. Eigenaardig is het, dat de meeste ontvluchters van 't stadsgewoel hun landelyke eenzaamheid slechts dan behoorlyk kunnen genieten, wanneer ze nogal heel erg vermengd is met steedsche drukte. Wouter bemerkte dan ook zeer spoedig dat het "buiten-zyn" geheel iets anders was dan-i zich had voorgesteld. Hoe krom en verdraaid ook de idylliteit zich in verzen aan hem had voorgedaan, hy vond geen spoor van de beelden die zy in z'n fantazie hadden opgewekt. By 't rondzien uit z'n achterbakjen op 't rytuig, bespeurde hy geen enkel plekje waar 'n verloren zoon 't kleinste biggetje had kunnen deelgenoot maken van z'n berouw. Herderinnen met bebloemde hoeden, korte rokjes en roodkleurige schoenen zag hy nergens. Geen Damon bespeelde de dwarsfluit. Geen jeugdige landbewoners dansten op den fluweeligen grasgrond. En ook die grasgrond-zelf, met of zonder fluweel dan, ontbrak. Overstappende op andere hoofdstukken uit de geschiedenis zyner verbeelding, wou ook de romantische wildernis, zoo aantrekkelyk door 't verondersteld gemis aan conventie, zich maar niet aan hem vertoonen. By 't omslaan van 'n hoek, had de fameuze "britschka van papa" byna 'n half-blinden vioolspeler overreden... was dàt de Damon dezer streken? De ryweg was van klinkers, voethoog met aard en stof overdekt... was dàt de fluweelen dansvloer van de landjeugd? Aan de boomen ontwaarde hy geen appel, geen peer, geen noot, ja-zelfs geen kokos of broodvrucht... was dàt de mildheid der gulle buitennatuur? En... en--komaan, hy moest zichzelf bekennen dat-i teleurgesteld was--gedurende de reis had geen enkel aventuur de eentonigheid van dien Haarlemmerweg opgevroolykt. Geen rad van den wagen had willen breken, geen roover had zich vertoond... ja toch, even, iets er van. Een bedelaar scheen aanslagen in den zin te hebben, of althans men had zich 'n oogenblik kunnen opdringen dat-i wat anders was dan 'n vreedzame landlooper, maar 'n nietig tikje met de zweep was voldoende om ook deze illuzie den bodem inteslaan, en Wouter zat weer alleen met z'n soezen en z'n hoededoos. Juist was hy aan 't bepeinzen van de vraag waarom toch iemand die 'n "Buiten" bezitten kon, dat niet liever in Afrika zocht, toen 't rytuig het hek van Groenenhuize binnenreed, en voor de open voorgalery stilstond. Pompile kwam met z'n gewone schichtigheid te voorschyn:
--Dag, Calbb! Dag, Hersilie! Heb je soezen meegebracht? Je weet dat mama er niet buiten kan. Hoe laat ben je-n-afgereden? Stof op den weg, hè? Ja, veel stof. Die weg is heel stoffig, weetje! Dat komt van de droogte. Als 't regenen gaat, zal je zien dat 't minder stoffig wordt. Zoo, Pieterse, ben je daar? Kom er maar uit... je mag er uit komen... stap maar op 't wiel. Zyn dàt de soezen? Nu, houd ze maar vast tot de meid komt, want... straks komt de meid, niet waar, Hersilie? En heeft Bonifaz z'n hobbelpaard meegebracht? Zeg: dag, oom! 't Kan in de mangelkamer staan, of in 't tuinhuis... want mama heeft hoofdpyn, weetje, Hersilie, nogal-fameus-erge vreeselyke hoofdpyn... en zenuwen, weetje? We hebben de Kruckers hier, en van-middag komen de Hockers, en de juffrouwen Pleier komen morgen op 'n maderaatje. "Met veel pleizier!" hebben ze laten zeggen, want... papa heeft ze geinviteerd. En straks gaan we toeren, weetje, met de Kruckers, maar mama blyft thuis--vreeselyke hoofdpyn, weetje?--ze zal bataille spelen met de juffrouw. Ze is er mooi kwaad om, de juffrouw meen ik. Dàt kan my niet schelen, en Eugène zegt...
Gedurende dit geratel was de wagen ontpakt, en Wouter werd van z'n soezen ontlast door een van de meiden die hiertoe door den beredderenden Pompile scheen gekommitteerd te zyn. Hy mocht nu de familie volgen, die 't huis was ingetreden, en weldra aanlandde in de achtergalery waar 't hoofdkwartier opgeslagen was. Daar vond men de steeds nogal fameus-erg zieke oude mevrouw met haar schoondochter Julie en de gezelschapsjuffrouw. Daar zaten de oudeheer Kopperlith en z'n spruit Eugène. Daar zat de Krucker-familie. En daar ook namen de nieuw-aangekomenen onder geleide van Pompile hun plaatsen in. Wouter, die iets later dan de anderen, en vry verlegen, binnentrad, werd aan de vrouw des huizes voorgesteld met 'n onachtzaamheid waarin niets laakbaars zou gelegen hebben, indien ze gegrond ware geweest op z'n onbeduidend standpunt als mensch. Doch hierin lag de verontschuldiging voor Pompile's lompheid niet. Hy maakte zoo byzonder weinig omslag omdat-i te doen had met 'n kantoorbediende, met 'n wezen van lagere orde. Misschien zelfs bezondigde ik my aan hoogdravendheid door van "voorstellen" te spreken. De waarheid is dat Wouter met 'n vingerbeweging werd aangewezen als "de jonge Pieterse" en toen 'n paar leden van de familie Krucker zich schenen gereed te maken tot iets als 'n groet, werden ze voor deze gevaarlyke misvatting bewaard door 'n snelle vermelding van Wouter's maatschappelyk standpuntje:
--Onze jongste-bediende, zei Pompile allervoornaamst, en op 'n toon die zooveel zeggen wilde als: je hoeft je niet op kosten te laten jagen van beleefdheid.
Terstond daarop mocht Wouter zitten gaan, en zelfs luisteren naar de verheven gesprekken die de achtergalery van Groenenhuize zoo byzonder weinig deden gelyken op 'n bureau d'esprit.
De réunions die eenmaal in Frankryk dezen naam droegen, lieten zeker aan goeden smaak veel te wenschen over, en de hemel beware my dat ik de mode zou wenschen ingevoerd te zien elkaar te bezoeken met 'n beraamd plan om geestigheden uittekramen, of al ware 't zelfs geest. Misselyker nog komt my 't uitstallen van--nagemaakte!--geleerdheid voor, zooals die welke door Molière wordt gehekeld in z'n Femmes savantes en Précieuses ridicules. Wy weten nu eenmaal dat al dergelyke afdwalingen van smaak neerkomen op natuurverkrachting, en dus alleen als zoodanig reeds te veroordeelen zyn. Toch vonden sommigen--en de overgroote meerderheid!--middel om nòg lager aftedalen, en zich bezigtehouden met gesprekken, welker gehalte wel evenzeer doorslaand blyk gaf van gemis aan verstandelyken zin, doch bovendien bewees dat men zelfs den schyn daarvan niet op prys stelde. Voor onzen Wouter sproot hieruit alweer 'n misrekening voort, zoo als die welke hem de ontheologische tint van pater Jansen's gesprekken berokkend had. Hy had zich voorgesteld nu eindelyk iets te vernemen uit de werkelyke wereld, en hy beloofde zich goed toeteluisteren om den waren toon te vatten die de aanzienlyken van de burgerlui onderscheidt. Helaas!
Nadat de zeer byzondere beminnelykheid van Bonifaz naar behooren door de familie Krucker geprezen was, kwam het gesprek op 't meegebrachte hobbelpaard, en de moeielykheid om dat dier te stallen.
--Hy wou 't absoluut mee hebben, mama, verzekerde Hersilie. En als 't kind z'n zin niet krygt...
--Ja, dan iest-i vol oenwillen, voegde de elsasser konsul er by. 't Kind heeft kolossaal viel karakter.
--Maar... mama heeft zoo'n fameus-erge hoofdpyn. Je kunt het vragen aan de juffrouw. Niet waar, juffrouw?
De juffrouw getuigde naar Pompile's zin, en de nogal fameus-erg zieke mevrouw knikte met het hoofd. De kleine jongen werd weggezonden, met verzoek z'n beestje niet anders te behobbelen dan in de mangelkamer. Nu, dit deed hy, en 't huis dreunde er van. Het gezelschap stelde zich schadeloos door 'n gesprek over weer en wind, waaraan ook de dames konden deelnemen. Na weinig overgangen kwamen de "zaken" op 't tapyt, en 't vrouwelyk deel der vergadering kon zich als uitgesloten beschouwen. De oude, nogal heel fameus-erg zieke mevrouw stelde zich schadeloos door 't onophoudelyk mummelen van soezen... zoo byzonder dienstig tot het opwekken van eetlust, had de dokter gezegd. Julie "werkte" aan haar hooggekleurden jachthond, dien Wouter by deze gelegenheid met genoegen weerzag. De juffrouw knutselde aan 'n festonwerkje, en bespiedde de luimpjes van mevrouw, niet zonder nu-en-dan sentimenteele blikken te werpen op Eugène die de ongevoeligheid-zelf bleef. De heer van den huize hield zich bezig met voortdurende handhaving van 't glimlachje waarmede hy gewoon was z'n existentie toe te juichen. Pompile draaide heen-en-weer op z'n stoel en verkneuterde zich in de verrukking van z'n Kruckers. Elk zyner blikken scheen te vragen: "welnu, is 't waar of niet, dat papa 'n eigen Buiten heeft?" Om hem te bedanken, maakte een hunner de opmerking "dat lynwaden zoo'n belangryk vak was."
--Een heel belangryk vak, m'nheer Kopperlith!
--Zeker, zeker! Maar "kurken" zyn ook niet te versmaden, kaatste de oudeheer terug.
De scherpzinnige lezer begrypt dat de Krucker-familie "in" kurk en kurken "was."
--Als ik het voor 't kiezen had, was ik liever "in" lynwaden, zei een hunner zediglyk.
--Hm, ja, zoo. In lynwaden, ziet u...
--Daarin is altyd iets te doen.
--Zeker, zeker, altyd iets!
--En in kurken heeft men soms...
--Ja, dit is waar.
--Maar men kan niet zoo op-eens veranderen van vak.
--Neen, dit gaat niet. Men moet verstand van 'n vak hebben...
--Juist! En er by opgebracht zyn.
't Heele gezelschap zag met betamelyken eerbied al de Kruckers aan, die verstand van kurken hadden, en er by waren opgebracht.
--Papa, vroeg op-eens de terrible Julie, is er véél verstand noodig voor kurken?
--Julie! riep de oude mevrouw verwytend.
--Zeker, zeker, kind! Voor den handel is verstand noodig, véél verstand!
--We doen op Spanje, ziet u, riep de familie Krucker.
Ah! zei Julie, alsof deze mededeeling de zaak ophelderde.
--Ja, op Spanje!
--U spreekt dan zeker spaansch?
Deze vraag gold voor 'n beminnelyke ondeugendheid. Allen begonnen zoo hartelyk mogelyk te lachen, en de geëxamineerden 't minst luid niet, misschien wel om 't antwoorden onnoodig te maken. Pompile was grootsch op de verrukkelyke geestigheid van z'n vrouwtje.
--Ja, ja, de kurken komen uit Spanje, verzekerde de oudeheer. Wie in kurk doet, heeft 'n kantoor op Spanje.
--De reizigers uit Barcelona loopen 't land af, zei de familie Krucker.
--Ja, papa, 't is 'n fameus vak, verzekerde Pompile, die de door hem aangebrachte gasten wat wilde ophemelen.
--Och, er wordt zoo in geklad, jammerde een der Kruckers, vreeselyk, m'nheer!
--De menschen kunnen 't kladden niet laten.
--Ze gaan in de kleinste dorpen, en bezoeken den geringsten winkelier, m'nheer Kopperlith!
--Een nekslag voor den handel!
--Dat moesten ze niet doen. Wat zeg jy, Eugène?
--Hm, zei Eugène.
--Voor den groothandel blyft niets te verdienen, niets, volstrekt niets! Wy, grossiers, visschen achter 't net.
--En hoe staat de wissel op Spanje?
--Och, we remitteeren gewoonlyk op Parys. Dat's makkelyker.
--Parys staat hoog, zei gister m'n boekhouder, niet waar Pompile?
--Ja, papa. Dieper zei dat Parys heel hoog staat.
--Papa, riep Julie, wat wil dat toch zeggen: Parys staat hoog?
Algemeen gelach om Julie's geestigheid. Pompile wreef zich de handen van plezier.
--Wel, dit beduidt ...
--Wel zeker, 't beduidt dat ...
--Men bedoelt daarmee dat de wissel hoog staat.
--De fransche wissel, weetje?
--Ah! zei Julie, als voldaan.
--Daar heb je nu, byv. Engeland, lichtte Pompile toe, Engeland staat twaalf en drie.
--Ah, zoo!
--Juist, zoo is het! Engeland staat twaalf en drie. En Frankryk ...
--Frankryk staat zeker wel ...
--Ja, ja, Frankryk staat heel hoog.
--Papa, waarom staat Frankryk zoo hoog?
Deze vraag van Julie bracht het gezelschap minder in verlegenheid, dan welbeschouwd passend zou geweest zyn. Niemand wist 'n behoorlyk antwoord te geven, en toch schaamde zich geen der aanwezigen over z'n onkunde. Pompile die zeker niet vernuftiger was dan de rest, stootte een der Kruckers tegen de knie, alsof hy zeggen wilde: "wel, wat zeg je van m'n vrouwtje?" Julie meende uit het algemeen gegiechel te mogen opmaken dat ze 'n vraag had gedaan, die de moeite van 't herhalen waard was. Nogeens alzoo:
--Ja, heusch, papa, waarom staat Frankryk zoo hoog?
Wouter luisterde aandachtig. Ook hy had zich meermalen by het doen van uitrekeningen voor 't faktuurboek, de vraag voorgelegd waaraan 't ryzen en dalen van den wisselkoers was toeteschryven? Op 't kantoor durfde hy geen inlichting vragen. Zeker zou men hem daar hebben afgewezen met 'n bar: "dat zyn nu eigenlyk je zaken niet!" Zeer diep had hy dan ook nog niet over 't vraagstuk nagedacht, maar z'n belangstelling werd nu opgewekt door de onverwachte manier waarop 't hier ter-tafel gebracht werd. Julie drong hoofdig op antwoord aan, geenszins omdat ze drang voelde tot weten en begrypen, maar om zoo lang mogelyk te genieten van het triumfje dat haar naïveteit bleek behaald te hebben.
--Die Julie! had de oude mevrouw geroepen.
--Ja, ja, mama, ik vraag waarom nu eigenlyk Frankryk zoo hoog staat?
--Wel, kind, zei de oudeheer, begryp je dàt niet? Dat is de wissel. De wissel, weetje?
--Juist, riepen de Kruckers, 't is de wissel!
--Zieje, Julie, 't is de wissel, bevestigde Pompile. En zich tot z'n gasten keerende: àlles, àlles wil ze weten! Zóó is ze! Ze is niet tevreden voor ze alles weet!
--Maar, papa, wat wil dat dan zeggen: de wissel staat hoog?
--Wel, heel eenvoudig, de wissel op Frankryk.
--Juist, Julie! Zieje, 't is de wissel op Frankryk.
--Maar ... wat bedoelt men dan daarmee?
--Wel, dat de wissel duur is.
--Maar ... waarom is-i duur?
--Ja, dàt zyn nu zoo van die vragen, kind, die ...
--Ja, Julie, dat zyn vragen ...
En ook de familie Krucker betuigde eenstemmiglyk dat dit van die vragen zyn ...
Er spookte een duiveltjen in Wouter's gemoed. Het niet-weten der anderen prikkelde hem tot wat inspanning. Hy begon te meenen dat hy misschien 't vraagstuk zou kunnen oplossen. Hy dacht na, en peinsde, en wou iets zeggen, maar durfde niet. Zeker zoud-i geschrokken zyn van z'n eigen stem in dit voornaam gezelschap. Bovendien, de oudeheer nam de taak van uitlegger op zich.
--De wissel is duur, Julie, als-i in de prys-courant hoog genoteerd staat.
--Juist, zei Pompile. Dat is de ... beursnoteering, zieje! Dieper neemt ook altyd onze wissels op Engeland volgens de beursnoteering van den dag. Niet waar, papa? Niet waar, Eugène?
Noch papa, noch Eugène spraken dit tegen. En al de Kruckers knikten toestemmend.
--Ah, zoo, ja, jawel ... beursnoteering, antwoordde Julie die volkomen bevredigd was.
--Het zyn ... zaken, moet je begrypen, gaf Pompile nog ten-beste tot overmaat van helderheid.
--Daar heb je 't juist, riepen de Kruckers, 't ligt 'm in de zaken, lieve mevrouwtje!
En tot verdere toelichting kwam het niet. Wouter, die al meer en meer begon te gelooven dat-i wat degelykers over 't onderwerp zou kunnen meedeelen, bleef zwygen. Behalve den schroom voor z'n eigen stem, begon hy te vreezen dat er iets gevaarlyks lag in 't aanroeren van Julie's prysvraag, iets indecents misschien als de geboorte van 'n kind. Onwillekeurig dacht hy aan z'n kornuiten by 't postkantoor, z'n vraagbaken sedert 'n maand of wat. Zy zouden 't weten, meende hy, waarom de wetten die den wisselkoers beheerschen, niet mogen worden aangeroerd in deftig gezelschap. O, prikkelend mysterie! Maar die wetten zelf kwamen hem zóó eenvoudig voor dat-i moeite had z'n mond te houden. Hy werd uit z'n spanning verlost door Pompile:
--Zeg, jy, Pieterse, weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed wezen naar de mangelkamer te gaan--niet waar, mama? Niet waar, Hersilie?--en speel wat met den jongeheer Bonifaz, want hy hobbelt zoo fameus. 't Is waar, zieje, Hersilie, omdat mama zoo'n fameus erge hoofdpyn heeft, dát is het maar!
Het echtpaar Calbb keek onvergenoegd, en scheen 't beneden de waardigheid van hun spruit te vinden zich ergens anders te vermaken dan in den salon. Wouter verslikte z'n wysheid over de oorzaken van den wisselkoers. Hy verliet het gezelschap, en vond de mangelkamer op 't geluid af. Hier vervulde hy z'n naastbyliggend plichtje, door den jongeheer Bonifaz aftelokken van z'n hobbelpaard.
Merkwaardige genoegens van het Buitenleven. Treurig uiteinde van 'n romantischen droom over wisselkoers, en van 'n parasol. Wouter gaat de wereld in om zeven gulden dertien te zoeken.