De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz
Chapter 24
Maar dat leven was zonderling, en ontsnapte in z'n hoofdmomenten aan de waarneming hunner medeburgers van anderen oorsprong en behoorlyker geloof. Wie deze buurt betrad, en met voornaam-domme achteloosheid z'n oog liet heenglyden over die vreemde gestalten, zag slechts de zeer bekende buitenzyde. Alles was daar om handel te dryven, of liever om zoo mogelyk iets te verkoopen, want wie eigenlyk op die zonderlinge markt de koopers waren bleef 'n mysterie. Kochten die straatkramers van elkander? Dreven ze ruilhandel in prullen, lompen en verroeste spykers? Zoo ja, wat aten ze? Of liever, welke produktie leverde het excedent van kapitaal, waaruit de levensmiddelen werden bekostigd? En de huishuur? En de kleederen, volstrekt niet schamel toch op feest- en vierdag?
Heel in den aanvang dezer geschiedenis heb ik verklaard dat ze dagteekent van vóór de ontdekking der Staathuishoudkunde. Hieraan zeker is het toeteschryven dat in Wouter's tyd niemand zich de vraag voorlegde, wie toch de waren konsumeerde die hier in onafzienbare reien van kraampjes werden ten-toongesteld? De woorden "rei" en "kraam" zyn wel wat weidsch. Orde en regel was er niet: alles stond en lag vol. En wat de kraampjes aangaat, de meeste kooplieden hadden deze weelde gesupprimeerd, en spreidden hun goederen op 'n oud stuk zeildoek uit. Anderen versmaadden ook dezen omslag, en gebruikten de bemodderde straatkeien tot toonbank en uitstalkast. En wat men daar al vond! Daar lag yzerwerk... neen, zóó hoog betitelde de oprechte koopman z'n goederen niet--neem er 'n voorbeeld aan, opgeblazen kropolithen van de Keizersgracht!--hy noemde zich: handelaar in oud roest. De man beweerde niet, yzer te verkoopen, hy verkocht roest van yzer. En zelfs geen versche roest. Hy verkocht oud-roest, of oud geroest, of dingen die oud en verroest waren, gewezen voorwerpen vervreten door roest van ouden datum. En op nòg lager sport plaatste zich onze koopman. Hy nam den naam aan van de waren "waarin-i deed" en vond er niets vreemds in, wanneer men hemzelf aansprak als de hoogbejaarde oxyde van 'n voormaligen spyker: hy heette Oud-roest. Kan 't nederiger?
Daar lagen alzoo doorluchtige kachels, halve kachels, fragmenten van kachels. Daar lagen tweebeenige treeften, tegen hun amputatie protesteerend door 'n beroep op de klassieke beteekenis van hun naam... en ook wel 'n beetje tegen de aanspraken op taalkennis van de heeren D. V. & T. W. die ze vrouwelyk maken zouden, 'n jaar of zooveel daarna. Daar lagen roosters zonder spylen, moeren zonder kroost, schroeven zonder moer... Niobees en weezen. Daar lagen eenzame pooten van tangen, en lemmetten van scharen, wreed gescheiden van hun tweelingen. Daar lagen onthoofde spykers, tandelooze zagen, beitels zonder snee, sloten zonder veer, sleutels zonder slot, haken zonder oog, oogen zonder haak, gespen zonder tong. Daar lagen scharnieren, hoepels, stiften, krammen, ringen, deurkrukken, spanjoletten, grendels, sabels, bajonetten, bylen, hamers, vuurpoken, kolenscheppers, potten, pannen, ketels, deksels. Daar lag alles wat ooit van yzer had kunnen vervaardigd zyn, maar onbruikbaar nu, verdraaid, gebersten, gespleten, verwrongen, inkompleet, en vooral: verroest! Dit scheen de eisch te wezen van dien handel. Misschien was de koopman aan deze eigenaardigheid gebonden door 'n artikel in de patentwet, volgens 'twelk hy wel voor roest maar niet voor yzer was aangeslagen. En nu sprak ik nog slechts van de dingen die 'n naam gehad hebben, of misschien eenmaal 'n naam konden gehad hebben. En we stonden nog maar 'n oogenblik stil voor de uitstalling van den Oud-roest alleen. Het beschryven van 't overig deel der "markt" gaat m'n talent nog verder te-boven, aan de inventaris van die gewezen yzerwaren. Men kon daar koopen--maar wie toch kocht er iets?--daar waren te bekomen: zure augurken, runderlappen, nieren en long, nuchter-kalfsvleesch en andere spyzen, gekookt en ongekookt, met of zonder de saus. Daar werden oude lappen en vodden gevent, en stukjes leder, en knoken, en gepensioneerde hoeden, en strooken vilt, en schilderyen zonder lyst, en lysten zonder schildery. En prenten, en boeken. En rugtitels zonder bladen, bladen zonder titel. En landkaarten, niet zonder jacht op symmetrie netjes in vieren of zessen geknipt, om en détail te worden aan-den-man gebracht voor 't mogelyk geval dat 'n heel land of werelddeel de begrooting van den kooper mocht te-boven gaan. En versleten kleedingstukken. En gelapte schoenen, om nu niet te spreken van de ongelapte. Daar lag kinderspeelgoed dat veel beleefd had, tusschen 'n tumulus van zuurkool en 'n tropee van hoeven en horens. Ginds stond 'n kruiwagen volgeladen met potjes pomade en latynsche dissertatien, met almanakken en silhouetten van verloopen jaren en dominees. Ook meubels waren daar. En er was porcelein, en glaswerk, en aardewerk, en keukengereedschap... ja, wat was er niet! En dat alles was kreupel, gelymd, gekramd, onsmakelyk, onvolledig, schynbaar tot niets dienstig en voor niemand te gebruiken, wat toch 't geval niet kan zyn, want dat volkje leefde van den handel in die prullen, en: ab esse ad posse valet illatio. [17]
Doch, ik zeide het reeds, dat leven was zonderling. Ook sprak ik van de domme voornaamheid die in dit alles geen aanleiding vindt tot nadenken. Reeds wat men ziet, zou hiertoe kunnen opwekken, en om dit te betoogen is het weinige dat ik daarvan noemde, voldoende. Maar hoe zou 't wezen, wanneer we met het oog van den geest iets dieper doordrongen? De bewoners van dat mierennest zyn... menschen. Het "nil humani alienum" moge dan al niet juist in wysgeerigen zin 'n artikel in hun dagelykschen kathechismus wezen, toch is dat woord op hen van volle toepassing in stoffelyke en maatschappelyke beteekenis. En, ook zielkundig gesproken, het zou 'n ongerymd waagstuk zyn, hun de aandoeningen te ontzeggen, die, de... half- en verkeerd-beschaafde zoo gaarne wil doen voorkomen als het uitsluitend eigendom van de "deftige klasse." Die straathandelaars hebben wenschen en verdriet. Ze kennen vreugde, hoop, teleurstelling... eerzucht misschien. Ze weten--zoo goed als anderen toch, en waarom niet?--wat liefde is. Waarlyk, er is iets menschelyks in zoo'n Oud-roest en in het oude grootmoedertje daarginds aan dien kruiwagen met "zuur." Vygen verkoopt zy ook. Zie hoe netjes half-decimaal zy ze vyf-aan-vyf heeft gespietst op stokjes. Zoo'n stokje koopt de jeugd voor 'n duit. De winst is groot, want de heele ceroen is 'n onvrywillig geschenk van den kruidenier die 't ding z'n winkel uitwierp, omdat de suiker na twintigjarigen bewaardienst zich begon omtezetten in iets als alcohol en sterkriekende gist. Ja, de winst is enorm:... àls de jeugd die speetjes koopt. Als! want--en ziehier de oorzaak van m'n staathuishoudkundige bekommering--vanwaar komt die duit? De vaders en moeders die hem verstrekken moeten, handelen vlak naast de vygen- en zuurvrouw in ransige kokosnoot en curaçaosche pienders. [18] Moet het geld dat hun kind aan die vygen besteedt, niet eerst--en wel boven 't strikt-noodige voor levensonderhoud--òververdiend zyn op hun eigen waar? En wie koopt die waar? Hoeveel brokken klapper, hoeveel van die westindische boontjes, moeten de kleinkinderen van de zuurvrouw by buurman besteed hebben, om hem in-staat te stellen zyn kroost op háár vygen te onthalen? Hoeveel vygen moet zy hebben gesleten aan zyn kinderen voor ze de duit óverheeft, waarmee háár snoepertjes den koopprys van zyn pienders voldoen? O diepte der verborgenheid, beide der kennisse en des begrips van den amsterdamschen Jodenhoek! [19]
Een allernietigst geschiedenisje. Na 't bywonen van 'n middagmaal in de open lucht, wordt de lezer onthaald op 'n moeielyken tocht naar de derde verdieping, waar Wouter nog altyd niet vermoord wordt. Over de teleurstelling van den op romantiek verzotten lezer zal de auteur zich weten te troosten. Quo non ascendam?
Het wordt tyd terug te keeren naar de zeer byzondere klasse van Joden die men te Amsterdam vergund heeft een stad te stichten in 'n stad, en wel bepaaldelyk naar 't oude vrouwtje met die vygen. Zeker neem ik 't háár niet kwalyk dat zy zich onthoudt van twistgeschryf tegen professer Oosterzee en andere steunpilaren van 't ware Geloof. Inplaats daarvan levert zy ons aanleiding tot opmerkingen van geheel anderen aard, wel beneden de aandacht van sommige lezers misschien, doch de myne niet onwaard. Al zy 't dan dat m'n intelligentie niet ontwikkeld genoeg is om doortedringen tot de achterste schuilhoeken van zekere mysterien--getuige die duit van zoo-even--toch overvalt me soms 'n aanval van fierheid op m'n onwetendheid, tegenover de velen die zich hunner onwetendheid, niet bewust zyn. Op dit oogenblik, byv. zoek ik naar de zielegeschiedenis van die vrouw. Want... 'n ziel heeft ze. En 'n geschiedenis ook. Zy is zuigeling geweest. Zy is kind, jonkvrouw, bruid, echtgenoot, moeder geworden. En nu is ze grootmoeder. Misschien wel meer dan dat. Niemand doorloopt een zoo lange baan zonder ten-minste iets optevangen van de indrukken die hy ondergaat. Zy heeft velen gekend, sommigen gehaat, eenigen liefgehad, meer misschien dan eenigen of velen: één! En er waren er, die háár beminden. Wie, hoe, waarom? Wat gaat ons dit aan? 't Moet zoo geweest zyn. Zy is moeder geworden, en werd dus eenmaal uitverkoren, al was 't dan ook maar met de uitverkorenheid van 'n enkel oogenblik. Velen van hare betrekkingen heeft zy overleefd, en dus by 't doodbed gestaan van bekenden, vrienden, verwanten, lievelingen. Ook met Staatkunde is zy in aanraking gekomen voor-zoo-ver niemand geheel-en-al den invloed kan ontgaan, dien deze uitoefent op iedereen. Toen, toen, en toen, heeft ze haar kraampje moeten ter-zy halen, of wel geheel sluiten en wegsleepen misschien, omdat er 'n Prins zou voorbykomen, omdat er 'n Keizer jarig was, omdat de christenen 'n Bededag wilden houden of 'n Dankstond. Misschien ook wel eens omdat de Burgemeester uit z'n humeur was, want in byzonder vrye landen is niets vryer dan de luimen der kleine heeren. Hing niet ook zeer dikwyls haar handel af van 't straatrumoer der revolutien? Wy weten immers hoe de steenen die door de groote-mannetjes du jour worden geworpen in den oceaan der Wereldgeschiedenis, kringen vormen, rondom voortkabbelend tot den uitersten rand der Maatschappy, ook in de diepte zich uitbreidend tot de onderste laag, waar ze ten-laatste vygen- en zuurvrouwtjes bereiken? Veel is haar over 't hoofd gegaan, veel heeft haar geraakt, aangedaan, gewreven, geschokt. En die vrouw zou geen geschiedenis hebben? Gy die dit meent, erkent liever dat ge verleerd hebt zulke geschiedenissen te lezen, en tracht dit te herstellen, en wordt niet al dommer en dommer door u verheven te wanen boven 't allerkleinste. En vooral... zit niet zoo uilig te wachten op 't lichtstraaltjen uit de lantaarns van de Prescotten, en de Mac-Auleys en de Mills. De ware studie van den mensch is: de Mensch. Dit blyft eeuwig waar, al verkoopt zoo'n studie-exemplaar zure augurken en bedorven vygen aan 'n speetje.
Ze had traan-oogen, dit is waar, en zag er juist even onaptytelyk uit als haar vygen. Rimpels had haar gelaat niet--wàs 't 'n gelaat?--het waren voren en groeven. Als vochtige zeemen lappen hingen de plooien over elkander heen, en de toeschouwer had moeite zich voortestellen hoe al die vouwen van de overvloedige huid haren weg vonden, en telkens weer haar eigen plaats wisten intenemen, na zoo zonderling te zyn heen-en-weer geworpen door de mummelende beweging van haar mond. Hierin zal dan ook wel eens verwarring ontstaan zyn, maar wat was er aan te doen? Niemand hield er boek van, en elke plooi hing waar ze verkoos. Is 't wonder dat die overkompleete lappen wel eens misbruik maakten van 't volslagen gemis aan tucht en kontrole?
Het vrouwtje was bezig met haar middagmaal. Een kleine jongen van 'n jaar of vier, had haar in een met stopverf geheelde vuurtest, 'n papje van aardappels en uien gebracht, dat ze niet zonder moeite en verlies naar den mond geleidde met 'n yzer drietandje, geleend misschien uit het magazyn van haar buurman. Onder het eten verloor ze geen oogenbiik haar zaak uit het oog, en monsterde met kinderkundigen blik 't onmondig deel van Publiek, dat haar etablissement naderde of... voorbyging. Want zeer veel kinderen gaven blyk van de wysbegeerte die ons leert dat aardsche goederen, met vygen en al, niet volstrekt onmisbaar zyn voor ons geluk, en dikwyls zelfs schadelyk. Misschien ook was de slapte van de markt het gevolg eener finantieele krisis, gelyk in den handel soms voorkomt. Om zich edel te wreken, misschien ook om den snoeplust van andere kinderen optewekken--wie toch doorgrondt de finesses van den handel?--neen... uit hartelyke genegenheid voor 't jongetje welks overgrootmoeder ze was, gaf zy 't kind 'n ristje van haar vygen. Ik moet er by zeggen dat ze aan haar geschenk de onereuze voorwaarde verbond, dat de bevoorrechte de helft daarvan moest uitkeeren aan z'n zusje.
--En mag ik dan 't stokje houden, vroeg de knaap. Heelemaal? 't Heele stokje?
--Ja, liewes, jy mag 't stokje houden, heelemaal!
De oogen van 't kind glinsterden van geluk. Daar ging één vyg naar-binnen. De tweede volgde. Daarna... zuiver de helft van de derde. Na de amputatie werd de overschietende helft weer netjes aangeregen, en: "ik mag 't stokje houden!" juichte de kleine. Toen 't oudje haar test had leeggegeten, gaf ze die aan 't kind terug, met liefkozingen en 'n kus. De knaap sprong heen, jubelend het geschenk voor kleine Rachel omhoog houdend. Deze stond op eenigen afstand by 'n groepjen andere kinderen te spelen, en liep op de blyde mare haar broertje te-gemoet. Ze struikelde en viel, en bezeerde zich... al of niet, maar schreide zooals vallende kinderen gewoon zyn.
Wouter had dit alles aangezien. Reeds eenige oogenblikken geleden namelyk, was-i in de nabyheid van de oude vrouw blyven staan met het voornemen háár te vragen naar de woning van den man die 't smeerige briefje geaccepteerd had. Zy geleek zoo byzonder weinig op 'n struikroover, vond-i, en de konfidentie dat hy belast was met 'n gewichtige finantieele operatie zou veilig kunnen worden neergelegd in haar schoot. Toch weifelde hy. Ook in Glorioso kwamen zeer oude vrouwtjes voor, die op 't beslissend oogenblik in welgewapende mannen veranderden! Terechtwyzing kon hy evenwel niet ontberen. Wel wist hy nu met zekerheid dat-i zich in de straat bevond waar-i "zaken" had, maar... in welk huis? Van de nummers was niets te zien, of slechts nu-en-dan 'n enkel, want van gevel tot kelder hingen de puien vol lappen en lompen. Dáár in die ruïne, juist achter de zitplaats van de vygen- en zuurvrouw, moest naar z'n berekening de gezochte persoon wonen, doch hy vertrouwde die berekening niet. In dat bouwvallig huis kon geen zak guldens aanwezig zyn, meende hy, en zelfs zooveel duiten niet. Hy begon nu iets beter dan vroeger 't onsmakelyk praedikaat van z'n briefje te begrypen. Want in de gansche straat ontwaarde hy geen verblyf dat er uitzag alsof daarin ooit 'n wissel kon betaald worden. Peinzend bleef hy staan, en liet zich 'n oogenblik afleiden van z'n gedachten door het kleine tooneeltje met dat kind. Bybelvast als-i was, haalde het juichen van den knaap hem Numeri XIII voor den geest, waar de verspieders komen aanloopen met druiven en granaatappels en... vygen. "Ook dáár wordt gesproken van 'n stok, van 'n draagstok," dacht Wouter, en juist liep hy gevaar zich te verdiepen in... heel iets anders dan z'n naastbyliggenden plicht alweer, toen hy het tweejarig Racheltje struikelen en vallen zag. Fluks by-de-hand, richtte hy 't kind op, en wischte haar traantjes af, en droeg het naar de oude vrouw, die hem zeer vriendelyk bedankte.
--Chot sel je hondertmaal sechene, jongeheer! zei ze.
Nu weet ik wel dat weinig zaken goedkooper zyn dan de toewensching van Gods zegen. En ook dat die oude vrouw geen reden had, byzonder gewicht te hechten aan Wouter's nietig dienstbetoon. Dat kind zou wel vanzelf weer opgestaan en tot de overgrootmoeder gekomen zyn. Maar toch deed haar vriendelyke dankzegging hem goed. Noch Motto noch m'nheer Wilkens, de praktische heeren die zoo grondbeginselig alle bemoeienis met de zaken van 'n ander verafschuwden, hadden besef van 't genot der aandoening die de Duitschers Menschenfreundlichkeit noemen, en waarvoor wy, meen ik, geen woord hebben. 't Is iets als de vertaling in het dagelyksche, van de hoogdravende Menschenliefde die maar 'n deugd is voor zeldzame feestdagen, tooneelstukken, levensbeschryvingen en grafschriften. Wouter was gaarne vriendelyk, en nooit voelde hy zich zoo ontlast van de pynlyke beschroomdheid die hem gewoonlyk drukte, dan wanneer zich 'n gelegenheid aanbood zich eens recht welwillend te toonen. Ook thans schepte hy uit dit kleine voorval den moed het oude vrouwtje naar de woonplaats te vragen van Roebens, den man dien-i zocht.
--M'n êêche kleinsoon, jongelief! Heb je sake met 'm? Chots seeche d'r op! Hier woont-i, vlak achter me... kyk, dáár de trap op. Cha jy gerust na-bove, en loop m'r deur tot 't derde pertaal, waar je die dékes ziet hangen, en al dat beddechoed, en z'n sjabasj engels-hemt. En je klopt an de deur naast de cheutsteen, en je roept: Roebe, Roebe! Want Roebe Roebes hiet-i. En-i is kemissjenèèr in lompe, en m'n êêche kleinsoon, en Racheltje's fader, werachtich as Chot!
Deze plechtige bevestiging van hare berichten omtrent Roeben's maatschappelyk standpunt en familiebetrekkingen, was minder overbodig dan ze schynt. Wouter had reeds moeite te begrypen hoe iemand die dáár woonde, honderde guldens zou kunnen betalen. Maar dit laatste nu eenmaal aannemend als mogelyk, kwam het hem vreemd voor dat de beschikker over 'n som die hem zoo aanzienlyk toescheen, de kleinzoon wezen zou van 'n arme zuurvrouw, en Racheltje's vader. Hy kende de eigenaardigheid niet die de Joden--zooals veel Aziaten--nog altyd van Westersche volken onderscheidt, dat ze zeer dikwyls 'n redelyke welvarendheid achter schynbare armoed verbergen. Niet zonder uitzondering, maar--vooral in de lagere standen--heerscht by sommigen iets dat men het omgekeerde van bluf of reklame zou kunnen noemen, en als tegenstelling met de Kopperliths komt ons deze opmerking goed te-pas. Dat de kommissionair in lompen--een der schakels tusschen papierfabrikanten en voddenrapers--z'n grootmoeder daar op de straat liet zitten... lieve God, ze verkoos niet anders! Ze was opgebracht by den handel, by dien handel, en daarby wou ze sterven. Ook was "zuur" en bedorven kruienierswaar haar specialiteit. In elk ander "vak" zou ze met handen en hersens verkeerd hebben gestaan, en zelfs met haar neus. Want ze rook den graad van ontbinding waarin haar goederen behoorden te verkeeren om te passen in 't kader van haar ondernemingen. De tachtigjarige oorlog dien ze gevoerd had tegen flauwen kooplust, slecht weer, lastige policie--eens namelyk had 'n onwaardige magistraat het veilen van bedorven goedje verboden... 't is lang geleden!--de leerschool die ze had doorloopen met taai geduld... zie, dat alles kon ze niet van de meet af opnieuw beginnen. Haar kunst was zoo lang geweest als haar leven, en wat er van dat leven nog kon overschieten, zou gewis te kort zyn voor 't aanleeren van nieuwe kunst. Ik beweer hiermee geenszins dat de door haar gekozen specialiteit in-allen-deele aan de illuziën van hare jeugd had beantwoord. Éénmaal zou haar de verzuchting ontsnapt zyn--'t wordt door wel-onderrichte maar onbescheiden getuigen verzekerd--"als ik nògeens in de wereld kwam, ging ik in 't knokenvak!" Maar ze troostte zich by 't bedenken dat ook deze loopbaan wel haar onaangename zy hebben zou, al scheen dat anders aan wie er buiten stond. En in-allen-geval, er was geen spraak van dat ze haar leven zou òverdoen. Ééns gekozen, blyft gekozen. De zaak lag er toe, en Jehovah-zelf kon 't niet ongedaan maken dat Vrouw Roebens haar gansche ziel aan zure augurken en verrotte vygen besteed had. Wat er in den hemel moet worden aangevangen met zulke zielen... ei, en de jongeheer Pompile dan, met z'n witte-gronden-driekleur, en z'n krieuweltjes? En m'nheer Wilkens met z'n diemetten? Welke ontwikeling brengen dezulken mee in den hemel? En dat zy eenmaal daar aanlanden, is toch zeker. Want Pompile was van de Walekerk, en Wilkens hollandsch-griffermeerd. Twee zeer goede gelooven, gelyk ieder weet.
Wouter bedankte heel beleefd voor de gegeven inlichting, en klauterde naar-boven. Jammer dat er geen roovers waren op die uitgesleten trappen, want het was er zoo donker dat men lust krygen zou zichzelf te bestelen. Het klimmen van onzen jongste-bediende vereischte een zeer eigenaardige gymnastiek. Heel beneden had z'n rechterhand zich weten meester te maken van 'n touw. Na 't stygen van 'n paar treden, was-i wel genoodzaakt z'n oogen te ontslaan van alle dienst, maar 't gewicht der expeditie kwam des te zwaarder op z'n handen neer, die slechts van-tyd tot-tyd 'n oogenblik rust kregen als-i wat vasten grond onder de voeten meende te hebben. De tyd tusschen deze tempoos in, werd aangevuld door zekere slingering, 'n exercitie waarvan historie en industrie ons drie toelichtende voorbeelden aanbieden. Wouter hing daar--maar in 't donker--als de "plukkers" van vogelnestjes op de Javasche Zuidkust, of: als de verzamelaars van eiderdons in 't hooge Noorden, of: als de krygslieden van Herodes, die in hangende bakken de roovers in de rotsen bevechten, gelyk in 't XIVe boek van Josephus te lezen staat. Wouter kende de plaat die in de frans-hollandsche vertaling van dat werk ter opheldering daarby gegeven is, en niet zonder angst berekende hy wat z'n lot wezen zou als het touw brak. Daar-i volstrekt niet zien kon, zag hy allerduidelykst de rotspunten en kloven waarop en waarin hy zou neerkomen. Goddank, de eerste verdieping was eindelyk bereikt, en hy kon wat uitrusten. De toegang tot de tweede was nauwer, en het touw waaraan hy zich moest ophyschen, iets gladder en dunner. Met moed ving hy ook dezen tocht aan, en werkte zich dapper tot 'n portaal hooger op. Hier hoopte hy dat-i zich 'n verdieping mocht verteld hebben, maar helaas, de werkelykheid geeft niets toe. Wie slechts twee verdiepingen klimt, staat niet hooger dan twee verdiepingen. Dit is nu eenmaal zoo: nil sine labore!
Wouter tastte rond naar den deurflankeerenden gootsteen, maar helaas! Hy zag in, dat nog altyd z'n naastbyliggende plicht in stygen bestond, en dit bleek hem te meer toen hy na eenig zoeken in 't bochtig portaal, 'n spleet in de voorpui bemerkte, die hem toeliet 'n oog te slaan op 't buitenhangend garneersel van de vensters. Daar was niets, niets, niets te zien van 'n "sjabbasj engels-hemt." Er hingen kousen en mutsen en allerlei lappen te drogen, maar nog altyd woei daar de vlag niet waarop hy koers zette. Hooger dus, hooger! Wat zoo'n jongste-bediende op 'n koopmanskantoor zonderlinge naastbyliggende plichten te vervullen heeft! Die soldaten van Herodes... dit is de vraag niet. Den derden trap op! Zeker was hy op den goeden weg, want de uienlucht werd sterker en sterker. Nog 'n beetje volharding, en hy zou te-land komen in de buurt waar de spys bereid was, die hy beneden in de bekende vuurterrine had te zien gekregen. Waarlyk, het touw was ten-eind! Voorzichtig schoof hy den voet vooruit, en bleef grond voelen, wel 'n halven palm in omtrek. En nòg 'n proef die goed afliep, en nòg een... hy had iets onder zich, dat vergelykender-wys naar vasten bodem geleek. Om zich heen tastend ontdekte hy den gootsteen, en al was er niets te zien van 't feesthemd, hier zou 't wezen! Hy klopte op den gis tegen den wand, en riep: m'nheer Roebens, m'nheer Roebens!
--Nou, k'm m'r binne, antwoordde een vrouwestem, wat e skendaal in 't pertaal! Wâ mot je? Wissels? K'm in, en maak so'n lewaai niet. Me man is siek.
Daar er 'n deur geopend werd, kon Wouter nu eindelyk zien. De vrouw die zich vertoonde, beantwoordde z'n vraag of daar m'nheer Roebens woonde, bevestigend. En hy trad binnen.