De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz
Chapter 16
Meent men dat Tollens ooit die schoone regels had kunnen schryven, als-i niet door z'n vader was "gedaan" op 'n kantoor in verfwaren? Waar anders ving z'n oog zulke tinten op van iets droevigs, van 't enge, benepene, barre, kille? Meent men misschien dat er in 't hooge Noorden-zelf iets te aanschouwen valt, dat in zielstremmenden invloed halen kan by zoo'n verblyf? De oude heer Tollens heeft wel geweten wat-i deed, en 't is waarlyk te verwonderen, dat zyn zoo wèl op z'n plaats gezette zoon het aanzyn heeft gegeven aan prullen ook. Misschien werd-i bedorven door 'n bloempotjen op z'n binnenplaats.
Zoo verraderlyk handelde het lot omtrent Wouter niet. Geen enkel voorwerp trok z'n oogen tot zich, dat hem 'n voorwendsel aan de hand deed om iets anders te denken dan: "in den handel, in den handel, ik ben hier in den handel!"
Van-tyd tot-tyd verwaardigde zich een der dienstboden in de keuken, naast de onderaardsche gang die naar 't magazyn liep, eenig geruisch te maken. En telkens liet dan Wouter zich afglyden van z'n krukjen, om al wat er zou binnentreden, met de noodige beleefdheid te groeten. Maar er kwam niemand, en Wouter besteeg z'n troontje weer. Toch zorgde hy z'n hoed in de hand te houden, om terstond gereed te zyn tot het aannemen van 'n groetende pozitie, àls er eens tenlaatste in die onbehagelyke eenzaamheid iemand te voorschyn kwam. Op den greenenhouten vloer bemerkte hy indrukken van voetstappen. Dáár glinsterde de gepolyste moet van 'n rechts-om-keert-beschryvenden hak ... hoe heette ook de man dien-i had hooren noemen by de Holsma's, de man op dat eiland, die zoo verschrikte by 't ontwaren van menschelyke voetstappen? Och, in deze wildernis ...
Aan den wand hingen hier-en-daar bundels papieren, onder bescherming van kartonnen bladen die allerlei opschriften droegen, welke Wouter verlegen maakten. Daar waren Cognossementen, Fakturen, Vrachtbrieven, en zelfs: Diverse Nota's. En die opschriften waren omgeven van 'n gekoperdrukten rand vol bloemen, rankwerk, hoornen van overvloed en allerlei krullen, welk bywerk beheerscht werd door 'n spiernaakten Merkurius, die op wolken zat, en heel pedant neerkeek op de epigrafen en de weelderige arabesken aan den rand. De wolken waren gemerkt O & K, No ... later in te vullen by eventueel gebruik.
--Dat is de god des Koophandels, dacht Wouter. Zou nu zoo'n god ook begonnen zyn met leerlingetjen op 'n kantoor te worden? Hoe leî men het toch aan in 't oude Griekenland, om iets te worden in de wereld? O, ik weet wel dat die fabelleer gekheid is, maar de luî die zulke geschiedenissen uitdachten, moeten zich toch 'n voorstelling gemaakt hbben van 't begin der zaken. Van wie had die Merkurius rekenen geleerd? Dáármee toch moet men aanvangen. Ik zal goed oppassen ... kapitaal staat tot kapitaal, gelyk interest tot interest ... dàt geeft dàt, wat geeft dàt? En dan vermenigvuldigen. En dan deelen met het voorste. En als er breuken zyn ... lastig is 't, nu ja, maar ik zoek den algemeenen noemer. Ja, ja, ik zal goed m'n best doen, zooals de dokter gezegd heeft ...
Daar werd weer gestommeld in de gang. Misschien zette een der meiden 'n "luiwagen" buiten de keuken. Of ze smeet 'n "varken" de deur uit ...
Wouter zette zich in postuur voor dien luiwagen, en voor dat varken, en voor de meid die er over baasde. Helaas, nog altyd kwam er niemand. Hy had nog niets "in den handel" verricht, nog geen enkele evenredigheid opgelost, geen noemer bruikbaar gemaakt voor 'n heel ristje breuken tegelyk, en toch ... hy was vermoeid! De klok sloeg al, of pas, negen. "Reeds" voor iemand die sedert vyf uren worstelde met z'n gedachten. "Pas" negen uur, voor 'n werkmannetje dat zoo graag wou uitmunten, èn nu al vóór 't aanvangen van den arbeid, zich geknakt voelde door uitgeputheid. Wouter onderging hiervan den onbewusten indruk, en werd bitter verdrietig. Beheerscht door 't denkbeeld dat z'n voornaamste werk in rekenen zou bestaan, angstig dat-i niet voldoen zou--'t was niet te veronderstellen dat zulke aanzienlyke menschen zich zouden ophouden met makkelyke "sommen"--legde hy zichzelf 'n tentamen op, en werd weldra zoo suf, dat-i zich herhaaldelyk betrapte op: zes maal acht is ... drie en 'n kwart, of ... niemendal. "O God, o God, waar moet het heen, zuchtte hy, met ... den handel!"
Elken keer dat een der beelden die 'n rol hadden gespeeld in de laatstverloopen dagen van z'n leven, zich aan zyn verbeelding vertoonde, joeg hy het driftig weg. Niet Laps alleen, noch Gooremest, noch de goede Vrouw Claus ... hy bloosde, en keek Merkurius aan, die ... ook geen kleeren aan 't lyf had. Wèl ... gekleed of niet, hy wou er niet van weten. Hy zat daar niet op dat hooge stoeltjen om aan mythologie te denken, noch aan pudeur, noch aan dat bad by de put! Weg met dat alles: hy moest in den handel! En, wel beschouwd, hy wàs er al in. Bevond hy zich niet op 't kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith? Zoud-i niet straks, dienzelfden dag nog, en binnen 'n kwartier misschien, gereed moeten zyn tot antwoorden op de moeielykste vragen? Op vragen die den groote Strabbe-zelf in verlegenheid konden brengen? Och, waarom had Femke hem niet aangeraden de knapste te worden van de heele wereld? 't Was immers dan in één moeite doorgegaan? Dan zoud-i nu niet angstig behoeven te zyn, en niet beschroomd ... noch tegenover Merkurius, noch zelfs voor de vreeselyke heeren Kopperlith!
Ja, ja, Femke had méér van hem moeten vorderen! Haar eisch was kinderachtig. Wat had nu, wel beschouwd, haar advies hem gebaat? Hy was juist, of ter-nauwernood, 'n klein weinigje bekwamer maar dan Slachterskeesjen, en ieder weet toch dat dit niet voldoende is in de wereld, om god des Koophandels te worden, veel minder nog om 't te brengen tot "patroon" van 'n amsterdamsch "huis." Dat Femke's bedoeling goed was geweest, wilde hy wel gelooven ... o, zeker! En boos op háár was-i niet. Integendeel. Voor en met haar zoud-i gaarne ...
Weg, weg, weg met Femke ... drie maal negen is zeven-en-dertig: o god, daar is 't weer! Het was om gek te worden. Juist! Zoo begint ... [13]
Ja, 't was voor 'n ongedisciplineerd verstandjen om krankzinnig te worden. Gelukkig hoorde Wouter 'n deur toeslaan, en daarop 't geluid van voetstappen. Maar 't was niet in het huis. Een oud heer vertoonde zich in 't gangetje naast het achterhuis, en betrad het plaatsje. De man naderde de achtervensters, gluurde even naar binnen, als om te zien wie daar al zoo vroeg op 't kantoor was, verdween door 'n glazen deur in de gang, en vertoonde zich weldra binnen de kamer.
't Spreekt vanzelf dat Wouter 'n houding had aangenomen, die om vergeving scheen te smeeken voor z'n existentie. Och, zoo onnoodig! Die oude magere heer nam 't hem volstrekt niet kwalyk dat-i bestond, en zelfs niet dat-i dáár was.
--Houd je gemak, jongeheer. Uwe-n-is zeker de jongeheer Pieterse? Ja, ja, ik weet er van. Heel goed! Wel, jongeheer, zal uwe hier zoo op 't kantoor komen? Nu, dat is best! Houd je gemak ... houd je gemak, en stoor je niet aan my. Ik ben de boekhouder ...
Wouter had gebukt en gebogen en geknikt, en zich voorgenomen, wanneer-i eens weer in den handel ging, z'n hoed op 't hoofd te houden ... om dien te kunnen afnemen als er iemand binnen kwam, gelyk z'n moeder had voorgeschreven. Want hy voelde dat dit ontbrak aan z'n begroeting van den heer Dieper. Die vriendelyke oudeheer moest hem wel voor zeer lomp aanzien. En dit was-i niet, waarlyk niet! Hy had integendeel 'n gevoel van dankbaarheid aan den heer Dieper, die hem zoo minzaam kwam verlossen uit z'n drukkende eenzaamheid. Om daarvan iets te doen blyken, bleef hy staan, zelfs toen de gulle boekhouder hem nògeens had toegevoegd: "houd je gemak, jongeheer ... ik ben de boekhouder."
En alweer onderzocht Wouter niet, of deze maatschappelyke-stand-belydenis misschien beduidde: "ga nu maar zitten, nu! Straks als "de heeren" komen, is 't wat anders!" Deze zin kon door hem onmogelyk aan Dieper's woorden gehecht worden, omdat in zyn oog, 'n boekhouder ter-nauwernood 'n minder verheven wezen was, dan de "patroon" zelf. Het verschil tusschen deze beide standpunten ontsnapte aan z'n waarnemingsvermogen, en hy zou dus--àls-i kon geroepen zyn tot schatting--hierin dezelfde fout gemaakt hebben als 'n kind dat verwonderd vraagt, waarom de wolken nooit voorbyschuiven achter de maan om?
De uitdrukking van Dieper's gelaat was één doorgaande vriendelykheid. Hy verdween 'n oogenblik in de alkoof die tegenover de vensters wand vormde, en kwam weldra terug in boekhouders-uniform, d. i. in 'n gryzen langen jas die veel beleefd had, en met 'n zwart kalotjen op z'n witte haren. Want: "soms was er tocht op 't kantoor." Zoo verzekerde hy aan Wouter, die 'n gebaar maakte alsof hy deze mededeeling met innige dankbaarheid aannam, en ze vergelden zou by de eerste gelegenheid ...
Och, hy had zoo graag dien goeden ouden heer Dieper 'n dienst gedaan. Hy stelde hem boven Merkurius, en vond dat-i op 'n engel geleek.
--Ja, het tocht hier soms. En er niets op de wereld, waarvoor 'n mensch zoo moet oppassen, als tocht.
Dat Wouter niet tegensprak, zal de lezer wel gelooven. Maar dit was niet genoeg, meende hy. Als 'n bliksem vloog hem de gedachte door de ziel, alle reten van vensters, deur en vloer dicht te plakken, om dien vriendelyken grysaard te helpen in den stryd tegen zoo'n vreeselyken vyand. Hoe was 't mogelyk dat de man nog middel had weten te vinden, grys haar te krygen in zoo'n tochtige wereld? Moest-i niet voor zeer lang reeds--als zuigeling zelfs--bezweken zyn? Er zyn taaie naturen, dit weet ik wel, maar wie drommel zou 't den ouden Dieper hebben aangezien dat-i daartoe behoorde? De man had in z'n voorkomen niets van 'n held, en vertoonde zich eer als 'n sukkelaar die zich zou laten omvèr- en wegwaaien door de minste luchtbeweging, dan als de perpetueele triumphator over al de kamer-orkanen waaraan-i sedert byna zeventig jaren was blootgesteld geweest, en waarvan-i de spolia opima in den vorm van "zinkings" in 't hoofd droeg. Want lezer, daarmee beloont de afgod "Tocht" ieder die hem deemoedig vreest in onkunde en onnoozelheid. By gelegenheid zal ik eens uitleggen hoe die bespottelyke eeredienst in de wereld gekomen is.
"Deemoedig." Dit woord bevalt me, en wanneer ik 't recht had, de helden en heldinnen van m'n vertelling andere namen te geven, dan zy in werkelykheid gedragen hebben, zou ik me misschien laten verlokken aan dezen klank de gelegenheid te ontleenen, om den goeden boekhouder te kenschetsen met één pennestreek. Wie weet of ik hem niet: m'nheer Deemoed gedoopt had. Maar ik zou dan 'n dubbele fout begaan hebben. Want hy heette Dieper. En dit wàs-i ook.
Na de korte verpoozing die 't binnentreden van den boekhouder onzen Wouter bezorgd had, brak er weldra een nieuw saizoen van bedompte verveling aan. Dieper had 'n yzeren kist geopend, waaruit hy 'n half dozyn kantoorboeken nam, welke hy eenigszins rangschikte op 't vlakke middelstuk van 'n dubbele kantoorlessenaar "voor twee personen" ook wel genaamd: 'n vis-à-vis. Tegenover de zyde waar nu de boekhouder plaatsnam, stond 'n gelid enkele lessenaars. En daartegen veroorloofde zich Wouter even te leunen--geschied is 't!--telkens als-i 'n oogenblik vergat dat de boekhouder wel eens kon opkyken. Maar dit deed Dieper niet. Hy debiteerde en krediteerde religieuzelyk, en sloeg geen acht op de dingen dezer wereld, die al of niet leunden tegen 'n anderen lessenaar dan den zynen.
Tusschen de alkoof en de eigenlyke kern van 't hoofdkwartier des handels, stond op tafelhoogte een beschotje, dat de grens aanwees tusschen vreemde bezoekers van 't kantoor, en de gelukkigen die er thuis-hoorden. Een daaraan met scharnieren bevestigde klep kon, opgeslagen, dienen tot operatie-bazis van geld-tellen, en vervulde thans in afhangende houding de niet overbodige funktien van afleider van Wouter's verveling. Het ding werd in deze eervolle taak bygestaan door 'n ronde opening in een der hoeken, waarin 'n yzeren ring paste, die bestemd was tot het vastklemmen van den rand der geldzakken. Gelukkig voor Wouter, dat-i dit niet wist. Hy kon nu op z'n gemak zich vermoeien met de vraag: wat toch de handels-bestemming van dien ring was, en van dat gat? Heel eindelyk ... goddank, er gebeurde iets: Dieper nam 'n snuifje, en Wouter stond als 'n paal.
--De heeren komen wat laat, jongeheer.
Voor Wouter nog tyd had, te verzekeren dat-i daarom niet boos was op de heeren, en er volstrekt niet aan dacht hen te ontslaan uit de betrekking van patroons, lag de boekhouder al weer gebukt over z'n memoriaal.
Wel beschouwd was de toestand nog verdrietiger dan vóór Dieper's komst. Toen en nu verveelde hy zich, maar zoo-even deed-i niets dan dat. Thans had-i er nog den angst by, dat Dieper merken zou hoe hy zich verveelde, want--en deze opmerking geef ik wèl voor nieuw--niemand verveelt zich zonder schaamte. Men wordt er niet graag op betrapt, waaruit misschien de gevolgtrekking kan gehaald worden, dat het niet geoorloofd is zich te vervelen.
Wouter, byv. had in dien tyd zich kunnen meester maken van wat gladheid in de vermenigvuldigmgs-tafel tot 20 × 20, of verder nog. Waarom niet? Maar aan zoo-iets dacht-i niet. Z'n eenige zorg was, geen geluid te maken, om vooral m'nheer Dieper niet te hinderen. Dit was nu--o Holsma--z'n meest-nabyliggende plicht. Uit het volle besef hiervan, hield hy den adem in, met het natuurlyk gevolg dat-i uitberstte in 'n hoestbui.
Geen oneerbiediger ding dan de Natuur!
--'n Beetje verkouwen, jongeheer? Ja, ja, dat komt van de warmte. 'n Mensch moet zich wèl in-acht nemen by heet weer. Ineens kryg je 't beet, in-ééns!
't Was wel wat ondeugend van Fancy, dat ze de prikkeling in Wouter's keel deed voortduren tot en na de binnenkomst van een der "heeren." De arme jongen voelde zich genoodzaakt een van z'n patroons den rug toetekeeren, om hem niet in 't gezicht te hoesten. Dit bedierf de voorstelling, en bedolf Wouter in een der afgrondjes van oogenblikkelyke wanhoop, waaraan 't leven zoo ryk is, doch die later blyken niet veer meer te zyn geweest dan 'n geringe oneffenheid op ons pad.
--Gmorge, Dieper! had de binnentredende geroepen. Is Wilkens er nog niet?
--Dienaar, jongeheer Eugène, antwoordde de boekhouder. Neen, jongeheer Eugène, Wilkens is er nog niet. Misschien met stalen uit? Dit is de jongeheer Pieterse.
--Zoo?
Wouter hoestte.
--Hy moet maar wachten tot Pompile komt ... of Wilkens.
Wouter knikte, altyd doorhoestend, dat-i met het grootste geduld wachten zou op m'nheer Pompile of m'nheer Wilkens.
--Neem 'n glaassie water, jongeheer, vermaande de zoetsappige Dieper.
--Wel ja, laat 'm 'n glas water drinken, hervatte de jongeheer Eugène grootmoedig. Dáár staat water, en 'n glas ook.
Inderdaad! Naast de yzeren kist waarin 's nachts de "boeken" werden geborgen, stond in 'n donker hoek'jn op 'n stoof, een verweerde waterkaraf, waarby 'n glas met groezelig oranjekleurig bezinksel. Wouter dronk 'n paar teugen, en behandelde de daartoe gebruikte gereedschappen met 'n eerbiedige teederheid, zuiver water en helder glaswerk waardig. Toen-i eindelyk had uitgehoest, zat de jongeheer Eugène met breed-uitgestrekte elbogen voor een der enkele lessenaars in 'n fransch romannetje te lezen. Dat Dieper al weer op z'n boeken lag, spreekt vanzelf.
Wouter stond nu by die geldkist en dien stoof, waarop-i netjes en zonder geruisch de kostbare voorwerpen weer had neergezet. Zonder zich in 't minst te verroeren wachtte hy op m'nheer Pompile en op m'nheer Wilkens ...
Sedert het aanbreken van den dageraad had-i niet ànders gedaan dan wachten, o Fancy! En gy, hardvochtige, gevoellooze, wreede, gy blaast hem niet in: loopt allemaal vierkant naar den weerlicht, met je handel?
Neen!
"Er moet veel leeds geleden zyn, Er moet veel stryds gestreden zyn!"
Ik geloof juist niet dat altyd--zooals de goede Kamphuyzen, misschien om 't rym slechts, beweert--het eind van dat alles: "vrede" wezen zal. Maar ... zelfgevoel toch, en hoogmoed, en de betrekkelyke kalmte die de belooning is van 't:
Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit!
Mochten sommigen meenen dat de beide aangehaalde teksten te deftig zyn, te ernstig, te klassisch voor de soort van Wouter's tegenspoedjes? Ze vergissen zich. De zwaarste beproevingen worden ons opgelegd door nietigheden. Zy overvallen ons dagelyks, telkens, aanhoudend, en vinden ons meestal ongewapend. Bovendien, er wordt geen eer behaald in zulken stryd. Mozes en de "Heer" wisten 't wel. Ze plaagden Egypte niet met tygers, maar met sprinkhanen.
Dat Wouter leed is waar. Maar z'n stryd beduidde niet veel. We kunnen in het midden laten, of hy den moed bezat, die tot wegloopen zou noodig geweest zyn. Zeker is het, dat hy de zielskracht had om te blyven, en de plicht te vervullen die 't naast voor de hand lag. Zóó had Holsma gezegd, en zóó zou 't wezen!
--Daar komt Wilkens, verwaardigde zich de jongeheer Eugène te zeggen, zonder de minste verandering van houding, en met zekere zuinigheid in 't uitspreken der woorden, alsof er deuren- en venstergeld werd geheven van de artikulatie.
Inderdaad, de heer Wilkens vertoonde zich op de binnenplaats. Hy liep zeer snel, als om blyk te geven van 'n diligentie die niet precies overeenstemde met de klok. De klok zal vóór geweest zyn.
--Dienaar, m'nheer! Dag, Dieper!
--Gmorge! Dat's de jonge Pieterse.
--A-eh! Wèèèèl zoo! A-ei, a-ei!
Wilkens was 'n oude gek. Z'n geheel leven was één veroveringstocht geweest naar deftigheid en gewicht. Daar-i 't op z'n ouden dag niet verder had gebracht dan tot kantoorbediende en handelsreiziger, kan de lezer narekenen hoeveel veldslagen de man moet verloren hebben. De voornaamste ammunitie die hem overbleef, bestond in 'n langgerekt ae of èèèè, of zooiets. Wie hem van naby kende, was er niet zeer bevreesd voor, maar nog altyd zagen sommige boeren-winkeliers hoog op tegen iemand die zoo oneenvoudig spreken kon. En ook Wouter voelde zich heel klein.
--Jae, m'nheer, wat dunkt u? Zouden we met dat jonge mensch maer niet wachten op m'nheer Pompile?
De jongeheer Eugène stootte een klank uit, die alles kon beteekenen wat men verkoos, zelfs: ja. En zóó scheen z'n antwoord te worden opgenomen door m'nheer Wilkens, die nu op zyn beurt in de alkoof verdween, en weldra weder voor den dag kwam, gehuld in 'n lange kantoorjas.
--Ik ben eens by de juffrouwen Alders geweest, met diemetten, zeide hy, als om zich by z'n jongen patroon over z'n laat-komen te verontschuldigen.
Deze antwoordde weer zoo afgeknot mogelyk. Hy bromde iets dat juist even genoeg was om te kennen te geven: "ik heb gehoord wat je zei." En daarop zette Wilkens zich aan den lessenaar naast Eugène, waar-i de houding aannam van iemand die wat uitvoert. En hy deed inderdaad niets. Sedert eenige dagen reeds tobde hy met 'n deficit van drie stuivers in de "kleine kas" en pynigde zich met zoeken naar de oorzaak van die vreeselyke gaping.
--Maer, m'nheer, kan er ook misschien 'n brief zyn geweest voor "huishouden?"
--Wel mogelyk, antwoordde Eugène, op 'n toon van: "wat kan 't my schelen!" Ook lag er iets in van: "maak toch zoo'n wind niet met je oogendienende stiptheid!"
--Jae ... maer ...
Zoodra mogelyk zal ik my ontslagen rekenen van 't nabootsen der Wilkensche deftigheid, voor zoover die zich openbaarde in z'n lymerige ae's. De lezer zal wel nagenoeg weten hoe zich 'n verwaande kwast uitdrukt, die meermalen in den Haag was geweest en zich de mislukte moeite geeft in elke letter de beteekenis te leggen: ik ben 'n heer! De reden overigens dat hy, in tegenstelling van Dieper en den ouden Gerrit, het naast hem zittend individu niet aansprak met het praedikaat: "jongeheer" lag hierin, dat Eugène reeds nagenoeg halfwassen was, toen Wilkens hem elf jaar geleden leerde kennen, terwyl Dieper en de knecht dezen telg van den patroon, en zelfs den ouderen Pompile, als kind hadden gekend. Toch zouden ook deze twee zich niet veroorloofd hebben, iets aftedingen op 't volslagen heerschap van de beide ondergoden, indien niet de oude heer Kopperlith-zelf hun die vryheid had in den mond gelegd. Deze namelyk was zeer fyn op maatschappelyke onderscheidingen--altyd slechts in toepassing op anderen, want zichzelf schatte hy 'n graad of zooveel te hoog--en noemde de jongelieden: "m'nheer Pompile en m'nheer Eugène" wanneer-i over hen tot Wilkens sprak. Doch ook in zyn mond heetten ze, als vroeger: "jongeheeren" wanneer hy 't woord richtte tot de oudere lyfstaffieren van den huize. Dat iedereen--op den knecht na--tegenover Wouter volop: "m'nheer" was, spreekt vanzelf. Of 't waar is dat men geen twee heeren dienen kan, laat ik daar. Doch zeker is 't, dat Wouter er vyf tegelyk te bedienen kreeg, en vooral te eerbiedigen.
Wilkens becyferde de kolommetjes van z'n "kleine-kas-"boekjen, en zeide:
--'t Is ienderdaed verbaezend!
En we nemen by dezen voor goed afscheid van zyn geblaet. [14]
--Maar, m'nheer, zouden we nu 't jonge-mensch maar niet aan 't werk zetten? Misschien komt m'nheer Pompile eerst na de koffi.
--Wel ja. Ga je gang!
Wilkens wenkte Wouter tot zich, en na 'n paar gemaakte kuchjes:
--Ik zou je maar raden hier maar plaats te nemen. Leg je hoed maar weg ...
Al deze maren hadden 'n beteekenis. De meegedeelde bevelen kregen daardoor den rang van zware verlossingen na moeielyke dracht. Het wegleggen van den hoed beviel Wouter uitstekend, want het langdurig vastklemmen had hem kramp in de vingers bezorgd. Zeker, als 't bekende spreekwoord waarheid zegt, had hy meer dan iemand kans geloopen 't heele land doortereizen, daar hy uren lang met z'n hoofddeksel in de hand had gestaan. Voor 't oogenblik echter bewoog hy zich niet verder dan tot den lessenaar nummer drie, tusschen Wilkens en 't venster.
--Ga maar zitten. En zeg me nu eens of je rekenen kunt? Wat men noemt: goed rekenen?
--Ja, m'nheer, riep Wouter met ridderlyken moed, als 'n krygsman die de trom hoort. O ja, m'nheer!
Wat hy zich schrap zette tegen ... Strabbe!
--Wel, wel! Tel dan al die postjes eens op: guldens, stuivers en penningen. Zestien penningen maken 'n stuiver, zieje, en twintig stuivers 'n gulden. Dit weetje zeker wel?
--O ja, m'nheer.
--Zoo? Weetje dàt! Ei!
En Wouter, de rekenheld, spande zich zóó in om z'n naastbyliggenden plicht te doen, en om de teleurstelling over het derogeerende van 'n: "optellingsom" te overwinnen, dat-i glad verkeerd telde. Geen enkele kolom sloot met de facitten van m'nheer Wilkens. Hy werd zeer verdrietig, en betrapte zich op heimwee naar ... de twee gevestigde zaken op den Zeedyk!
Een heer stapte de binnenplaats over. 't Was m'nheer Pompile, oudste zoon van den huize, prokuratiehouder en medechef van de firma Ouwetyd & Kopperlith.
De auteur vermaakt zich met meikevers. Wouters rekenkunstige bekwaamheid gewogen en te ligt bevonden. Z'n opleiding in 't vak van Merkurius ... den bode der goden. Speldeprikken in 'n windblaas.
Indien de oude heer Kopperlith, die nog altyd op 'n boven-voorkamer bezig is met z'n ontbyt en de courant van den dag, doch dien we straks zullen zien verschynen ...
... indien de jongeheer Pompile, die driftig, beredderend, jagend en als gejaagd, het kantoor binnenstuift, en 'n stuk of drie "dag'"s uitstoot, alsof 't beschuitkruimels waren die hem in de keel prikkelden ...
... indien de jongeheer Eugène die daar nog altyd over z'n romannetje gebukt zit, en in knotwilgstyl z'n: "bsjoer Pompile!" laat glippen ...
... indien àl de Kopperlith's, als daar zyn: de jongeheer Rodomont, en de jongeheer Flodoard, en de jongeheer Leon ...
... indien al die jongeheeren ... met den ouden heer er by, en vooral de dikke leelyke mevrouw uit de zykamer, en de majestueuze Hersilia, en "de" juffrouw ...
... indien ...
Sakkerloot, lezer, m'n galery wordt te vol! Wat 'n arbeid, al die portretten afteteekenen! Toch zal ik 't beproeven. Maar eerst dit: indien ze myn Wouter-geschiedenis onder de oogen kregen en lazen ...