De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz

Chapter 20

Chapter 203,889 wordsPublic domain

Wat overigens die geheimzinnige suite-kamer aangaat, het is te veronderstellen dat ze weleens bezocht werd door Pompile en Eugène ook, wanneer deze jongeheeren hun: "broodje gingen eten by mama" maar overigens waagde zich daarin vóór het uur van 't middagmaal, geen schepsel. Dan namelyk, maar ook dan eerst, kon de oudeheer z'n huwelyksgeluk 'n uurtje te zien krygen. Z'n vurige drift om vóór dat oogenblik iets te vernemen van de wyze waarop zy den nacht had doorgebracht, kon alleen door Gerrit bevredigd worden, en deze ontleende alweer aan deze byzonderheid zeker gewicht, dat hy zeer handig wist op de schaal te leggen in z'n eeuwigen gezagstryd met: "die Wullekes!" De manier waarop hy 't aanlei om z'n welkome voorwendsels tot dienstweigering toetepassen, is niet moeielyk te raden. Zoodra de wyze kantoorheer iets gelastte dat den kantoor- en huislooper niet aanstond, moest deze juist "boekenruilen voor mevrouw" 'n ultima ratio die Wilkens niet dan schoorvoetend aandurfde. En, als: "mevrouw straks misschien zou moeten gekrooie worden" verzonk de autoriteit van den gehaten onder-chef in 't peilloos Niet, juist waar Gerrit ze gaarne zag om ze op z'n gemak uit het oog te verliezen.

--Zieje, Pompile, als mama zoo erg is, zoo heel erg.., wat zullen we doen? Ik kan toch niet in m'n eentje naar Groenenhuize! Wat zeg jy, Dieper? Ik zou me daar vervelen, denk je niet?

--Zeker, m'nheer, ik ben zeker dat m'nheer zich daar vervelen zou. M'nheer zou daar zoo ... heelemaal alleen zyn, niet waar?

--Nu ja, papa, dat's waar, maar ... 't saizoen gaat voorby. Ik kan u verzekeren, papa, dat er geen enkele fatsoenlyke familie meer in de stad is, wat je noemt: 'n fatsoenlyke familie! Wat zeg jy, Dieper?

--Zeker, jongeheer, er is geen enkele fatsoenlyke familie meer in de stad, dàt is waar.

--Ziet u, papa? En als mama niet zeer spoedig resolveert ... zal ze nog veel zieker worden. Dat heeft de dokter ook gezegd, niet waar, Dieper?

Hm! Wat zou de boekhouder zeggen? Hy kon toch in-gemoede de meening niet bevestigen van 'n dokter dien-i nooit had te zien of te spreken gekregen? En ook de vreeselyke ziekte van mevrouw was aan de "heeren van 't kantoor" slechts zeer schemerachtig bekend, want de half-vertrouwelyke ontboezemingen van Gerrit weken weleens 'n beetje van z'n officieele berichten af, 'n byzonderheid die oplettende hoorders en lezers ook nu-en-dan in andere kringen kunnen waarnemen. Ook de betrekkelyke duisternis der onwetendheid omtrent mevrouw's zeer voorname kwalen zou in diepen nacht zyn overgegaan, wanneer men by die heeren gevorscht had naar bekendheid met de mevrouw-zelf. Zy was in hun oog de zeer letterlyk-etymologische uitdrukking van 't solemneele: men zag haar éénmaal 's jaars, op den eersten Januari. Op dien dag namelyk werden Dieper, Wilkens, en later ook Wouter, door een der ad hoc gekommitteerde jongeheeren plechtstatig door de bovengang in de suite geleid, waar ze dan konden wachten totdat mevrouw door haar gezelschapsjuffer het sein liet geven dat "de heeren" mochten binnentreden in de eeuwige zykamer. Schryvers van middelmatige konscientie zouden allicht uitstrooien dat ze daar werden toegelaten tot den handkus, maar wie eerbied voor waarheid heeft, zal ten-allen-tyde verzekeren dat de plechtigheid niet zóó ver ging. Dieper wenschte by deze gelegenheid: "ook namens de andere heeren, aan mevrouw ... des Hemels besten zegen, en ... bestendig welzyn." Ze was er mee tevreden, en zei dat ze 't vandaag zoo byzonder erg "op" haar zenuwen had, en dat het zeker van 't weer kwam. Nadat dit door Dieper beaamd was--met 'n buiging, want z'n welsprekendheid was òp--kon men de zaak als afgeloopen beschouwen. De gezelschapsjuffer opende een der dubbeldeuren van de suite, en de "heeren" verlieten ruggelings de "zykamer van mevrouw." Dieper was dan gewoonlyk zeer warm, en kon niet altyd de schuld hiervan op 't weer schuiven, want het vroor soms. En ook lag de oorzaak van die hitte niet in de vermoeienis van de reis die zoo byzonder ver niet was, en maar weinig inspanning vorderde. De plechtige exodus nam op 't kantoor 'n begin ... linksom, vyf treden in de ondergang ... de keuken voorby, waar de meiden stonden te lachen en te ginnegappen, vooral om 't malle gezicht van m'nheer Wilkens, daarop volgde een donker slakhuisvormig trapjen, en twaalf korte schreden tot aan de deur van de suite ... neen, neen, uit vermoeienis van de marsch ontstond Dieper's verhitting niet! Doch al ware dit anders, ik vraag of zoo'n kennismaking voldoende is om iemand instaat te stellen tot beoordeeling van de vraag of "mevrouw nog zieker worden zou ais ze niet spoedig naar buiten ging?" En tevens: of men uit zoo'n bezoek op nieuwjaarsdag--en in die hitte nogal--voldoende gegevens putten kan om te berekenen hoe de dokter mevrouw's toestand zou beoordeelen in 't hartje van den komkommertyd? Maar de jongeheer Pompile had nu eenmaal Dieper's getuigenis ingeroepen. Des boekhouders naastbyliggende plicht schreef dus voor, een "intieme fiktie" by-de-hand te hebben, die den jongeheer kon dienen by z'n plannetjes, en dus:

--Ja, ja, m'nheer, 't is zeker goed voor mevrouw, dat ze spoedig naar Groenenhuize vertrekt, want ziet u--o, prachtsprong over 't onbekend gezegde van den onbekenden dokter!--'t is zeker goed voor mevrouw, anders ... gaat de tyd van jonge doppertjes voorby!

--Ziet u, papa? Dàt is juist wat ik altyd zeg. Mama moet absoluut naar buiten! 't Is voor mama niet langer in de stad uittehouden, niet waar, Dieper?

--Juist, jongeheer! M'nheer, het is voor mevrouw in de stad niet langer uittehouden!

--Voor niemand, papa!

--Zeker, m'nheer, voor niemand!

En hyzelf dan? En al z'n lotgenooten?

--'t Water in de grachten ziet paars van den stank, papa! Niet Dieper?

Ook dit beaamde de getuige, en ditmaal met grondige reden van wetenschap. Want hyzelf woonde in den Jordaan, waar de opgezamelde meststof zich niet onbetuigd liet in dartele kleurspeling op 't water. 't Was juist 'n buurt om nieuwe verfstoffen uittevinden.

--Maar ... Pompile, hoe krygen wy in-godsnaam mama de stoep af? Dat is de vraag!

--Juist, papa, dàt is het! Dàt's de zaak! Ik heb er Flip over gesproken, Flip den kruier, papa!

--Hè?

--Ja, papa, den kruier! Met hun drieën zien ze geen kans mama de stoep aftedragen ...

--In 'n fauteuil, Pompile!

--Juist, papa, in 'n fauteuil! Weet u wat ze zeggen? Ze zeggen: 't handt niet, omdat de trap van de stoep wat smal is, papa! En ze zouden mama laten vallen, papa! U moet begrypen, papa, 't is lomp volk, papa!

--Maar ... hoe dan?

--Flip zei: als we mevrouw in 'n flinken leuningstoel hadden--fauteuils kent zoo'n man niet, papa!--en dan 'n strop er om--om den fauteuil, papa!--en dan ... maar toen zei ik: met veel kussens, papa, weet u, met héél veel kussens, dan zouden we ...

Eugène trad binnen. Blykbaar was hy door z'n vader op kondschap gezonden, of er iets met de oude koppige dame te bereiken zou zyn. Doch ook hy bracht geen bevredigend antwoord mee.

--En jy, Pompile, wat had jy dan bedacht?

--Wel, papa, 'n fauteuil ... en mama daarin, met veel kussens, en dan 'n strop er om ... om den fauteuil, Eugène! En dan ... 't venster open--Flip zei, 't kon best, maar ik zeg met veel kussens, weet u, papa?--en dan ...

--Ben je mal, Pompile, wou jyzelf nu mama 't venster uithyschen? En zoo-even zei je ...

--O neen, Eugène, zoo meende Flip. Maar ik zeg: met veel kussens, weetje? Maar ... die kruiers zyn lompe menschen, en ... ze rekenen hoog. Al wat boven 'n dubbeltjes-boodschap gaat ... berekenen ze vreeselyk hoog, papa! 't Weekbriefje--vooral als Gerrit styf van rhumatiek is, papa!--o, dan is 't weekbriefje ... fameus, papa! En daarom had ik gedacht--omdat we nu 'n jongstebediende hebben, ook--nu dacht ik ... kyk, papa, we kunnen voor mama die kruiers best missen. U weet misschien dat Gerrit weer styf van rhumatiek is? Nu, dat's hetzelfde ... maar Dieper heeft telkens briefjes te inkasseeren ... morgen 'n smerig papiertje, niet waar, Dieper?

--Ja, jongeheer! Morgen 'n smerig papiertjen in den Jodenhoek, m'nheer, heel smerig!

--Maar, Pompile, wat wou je dan met mama?

--Met veel kussens, papa! Dan wou ik vragen of Wilkens zoo goed zou willen zyn--niet waar, Wilkens?--met dat jongemensch daar, aan 't windas te gaan. Ziet u, papa, dan konden wy die kruiers missen ... lomp volk! Maar ... met veel kussens, dit begrypt uzelf wel, papa! En, ziet u, papa, Eugène en ik, wy zouden ... beneden staan, en ... er goed naar kyken, papa!

Eugène bromde. Maar 't was karakteristiek dat niemand lachte by Pompile's voorstel om--niet zonder terugzicht op zuinigheid--z'n moeder 't venster uittehyschen aan 'n strop ... om den fauteuil.

--De buren!

--Juist, Eugène, de buren! Precies wat ik zeg! En daarom ... als we mama konden bewegen ... 's morgens vroeg ...

By noorderzon alzoo! Wouter wist nog niet wat 'n windas was, en dacht zich suf over de rol die hy zou te spelen hebben. Hy voelde reeds angst by de bedenking of-i wel in-staat wezen zou by die gelegenheid z'n naastbyliggenden plicht te vervullen. 't Was hem 'n kleine verademing dat Pompile's voorstel nog altyd niet gaaf werd aangenomen. Men scheen te betwyfelen of "mama" genoegen nemen zou met de vreemde lokomotie. De oudeheer klaagde dat zy zéker weigeren zou als ze hèm verdacht van de uitvinding.

Hy iets uitvinden!

--Wel, papa ... u kan zeggen dat Flip de kruier het verzonnen heeft. Dat kan u best zeggen, papa!

--Hm ... ja ... als nu by-voorbeeld de juffrouw dat aan mama verzekerde?

--Dat zou zeker 't allerbeste wezen, papa. Maar ... ik geloof dat wy op die juffrouw niet best kunnen rekenen, papa! Weet u wat ze doet, papa? Ze stookt!

--Zou je dat denken, Pompile?

--Ja, papa! Want, ziet u, anders had ze 'r al lang op aangedrongen dat mama naar buiten ging, wat zeg jy, Dieper?

--Zeker, jongeheer, zeker! Anders had ze 'r al lang op aangedrongen.

--Die nieuwe juffrouw is 'n gekkin, bromde Eugène.

--Mama is zeer met 'r tevreden, zei de oudeheer. Ze is zoo erg fatsoenlyk, zegt mama, zoo heel erg fatsoenlyk. En ... haar papa was prokureur, Eugène!

--Ze heeft kale plekken op 't hoofd.

--Wel, wel, Eugène!

--Dat kan my nu niet schelen, zei Pompile, als ze mama maar wou overhalen om naar Groenenhuize te gaan, papa!

--Waar is Gerrit? vroeg de oudeheer.

--Styf van 't rhumatiek, papa! En morgen heeft Dieper 'n smerig papiertje, niet waar, Dieper?

--Nu ja, maar als Gerrit nu eens--zonder dat het van ons kwam, begryp je?--aan de juffrouw vertelde dat de kruier gezegd had ... want zieje, Pompile, als ik alleen ga, dan verveel ik me zoo! En ... hoe met de keuken? Ik kan toch niet te Haarlem in 'n restauratie gaan eten, als 'n kantoorbediende! Wat zeg jy, Dieper?

--Zeker niet, m'nheer! Een man als U kan niet in 'n restauratie gaan eten. Zeker niet!

Diezelfde "man als U" kon wel de hulp inroepen van den kruier, en van den knecht, en van de gezelschapsjuffrouw, om z'n vrouw te bewegen tot iets dat ze hardnekkig nalaten zou zoolang ze meende dat hy er op gesteld was! En al die naaktheid mocht Wouter te aanschouwen krygen! Geen van de sprekers kwam op het denkbeeld dat ze zich voor dien jongen kantoorbediende vertoonden in 'n zonderling licht. Men ziet het, ook 't gemeene heeft z'n naïveteit.

Om overigens den belangstellenden lezer, die zich zeker al ongerust maakt over den gezondheidstoestand van die "mevrouw in de zykamer" wat moed intespreken, beroep ik me hier op zeker getuigenis van Gerrit, die eenmaal aan Wouter deze vertrouwelyke mededeeling deed:

--Je kunt me gelooven--ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk borssie--zy ... eet te veel, en ze-n-is koppig en sagrineus: dàt is het! Haar heele ziekte ... komaan, ik zal 't je maar op z'n rond-hollandsch zeggen, is wind en 'n engelsche notting! Maar zy ... eet te veel. Zy ... eet den godganschelyken dag, dàt is het! Als ik haar dokter was, kreeg ze niets dan één roggebroodjen in de week, en verder pomp-water ... anders niets, wat ik je zeg!

De auteur kruipt tot in de nauwste gaatjes de hoogheid na, van 'n "man als u, m'nheer!"

De oudeheer die tot-nog-toe had staan leunen tegen Dieper's lessenaar, begon zich te vervelen. Of liever, hy kreeg lust de verveling die hem kwelde en waarmee hy gewoon was ieder te plagen die met hem in aanraking kwam, te doen veranderen van soort. By Dieper had de man 'n halfuurtje links geleund ... hy wou nu eens rechts leunen. Zoo wentelt zich de luiaard in z'n bed om, like a door on its hinges, gelyk Shakespeare, meen ik, ergens zegt. Maar onze emeritus-leeglooper had nog andere redenen dan zoo'n deur, om zich eens omtekeeren. Het nieuwe kantoorbediendetje, hoe jong en onbeduidend ook, moest doordrongen worden van 't besef der hoogheid van m'nheer Kopperlith. Hy naderde alzoo sloffend den hoek, waar de hongerige Wouter nog altyd bezig-was zich door 't overschryven van Leon's epistel, bekwaam te maken voor den "handel."

--En, mannetje, hoe gaat het nu eigenlyk met jou? Met je werk? Schryf je wel netjes? Neen, neen, blyf maar zitten, blyf gerust zitten! Ik kom maar even kyken of je netjes schryft, weetje? En ... klein, heel klein, om de port. Want, mannetje ... die brief gaat naar Rome.

't Werd voor Wouter waarlyk tyd dat-i eens opkeek. Hy zou flauw- of in-slaap gevallen zyn. Het woord Rome maakte hem eenigszins wakker. Hy had iets geschreven dat heel naar Rome gaan zou, hy! God weet welke Paus zyn schrift onder de oogen krygen zou! En zelfs ... welke roover! En de stad-zelf! De stad van Caesar, van Romulus en Remus, van Numa Pomp ... 't is waar ook, waarom heette z'n hoogste onderpatroon: Pompilius? [15]

--Ja, mannetje, naar Rome! Dat dacht je niet, hè?

--N...e...e...n, m'nheer!

--Hi, hi, hi, naar Rome! Hoorje wel, Pompile, hy dacht niet dat die brief heel naar Rome ging! Ja, mannetje, zóó is het toch! Die brief gaat--daarom moet je netjes schryven--naar m'n zoon, den jongeheer Flodoard die te ... Rome-n-is! Wat zeg ie dáárvan?

Wat zou Wouter zeggen? Ik weet het waarachtig niet. En hy-zelf wist het ook niet. Dit bezwaarde hem. Zou er ook misschien 'n naastbyliggende plicht verzuimd worden als-i zweeg? De oudeheer genoot van z'n hakkelen. Hy had z'n doel bereikt: het jonge-mensch was vernietigd. En nog zyn er onverlaten die uitstrooien dat Hollanders "van fortuin" zich niet weten te amuzeeren!

--M'n zoon--de jongeheer Flodoard, weetje?--is daar ...

Hier stuitte de kinderachtige bluffer. Het denkbeeld kwam in hem op, dat misschien die domme burgerjongen niet op de ware hoogte stond om te beseffen wat 'n schilder was. En deze vrees was niet ongegrond. Juffrouw Pieterse-zelf zou dit maatschappelyk standpunt niet byzonder hoog gevonden hebben: 'n schilder!

--Hy is ... fynschilder, weetje? Zeg, Pompile, je moet hem Mozes by 't Doornbosch eens laten zien ...

--In de hoes, papa!

--Ah, ja, in de hoes! Anders, weetje, dan kan je-n-op de zaal--vlak boven--Mozes by 't Doornbosch zien ... als-i eens niet in de hoes zit. Dat heeft m'n zoon, de jongeheer Flodoard-zelf geschilderd, heelemaal zelf. Wat zeg je dààrvan? En nu is hy te ... Rome om zich te oefenen in de Kunst, in 't fyne, weetje, heel in 't fyne van de Kunst. Want ... dit begrypje toch ook wel, niet waar, er is schilder en schilder! Je moet niet denken dat de jongeheer Flodoard schilderyen maakt voor z'n brood. Volstrekt niet, in 't geheel niet! Je begrypt immers 't verschil wel, zeg?

Die arme knoop! Wouter zette 'n gezicht alsof-i volkomen bereid was alles te begrypen wat men hem vertellen zou.

--Om z'n brood ... hi, hi, hi, 't lykt er niets naar! Gut, Pompile, begryp eens, er zouden menschen zyn die dachten dat Flodoard schilderde ... hi, hi, hi ... om z'n brood!

--Ja, papa!

--Neen, mannetje, ik zal je heel wat anders zeggen ... heel wat anders! De jongeheer Flodoard schildert ... voor z'n pleizier, en ... voor de Kunst. Wat zeg je dáárvan?

Wouter bleef stom van verbazing. Heel goed!

--Voor de Kunst, mannetje! Denk je dat-i wat krygt voor z'n schilderyen? Zeg, Pompile, je moet 'm toch Mozes by 't Doornbosch eens laten zien ...

--Ja, papa!

--Zieje, mannetje, dat heeft-i zelf geschilderd, en hy krygt er niets voor. En 't hangt op de zaal--vlak, vlak hierboven, weetje?--en je mag 't zien, als de hoes er af is, want ... nu is er 'n hoes over, omdat mevrouw naar buiten gaat, naar myn Buiten ... Groenenhuize heet het. En daar mag je-n-ook wel eens komen, want ... daar hangen ook schilderyen van den jongeheer Flodoard ... dàt zal je zelf zien! Dacht jy dat-i er iets voor kreeg?

--N...e...e...n, m'nheer, o neen!

--Zoo? Ik dacht dat je dat dacht. Maar zieje, 't is juist andersom. De jongeheer Flodoard verteert veel geld te Rome, heel veel geld! Zeg eens, hoeveel geld denk jy wel dat de jongeheer Flodoard te Rome verteert? Komaan, raad eens!

Och, daarvan stond weer niets in Strabbe! Onze Wouter voelde zich in pynlyke verlegenheid. De oude dwaas scheen op antwoord te wachten:

--Ja, ja, raad eens! Je mag gerust eens raden!

--Hon...derd... gulden, m'nheer?

--Hi, hi, hi ... hoorje dat, Pompile? Hoor je 't Eugène? Heb je 't gehoord, Dieper? Honderd gulden! Help me onthouden, Eugène, dat ik die aan mama vertel! Honderd gulden? Honderd gulden? Wil ik je-n-eens wat zeggen, mannetje? Honderd gulden ... ja! In de maand, weetje? Honderd gulden in de maand ... wat zeg je dáárvan?

--Hè, m'nheer!

--In... de... maand!

--Hè!

--In... de... maand! Hon...dèrd... gul... den... in... de... máánd!

Wouter zweette.

--Ja, al dat geld verteert hy te Rome. En dat haalt-i ... zeg eens, by wien denk je dat-i al dat geld haalt?

--By... den...

--Nu, zeg maar op. Spreek gerust uit. Waar denk jy nu wel dat de jongeheer Flodoard al dat geld haalt?

--By den ... Paus, m'nheer?

Was 't niet jammer dat er niet mocht gelachen worden op 't kantoor van m'nheer Kopperlith? Wat Wouter aangaat, hy was ditmaal inderdaad iets minder onnoozel dan-i scheen. Dat wereldsche hoogheid hem altyd door 't hoofd speelde, was waar. En dat hy, eens zich verplaatsende naar Rome, aan weinig anders dan pausen en roovers dacht, is ook waar. Toch kwam z'n malle gissing niet hoofdzakelyk hieruit voort. Z'n onverbiddelyke partner eischte antwoord. Dit antwoord moest den indruk uitwisschen, dien z'n onfatsoenlyk-lage-taxatie van Flodoard's vertering gemaakt had. Om nu zeker te zyn dat-i deze keer niet zoo héél ver beneden 't peil zou blyven van de ontzettende hoogheid die men hem te bewonderen gaf, wist-i niet beter dan 't voornaamste te noemen dat hem te Rome bekend was. Het was hem zeer goed bewust dat-i mis-raadde. Maar om den oudeheer tevreden te stellen ... och, hy vervulde z'n naastbyliggend plichtje! En zie ... hy greep minder ver mis, dan de lezer denkt. Al moest dan de heer Kopperlith ootmoedig erkennen dat-i nog altyd onder z'n bankiers geen gekroond hoofd had, toch, toch ...

--De Paus? Neen, mannetje, niet de Paus. De jongeheer Flodoard ontvangt alle maanden honderd gulden op 't kantoor van een ... van wien, denk je? Ik zal 't je maar zeggen: van 'n ... prins! Niet waar, Dieper! Ja, ja, mannetje, m'nheer Dieper kan je de wissels laten zien--want die worden op myn kantoor door m'nheer Dieper betaald, weetje?--de wissels van prins Torlonia! Wat zeg je daarvan! Je ziet dus wel dat de jongeheer Flodoard niet hoeft te schilderen voor z'n brood? Hy moet volstrekt Mozes in 't Doornbosch eens zien, Pompile, maar ... alles is nu op de zaal in de hoezen, weetje, anders bederft het satyn van de stoelen--want er zyn stoelen met satynen zittingen op de zaal--en 't verguldsel van de spiegels, weetje, omdat mevrouw naar-buiten gaat, naar Groenenhuize--want zoo heet eigenlyk m'n Buiten--en ik ook ... ik meen dat ik ook naar-buiten ga. Ben jy wel eens buiten geweest, mannetje, zeg?

--J...a...wel, m'nheer!

Dit antwoord viel den gek tegen. 't Was dan ook wel 'n beetjen onvoorzichtig van Wouter zoo plomp op de ydelheid te trappen van iemand die duidelyk te kennen gaf dat-i het buiten-zyn voor z'n privatief domein houden wilde.

--Jy ... weleens ... buiten geweest? En wáár dan, mannetje?

--Op den Singel, m'nheer, buiten de Aschpoort.

Alweer zou hier 'n algemeen schaterend gelach zyn opgegaan, indien er door iemand anders dan den oudeheer zelf mocht gelachen worden op 't kantoor. Deze oefende in z'n eentje zoo goed mogelyk de funktien van koor uit. Dieper legde z'n pen neer. Wilkens fronsde 't voorhoofd. Pompile meesmuilde. En zelfs 't officieel gelaat van Eugène vertrok zich byna in 'n plooi.

--Hi, hi, hi, buiten de Aschpoort! Maar, jongen... maar, kereltje... maar, ventje... dat is niet buiten, mannetje! Gut, Pompile, wat toch zulke burgerlyke menschen rare ideën hebben!

--O ja, papa!

Weer verkneuterde zich de oude dwaas van pleizier over Wouter's domheid, en de knoop van z'n jasje moest het ontgelden.

--Buiten is... wat je noemt: buiten, heelemaal buiten, weetje?

Of Wouter 't nu wist, zullen we daar-laten. Hy kromp verlegen in elkaer.

--O ja, m'nheer! Zeker, m'nheer! Ik wist niet wat m'nheer bedoelde...

--Juist! Hi, hi, hi... hy wist niet wat "buiten" was. Nu, nu, ik neem 't je niet kwalyk, wees maar gerust! Buiten-zyn is... 's-zomers buiten-zyn, weetje? Dat is... 'n Buitenplaats hebben, begrypje? Nu... ik heb 'n Buitenplaats... by Haarlem in den Hout... och, Eugène, hy weet zeker niet wat "den Hout" is. Zeg, weet je wel?

--N...e...e...n, m'nheer!

Wouter jokte. Hy wist zeer goed wat "den Hout" was. Dit stond immers in z'n geografieboekje? En... Laurens Coster dan, met z'n vermoeiende uitvinding! Welke Hollander zou "den Hout" niet kennen? Of nu onze kleine bediende zich zoo onnoozel hield om z'n kinderachtigen patroon den vollen triumf van z'n uitlegging te laten, weet ik niet. Misschien zeid-i maar neen, uit verlegenheid, want de graagte waarmee men z'n domheid van zoo-even als iets vermakelyks had aangegrepen, had hem zéér gedaan. Hy was beschaamd alsof men hem op diefstal betrapt had... neen, erger!

--Ja ja, ik heb 'n Buiten in den Hout, vlak by de "Logementen"... zeg, Pompile, hy mag van den zomer weleens komen kyken op Groenenhuize, niet waar?

--O ja, papa!

--Zieje, dan kan-i op 'n zondagmorgen met de eerste schuit...

--Vier stuivers, papa!

--Ja, vier stuivers. En 's avends terug, dat 's acht, niet waar? En... 'n dubbeltje voor den man die hem den weg wyst. Anders... je hoeft maar te vragen naar 't Buiten van m'nheer Kopperlith, in den Hout, vlak by de "Logementen" zieje, 't is dus heel makkelyk te vinden. En je hoeft maar te zeggen: 't Buiten van m'nheer Kopperlith, want... zieje, mannetje, van den zomer mag jy heel goed eens buiten komen... omdat ikzelf 'n eigen Buiten heb, weetje, 'n wezenlyk Buiten... dàt zal je zien. 't Is vlak by de "Logementen"... in den Hout, weetje? In den Haarlemmer Hout! Hi, hi, hi, by de Aschpoort! Eugène, help me-n-onthouden dat ik die aan mama vertel, van middag aan tafel, weetje!

Na nog eenige praatjes van gelyken aard, verloste eindelyk de oudeheer 't kantoor van z'n tegenwoordigheid. Wouter leed meer dan iemand gissen kon, en wanneer hem op dit oogenblik de keus gegeven was tusschen 't bestormen van 'n turksche vesting, of 't òpzien... hy had het eerste gekozen. Schaamte is altyd pynlyk, maar de valsche! En dan op een zoo onbekend terrein! Nooit, nooit, nooit had hy kunnen gissen dat de "handel" zoo'n moeilyke zaak was.

Vita longa, ars brevis. Plebejervreugd over "gekochte kost." Dekadentie van Herkulanum en Pompeji. Wouter's verdriet over z'n snel begrip. Parafraze van Gerrit op Talleyrand's "pas de zèle!"