De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz

Chapter 23

Chapter 233,700 wordsPublic domain

Wat dan te zeggen van 't ras der koprolithen, dat geheel vrywillig verstand, hart en karakter laat braak-liggen? Al zy het nu dat de jongeheer Pompile niet zeer zuiver de waarheid sprak, wanneer-i 'n onnoozelen "buitenman" die 'n krieuweltje kwam koopen, verzekerde: "dat papa zoo byzonder ryk was, en dat ze 't om den broode niet hoefden te doen" toch hadden de jonge-lieden 'n anderen werkkring kunnen kiezen. Maar ... dan hadden zy iets moeten leeren, zich inspannen, en dit gedoogde noch hun fatsoen, noch hun traagheid. Arbeid en kennis was goed voor anderen wier papa niet "zoo byzonder ryk" was. Die heele rykdom van den oudeheer kwam neer op eenige tonnen, 'n som die bestemd was in zessen te worden verdeeld. Ze hadden dus wel degelyk behoefte aan 'n werkkring, en twee van de zoons kozen, wat als voorvaderlyk erfdeel voor-de-hand lag: de lappennegotie. Hiertoe was slechts 'n klein gedeelte noodig van 't beschikbaar kapitaal dat hoofdzakelyk in effekten belegd bleef. Hadden zy kunnen besluiten den inventaris te ontlasten van de goederen die jaar-in jaar-uit op die zolders lagen, dan zouden ze met nog geringer kapitaal de zaak hebben kunnen dryven. Tot dit "opruimen" echter--waarop Dieper soms bescheiden en rente-berekenend aandrong--waren ze niet te bewegen. Meenden zy misschien dat die oude verkleurde lappen ooit weder den prys zouden waard zyn, die daarvoor betaald werd vóór den bloei der Amerikaansche katoenmarkt en der Engelsche weveryen? Ze meenden noch dit, noch iets anders. Ze meenden niets.

De dagelyksche handel was allereenvoudigst tot het idiote toe. Tweemalen 's jaars bestelde men "op staal" eenige duizende stukken gedrukte katoenen. De by 't kiezen te-pas gebrachte wysheid overstelpte onzen Wouter, die alweer angstig werd dat hy nooit, nooit, nooit zoo ver komen zou om te weten of de burgervrouwen die zich kleedden in gedrukt katoen, dit jaar de voorkeur geven zouden aan 'n slangetjen of aan moesjes? Wilkens zat by zulke gelegenheden als op 'n troon. De verhandelingen die hy hield over 't gewicht en de strekking van 'n klein verschil in kleur of figuur, waren verpletterend. Ik heb reeds gewezen op de rechters die in 't laatste ressort over de vonnissen van onzen lappen-wysgeer te beslissen hadden. Toch zou hy 't zeer vreemd hebben gevonden indien men boerinnen of dienstmeiden zitting en stem had verleend in 't koncilie dat hy prezideerde. En ... de hoogheid tegen zoo'n handelsreiziger! Het is opmerkelyk dat de engelsche fabrikanten voor deze betrekking gewoonlyk Duitschers in dienst nemen. Christelyker werkkring bestaat er niet. Voor dezulken is 't Evangelie van den linkerwang geschreven! Zoo'n ongelukkig wezen werd drie, vier keeren weggezonden, voor 't m'nheer Wilkens en den jongeheer Pompile gelegen kwam te zien welke nieuwe figuurtjes de teekenaars der fabrieken hadden uitgedacht. Heel eindelyk begunstigde men hem met de mededeeling dat er waarschynlyk niets zou noodig zyn. Dat men reeds groote bestellingen gedaan had aan andere "huizen." Dat de markt slap was, buitengewoon slap. Enz. Ten-laatste werd hy genadiglyk toegelaten, en de zitting nam 'n aanvang. Eugène, wiens woorden duur waren, stelde zich 't minst bespottelyk aan. De beide anderen wedyverden in zotteklap, en de commis-voyageur beantwoordde elke op- of aanmerking met 'n aller-beleefdsten glimlach. Hy haalde op zyn beurt z'n schade aan verongelukte menschenwaarde, in diligences en trekschuiten of aan de table-d'hôte met woeker in. Daar publiceerde hy de twee dozyn anekdoten die elk handelsreiziger behoort in voorraad te hebben, en ging by z'n kameraden onder verband van wederkeerigheid, voor 'n wezenlyken heer door.

By ontvangst van de bestelde goederen steeg de belangrykheid der werkzaamheden op 't kantoor en in het magazyn tot het verhevene. De bedongen prys werd verhoogd met de onkosten van pakking, transport en assurantie, en daarna volgens de koers van den dag herleid in hollandsch geld. Deze berekening was zeer in 't byzonder de taak van Pompile, die er zeer handig in was ... geworden, na veel jaren sukkelens, zei de oudheidkundige Gerrit. Goed, nu toch verstond Pompile die kunst! By verkoop legde men 'n procent of vyftien op den inkoopprys, en de cyclus van beroepswysheid was afgeloopen ... op 't overbluffen, liefkozen, streelen en bedriegen van de koopende winkeliers na. Ook in dit gedeelte van 't "vak" was Pompile een eerste meester. Zelfs Wilkens moest erkennen, dat ... enz.

Geen van die heeren had ooit iets anders gedaan, geen hunner had gehaakt naar andere inspanning. Ze voelden zich volkomen verzadigd. Zelfs 't boekhouden van den ouden Dieper ging hun sfeer te-boven. Z'n memoriaal en journaal en grootboek waren gewyde arken waaraan nooit iemand de hand durfde slaan. Wel beschouwd overtrof zelfs de oude Gerrit de heeren patroons in menschenwaarde: hy kòn iets! Een van z'n hoofdbekwaamheden bestond in 'n byna onbedriegbare kennis der geldsoorten, en z'n "worpen" by het tellen waren monumenten van regelmatigheid. Het was jammer de zest'halven by-een te stryken, die door hem waren tentoongespreid in symmetrische regels ... zilveren verzen, waarlyk! En dan 't nog altyd respectabel overschot van z'n handigheid in 't pakken ... wel te verstaan, als 't hem gelegen kwam niet styf van rhumatiek te wezen. Toch moest ieder onbevooroordeelde erkennen--en er bestond reden tot vooroordeel--dat Wouter hem hierin met reuzenschreden voorbystapte, gelyk we ter-zyner-tyd zullen te zien krygen.

Tweemalen 's jaars ging Wilkens op-reis, en speelde dan by winkeliers de rol waartoe hyzelf gewoon was buitenlandsche reizigers te veroordeelen, die 't ongeluk hadden van zyn welwillendheid en zaakkennis aftehangen. De goden zyn rechtvaardig! Dan werd-i terdege bestraft in z'n zondige plek, en moest soms twaalf keeren tevergeefs toegang vragen--de door Moore bezongen paradys-peri!--om doortedringen tot het achterkamertjen in 'n lappenwinkel. Een andermaal liet men hem schildwacht houden voor de toonbank, en afwachten wat 'n snibbig winkelmeisje--de "m'nheer Wilkens" loci--over hem zou gelieven te besluiten. Zekere overleveringen luiden dat-i zich by zulke gelegenheden meermalen moest laten welgevallen, met z'n wasdoeken staalpak onder den arm--en den voorgeschreven welwillendheids-glimlach op 't gelaat--uren lang op de stoep in den regen te wachten: "omdat-i in den winkel de klanten in den weg stond." Het spreekt vanzelf dat deze handels-liefkozing beantwoord werd met 'n allerbeleefdst:

--Met pleizier, juffrouw!

Van één hoedanigheid die den commis-voyageur kenmerkt, moet ik Wilkens finaal vryspreken. Nooit vertelde hy anekdoten uit 'n almanak. Het schynt dat z'n deftigheid zich hiertegen verzette. Waar hy meende z'n officieel handelsgewaad een oogenblik te mogen afleggen, bepaalde hy zich tot het uitpluizen van 'n zeer interessant bankroet, waaruit hy door een byzondere hem alleen eigene gauwigheid, z'n patroon 'n heel procent meer had weten te bezorgen dan de overige krediteuren ontvingen. Over 't verguld-koper snuifdoosje dat hem deze heldendaad had opgebracht, stapte hy losweg heen ... uit bescheidenheid, zeid-i, maar als 't noodig was zou hy 't nog altyd kunnen laten zien. En wie dan niet uitdrukkelyk naar deze ridderorde vroeg, vond-i onbeleefd. Z'n tweede strydpaard aan 't dessert, was de roerende levensgeschiedenis van drie stukken-bielefeldsch linnen die door 'n onkundige waren aangezien voor iersch fabrikaat, een vergryp waaruit ongetwyfeld 'n proces zou voortgesproten zyn, indien niet hy, Wilkens--"want, heeren, dàt is nu eigenlyk m'n vak!"--als expert of arbiter de zaak tot 'n vroolyk einde had weten te brengen, door de opmerking ... enz. Dat deze beide geschiedenissen een byzonderen geur van gezelligheid meedeelden aan z'n onderhoud, is niet te ontkennen. Maar hy was er zeer spaarzaam mede, want: "er zyn reizigers en ... reizigers, zeide hy, en heden-ten-dage is niet ieder op de hoogte om 'n goed diskoers te waardeeren."

--En, jongeheer, zei Dieper, hoe moet ik nu doen met dat briefjen in den Jodenhoek? 't Is 'n smeerig papiertje, jongeheer!

--Ja, Dieper, dàt is het! Waarom zeg je 't niet aan papa? Die Gerrit ...

--Zeker, jongeheer! Ik heb den oudeheer reeds dikwyls daarover gesproken. Maar u weet dat-i niet gaarne ...

--Weet je wat je doet, Dieper? Zend hèm!

En met z'n duim over schouder, wees hy onzen Wouter aan.

--Niet waar, jy kunt immers wel geld ontvangen?

Wouter's gelaat helderde op by de gedachte dat hy iets kunnen zou.

--'t Is zeer gevaarlyk, m'nheer, zei Wilkens.

--Aan den kassier durf ik 't briefje niet geven, klaagde Dieper. 't Is te smeerig! M'nheer heeft het me verboden, omdat-i wel-eens een der direkteuren van de Kas ontmoet in Doctrina. En, zegt m'nheer, het stáát niet ... zulke smeerige briefjes. En dit is wel de waarheid, jongeheer!

Nog altyd zullen sommige lezers de ware beteekenis van deze elegante uitdrukking niet begrypen. Een "smeerig papiertjen" is 'n accept van iemand die geen naam op de beurs heeft. Zoo'n man moge solide zyn, eerlyk, trouw aan z'n woord, het helpt niet. De door hem geteekende stukken zyn "smeerige papiertjes" en dezulken waren er dikwyls onder de remises van kleine winkeliers in de provincien. In dit byzonder geval echter scheen meer dan gewone reden tot afkeer te bestaan. De man van wien hier sprake was, woonde in 'n dwarsstraat van 'n dwarsgracht in den Jodenhoek, en Gerrit die meermalen geld by hem had ontvangen, klaagde dat-i "by dien kerel" al z'n muntkennis noodig had om niet te-kort te komen. De acceptant lokte hem steeds in 'n donkere achterkamer waar 'n zeer groote familie huisde, en die slecht verlicht was: 'n hol, zei Gerrit. En 'n behoorlyke tafel om geld te tellen, was er ook niet. Zelfs de vloer kon daartoe niet dienen, want hy was vol reten en gaten, en wanneer men 't in-weerwil hiervan beproefde, liepen of rolden de talryke kinderen heel onprozodisch door de worpen heen. Kortom, de woning van dien jood was 'n tuin der Hesperiden waar weinig anders te plukken viel dan wat kans om geplukt te worden. En: "hierop legt de kerel het toe!" zei Gerrit.

Dit alles was den jongeheer Pompile bekend, en toch drong hy er op aan dat Wouter belast worden zou met de inkasseering van dat "smeerige" briefje.

--Zie je, Dieper, 't is nuttig voor hem dat-i alles leert.

--Zeker, jongeheer, maar ...

--En hoe ànders? Gerrit is styf van rhumatiek ... zeg dàt aan papa. En als nu Pieterse dat geld ontvangt ... hm, ik wil maar zeggen dat-i alles leeren moet.

De ware reden die Pompile zoo hardnekkig op z'n voorstel deed aandringen, was eenigszins anders. Hy hoopte dat die jood onzen Wouter 'n paar valsche stukken zou in de hand stoppen, of dat er 'n andere tekortkomst blyken zou. Hieruit wilde hy munt-slaan in z'n eeuwigen stryd met de styve rhumatiek van Gerrit. In de nadeelen die Wouter's onbedrevenheid konden na zich slepen--en die met wat overleg wel op "huishouden" konden gewenteld worden--zou hy slechts deelen voor 'n half kindsgedeelte. Zóóveel wilde hy nu wel eens ten-offer brengen om verlost te raken van 'n knecht die hem als kleinen jongen gekend had, en ... meer dan aangenaam, ingewyd was in de chronique scandaleuse van z'n jeugd. Héél skandaleus noem ik die kroniek alweer niet. Maar Pompile beeldde zich dit groothartiglyk in, al waren dan z'n afwykingen van 't pad der deugd gewoonlyk te dekken geweest met 'n paar zest'halven. Alle waar is naar z'n geld, tot de uitspattinkjes van zekere lieden toe.

Hy dreef dus de zaak door. Wouter ontving 't smeerige papiertje dat er niet onzindelyker uitzag dan andere wissels, en borg het met ingespannen zorg in z'n patriarchaal zakboek. De te ontvangen som bedroeg eenige honderde guldens. Wilkens gaf hem 'n geldzak mee, en veel vermaningen om--in zeer letterlyken zin--goed op z'n tellen te passen.

Binnen 't uur was Wouter met het vereischt bedrag terug. Op 'n weinig buitengewoon kantige pasmunt na, bestond het in glinsterende dukatons met ongeschonden rand. Gerrit-zelf, dien ze later als 'n byzonderheid door Dieper getoond werden, moest erkennen dat men ze zelden zoo te zien kreeg en dan ... "van zoo'n smeerigen jood!" Het ging z'n begrip te-boven, en daar ik ditzelfde in den lezer veronderstel, wil ik de oorzaken van dezen goeden afloop in 'n volgend hoofdstuk meedeelen. Ik moet erkennen dat ik met genoegen het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith 'n oogenblikje verlaat. Zoodra mogelyk keeren wy 't met welgemeenden afkeer den rug toe. Maar men bedenke dat schryvers en leerjongetjes hun arbeid en verblyf niet voor 't kiezen hebben. Myn naastbyliggende plicht was nu eenmaal het beschryven van zeker menschenras waaraan Vuurlanders, Huronen en Irokeezen te danken hebben dat ze niet de àllerlaatste schakel zyn die den Mensch aan de Dieren verbindt.

Onmogelykheid een der verhevenste kenmerken van het ware. Handel, Staathuishoudkunde en Petite Voirie uit den voortyd. Nieuw blyk der verregaande insoliditeit van den auteur die, in-plaats van de beloofde dukatons, den lezer afscheept met 'n bespiegeling over gebrek aan Israëlitische kontroverse.

De lezer wordt dus uitgenoodigd eenige stappen met den auteur terug te gaan, om daarna gezamenlyk Wouter te vergezellen naar den Jodenhoek. Men moet al zeer schraal bedeeld zyn met de specifiek-dichterlyke gaaf van assimilatie, om den familietrek voorby te zien, die dezen tocht doet zweemen naar de uitspatting waaraan zich eenmaal prinses Erika schuldig maakte. Wy weten dat zy daarheen ging om zich te verfrisschen door 'n bad in 't gemeene ... of wat voor gemeen doorgaat. Ze wilde de walging afspoelen die haar de hoftoon veroorzaakte. Wy immers ook zyn misselyk van de heeren Ouwetyd & Kopperlith, al zy 't dan dat we ons te reinigen hebben van heel iets ànders dan nasmaak van overdreven hoofsheid. Veel verder alzoo dan zekere gelyksoortigheid van indruk, gaat deze overeenstemming met prinses Erika niet. Wy behoeven waarlyk geen zyden kousen aantetrekken om Wouter te begeleiden, en ook belooft de auteur op eerewoord, dat-i de maagdeperen met rust laten zal. Deze onthouding van prinselyke excentriciteit is te meer gepast, omdat het perensaisoen nog niet was aangebroken. Het briefje dat Wouter te inkasseeren kreeg, verviel op den zooveelsten van Zomermaand, of misschien in Juli, maar zeker lang voor 't najaar. Het is den lezer bekend dat er nog altyd één fatsoenlyke familie in de stad was, en dat alzoo het ooft van den herfst nog aan de boomen hing, ver buiten de stad. In zekere toekomstige kritiek op m'n werk meen ik te lezen dat dus ook de eskapade van prinses Erika hoogst-apokrief is, een opmerking die my de welkome gelegenheid aanbiedt, nog-eens te wyzen op m'n verregaande waarheidsliefde. Waar geen peren zyn, kan niet met peren geworpen worden. Wie dus, in-weerwil van deze algemeen bekende waarheid, dit werpen met onmogelyk ooft als geschied voorstelt, heeft 'n leugen gezegd. Wie leugens durft opdisschen aan een ontwikkeld publiek, moet wel zeker van z'n zaak zyn, en zóó vast staan in den kothurn zyner overtuiging, dat-i het steunen op kleine waarschynlykheidjes missen kan. Alleen vervalschers zyn nauwkeurig in byzaken, en wie zulke byzaken durft verwaarloozen met eene aan 't onbeschaamde grenzende slordigheid, is ... 'n evangelist. Ziedaar de gronden waarop de minste twyfel aan de geloofwaardigheid van myn boodschappen--bly zyn ze niet altyd ... nu ja, maar boodschappen zyn het toch!--behoort te worden verklaard voor godslastering. Waartoe zou het Geloof dienen, als 'n profeet, by al z'n andere plichten, zich nog zou moeten onthouden van de ongerymdheid ook? Om 's hemels-wil, lezer, ik vraag u, hoe konden er maagdeperen in Amsterdam zyn? Met de bekende fynheid van Schriftverklaring die geenszins in-stryd is met het geloovig aannemen der grofste ongerymdheid--wat ik in 't voorbygaan bewyzen wilde--heeft de schrandere lezer reeds lang kunnen berekenen dat het smeerige briefje, met welks inkasseering Wouter in den komkommertyd belast werd, geen saizoengenoot wezen kon van zulke projektielen. Dit is ieder bekend die verstand van ooft en komkommers heeft, handelaars in witte-grondjes-driekleur, wysgeeren, tuinluî, e. d. De ondeugende prinses Erika had dus heel iets anders nog begaan dan guitenstukjes of 'n buitensporigheid, ze had iets onmogelyks verricht: 'n wonder! En zóóver had Wouter 't nog altyd niet gebracht. Hy ging integendeel zeer gebukt onder 't gewone, en had al z'n geestkracht noodig om niet te bezwyken onder z'n overspannen plichtsbesef.

Met 'n gewicht alsof 't heele bedrag van 't geaccepteerd wisseltjen in kopergeld aan z'n hakken gehecht was, stapte hy over den weg. Hy drukte de linkerhand styf tegen de borst waarop het aan z'n eer toevertrouwd pand rustte, en hield z'n rechtervuistje gebald om den eersten den besten nedertevellen, die blyk geven zou van het opzet hem te berooven, d. i. de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zeker, 't had 'n zeer sterke bende moeten wezen die hierin geslaagd was! Glorioso, met al z'n makkers en in z'n besten tyd--vóór die verlammende liefde namelyk voor twee prinsessen, een markgravin en drie hoogst-onschuldige landmeisjes--Glorioso zelf zou zich misrekend hebben wanneer-i, staatmakende op de hartelykheid van de oude relatie in de Hartenstraat ... nu, Glorioso was er niet, en de marteling van 't konflikt tusschen zieleverwantschap en plicht bleef Wouter ditmaal gespaard. Het eenig gevaar dat hem bejegende, vertoonde zich in de gedaante van 'n kindermeisje dat naar den weg vroeg. Wouter stapte dit vermoedelyk begin van verlokking tot plichtverzuim, met saamgeknepen lippen voorby, en ... met 'n bloedend hart. Want het kostte hem veel, stuursch te zyn jegens iemand die zyn hulp inriep. Mocht dat kindermeisjen 'n bende verkleede roovers geweest zyn, dan zyn die industrieelen finaal ongedekt gebleven voor de onkosten van hun vermomming. Niet zóó gemakkelyk ontfutselde men onzen held 'n papiertje dat hem door z'n lastgevers was toevertrouwd!

Hy mompelde zich al de voorzichtighedens voor, die hy zou hebben in-acht te nemen. Dieper had hem aanbevolen het kostbaar stuk dat door den jongeheer Pompile voor voldaan geteekend was, niet uit z'n handen te geven: "voor-i geld zag." En ... niet te kwiteeren: "voor-i dat geld hàd!" Want ook hyzelf moest teekenen ... ik weet niet waarom. Het was de gewoonte, en 'n gewoonte die hem verrukkelyk voorkwam: "ont...van...gen ... Wou...ter ... Pie...ter...se." Zóó zou er staan in z'n allermooiste schrift. En dat zou bewaard blyven. En eenmaal zou de nazaat staren en turen op die letters, en eerbiedig fluisteren: zie, op dit papiertje heeft zyn pols gerust! Dit heeft hy geschreven, hy die ... ja, wàt? Hier struikelde Wouter's verbeelding, gelyk telkens geschiedde wanneer-i voorschot nam op 'n toekomst die zoo byzonder weinig op het tegenwoordige zou gelyken. En dan trok hy z'n verschrikte voelhorens in, en dwong zich terugtekeeren tot z'n punt van uitgang in de werkelykheid. Hy schoof den nazaat--tot nader order!--op-zy, en beloofde zich niet te teekenen voor-i geld zag en hàd. Zóó had Dieper gezegd! En in z'n gedachten maakte hy kant en klaar de krul gereed, waar-mede-i z'n handteekening bekrachtigen en sieren wilde, 't Zou 'n slang wezen, zich slingerend om en door de spylen van 'n rooster. De staart moest zoo nydig mogelyk byten in drie stippen, netjes in gelid tusschen 'n paar evenwydige lyntjes, en de kop werd belast met het als by-toeval kronen van de P. In deze wending zou de fynheid liggen, en Wouter maakte zich gereed tot het uitvaardigen van 'n manifest, waarby al de ongekroonde autografen die ooit van hem mochten worden in omloop gebracht, werden verklaard te zyn: bedriegelyk, valsch, en van niet de minste waarde noch in rechten noch in posthume heldenvereering.

Dit alles was alzoo behoorlyk vastgesteld. Maar ... het tellen! Eén, twee, drie, vier ... dit zou wel gaan. 't Bleef echter de vraag wàt men hem zou te tellen geven? Dubbeltjes? Stuivers? Duiten, misschien? Ook dit schrikte hem niet af. Maar ... de pietjes? De dertiend'halven? De schellingen? De zest'halven? Of--erger nog!--al die muntsoorten door-elkaar? Hm ... moeielyke zaken! Zoodra hy koning werd, zoud-i ... och, dit was alweer de vraag niet. Hy wàs geen koning. Hy was jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith, en op dit oogenblik belast met het ontvangen en behoorlyk uitleveren van 'n groote som gelds. Dit was z'n naastbyliggende plicht, en hieraan slechts had hy dus te denken.

Nu, dit deed hy! Vermoeid van dienstyver, stapte hy tusschen de kraampjes en uitstallingen door, die de Sint-Anthonies-breestraat zoo byzonder sterk doen gelyken op 'n verstoord mierennest. 't Verschil ligt grootendeels slechts hierin, dat men er zeer lang naar kyken moet om wys te worden. Wouter had moeite z'n weg te vinden. Van bespiegelingen over 't zonderling huishouden in de open lucht, dat daar voor den opmerker te aanschouwen was, kon by hem geen spraak zyn. In z'n hoedanigheid van aankomend Amsterdammertje was hy evenmin ontwikkeld genoeg om zich te ergeren aan al 't onschoone dat hy te zien kreeg, als om belang te stellen in 't karakteristieke van die leelykheid. Z'n standpunt omtrent dit laatste vooral wees hem 'n plaats aan ver beneden prinses Erika, die naar getuigenis van geloofwaardige tydgenooten, het uur dat ze in den amsterdamschen Jodenhoek doorbracht, voor een der belangwekkendsten van haar leven verklaarde. Een revue van dertigduizend man linie--zou ze in vertrouwen gezegd hebben--met vierd'halve battery artillerie en geestdrift, was er niets by. Ook de opera niet. En vooral geen hofbal. En geen muzeum van middeleeuwsche oudheden. [16]

Hoe de dwarsstraat te beschryven, waar Wouter ten-laatste aanlandde? Te oordeelen naar de dichtheid van de krioelende menigte, die--altyd toch met het eigenaardig voorkomen van lieden die en voisin uit zyn--zich verdrong op de straat, moesten al die woonhuizen leeg staan, van de kelders af tot de hoogste verdieping toe. Nog altyd heerschte in die buurt--interessant wàs het, hierin had het prinsesje gelyk!--nog altyd zag men daar de orde of wanorde van 'n volksstam, zwervend in de woestyn. Het lynwaad der tenten was hout en steen geworden, en voor 't zand der heide--want als hei vertoonen zich die zandzeeën--vergenoegden zich de tot staan gebrachte nomaden met modder of stof op straatkeien en klinkers. Wat ze voor de weelderige grassoorten der bewaterde plekken in de plaats kregen, weet ik niet. Doch, ook zonder de minste vergoeding voor de hier-en-daar verspreide schoonheden in hun vroeger verblyf, nog altyd was die straat-zelf, en niet de tent van kalk en steen hun geliefd domicilie. De krotten die ze heetten te bewonen--vuistslagen in 't gezicht der beschaving... in Wouter's tyd!--waren hoogstens goed genoeg om er in te slapen, en niet eens onvoorwaardelyk. Zoodra 't zomerweer de begoocheling toeliet of aanmoedigde dat men zich op-nieuw in de voorvaderlyke erfstreken bevond, nam het zonderling volkje dit op als 'n sein dat de tyd weer was aangebroken van het leven in de openlucht, en van terugkeer tot vóórkanaänsche zeden ... met uitsluiting evenwel van de sedert lang verjaarde strydhaftigheid. Ze brachten het grootst gedeelte van 't etmaal tusschen de reien der tenten door. Daar zaten ze, daar lagen ze, daar sliepen ze. Daar werd gegeten, gedronken, en gearbeid, d.i. handel gedreven. Daar leefden zy.