De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz
Chapter 17
Maar ze lazen geen hollandsch. Nu dan, indien men hun een fransche vertaling van m'n werk voorlegde ... zy allen zouden my om den hals vliegen uit dankbaarheid. Eigenlyk is 't me dus niet onaangenaam dat hun litterarische ontwikkeling by 't fransch is blyven staan, en dat de kans op vertaling van m'n werken in dat onwysgeerig idioom, allergeringst is. Bovendien, al die jonge en oude jongeheeren zyn dood.
Ja, dankbaar zouden ze wezen, tot krankzinnigheid toe! De lezer is waarschynlyk begaafd met 'n buitengewone verbeeldingskracht, en ik wil hem gaarne het dubbele van de gemiddelde burgerlyke intelligentie toekennen, maar toch betwyfel ik of hy in-staat wezen zou, zich de aandoening voortestellen van 'n familie die, vele jaren na haar universeel overlyden, van 'n edelmoedigen schryver drie graden amsterdamsche hoogheid zoo maar klakkeloos prezent krygt. Want, al kost het m'n eigenliefde een zwaar offer, al loop ik gevaar den roem van stiptheid te verkleinen, waarop ik hoogen prys stel ... de waarheid bovenal: onze Kopperlith's woonden niet op de Keizersgracht, en patriciërs waren ze niet ... ziedaar!
De oorzaak van m'n dwaling is niet moeielyk optegeven, maar 'n dwaling is het. Toen ik, 'n hoofdstuk of wat geleden, met juffrouw Laps langs den Amstel in de buurt van de Jachthaven pantoffelde, daagde de oudeheer voor m'n schryversoogen op. Nooit zag ik 'n grysaard met deftiger voorkomen. Op z'n eenigszins te dikken buik na, vertoonde hy 't model van 'n genueschen Doge ... uit 'n roman, namelyk. Van 'n sterk geïdealizeerden Marino Falliero ... op 'n schildery. En ieder groette zoo deemoedig, en ieder fluisterde zoo piepend: "dat is m'nheer Kopperlith!" dat ik--al te oppervlakkige waarnemer op dat oogenblik--men bedenke dat m'n aandacht werd afgeleid door 't kyken naar prinses Erika, die 'r lief uitzag--in 's hemelsnaam, ik vergiste my, en dacht: die man woont zeker op de Keizersgracht! Waar ànders? Voor 'n graaf of baron vertoonde hy een te fatsoenlyk voorkomen. Een ridder uit de middeleeuwen was-i niet, want met zoo'n zwaarlyvigheid bewoont men geen burgt op 'n rotspiek. Bovendien, z'n harnas was van zwart laken, heel fyn en glanzig wel, maar ... laken toch. Een keizer, koning of prins kon hy ook niet wezen, want in-plaats van hem iets toeteschreeuwen, ging ieder verlegen voor hem uit den weg, en maakte plaats voor den buik dien-i als 'n marskraampje voor zich uitdroeg. Wat ànders toch kon ik uit dit alles opmaken, dan dat-i op de Keizersgracht woonde? Tot overmaat van verontschuldiging, beroep ik my op 't publiek in de kroeg van Vrouw Gooremest. De lezer was er zelf by, en kan dus getuigen hoe al die bevoegde personen in myn dwaling deelden. Klaas Verlaan en z'n kornuiten waren òf Amsterdammers van ouder tot ouder, òf althans Noord-hollanders, en wanneer zulke autoriteiten zich vergissen, mag men het den armen schryver die deze eer niet heeft, niet zoo heel erg ten-kwade duiden dat hy in z'n rangbepaling 'n paar straten of grachten uit den koers dwaalt.
Hoe dit zy, 'n vergissing wàs het. En heel bedroefd ben ik er niet over, omdat ze my zoo-even de gelegenheid verschafte zekeren oudheidskenner die m'n integriteit kwam aantasten, en meende my omvèr te gooien met 'n adresboek van 't jaar zooveel, de verheven uitdrukking naar 't hoofd te werpen:
"Indien de Kopperlith's niet woonden op de Keizersgracht, m'n-heer ... dan, m'nheer, dan ... welnu, m'nheer, dan hadden ze verdiend te wonen op de Keizersgracht, m'nheer!"
En daarby blyft het ... verhuizen laat ik ze niet! Ik heb alzoo in 't vervolg van m'n verhaal de ongewone verdienste, twee waarheden tegelyk te verkondigen. Ze woonden er, en ze woonden er niet. Het kantoor "ging in" in de Vellestraat, of in 'n andere straat, of ... in 't geheel geen straat, en dus "op" 'n gracht. En dat de heele familie 'n pronkstuk was van opgeblazen nietigheid, is ook waar.
"Dat komt er niemendal op aan, hoor ik zingen door 'n peloton afgestorven zielen, als je maar terdeeg volhoudt dat wy op de Keizersgracht woonden!"
Het is deze koorzang die my den moed geeft, m'n topografische dwaling voltehouden tegen den letterlyken tekst van dat adresboek in. Komaan, jongeheer Pompile, spreek, laat je hooren en bekyken door ieder die 'n abonnement kan betalen aan Wouter's boekenman in de Hartenstraat! En jy ook, jongeheer Eugène! En Hersilia! En Leon! En Rodomont! En Flodoard! En de rest! Veroorloof me--of niet, naar verkiezing!--u 'n draadjen om den poot te strikken, u te laten vliegen, huppelen en dood-liggen als 'n meikever. Spreek, Pompile! Ratel en snater, Pompile, als toen je nog leefde, en al of niet woonde op die fameuze Keizersgracht!
--Dag, Dieper! Dag, Wilkens! Dag Eugène! Papa nog niet beneden? Hier zyn de brieven ... een voor huishouden--van Leon, Eugène!--waar is Gerrit? Zoo, is dat de jonge Pieterse? Weet-i den weg in de stad! Ik heb veel boodschappen, weetje! Krimp te Rotterdam vraagt twee wittegrondjes-driekleur--je weet wel, Wilkens, die Victoria-fancies van Crawfurth-Leeds--maar hy wil dat ouwe krieuweltje met 'n oogjen ... is 't er nog? Waar is Gerrit? Ik heb veel boodschappen. Hoe is 't met mama, Eugène? Zou 't lukken vandaag ... ik meen de verhuizing? 't Saizoen gaat voorby, en ik wou zoo graag de Hocker's en de Pleier's en de Krucker'S vragen op Groenehuize. Die briefbesteller is 'n lap ... de vent wil altyd geld voor 'n borrel als-i de brieven op-straat afgeeft, want ... hy mag 't niet doen, dat weetje. Als 't gemerkt wordt, krygt-i z'n ontslag. Ik heb 'm dezen keer 'n stuiver gegeven: denk er om, Wilkens, maar ... zet 'm op huishouden, want er is 'n brief van Leon ook. Dus ... 't kan wel op huishouden: wat zeg jy, Eugène? Zoo, ei, is dàt de jonge Pieterse? Heb jy wat voor Gerrit vandaag, Dieper? Ik heb veel boodschappen. Wilkens, je moet zoo goed wezen Gerrit hier te roepen, en zeg dat ik veel boodschappen heb, en ... en ... ziehier den brief van Krimp. Die menschen vragen altyd wat er niet is, want ... dat krieweltjen met dat oogjen is er niet meer. Weetje wat we doen zullen. Als 't krieuweltje 'r niet meer is--met dat oogje, weetje?--dan zenden wy 't moesjen, of 't slangetjen, of dat patroontje met de blokjes ... je weet wel, 't zyn de witte-grondjes-driekleur, Victoria-fancies van Crawfurth-Leeds. Maar je zult zien dat Krimp weer chikaneert, want ... dat doet-i altyd. Roep Gerrit ... ik heb zooveel boodschappen, weetje. Zoo, mannetje ken jy goed den weg in de stad? Nu, dat's goed, want ... ik heb altyd zooveel boodschappen. Eugène, als papa komt, zeg dat ik by mama ben, met den brief van Leon, weetje. Want hy is geadresseerd aan mama. Leon adresseert altyd z'n brieven aan mama ...
Zeker. Altyd aan mama. Ziehier de reden van deze byzonderheid. Op 't adres van een brief aan 'n gehuwde vrouw, is plaats voor twee weledelgeborenhedens. De briefbesteller kwam nu van-tyd tot-tyd te weten dat de op zekere wys ter-wereld gekomen echtgenoot van m'nheer Kopperlith, ook reeds als jonkvrouw zich had weten meester te maken van 'n geboorte die hemelsbreed afweek van de gewone. Dat het mensch vóór haar huwelyk Niemendal heette, doet niet ter-zake. De postklerk te Tjanjor--daar werden die epistels uitgebroed--was niet zeer bedreven in 't hollandsch, en had geen verstand van heraldiek. Hy kreeg te zien dat de jongeheer Leon zóóveel vierkante duimen noodig had om z'n mama te kwalificeeren, en slechts dit was de bedoeling van den jongeheer Leon. Heel Tjanjor zou er verbaasd van staan, want: "postklerken zyn praterig" hoopte de kwast juffrouw Pieterse na.
Gedurende het rollen van den sneeuwval waarmee Pompile z'n tegenwoordigheid had aangekondigd, liep hy gedurig heen-en-weer, en maakte--ook in zeer letterlyken zin--zooveel wind als maar eenigszins mogelyk was. Een oogenblik nadat-i met Leon's brief in de hand de kamer verlaten had, keerde hy terug.
--A-propos, Eugène, ik hoop toch dat mama zal kunnen vertrekken vandaag? Ik zit anders en peine, zeer, zéér en peine, weetje ... erg en peine, met de Hocker's en de Pleier's en de Krucker's, die ik allemaal geinviteerd heb op Groenehuize. En ... ik heb de kruiers gesproken. Weetje wat die Flip zei? Hy vroeg--grof volk, zulke kruiers!--of we mama niet het venster konden uithyschen? Dat vroeg-i! Lomp, hè? Maar ... zie je, hy meende-n-in 'n leuningstoel, en ... nu, ik hoop maar dat het lukt, want ik kompromitteer me zoo allerverschrikkelykst voor de Hocker's en de Pleier's en de Krucker's. Dat is het maar, weetje!
En hierop verliet hy weder 't kantoor.
't Spreekt alweer vanzelf, dat onze Wouter allerfatsoenlykst had staan toeluisteren. Na 't vertrek van m'nheer Pompile verdiepte hy zich op-nieuw in z'n optellingen. Och, hy wou zoo heel graag z'n naast-byliggend plicht je doen. Was 't zyn schuld dat-i zich zeer onbekwaam voelde, en telkens rekende: drie en acht is vier-en-twintig, of wat anders?
Wilkens ging naar 't magazyn, om de slangetjes uittezoeken, of de moesjes of de blokjes die 't huis Kopperlith den winkelier Krimp zou trachten in de maag te stoppen, in plaats van 't verlangde krieuweltje met 'n oogje.
"Twee en zes is twaalf, en tien is twintig ...
't Begon weer te waaien. Pompile stormde het kantoor in:
--Hè! Beroerd! Akelig! Heel beroerd! Verbeeldje, Dieper ... zeg, Eugène, hoor eens, 't wordt àl te erg! Weet jelui 't al, van Gerrit? Hy is weer styf van de rhumatiek ... hoe vind je dàt? Hy kan geen boodschappen doen! En ik ... ik had juist zooveel boodschappen. Op m'n woord van eer, ik heb wel tien boodschappen ... ja, wel twaalf! Heb jy ook boodschappen, Dieper? Wisseltjes? Accepten? Hè?
--Vandaag niet, jongeheer. Maar morgen ...
De boekhouder sloeg 'n kleine agenda op.
... morgen heb ik 'n wisseltjen in den jodenhoek, 'n smerig dingetje.
--Zoo? Morgen? Nu dat's goed. Weet je wat je doet, Dieper? Zeg 't aan papa, dat je telkens wisseltjes hebt, en dat Gerrit altyd styf van rhumatiek is, en dat het zoo niet langer kàn, weetje? Zeg jy dat aan papa, Dieper, want ... ik heb zooveel boodschappen, ik heb erg veel boodschappen.
--Ja, jongeheer Pompile, ik zal 't zeker aan m'nheer zeggen. En ... hoe vaart de jongeheer Leon?
Ei, ei, de slimme Dieper! Hy durfde den ouden rhumatieken Gerrit niet aan. En ook de jongeheer Pompile, inweerwil van z'n vele boodschappen, zou liefst dat meubel uit den weg zien zetten door 'n andere hand dan de zyne. Gerrit namelyk had met den ouden heer relatien uit den vóórtyd, 'n coprolithische verwantschap die ontzien moest worden. En daarom sprong de omzichtige Dieper zoo handig en belangstellend over op 't welvaren van den jongeheer Leon.
--Heel wel, dankje, antwoordde Pompile. Den heelen brief heb ik nog niet gelezen. Hy vertelt van tygers, en van slangen en van optochten met zonneschermen en gouden wapens ... o, allerlei! Mama is er dol bly mee, dat begryp je. Maar ... hy is nog altyd surnumerair. Hy klaagt dat allerlei gemeen volk hem over 't hoofd springt ...
--Dat is zeer hard voor iemand van ... stand, zei Dieper, met 'n treurigheid in z'n stem, die wel eenige verhooging van traktement waard was.
--Niet waar? Die vervloekte Gerrit met z'n rhumathiek! En ik heb juist zoo erg veel boodschappen! Zeg-eens, jy, Pieterse--je heet immers Pieterse?--je moet eens zoo goed wezen 'n paar boodschappen voor me te doen.
Wouter stond marschvaardig, met z'n hoed in de hand, en 'n verheugd: "asjeblieft, m'nheer!" op de lippen. Verheugd? Ja, waarlyk! Want de opdracht die hy te-gemoet zag, was hem 'n verademing. De jongeheer Pompile nam plaats tegenover Dieper--daar namelyk was de lessenaar van den "patroon"--en hy wenkte Wouter tot zich.
--Je weet dus den weg in de stad? Heel goed! Dan moet je-n-eens zoo goed wezen ... maar zeg, heb je-n- 'n zakboekje? Een portefeuille-n-of zoo-iets?
--N... e... e... n, m'nheer.
--Zoo? Heb je dàt niet? 'n Kantoorbediende moet 'n portefeuille hebben, om ... iets in opteschryven, weetje? Anders vergeet je 't. Nu, voor vandaag moet je dan maar de boodschappen ... onthouden, die ik je-n-opgeef. Je moet zoo goed wezen te gaan by m'nheer Hocker, en daar doe je-n-'t kompliment van my--van den jongen m'nheer Kopperlith, moet je zeggen, van m'nheer Pompile, weetje?--en je vraagt, of de juffrouwen Pleier uit Frankfort--want die logeeren by m'nheer Hocker, weetje?--of de juffrouwen plezier hebben, vanmiddag met my en m'n vrouw--zeg jy maar: met de jonge mevrouw Kopperlith-Huddewitz, dan weten ze-n 't wel--ja, vraag of de juffrouwen Pleier plezier hebben, met ons en de familie Krucker ...
--Ben je mal, Pompile? bromde Eugène. De jongen weet immers niet waar Hocker woont.
--Ah...ja! Dat's waar! M'nheer Hocker woont ...
En Wouter's handelswetenschap werd verrykt met de zeer nauwkeurige kennis van de plek waar m'nheer Hocker woonde. Ook vernam hy wat voor dien middag de plannen waren met de familie van dien heer, en met de juffrouwen Pleier uit Frankfort, en hoe ze zich des-verkiezende zouden kunnen verheugen in 't gezelschap van mevrouw Kopperlith-Huddewitz, ook wel genaamd: de jonge mevrouw.
--En dan moet je zoo goed wezen in de Kerkstraat by de Korte-krulledwarsstraat te gaan naar den stal van papa. Je vraagt maar naar den stal van m'nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weetje, want ... papa houdt rytuig, eigen rytuig. En daar zeg je-n-aan Jakob--dat is de koetsier--daar zeg je ...
Volgt: 'n boodschap aan Jakob, die me glad ontschoten is.
--En dan moet je zoo goed wezen even naar juffrouw Lins te gaan, in de Katoenstraat, en je doet het kompliment van de jonge mevrouw Kopperlith--je moet zeggen: van mevrouw Kopperlith-Huddewitz--en je zegt dat de juffrouw zoo goed moet wezen om je-n-'t tapisseriepatroon te geven ... 't is 'n liggende jachthond, kan je dit onthouden?
--J...a, m'nheer!
--Goed! 'n Liggende jachthond, weetje? Nu, dat patroon moet ze je geven voor de jonge mevrouw Kopperlith, voor mevrouw Kopperlith-Huddewitz, begrypje? En je vraagt den prys ... den allernaasten prys, moet je zeggen. En dan ga je naar myn huis, en je schelt aan, en je zegt aan de meid dat je van my komt--van "m'nheer" weetje--en je doet het kompliment, en je zegt ...
--Maar, Pompile, hoe kan hy weten waar je huis is?
--Ah, ja! Ik woon op de Leliegracht ... stille zy, weetje, waar de deftige huizen staan. 't Is 'n huis met opgaande stoep, en ruiten van spiegelglas. Dáár moet je maar altyd na kyken, want ... m'n ruiten zyn van spiegelglas. En je zegt aan de meid, dat je by juffrouw Lins geweest bent, en dat je van my komt, en dat je de nieuwe kantoorbediende bent, en hoeveel dat patroon kost. En ... als dan de jonge mevrouw den prys te hoog vindt--'t is 'n jachthond op 'n kussen, weetje?--dan breng je-n-'t weerom aan juffrouw Lins, en je zegt dat het te duur is. En dan moet je zoo goed wezen eens te gaan by m'n schoenmaker. Hy woont in de Hallestraat, en daar doe je-n-'t kompliment van my--van m'nheer Kopperlith van de Leliegracht, moet je maar zeggen--en zeggen dat-i zoo goed wezen moet, morgen ochtend negen uur, de maat te komen nemen van 'n paar pantoffels. En dan ga je by m'nheer Krucker, en je doet het kompliment van my, en je vraagt hoe de oude mevrouw vaart--want ze-n-is ziek, weetje, ze heeft het pootje ... maar dat hoef jy niet te zeggen: je vraagt maar hoe ze vaart?--en dan breng je daar 't antwoord van de juffrouwen Pleier uit Frankfort, die by de Hocker's logeeren. Maar als nu de juffrouwen Pleier de invitatie hebben aangenomen, dan moet je zoo goed wezen even aanteloopen by m'nheer Kruis op de Engelsche-kaai, en zeggen daar--maar je moet eerst het kompliment van my doen--dat ik van-middag door zware hoofdpyn verhinderd ben gebruik te maken van de uitnoodiging om met de familie te gaan room-eten op Lokhorst. Maar als nu de juffrouwen Pleier laten bedanken voor de invitatie ...
--God-zegen-me, Pompile, dat alles kan de jongen nooit onthouden!
--Niet waar? Juist wat ik zeg. Waarom heeft zoo'n jongmensch geen zakboekje? Net wat ik zeg! Je moet maken dat je-'n zakboekje krygt, om ... alles opteschryven, weetje? Want ... 'n kantoorbediende moet altyd 'n zakboekje hebben: wat zeg jy, Dieper? Maar ... zoo lang je nu nog geen zakboekje hebt, moet je maar ... alles onthouden wat ik je gezegd heb. Ga nu maar eerst die boodschappen doen. Dan kan ik je de anderen later zeggen. Want ... als ik je te veel tegelyk opgeef, zou je ze maar vergeten--wat zeg jy, Eugène?--omdat je geen zakboekje hebt, weetje?
Oef!
Wouter deed z'n boodschappen zoo goed mogelyk, en zeker allerbeleefdst. Al de meiden die hem de deur openden, vonden hem 'n fatsoenlyk jongetje. Dit was al iets. Tot m'n innigsten spyt mag ik niet zeggen dat-i zich zeer gedrukt voelde door de zonderlinge manier waarop men over z'n gaven beschikte. Hyzelf kende die gaven niet, en voelde zich in 't minst niet vernederd. Bovendien, hy was verheugd de buitenlucht inteademen, en z'n leedjes eens te kunnen uitstrekken, 't Kwam hem voor, dat z'n ruggegraat in slaap gevallen was, en dat 'n beetje beweging hem goed zou doen. Nog iets: hy voelde zich in funktie, en zou er niet afkeerig van geweest zyn, 'n bordjen om z'n hals te hangen, met het opschrift: "deze jongeling wandelt langs 's heeren straten, in dienst van de firma Ouwetyd & Kopperlith" en niet zonder eenige minachting zag-i neer op de velen die geen recht hadden op zoo'n bordje.
Toen-i, na allerlei andere bedryven, was aangeland op de Leliegracht--de hééle deftige zy!--en aangescheld had aan 't fameuze huis met spiegelglas, van veertien voet breed--het huis, meen ik--bespeurde hy terstond dat er door die ruiten heen gerekognosceerd werd, evenals 'n uur of zooveel geleden op die andere stoep. Maar de dame die hem begluurde, had 'n veel aangenamer uiterlyk dan de "oude mevrouw" van de Keizersgracht. Julie Huddewitz, slechts sedert eenige maanden de echtgenoot van Pompile, was 'n jong ding dat nog altyd niet diep genoeg was doorgedrongen in amsterdamsch fatsoen en in de hooge waardigheid van haar gemaal, om precies te weten wat 'n jongsten kantoorbediende niet toekomt. Ze liet Wouter binnenkomen, en vergat zich zoover in haar ongemanierdheid, dat ze niet alleen geheel eigenhandig den liggenden jachthond aannam, maar zelfs aan Wouter de vraag richtte, hoe hy 't patroon vond? Een der oorzaken van haar wangedrag lag hierin, dat haar vader--'n Duitscher die "mooie slagen in koffi" gedaan had--zelf kantoorbediende geweest, en nog niet lang genoeg in Holland gevestigd was, om te weten dat men zich met zoo'n wezen nergens anders inlaat dan op 't kantoor. In vreemde landen namelyk, beschouwt de "patroon" zich eerst dan van andere klei gekneed, wanneer de "bediende" door 'n huwelyk zich voorgoed laat inlyven in den niet-vleeschetenden stand. Van dat oogenblik af, heeft hyzelf zich z'n ontcasting te wyten. In Nederland echter neemt die uitsluiting lang voor 't huwelyk 'n aanvang, en eigenlyk reeds voor de geboorte. Voor 'n jongeling die daar de eerste levensduisterheid aanschouwen mocht--verzenmakers, die 't zoo nauw niet nemen met de waarheid, noemen 't licht!--bestaat kans om generaal te worden, zeeheld, planeet-ontdekker, wereldberoemd kunstenaar, vaandrager van den vaderlandschen roem ... byna al wat men maar wil, maar deelgenoot in de firma Ouwetyd & Kopperlith wordt-i niet! Men zou, om dat te beleven, z'n eigen kleinzoon moeten worden, want--dit erken ik--in 't derde geslacht gelukt het soms 'n handig aventurier, zich te doen vergeven dat z'n overgrootvader de vreeselyke misdaad begaan had, iets anders te wezen dan "patroon." Dit alles nu wist Julie Huddewitz wel, maar ze was er nog niet genoeg van doordrongen, en daarom boog zy zich op den gewichtigen maandag dien ik beschryf, zoo onvoorzichtig neder tot belangstelling in Wouter's opinie over dien jachthond. Ik weet niet of zy ooit dochters ter-wereld bracht, maar zoo ja ... deze zouden zich niet zoo ver vergeten hebben! Het verheven geslacht maakt plaats voor verhevener geslachten.
Wanneer Wouter behoefte gevoeld had aan bemoediging by 't intreden van z'n nieuwe loopbaan, dan ware zy hem waarschynlyk geleverd door die verregaande neerbuigendheid van mevrouw Kopperlith-Huddewitz. Een dame in 'n huis met spiegelglas, op de Leliegracht--heele deftige zy--had hèm z'n opinie gevraagd! Dit maakte hem dan ook zoo opgetogen, dat-i op 't punt stond een der zotste antwoorden te geven, die er konden bedacht worden. Maar ze kwam hem voor:
--Drie gulden, zestien? Vindje 't niet wat duur?
--O, mevrouw ...
En hy hakkelde. Ik geloof dat-i zeggen wou: "mag ik 'n paar dubbeltjes van dien vreeselyken prys voor myn rekening nemen?" Maar hy bedacht nog by-tyds dat-i van die paar dubbeltjes juist het allereerste niet bezat, en vergenoegde zich dus met de betuiging dat-i nog geen verstand had van borduurpatroontjes. 't Spreekt vanzelf dat-i zich ernstig voornam dien tak van wetenschap tot 'n onderwerp van byzondere studie te maken. Voorloopig bepaalde hy zich tot de vraag:
--Verkiest mevrouw dat ik nog eens ga beproeven by juffrouw Lins ...
--Wel zeker, ga jy nog eens vragen by juffrouw Lins of 't niet wat minder kan, by-voorbeeld voor ... drie gulden, twaalf? Of ... als 't mogelyk is, voor drie gulden, tien?
En met deze zielverheffende opdracht sukkelde Wouter door den modder. Want het had zwaar geregend na al die hitte, en de straten zagen er amsterdamsch uit. Een regenscherm had-i niet, en hy versleet driemaal meer aan schoeisel en kleeren, dan door de vier-stuivers die hy inderdaad in den tapisseriewinkel wist aftedingen, kon worden gedekt. Zóó religieus vervulde hy dien dag z'n naast-byliggenden plicht, of wat de arme jongen daarvoor hield.
Juffrouw Lins vroeg, na z'n vertrek, aan haar adjudantjes:
--Wat scheelde dat jongetje toch? 't Leek wel of-i me kussen of ... vermoorden wou om die paar stuivers?
Toen hy, na bericht te hebben gedaan van z'n zegevierend wedervaren, voor den tweeden keer de stoep van 't huis met spiegelglas afstapte, stond er 'n rytuig voor de deur. Dit won hem den tocht naar de Korte-krulledwarsstraat uit, want op last van de "jonge mevrouw" kwam de meid hem achterna roepen dat dit de britschka van m'nheer Kopperlith was, en die koetsier de Jakob aan wien hy 'n boodschap had. Hy stelde zich met aandoenlyke bescheidenheid voor, als de "nieuwe jongste-bediende" van 't kantoor, en zei wat-i te zeggen had. Uit de britschka golfde een vleeschklomp, 'n reuzin, Hersilia Kopperlith, de zwaarlyvige huwelyksvreugd van den Elsasser Heinrich Kalbb, die te Amsterdam konsul van z'n land was, en tevens chef van 'n handelshuis. Met andere woorden: de man "deed" in katoentjes. Maar heel in 't deftige, namelyk in katoentjes van Mühlhausen. Engelsche lappen van Manchester zyn minder aanzienlyk. En daarin toch slechts handelde met groote inspanning van ziel en geestkracht, de zeer verheven firma Ouwetyd & Kopperlith. Het is den begaafden lezer misschien bekend dat de grootste mannen hun zwakke zyde hebben, en dat niemand zoo totaal wordt ondergedompeld in den Styx van kreupele voornaamheid, of er blyft 'n kwetsbare hiel waarop laaghartige vyanden hun pylen schieten. Die vervloekte manchestersche katoentjes! Ze maakten vlek op 't Kopperlithsche fatsoensschild, en eigenlyk op de heele Keizersgracht.