De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz
Chapter 19
En zoo geschiedde het. Wouter werd belast met het verveelvuldigen der oostindische wysheid van den jongeheer Leon, ter opvroolyking van den jongeheer Flodoard die te Rome was en daar heette te schilderen. Tot amuzement ook van neef Griekel te Leiden. En om de vriendschap te cimenteeren met de familie Pruikers, óók lieden in 't best van hun fatsoen. Na 't eerbiedig aanhooren van veel leerstelsels over de ware manier om 'n brief overteschryven, ging Wouter dapper aan 't werk. Hy keek niet op, kopieerde letter voor letter, woord voor woord, zin voor zin, en ... netjes! Z'n werk leek op 'n gravure. Hy volbracht dus alweer zoo goed mogelyk z'n naastbyliggend plichtje. Maar wel verwonderde het hem dat de heer Leon Kopperlith, surnumerair by de Landelyke Inkomsten en Kultures in de afdeeling Tjanjor, residentie Preanger Regentschappen, op het eiland Java, in Nederlandsch lndië--aldus onderteekende die verre jongeheer 'n brief aan z'n moeder, die niets vreemds vond in deze zotterny--wel bevreemdde het hem dat die voorname persoonlykheid zooveel taal- en spelfouten maakte. En ... iets anders nog. Hy voelde zich eenigszins beleedigd--meer dan door die boodschappen!--dat men hèm al die fouten te kopieeren gaf ... tot oefening in briefstyl.
Er bestond nòg iets dat hem zeer begon te hinderen. Maar dit kon Leon niet helpen. Hy had 'n vreeselyken honger.
Slechts zeer zelden verwaardigde zich de oudeheer des morgens op 't kantoor te komen, d. i. vóór den toenmaligen beurstyd en 't daarop volgend middagmaal. Het scheen dat-i zich dezen keer wat vroeger dan gewoonlyk naar beneden had laten dryven door de verveling, een euvel waaraan hy zich twaalf uren in 't etmaal schuldig maakte, jaar-in, jaar-uit. Hoe zou 't anders kunnen? De man was leeg. Misschien herinnert zich de lezer 't portret van den baron Van Een-en-ander, dat ik tentoonstellend aan den wand hing in m'n "Specialiteiten." Ook daar schetste ik een nietig wezen. Welnu, zoo'n Een-en-ander-baron is by den hier bedoelden Kopperlith vergeleken, 'n ware Humboldt, 'n Kroesus naar den geest. Die oude baron beteekende zeer weinig, omdat-i slechts ... een-en-ander was. Kopperlith senior was nòch 't een, nòch 't ander. Hy was niets.
Z'n komst op 't kantoor werd altyd, door Pompile vooral, met weerzin gezien, omdat hy--voor-zoo-ver er inderdaad iets te doen viel--de bedienden van 't werk hield door z'n eindeloos gebabbel. Dit was, vooral nà den middag, zeer hinderlyk, en Wouter's menschenkennis had dan ook weldra gelegenheid zich uittebreiden tot het besef hoe zekere lieden byzonder grappig worden als ze goed gedineerd hebben. Doch ook in den "stillen tyd", in 't saizoen dat z'n botanischen naam aan de cucurbitaceën ontleent, zagen de jongeheeren den oorsprong van hun bestaan liever vertrekken dan komen. Door overmaat van opgeblazenheid namelyk, meende hy in zekere buien niet noodig te hebben den toegang tot z'n hoogheid zoo angstvallig te versperren als sommige anderen, en deze noodlottige waan verleidde hem soms--vooral nà tafel!--tot inbreuk op 't decorum van het kantoor. Dit beviel de jongeheeren niet, zy die in de bespottelyke gemeenzaamheid van "papa" een element van bederf meenden te ontdekken voor 't verheven standpunt dat zy wilden blyven innemen. Wie 'n zuiver muzikaal gehoor had, kon altyd in den toon dien de jongeheeren terstond na 't vertrek van "papa" aansloegen, duidelyk zekere scherpte waarnemen, waaruit men verstaan kon: "denk nu vooral niet dat je geen bediende bent omdat papa zich zoo met je gekompromitteerd heeft." Het: "je moet eens zoo goed wezen" van Pompile klonk dan waarlyk komisch, juist omdat z'n linksgedragen hoogheid zoo kluchtig afstak by de laagte der sfeer waarin hyzelf zich bewoog. Zeker bezat hy één hoedanigheid van 'n groot man. Déze, dat niets hem te klein was. Om nu echter wezenlyk-groote mannen niet te-schande te maken door dezen schyn van verwantschap, behoort men zich te haasten er bytevoegen dat hem alles te groot was, behalve het allerlaagste. We vernamen reeds hoe hy den stuiver waarmede hy 'n briefbesteller paaide voor 't verzaken van z'n plicht, niet wilde doen drukken op de "zaken" waarin hy 'n vierde aandeel had, terwyl-i als aanstaand mede-erfgenaam ter-zyner-tyd slechts voor 'n geringer deel zou betrokken zyn in 't wel of wee van "huishouden." En veel hooger dan Pompile stonden de andere leden der familie Kopperlith niet, noch in kennis, noch in verstand, noch in hart.
Het spreekt vanzelf dat Wouter--in 't oordeelen nog altyd belemmerd door naïveteit--dit alles niet dan zeer langzaam opmerkte. In-den-beginne nam hy zich z'n eigen verwondering kwalyk. Hoe trager evenwel z'n oordeel zich ontwikkelde tot overtuiging, hoe dieper deze overtuiging geworteld werd. Aanvankelyk voelde hy slechts z'n nieuwsgierigheid geprikkeld. Telkens echter werd er 'n nieuw hoekjen opgelicht van de gordyn die de Maatschappy--of het nietig onderdeel er van dat hy nu te beschouwen kreeg--tot-nog-toe voor z'n oogen bedekt hield. Langzamerhand ging deze nieuwsgierigheid in verzadiging over, weldra in minachting, en daarna in verachting en walg, waaruit ten-slotte de hoogmoed voortkwam die 't doel van ons streven moet zyn. Maar zoo ver zyn we nog niet. Op dit oogenblik begint hy juist z'n derde afschrift van den fameuzen brief des zeer jongen heers Leon. Daarin kwam 'n vertelling over zeker feestmaal voor, waaraan de auteur beweerde te hebben deelgenomen. Daar was veel gedronken, gegeten en ... och, Wouter had zoo'n honger! Hy kende het dokument nu van buiten, en schreef werktuigelyk voort, niet zonder te luisteren naar alles wat er gesproken werd door de "heeren van 't kantoor." Maar dat de honger hem vreeselyk plaagde, is de waarheid. Als ooit "de handel" hem aan "brood" helpen zou, moesten de zaken zeer veranderen.
Wat de luistervink al zoo te weten kwam, zal ik meedeelen in 't volgend hoofdstuk, waarschyntyk niet zonder kommentaar.
De lezer zal wel reeds hebben opgemerkt--en misschien niet zonder eenig medelyden met den auteur--dat er onder al de personen die ik in dezen kring ten-tooneele voer, geen enkel slecht mensch voorkomt, althans niet in den zin dien wy gewoonlyk aan dit woord hechten. Het is zoo. Al die sujetten vallen niet in de termen van welk artikel ook uit het Wetboek van Strafrecht, noch zelfs van policie-keur.
De oude Dieper zou geen kind te vondeling leggen, al was 't een voorbarige spruit van z'n eigen dochter geweest. Wilkens maakte reeds sedert ruim 'n halve eeuw zich niet schuldig aan belletjes-trekken, en ik kan den lezer verzekeren dat ook de drie stuivers die er te-kort kwamen in z'n "kleine kas" niet in zyn zak waren overgegaan. Eugène vermaakte zich wel met de booswichten in die fransche romannetjes, maar verder ging z'n verkeer met zulk onfatsoenlyk gezelschap niet. In z'n gedrag geleek hy wel volstrekt niet op de deugdhelden in die boeken--wat ik verstandig vind--maar toch, hy vermoordde nooit iemand. Zelfs verleidde hy geen meisjes welker eer den prys van 'n halven dukaton te-boven ging. Dit was 'n principe van hem. Hy was dus wat men gewoon is te noemen: van onberispelyk zedelyk gedrag, en zou--wat dit betreft, en nu eens geen acht-slaande op den gerekwireerden "lust in werken"--best geschikt zyn geweest voor de betrekking van winkeljongetje by m'nheer Motto. De oude Gerrit was 'n pruttelaar, maar overigens bestond z'n grootste fout--op de rhumatiek na--in 't koketteeren mèt die rhumatiek, 'n begaafdheid die hem alleraardigst te-pas kwam om nu-en-dan 'n boodschap voor den jongeheer Pompile uittewinnen. En ook deze leverde geen bruikbare vlek in de eentonige schildery van 't gewone. Gelukkig dus dat ik geen romanschryver ben! Hoe immers zou ik 't aanleggen, om straks wat licht te doen uitkomen by zoo weinig bruin? By zoo'n totaal gemis van 't krimineel-zwarte? Wie zou helder blinkende deugd kunnen schilderen op zoo'n vaalgryzen grond?
Neen, neen, dat gaat niet! Al moest dan de heele deugd achterwege blyven--ik zweer er niet op dat dit het geval wezen zal!--dan toch ... vanhier, vanhier, gy die meent 'n roman te halen uit den huize Kopperlith!
Als ik 'n romanschryver was, zou m'n taak ligter zyn. Dan immers had ik slechts den gek Wilkens te verdoopen in 'n bandiet, hem 'n roovermantel van diemet en shirting om den schouder te slaan, z'n kantoortjen onder de stoep te veranderen in 'n spelonk vol doodsbeenderen en geronnen bloed, z'n kadetjes in zakpistolen, z'n pedante praatjes in moord- en wraakschreeuwende tooneelkrankzinnigheid. Niets gemakkelyker dan dat alles, maar ... 't is nu eenmaal bepaald dat m'n taak zoo eenvoudig-akelig niet wezen zal. Want ... 'n romanschryver ben ik niet!
Ware ik 'n romanschryver ... zeker, dan liet ik de draadpoppen myner chinesche schimmen elkaar den nek omdraaien tot vermaak en zielestichting van den lezer. Dan ware reeds lang de lyvige Hersilia op-weg naar Gretnagreen, met den ouden Dieper en de kas ... de groote. Want in die van Wilkens kwamen nog altyd de drie stuivers te-kort, die volstrekt noodig zyn om sous d'autres climats zalig te wezen met 'n verboden geliefde. Ware ik romanschryver ... dan boezemde ik den teederen Pompile yverzucht in tegen 't allerjongst kantoormannetje dat zich, één halven dag nog slechts in funktie, reeds verstout had integaan tot z'n vrouws zykamer! Ware ik romanschryver ... dan liet ik den achtenswaardigen hoofddader van 't wanbedryf: Ouwetyd & Kopperlith, bekneld raken tusschen twee olievaten, woedend allebeî over de zoo sarrend te-kyk gedragen persifflage hunner smeerige welgedaanheid ...
Maar, helaas, 'n romanschryver ben ik niet! Ik kan van al die menschen niets anders maken dan wat zy inderdaad waren: niemendal! Is 't niet treurig voor my, gedoemd te zyn tot schilderen met zoo weinig kleur? Welke lezer zal tevreden wezen, wanneer ik alles wat 'n boek lezenswaard maakt--uitdrukking, styl, schryfmethode, en ... inhoud nog bovendien op den koop toe--wanneer ik me veroorloofde dat alles te borgen van Gerrit Sloos, en my te bepalen tot 'n bondig:
--Je kunt me gelooven, Pieterse, ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk borssie, maar ... wat ik je zeg: 't is allemaal wind en 'n engelsche notting!
Sloos had nog 'n andere uitdrukking, die hem zeer scheen te bevallen omdat ze, naar-i meende, de zaak even duidelyk en eenigszins tooneelachtiger voorstelde. Hy leefde in den eersten bloeityd van Kotzebue, en laafde gedurende al z'n vele boodschappen zyn kunstzin aan de tooneelbriefjes die de opvoering van Armuth und Edelsinn aankondigden. De hollandsche vertaler had dit laatste woord als in ons land minder gangbaar beschouwd, en doopte dus dat tooneelstuk met den meer hollands-klinkenden titel: Armoede en Grootheid. Onze Gerrit had wel dien naam diep in z'n geheugen geprent, doch--eenigszins tegen de bedoeling van den schryver en vertaler--in den zin van: kalen bluf. Ieder is de uitlegger van z'n eigen woorden, en indien de oude Sloos nog leefde ...
Komaan, z'n engelsche notting is mooier. En z'n wind ook. De oudeheer was 'n neerbuigend-winderige notting. Eugène's notting-wind woei naar-binnen. Pompile was 'n notting met kinderachtigen wind. De notting van Wilkens suisde en blaasde ploertig-pedant. De oude Dieper ... hm, 'n volslagen notting was deze niet, maar toch, de wind die daarby zou behoord hebben, was hem niet geheel-en-al vreemd. Hy bewaarde dien voor huis- en buurtgebruik. Zoodra hy, van 't kantoor komende, de brug bereikte die den Jordaan waar-i woonde afscheidt van deftiger buurt, liet-i zyn wind los. Op die brug rekte hy hals en lenden eenige duimen uit. Hy richtte zich met zekere fierheid omhoog--op 't horloge-n-af, altyd kwart over vieren--gaf aan longen, armen en beenen, aan gezichts- en nekspieren, de zoolang ontbeerde vryheid weder, en kuchte dat de Jordaan er van daverde. Die kuch was 'n jerichoosch trompetgeschal dat schetterend verkondigde: "de Kopperlith van déze buurt ben ik!" Jammer dat de ware bezitters van dezen roemruchtigen naam zich nooit verwaardigden hun voeten in die gemeene wyk te zetten. Want als eens onze Dieper in zoo'n huisbui van overmoedige handlichting den oudeheer had ontmoet, Of den jongeheer Pompile, of den jongeheer Eugène ... tot groot nadeel van den Jordaan, nu ja, maar ... dan had ik 'n natuurtooneel te beschryven gehad, en in deze hoofdstukken iets anders te schetsen dan één doorgaande nietigheid!
Waarheid blyft echter, dat Wouter in zóó'n kring 'n paar van z'n "Lehrjahre" moest doorbrengen ...
Fancy had gelyk!
Hy moest leeren dat er in onze kleine wereld heel iets anders dan ridders, roovers en reuzen te bestryden valt. Dat er heel wat schooners moet veroverd worden dan betooverde kasteelen, heel wat grooters dan werelddeelen. Dat de adelyke kampvechter zich moet toerusten met geheel àndere wapenen dan zwaard, lans en Edelsinn, om niet ondertegaan in den stryd tegen 't geboefte. Wouter moest zich leeren verdedigen tegen 't kleine.
Dit nu gelukt byna allen, omdat weinigen daartoe te hoog staan. Maar te-gelyker-tyd was hem opgedragen het groote in 't oog te houden ... rein te blyven by aanraking met vuil ... buigend en bukkend niet te breken ... steeds gereed te staan tot krachtig opspringen als 'n gebogen veêr ... te-midden van zooveel smetstof gezond te blyven ... in één woord: steeds zichzelf te zyn. Dit gelukt weinigen!
Thema van dezen bundel, en in zekeren zin van de geheele Wouter-geschiedenis:
Een parelduiker vreest den modder niet.
Schetsen uit onwelriekende streken van zekere wereld beneden de oppervlakte der zee, waarby men, o. a. "een man als U, m'nheer!" te aanschouwen krygt. Ook de jongeheer Pompile blyft voortgaan zich te vertoonen in al z'n geurige beminnelykheid van verstand en hart.
De lezer herinnert zich den indruk dien pater Jansen's eenvoudige taal op Wouter gemaakt had. Niet geheel-en-al ongelyk dááraan nu was z'n bevreemding over den aard der gesprekken op het kantoor. Doch ... er bestond verschil. Wel sprak ook pater Jansen geheel anders dan hy zich had voorgesteld, maar er blonk iets zoo liefelyk-goedaardigs in z'n onderhoud door, dat Wouter den moed niet had iets in hem aftekeuren. Al was onze leerling in menschenkennis en menschkunde nog niet ontwikkeld genoeg om intezien hoe hoog het waar-menschelyke boven het vals-goddelyke verheven is, toch zou in dit geval z'n smaak al zeer spoedig den weg hebben gewezen aan z'n oordeel. Om nu evenwel zelfs den braven Jansen niet meer te geven dan hem toekomt, moeten wy wel onthouden dat Wouter's kennismaking met dien eenvoudigen geestelyke vergezeld ging van 'n boteram, terwyl het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith niet de minste bykomende omstandigheid aanbood die verlokkend werkte op de beoordeeling van 't verhandelde. Geen onzer is in-staat den oorsprong van z'n indrukken nauwkeurig te bepalen, noch met juistheid het aandeel te schiften dat velerlei invloeden uitoefenen op ons oordeel. De kennismaking met het stukje nieuwe wereld waarin Wouter aanving zich te bewegen, ging vergezeld van zulke onaangename byzaken, dat-i moeite zou gehad hebben de gesprekken die hy aanhoorde schoon of belangryk te vinden, al hadden de sprekers Bilderdyk's Floris gerepeteerd, of 'n preek opgezegd. In-plaats van de gulle ontvangst die hem was te-beurt gevallen by Vrouw Claus, voelde hy zich geplaagd door 'n onbevredigden eetlust die hand-over-hand toenam. Bovendien ... komaan, we zullen 't woord dat niet gaarne uit m'n pen vloeit, in den mond leggen van de sprekende personen-zelf, die niet te goed zyn voor 't platste:
--Zeg eens, Dieper, vindje niet dat het hier erg stinkt? vroeg de oudeheer met roerende vertrouwelykheid.
De plichttrouwe boekhouder toonde zich deze neerbuiging tenvolle waard. Hy volbracht de by zulke gelegenheden voorgeschreven hand- en voetgrepen: pen in de gleuf van 't opgeslagen boek ... één stap achteruit ... de handen gewreven, en:
--Ja, m'nheer, 't stinkt hier wel ... 'n beetje.
Dat "beetje" was kostelyk. Het moest er volstrekt by, om 't gelyk-geven aan m'nheer Kopperlith niet te doen ontaarden in 'n vermetele aanranding der eer van m'nheer Kopperlith's kantoor. Zoo zeilt de wyze tusschen twee klippen door!
--Ja, ja, papa, bevestigde Pompile, 't stinkt hier heel erg. Dat komt van de grachten, niet waar, Dieper?
--Zeker, jongeheer, 't komt van de grachten ...
En, alsof deze betuiging niet voldoende was om den jongen patroon tevreden te stellen, bezwoer de boekhouder deze meening met de plechtige woorden:
--Ik heb de intieme fiktie, m'nheer, dat het alleen van de grachten komt!
--Ei? vroeg of zei m'nheer Kopperlith.
--Ja, m'nheer! En ... 't is zoo'n ... modderlucht, vindt u niet?
Dieper had zeer gerust de kwalifikatie 'n paar graden onfatsoenlyker kunnen inrichten, zonder te-kort te doen aan de waarheid. Maar bégueule stiptheid in omschryving was minder z'n zaak, dan 't reinwasschen van m'nheer's kantoor van àl te onwelriekenden blaam. Op gelyke wys had Gerrit dien ochtend het even laag gelegen magazyn in bescherming genomen door de schuld op de riolen te werpen, al geschiedde dit dan niet zoozeer uit diplomatie, als wel om den nieuwen jongste-bediende een blyk van z'n scherpzinnigheid te geven. Misschien ook was 't Gerrit alleen om 'n praatje te doen, een bodem waarop veel onbekookte meeningen groeien. In-zoo-verre echter moet ik zoowel Dieper als den knecht volkomen gelyk geven, dat de beide lokalen die thans in zoo slechten reuk stonden, misschien welriekend zouden geworden zyn wanneer men ze had overgeplaatst naar 'n lusthof op den Hymettus. Maar in zoo'n lusthof lagen ze nu eenmaal niet.
--Als jeluî de ramen wat opschooft? stelde de oudeheer met bescheiden weifeling voor.
--O né, papa! Volstrekt niet, papa! Dat kan niet, papa! Ik zal u zeggen, papa ... vooreerst, Dieper kan niet tegen tocht, papa! Niet waar, Dieper?
Dieper betastte z'n hoofd:
--Zinkings, m'nheer! Allemaal zinkings!
--En dan, papa, als we hier versche lucht binnenlaten, dan komt er dadelyk zoo'n fameuze stank in van de binnenplaats, papa!
Meer afdoende reden om "versche lucht" buiten te sluiten, zal wel nooit gegeven zyn. De oudeheer berustte dan ook in de zaak, en Pompile die gelegenheid zag de verpeste atmosfeer te gebruiken als bondgenoot--niets was hem ooit te gering!--en als middel om z'n doel te bereiken met de Pleiers en de Hockers en de Kruckers, bracht zeer handig het gesprek op iets anders.
--De zaak is, papa, dat u behoorde buiten te wezen in Juli. Niet waar, Dieper?
--Zeker, jongeheer, zeker! Ja, m'nheer, een man als U, m'nheer, behoorde reeds lang buiten te wezen!
Het glimlachje dat de oudeheer Kopperlith by deze gelegenheid liet opgaan over de boozen en goeden van z'n kantoor was goud waard. Toch niet om de zeldzaamheid, want Dieper kon het tevoorschyn roepen zoo dikwyls hy verkoos met 'n allergoedkoopst: "een man als U, m'nheer!" Maar hy was te bekwaam in z'n specialiteit van perpetueel ondergeschikte, om de kitteling van z'n streelen aftestompen door overvoer. Meer dan tweemalen daags zeide hy 't niet. En gewis ook zóó veel keeren kon m'nheer Kopperlith het verdragen zonder op 't afgryselyk denkbeeld te komen dat z'n boekhouder hem voor den gek hield. Neen ... Dieper had verder kunnen gaan, waarachtig! Maar de man was 'n vriend van 't gemiddelde, een vyand van overdryving, matig, sober en ingetogen, tot in z'n flik-vlooiery toe. Bovendien, er was inderdaad geen element van bespotting in de hulde die hy vry periodiek neerlegde op 't altaar van de Kopperlithsche hoogheid. Z'n opblazen by 't betreden van de buurt die hyzelf bewoonde, had volstrekt niets te maken met de gemoedsstemming die inderdaad de zyne was zoodra hy den gewyden grond der Keizersgracht betrad, waar 't zoo heel erg ... 'n beetje stonk. Hy huichelde evenmin als de bulhond die, wild en onhandelbaar onder z'n gelyken en by vreemden, zich deemoedig kruipend neerstrekt voor de voeten van z'n meester.
Oppervlakkige ziel-ontleders denken gewoonlyk veel te spoedig aan huichelary, wanneer zy iemand ongelyk zien aan zichzelf. Juist deze ongelykheid is by zeer velen de strenge konsekwentie van allergewoonste karakterloosheid.
Ook Dieper hield er 'n wezen op na, dat tienmaal in de week 'n fleemerig: "een man als U, m'nheer Dieper!" by hem plaatsen kon, en ... op-straffe van ongenade, plaatsen moest. De majesteit waarmee de oude boekhouder in zyn huis om z'n sloffen riep, of 'n ketel saliemelk bestelde--zoo byzonder goed tegen de "zinkings"--was nauw verwant aan 't zelfde hondenkarakter dat hem zou hebben genoopt de pantoffels van "m'nheer" te kussen, wanneer dit blyk van rechtgeaarde boekhouwery mocht gevorderd worden.
--Een man als U, m'nheer, moest al lang buiten wezen, niet waar, jongeheer?
--Ja, papa. 't Saizoen gaat voorby, papa!
--Dat is waar, Pompile. Maar ... als mama niet reizen kan ... wat zullen we 'r aan doen? Ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is, byzonder erg, Pompile!
Dit had hy van "Gerrit" vernomen. De onnoozele lezer die nooit te logeeren werd gevraagd aan 't hof van Spanje, en dus niet ingewyd kan zyn in de verheven etikette van zoo'n Kopperlithsche huishouding, is misschien verwonderd dat 'n man bericht van den gezondheidstoestand zyner vrouw ontvangt door bemiddeling van den knecht. Men bedenke dat--op 'n kleine uitzondering na, die straks zal gemeld worden--slechts zeer weinige stervelingen toegang hadden tot de suite, waar "mevrouw" huisde, sliep, ziek was, at en dronk, enz. Daar was 'n "juffrouw" die haar gezelschap hield, en 'n kamenier voor 't aan- of uitkleeden, en 't optooien. Want ... opgetooid wèrd ze. Doch zie, deze beide mynslavinnen waren niet sterk genoeg om 't logge schepsel uit haar bed op den rolstoel te helpen, waarmee ze naar 't voorvenster van de "zykamer" moest gekruid worden. Jaren geleden reeds was er over deze zwarigheid 'n kantoor- en familieraad belegd, met den kanonieken uitslag dat de ook toen reeds niet jeugdige Gerrit zou worden beschouwd als geslachteloos, 'n vereerende onderscheiding die hem 't recht van toegang tot den harem verschafte. Men bedenke dat het er donker was, en de sultane sedert lang grootmoeder. Deze regeling omtrent Gerrit voldeed te-meer aan den eisch, omdat zy samenviel met de voortdurende noodzakelykheid om hem met boodschappen te belasten. Gedurende Wouter's wittebroodsweken pynigde hem telkens z'n wanbegrip, wanneer een der meiden of de kamenier Gerrit kwamen zoeken met de onheldere toelichting: "'t is, weetje, om mevrouw te kruien ... ze wil eruit" of: "ze wil er in." Ook begreep-i niet volkomen wat er bedoeld werd met den roep: "Gerrit, mevrouw's boeken ruilen!" Maar dit alles helderde zich weldra op. Dat eeuwige boeken ruilen stond in verband met haar verveling. Ze was geabonneerd in drie leesbibliotheken te-gelyk, en verslond al wat daarin fransch was. Dat er noch door haar, noch door wien ook van de andere familieleden ooit 'n penning besteed werd om 'n boek te koopen, spreekt vanzelf. Van 'n bibliotheek was geen spoor in den huize Kopperlith! De "heeren" meenden dat zoo-iets behoorde by geleerdheid, 'n eigenschap waarvoor zy allerfatsoenlykst den neus optrokken.