De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz
Chapter 14
Holsma, heel ongoddelyk, maar goedig, verstandig en waar, zette zich niet op 'n voetstuk. Hy begon met de betuiging dat ook hy in z'n jeugd alles wat Wouter hem meedeelde, ondervonden had, en tevens dat hy dezelfde gemoedsverschynselen in byna alle andere jongelieden waarnam. Ook trachtte hy de zaak terugtebrengen op burgerlyk-praktisch terrein, met vermyding van allen prikkel tot geestvervoering. Het kwam hem voor, dat z'n patiënt aan zulke behandeling behoefte had, en hy volgde dus in zekeren zin de koud-water-medikatie van Vrouw Claus. Of deze ontnuchtering ten-allen-tyde en voor ieder dienstig is, blyft de vraag. Ook paste de menschkundige Holsma ze slechts voorloopig toe, en misschien wel als proef om te weten of Wouter tot hooger levensopvatting in-staat was. Hy liet hem z'n gemoed uitstorten, en viel hem niet in de rede, waaruit voortvloeide dat Wouter vry slecht sprak, omdat onafgebroken verhandelingen niet in de natuur liggen. Juist het gehakkel der voorstelling deed den ongeoefenden spreker bemerken--en hierom was 't Holsma te doen--dat z'n aandoeningen minder belangwekkend waren dan hy gemeend had. Hy voelde lust zichzelf in de reden te vallen met de vraag: "is 't anders niet?" en begon nu te vreezen dat ook Holsma dit zeggen zou. Maar toen-i eindelyk scheen gereed te zyn, antwoordde deze vriendelyk:
--Zeker, zeker, m'n jongen, ik ken dat! In zulke stemming zou je overal willen zyn, alles willen regelen, beheerschen... alles goed-maken, niet waar? Je hebt 'n gevoel alsof je voor alles aansprakelyk was. Het hindert je dat er zooveel verkeerds is in de menschen, en dat zy ... o ja, ja, ik ken dat zeer goed!
Maar, eilieve, denk eens na over de middelen die je tendienste staan. Hoe zou je 't aanleggen om iets te verbeteren? Wouter zweeg.
--Meen je dat àlle menschen slecht zyn? Dit mag je toch niet aannemen, dunkt me. Onder die menschen zyn er gewis velen die 'tzelfde wenschen als jy. Waarom veranderen zy de wereld niet?
Wouter zweeg alweer. Juist de eenvoudigheid van de vraag belemmerde hem. Maar Holsma drong op antwoord aan.
--Welnu? Komaan, ik zal je helpen. Geloof je dat ik 'n goed mensch ben?
--O ja, riep Wouter hartelyk.
--Ei? Nu, ik geloof 't ook. Ik zou me schamen als ik dit niet durfde zeggen. Waarom dan verander ik de wereld niet? Je spreekt zoo dikwyls van Afrika--omdat je dat land niet kent, m'n jongen!--welnu, ik die 'n goed mensch ben, heb nog altyd de slavenjachten niet afgeschaft. Waarom niet, denkje? Antwoord eens.
Wouter was volstrekt geen debater. 't Lag niet in z'n eerlyken aard, het geven van 'n stellig antwoord te weigeren uit vrees dat het straks zou kunnen gebruikt worden als stormram tegen de meening die hy verdedigen wou. Toch bleef hy weifelen. Men bedenke dat Holsma bezig was met 'n amputatie. Is 't wonder dat de patiënt het deel van z'n ziel, dat afgezet worden moest, angstig terugtrok?
--Welnu, dan zal ik de zaak anders voorstellen. Je hoort immers wel dat aanhoudend geklop en gehamer... luister! Dat is van 'n smedery hier-naast. Je begrypt wel dat me dit soms hindert?
--By ziekte?
--Ja, en als ik te denken heb. Ik wenschte die smedery verplaatst te zien... zóó... fluks... op-eens! Zeg me nu eens, waarom doe ik dat niet?
--Omdat ... u niet kan, m'nheer.
--Juist! Dáárom ook heb ik tot heden toe niets veranderd aan al wat er verkeerd geschiedt in Afrika. En ook in Azië niet. En in Amerika niet. En in zeer veel landen niet. Maar gister-avend in de komedie, toen je onwel was--'t was er warm!--nam ik je mee, en ik heb je verzorgd en naar bed laten brengen. En ik heb je moeder laten geruststellen over je lang uitblyven. Dat alles was m'n plicht, niet waar?
--O, m'nheer...
--Geen dank, m'n jongen! 't Kwam me voor, dat het m'n plicht was, en ik deed het: omdat het kòn. Wat niet kan, is m'n plicht niet! En daarom ook neem ik die smedery niet tusschen duim en vinger, om haar te verzetten naar 'n andere buurt. Om dezelfde reden bemoei ik me niet met Afrika. Onmogelyke plicht is géén plicht, en het jagen daarnaar staat het vervullen van onze werkelyke plichten in den weg. Heb je weleens op-school je les niet gekend?
--O, dikwyls! Maar in den laatsten tyd niet, omdat Femke...
--Laat Femke nu even rusten. Misschien zeg ik straks een woordjen over haar. Toen je op-school je werk verzuimde, had je zeker aan wat anders dan je lessen gedacht, aan dingen die niet voor-de-hand lagen. Dit nu is de fout van veel jongeluî, en--word er niet boos om: ik was ook zoo!--ze komt grootendeels voort uit luiheid. Het is gemakkelyker zich te verbeelden dat men zweeft boven 'n berg die heel in de verte ligt, dan in werkelykheid z'n voet optelichten om over 'n steentje te stappen. Onder de millioenen zaken die je zoudt willen doen, zyn er slechts weinigen die je zoudt kunnen doen. Bemoei ie voorloopig alleen met die weinigen. Dàt is de weg om verder te komen. Vraag altyd jezelf af: "wat wordt er op dit oogenblik van me gevorderd?" en gebruik niet de ingenomenheid met het vermeend hoogere, als voorwendsel tot verwaarloozing van wat je lager toeschynt. Je bent ontevreden met je tegenwoordig standpunt? Wel, maak je 'n beter standpunt waard! Dit is de manier om het te bereiken, en de eenige goede manier. Vraag jezelf by elke gelegenheid af: wat is m'n naast-byliggende plicht? Kun je me dit beloven?
Wouter gaf er de hand op.
--En je wou zoo graag meer weten? Ik ook, m'n jongen! Laat ons zien wat er aan die kwaal te doen is. Wat u betreft, het ontbreekt je nu zeer in 't byzonder aan de schoolkennis, waarin jongelieden van uw leeftyd die in andere kringen werden opgevoed, je vooruit zyn. Dàt is ligt intehalen, en we zullen er op terugkomen, maar... 't is op dit oogenblik je naast-byliggende plicht niet! 't Beetje latyn dat onze Willem verstaat, en waar je zoo jaloers op bent, is in 'n paar maanden geleerd, vooral wanneer je je zult geoefend hebben in 't willen. Wat zou 't nu helpen, nu? Wen je eerst dat zweven af, dan komt het latyn vanzelf, en 't grieksch ook, en al de andere zaakjes waartegen je nu zoo hoog opziet. Er zyn op dit oogenblik heel andere vyanden te verslaan, dan de ridders uit je romans. Minacht de moeielykheden niet, die je te bestryden hebt. Dit zou juist oorzaak kunnen worden van 'n treurige nederlaag. Je moet je denkvermogen leeren gebruiken naar je eigen wil, en de verbeelding knotten die je anders over 't hoofd groeien zou. Er zyn wysgeeren geweest, die beweerd hebben dat het leven 'n droom is. Wat ze daarmee eigenlyk bedoelden, is me niet zeer helder. Die uitspraak-zelf komt me droomerig voor. Misschien vergis ik me hierin, doch wel durf ik met zekerheid zeggen dat droomen geen leven is. Begryp je dit?
Wouter knikte toestemmend.
--De ware verhevenheid, ging Holsma voort, is dat men doet wat men doen moet, zelfs 't geringe. Wat zou je zeggen van ridders die zich op den kop lieten slaan door vagebonden, omdat hun riddereer niet toeliet zulk kanalje ten-onder te brengen? Zou je dit niet 'n onbruikbare ridderschap vinden? Je gaat nu in den handel? Kom my over 'n maand eens vertellen of je woord gehouden, en altyd je naast-byliggende plicht vervuld hebt? Dan zullen we verder zien, maar... dàt eerst! Zal je 't doen?
--O zeker, zeker! Maar... m'nheer, mag ik u nu vragen naar...
--Naar Femke? Wel, dat is 'n best meisjen, 'n heel braaf kind, en 'n nichtje van me.
--Maar hoe dan te begrypen wat ze daar kwam doen? En hoe ze...
--Die dame in de komedie was Femke niet. Dat was prinses Erika. We wilden haar zien, omdat haar voorouders aan de onzen verwant waren. Hierin is niets byzonders, kereltje!
--Een wezenlyke prinses?
--Ja, en Fem is 'n wezenlyk waschmeisje. We willen hopen dat die Erika even degelyk van karakter is als zy. Maar, jongen, hecht toch aan zulke dingen zoo'n gewicht niet. Men ziet dat afwyken van familievertakkingen dagelyks. Of, al ziet men 't niet, het is zoo. Er moet 'n tyd geweest zyn dat Erika's voorouders zich in beestenvellen kleedden, en de mynen ook. De vraag is, of zy 't weet dat ze hier te-lande stamverwanten heeft? Dat wy 't weten... nu ja, m'n broer Sybrand schept genoegen in 't opsporen der overeenstemming van schynbare tegenstellingen. Ook in taal... dit heb je by 't kippenhok gehoord. Wel beschouwd, is de wereld veel kleiner dan je meent: alles raakt elkaar! Wie weet of 't niet invloed heeft op de Geschiedenis, dat je morgen by die heeren... hoe heeten ze ook?
--Ouwetyd en Kopperlith, m'nheer.
...dat je by de heeren Ouwetyd en Kopperlith den handel gaat leeren. Welnu, wereldhistorisch of niet, doe daar je naast-byliggende plicht! Dit is nu de ridderlyke taak die ik je opdraag... als je naar me luisteren wilt. Zal je 't doen?
--Heusch, m'nheer! Maar... Femke?
--Daar heb je 't al! Ze heeft niets met je naast-byliggende plicht te maken. De eenige dame die je voor 't oogenblik dienen moogt, is... nu, wie?
--De... handel?
--Juist! Wil je nu volstrekt iets van Femke weten... welnu, zy zegt ook dat je je niet met haar bemoeien moogt, en aan niets moet denken dan aan je werk...
--O, ik zàl, ik zàl!
--Nog wel tien jaren lang.
--Tien jaren? Tien?
--Ja, zóó zei ze toen ik haar vertelde dat je nog zoo weinig wist, en zoo weinig kon.
--Tien jaren?
--Nu ja, zóó zei ze. Misschien acht, of... twaalf, of... twintig, want je begrypt wel dat men zoo-iets niet zoo héél nauwkeurig kan bepalen.
--Tien jaren?
--Zóó zei ze.
--Ik zàl!
--Heel goed, m'n jongen. 't Zal my genoegen doen, en... háár ook. Begin er dus spoedig mee, en dring je niet op, dat het zoo byzonder moeielyk is. Dat maakt zenuwachtig. Duizenden zyn voor tien jaar begonnen met wat u morgen te doen staat, en... ze leven nog! Je ziet dus wel dat het kàn. Bovendien, denk nu voorloopig maar alleen aan de eerste maand. Zoo breek je den tyd. Over 'n week of vyf wacht ik je hier. Dan zullen we verder zien.
Na nog eenmaal beloofd te hebben dat-i "alle gekheid" uit z'n gedachten zetten wou, nam Wouter voor dien dag afscheid. Maar hy bewaarde z'n rozeknopjes, al was 't hem niet helder of de vereering van deze reliek--het eenige wat hem uit de afgeloopen driedaagsche stormperiode overbleef--'n prinses gold, of 'n bleekmeisjen, of beiden, of de kleine Sietske Holsma, of 't portret uit de zykamer, of z'n ideaal dat hyzelf samentooverde door 't onwillekeurig ineensmelten van al deze beelden tegelyk. Om zyn aan Holsma gegeven woord gestand te doen, verbood hy zich alle onderzoek dienaangaande, en drong met heldhaftigheid z'n aandoeningen terug. Het blyft de vraag, of-i tot helderheid en zelfkennis zou geraakt zyn, wanneer hy hierin niet geslaagd was? Wie zegt ons of niet misschien de indrukken die hy meende te hebben opgevangen van buiten-af, de afspiegeling waren van z'n eigen gemoed? Om dezen twyfel begrypelyk te vinden, heeft men zich slechts aftevragen, of z'n fantazie werkeloos zou gebleven zyn, indien hy al die voorwerpen niet ontmoet had? Ik acht deze opmerking hierom niet zonder gewicht, wyl ik aan de gewaarwording die Wouter beheerschte, nog altyd den naam van liefde niet geven durf. Dat een der meest karakteristieke kenmerken van het beminnen, de zucht om goed te zyn hem niet ontbrak, is waar. Doch deze neiging had zich reeds veel vroeger in eigenaardige overdrevenheid by hem geopenbaard, waaruit dan ook, lang voor hy Femken ontmoette, z'n overspannen eerzucht en de daarby behoorende hoogmoed waren voortgesproten.
Onder de aandoeningen die hy na 't gesprek met Holsma moest terugdringen, speelde de nieuwsgierigheid naar de oplossing der verschillende wyzen waarop Femke zich aan hem vertoond had, maar 'n zeer ondergeschikte rol. Dit schynt te vreemder, omdat hy aan de door Holsma gegeven verklaring geen geloof sloeg. Hy bleef er by, dat het meisje in den schouwburg wel inderdaad de persoon was geweest die men tot-nog-toe Femke genoemd had, en schreef Holsma's verzekering óf aan dwaling toe, óf aan de zucht om hem tot kalmte te brengen. Hy beweerde meer van dat meisje te weten dan den dokter kon bekend zyn, die haar niet in die herberg gezien had! Dat ze zich kon voordoen als prinses, kwam hem volstrekt niet vreemd voor. Het was eer te verwonderen, meende hy, dat ze de goedheid had, zich nu-en-dan te vertoonen als kindermeisjen of als dochter van 'n waschvrouw. Een prinses? Wel mogelyk! Waarom niet? Dat meisjen op die tafel zou niet Femke geweest zyn? Ook niet die verschyning in den schouwburg? Heel natuurlyk, en geheel in overeenstemming met de hoogte waarop hy altyd het voorgewende bleekmeisje geplaatst had? Als dat niet Femke was, dan kon zeer goed het meisje dat hy tot nog toe Femke noemde, eens-vooral prinses wezen. Deze verandering was zoo groot niet, of liever... 't was er geen. Als 'n bliksem schoot hem nu ook de indruk door de ziel, dien het schrikwekkend bellen van juffrouw Laps dien vrydagavond op hem gemaakt had. Toen immers reeds vroeg hy zich af, of daar misschien prinses Erika was, die kwam ruilen? Er bleek nu, dat ze dit reeds voorlang gedaan had! Dat er in dit alles iets geheimzinnigs lag, ontveinsde Wouter zich niet, maar dit geheimzinnige kwam zoo juist overeen met z'n droomen en luchtbeelden, dat het hem meer bevredigde dan ooit nuchtere waarheid zou hebben kunnen doen. Hy was evenmin nieuwsgierig als de velen die na de lezing van Genesis, nu eens-vooral meenen te weten: "waar alles vandaan gekomen is" en geen lust hebben in 'n onderzoek dat hun die genoegelyke zekerwetery zou kunnen kosten. Hierin zal dan ook wel de oorzaak liggen, dat voor zekere gemoederen slechts de fabel 't kenmerk van de waarheid draagt.
Gelyk de Mensheid in voorhistorische tyden, was Wouter nog altyd ontvankelyk voor 't buitengewone, voor 't wonderbare, voor 't onrnogelyke. Wie hem verzekerd had dat Femke onderworpen was aan gewone aandoeningen, zou niet zoo zeker op geloof hebben kunnen rekenen, als de dichter die haar tot onderwerp had gekozen van de wildste fantazie. Wanneer hy haar had te spreken gekregen, zou er aan ànderen die 't onderhoud bywoonden, gebleken zyn dat zyzelf in dit opzicht hooger stond, maar of 't hèm gebleken ware, blyft de vraag. Elke uiting van haar eenvoudig gezond verstand zou hy hebben opgenomen als neerbuiging om-zynentwil, als 'n poging om 'n taal te spreken die verstaanbaar was voor... menschen of burgerjongetjes. "Ze houdt zich zoo om my niet afteschrikken" zou hy dan gedacht hebben. Inhoeverre er by dit alles invloed werd uitgeoefend door de byna geheel uitgewischte herinnering aan de Fancy-verschyning, is moeielyk te bepalen. Wel was de indruk daarvan niet meer te herkennen, doch misschien deden zich nog altyd de gevolgen van dien indruk eenigszins gelden. Z'n geest was eenmaal zekeren weg opgestuwd, en in deze richting ging hy voort, al was dan ook 't punt van uitgang sedert lang uit het oog verloren. Ook deze byzonderheid is op de Geschiedenis van 't Menschdom ten-volle van toepassing. Wy werpen de fabels weg, waarmee ons Geslacht in z'n kindsheid werd vermaakt, we schamen ons over 't geloof aan de spokery waarmee het bedrogen werd, maar... blyven gebukt gaan onder de gevolgen der onnoozelheid van vorige geslachten.
Wouter vroeg niet meer: "zou zy 't zusje wezen, dat ik zoek?" maar de behoefte aan ineensmelting met 'n wezen, dat hy wilde toebehooren--in-verband altyd met z'n zucht naar kennis en stryd--bleef bestaan. En alweder werkte de onbewustheid van deze neiging bevredigend op z'n begeerte om de vele byzaken die hy niet begreep, eens eindelyk opgehelderd te zien. In al het vreemde dat hem de laatste dagen overkomen was, vond hy evenzeer aanleiding om zich aftevragen: "wat wàs er toch?" als om zich toeteroepen: "zeker, zeker, zóó is het! Juist wat ik altyd meende!" Dat mysterieuze-zelf was juist de voldoening die hy zocht, en... dus nog altyd 'n blyk van z'n onrypheid. Zyn aandoeningen waren hem als 'n bewogen water waarin de onvolwassen ziel de Nixen ziet spelen, die ze zien wil, hoe onbestemder van omtrek, hoe weifelender van lynen, hoe liever. Naar juister teekening, naar meer duidelykheid, haakt die ziel niet... er mocht eens blyken dat ze zich slechts gespiegeld had in de rimpeling van den door haarzelf in roering gebrachten vloed!
Was Femke géén prinses? Was prinses Erika niet--uit weeldeliefhebbery dan--'n waschmeisje? Eilieve, misschien ook was dat heerlyk standbeeld op die tafel, noch de een noch de ander... 'n derde verschyning dus! Drie? 't Is te weinig! Millioenen beelden van dien aard waren niet te veel om, saamgevat in één totaal-gedachte, de begeerte te bevredigen van 'n gemoed dat, slechts ontluikend nog, niet Femke beminde, maar... de Liefde! Waarlyk, de knaap had nog veel te leeren, en waarschynlyk waren op deze behoefte, de raadgevingen van z'n menschkundigen vriend gegrond. Het schynt wel, dat Holsma inzag hoe Wouter vóór alles moest kennismaken met het àllerlaagste, om allengs opteklimmen tot de Poëzie der Werkelykheid die zooveel hooger staat dan liefelyk-bontgekleurde--maar kinderachtige, onvoedzame en dus verderfelyke--droomery!
Hoe dit zy, even als hyzelf, dalen we voor eenigen tyd naar lager sferen. Het hoofdkwartier van de Mensheid is nu eenmaal gelykvloers. Vandaar gaan wy altyd uit, dáárheen keeren wy altyd terug. Het is al wel, wanneer we niet verleerd hebben van-tyd tot-tyd ons te vermeien in wat vlucht. Hopen wy dat de lust en de kracht ons niet begeven, die uitspanning te hervatten. Er bestaat dan tevens kans, nader kennis te maken met prinses Erika, by welke gelegenheid we misschien te weten komen dat aristokratie van verstand en hart niet uitsluitend behoeft gezocht te worden in de... lagere standen, zooals sommige romanschryvers--hofmakend aan 't gemeen--weleens voorgeven te gelooven. Reeds nu durf ik verzekeren dat ze wel degelyk "van de familie" was, en wel in veel hooger zin nog, dan oom Sybrand weten kon.
Voor 't ons vergund is nader kennis met haar te maken, hebben we--precies weer als Wouter zelf--vervelender dingen te behandelen. Zóó immers moet m'n geschiedenisje geschreven worden, op-straffe van niet op 't leven te gelyken, wat 'n fout wezen zou, 'n groote fout... de gewone!
Ochtendmymering. Iets over de beschavende strekking van onkreukbare halsboorden. Non omnibus licet... zonder de minste toespeling op Corinthe.
Fancy's luim had alzoo voor ditmaal uitgestormd. De serie van byzonderheden was afgeloopen, en de lezer wordt nogmaals uitdrukkelyk uitgenoodigd z'n verwachting op de leest van het dagelyksche te schoeien.
De voor Wouter zoo belangryke maandag-morgen brak voor hem vroeger aan, dan voor de meeste anderen. Niet omdat-i zooveel oostelyker woonde dan 't meerendeel van z'n medemenschen, maar uit onrust. Hy had weinig of niet geslapen, en verliet z'n bedstee zoodra 't licht werd, drie volle uren alzoo voor-i zich had aantemelden op 't kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Wat z'n diligentie in dit opzicht aangaat kon dus dokter Holsma die zoo byzonder had aangedrongen op belangstelling in de plichten die onmiddellyk vóór hem lagen, met ter-zydestelling van utopien en fantastische begeerten, volkomen tevreden zyn. Maar hyzelf zag in, dat het vroeg opstaan alleen, niet veel beduidt. Hy moest ook, en vooral, zich uitsluitend bezig-houden met het dagelyksche, maar juist deze plicht viel hem zoo moeielyk. Gelyk te verwachten was, voerde hy 'n zeer zwaren stryd tegen de byna onbedwingbare neiging tot afdwalen. Niemand is beter in-staat dit te begrypen dan de lezer, die na al 't vorige wel evenveel moeite hebben zal als Wouter-zelf, om belangtestellen in 't kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.
--Zeker, zeker, dacht hy--nu-en-dan overluid--ik zal braaf oppassen, en terdeeg m'n best doen, en werken tot ik moê ben, en zorgen dat ieder tevreden over my is, maar... zou ik nu daarom niet eerst Femke eens mogen spreken? Zou dàt nu oorzaak kunnen zyn, dat ik m'n plicht in den handel verwaarloosde? Mag ik haar niet gaan zeggen dat ik weet waar ze m'n prent bewaart, en... wie zy eigenlyk is? En mag ik niet vragen aan Vrouw Claus, wie haar in 't hoofd gezet heeft dat ik op 'n paard reed? En dat ik 'n sabel op-zy had... 'n kleintje, zei ze. Nu, klein of groot, ik wou dat het waar was, maar... hoe komt ze 'r aan?
En... dat Stakkervrouwtje?
En... dat portret!
Ik wil en zàl denken aan m'n werk, alleen aan m'n werk, en aan de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Straks ga ik naar hun kantoor, en zal daar mooi schryven, en goed rekenen, want... ik ken den heelen "Strabbe" en moeielyker dan van Strabbe, zullen de sommen op zoo'n kantoor toch wel niet wezen, denk ik. En al was dit zoo, dan zal ik... neen, neen, moeielyker dan van Strabbe zyn de sommen op zoo'n kantoor zeker niet! Zouden nu zulke heeren-zelf ook den heelen Strabbe doorgewerkt hebben? Wie heeft hen daartoe aangespoord toen ze jong waren. Dat ik de eerste ben geworden by Pennewip, heb ik aan Femke te danken. Waarom toch vertelde zy aan haar moeder, dat ik 't knapste jongetje van de school was? Want dat was niet waar... o, in lang niet! Later... ja, toen ik 't geworden was om haar pleizier te doen. En nu zegt dokter Holsma dat ik veel te weinig weet, en pas beginnen moet iets te leeren. En dat ik nog wel tien jaar lang, of veel langer nog, aan niets mag denken dan aan m'n werk! Alle Grieken zullen vermoord zyn, voor ik 'n wezenlyke man ben. En... Femke zal trouwen met 'n matroos, of 'n timmerman, of... met 'n schipper die 'n bonte muts draagt, of... met 'n prins, als ze wil!
Die man scheen veel ontzag voor haar te hebben, en de ander ook. Och, hoe prachtig stond zy op die tafel! Wie zou gedacht hebben, dat ze zoo... grootsch was! Maar... wat kwam zy eigenlyk uitvoeren in zoo'n drukte! Dat ze dapper was, wist ik wel, maar... zóó! En in de komedie! Ik begryp heel goed, waarom de keizer haar groette. Hy vond het zeker aardig, dat ze zoo durfde. In die heele Scylla was niets dat uit de verte halen kon by háár. Dit zal de keizer ook wel begrepen hebben, en dáárom heeft hy haar gegroet.
Zoodra ik heelemaal groot ben--ik meen: als ik den handel versta, want daarop zal ik nu wezenlyk me allereerst toeleggen... dat zàl ik!--nu, later dan, wil ik ook eens 'n treurspel maken, en zóó dat ook de keizer er naar luistert, hy, de prinsessen, en 't Volk, en allemaal! Ik zal er iets inbrengen van 'n geroofd schild, en ... Femke zal het terugbrengen ... zy, of ik, of ... wy samen. Ja, zóó zal 't wezen, juist andersom dan in Scylla. En ik wou m'n stuk wat minder laten rymen, want het klinkt alsof de menschen elkaar voor gek houden. En ik heb duidelyk gemerkt dat ze soms heel wat anders zeggen dan ze eigenlyk meenen, alleen om dat rym. En telkens wist ik wat er volgen zou, want als de een wat zei van z'n hart, vertelde terstond 'n ander iets over z'n smart. 'n Enkele keer hindert het niet, maar op-den-duur is 't heel vervelend. Dat zei dan ook die Focus: weerhou die redenen, prinses, die my vervelen. Ik geloof niet dat 'n grieksche held ooit zoo iets kan gezegd hebben, want al nam hy er geen genoegen mee dat z'n beminde voor hem stierf--ik zou 't ook niet toestaan--dat was geen reden om haar zoo onvriendelyk toetespreken. Misschien was 't weer om 't rym. Daarom zal ik niet rymen in m'n treurspel. Niet altyd, tenminste. Als ik nu maar lang genoeg leef om zoo-iets te mogen beproeven, en als zy maar niet vóór dien tyd ...
Sla neer dat oog dat my mezelf ontrooft, My weglokt van de taak die op me rust. Gy zweeft, en wenkt, en wyst op hooger doel, En tracht me wegtestelen van m'n plicht ... Ik mag niet, Femke! Ik smeek je, vlucht niet heen Omdat ik altyd nog mezelf niet ben, En niet mag luistren naar uw stem. Ik moet, U ziende, blind zyn ... doof als gy me roept. En stom, als 't hart me berst van drang tot uiting. Want, Femke, ik ben een kleine jongen nog, Die leeren moet, en leeren, altyd leeren, En leeren, leeren, leeren, leeren, leeren ...
--Wat mankeert je, Wouter? vroeg Laurens. Zeg je versjes op?