De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz
Chapter 13
--Neen, m'n jongen, dat meisjen is Femke niet.
--Maar... ze heeft my gegroet!
--En de keizer háár. Je begrypt toch wel dat hy geen waschmeisje groeten zou?
Zeker! Dit was moeilyk te veronderstellen. Maar even vreemd kwam het Wouter voor, dat die... prinses 'n nicht wezen zou van dokter Holsma. Op-nieuw meende hy te bemerken dat het meisje hem toewenkte, en dat ze haar lippen bewoog. Naar die beweging te oordeelen, kon ze best gezegd hebben: myn broeder! Wouter hield het er voor, en lispte die woorden na, en drukte beide handen styf tegen de borst, als om 'n kostbaarheid te bewaren die zoo-even daarin was neergelegd.
In-weerwil van z'n hoogachting voor dokter Holsma, was het hem onmogelyk diens verzekering te gelooven, dat het jonge meisje daar-boven eene andere was dan de door hem verloochende dochter van Vrouw Claus. Hy knoopte de voorvallen der laatste uren zoo goed mogelyk aan elkander, en meende te begrypen hoe hy door z'n drift aan die Kaatje aanleiding had gegeven tot 'n zonderling bericht van wedervaren. Men had hem voor krankzinnig aangezien, letterlyk: voor gek gehouden, en wilde nu hem afleiden van 'n idée fixe. Daarom ook die uitnoodiging tot het bezoeken van den Schouwburg, en Femke's voorgewende weigering om meetekomen met Oom Sybrand, die van zyn kant op deze reeds lang afgesproken weigering had voorbereid. Zeker had de dokter haar den wenk gegeven, wanneer ze dan toch ook iets zien wilde van al die pracht en vreemdigheid, ergens anders plaats te nemen dan in 't parterre. 't Was voor zyn ontroerd gestel beter geoordeeld, dat ze nu juist niet naast Wouter kwam te zitten, die haar verloochend had, en daaronder zoo leed! Misschien had men daar in die hoogste loge 'n plaats voor haar opengehouden, en die kommissaris van policie ...
Maar ... hoe durfde zy dien man zoo onzacht storen in de al te welwillende uitoefening van z'n funktie? Hem 't gezag uit de hand nemen? En ... die groet van den keizer? En ... vanwaar wist Holsma dat hy haar verloochend had, en dat haar tegenwoordigheid de kalmte van z'n gemoed bedreigen kon?
--Och, m'nheer, laat Femke maar gerust hier zitten ... ik zal heusch heel bedaard wezen! Ik ben zoo bang dat men haar kwaad zal doen, daar-boven onder al die ruwe menschen!
Holsma zag hem vorschend aan. Zou dan toch die Kaatje gelyk hebben gehad? Hy vond nu goed, Wouter niet langer tegentespreken in z'n meening omtrent de identiteit van de verschyning, en trachtte door eenige onverschillige opmerkingen z'n aandacht en gewaarwordingen afteleiden. Het toeval wilde dat hy hierby 't woord "engelenbak" gebruikte, dat ook den niet-amsterdamschen lezer nu zeer gewoon klinkt, omdat ik het reeds verscheiden malen gebruikt heb, doch den nuchteren Wouter geheel vreemd was.
--Juist, viel hy den dokter driftig in de rede. Juist: engelenbak! U ziet dus wel, m'nheer, dat het Femke is!
Ook deze konklusie klonk weer zonderling in Holsma's oor. Al te zonderling zelfs, om nu te laten bemerken dat hy er niets van begreep. En om Wouter te bewaren voor nòg meer opwinding, gaf hy toe.
--Wel zeker, jongen, dat zeg ik ook. Ik wou je maar 'n beetje plagen. Femke zit dáár, omdat ze ... niet gaarne hier wil zitten. Ze meent dat ... het zoo raar zou staan, omdat ze maar 'n waschmeisjen is. En dat wy ons schamen zouden over de verwantschap zieje!
--O, m'nheer, niemand behoeft zich te schamen naast Femke te zitten. Zelfs de keizer niet! En ... God niet!
Ei, Petrus!
--Ja, ja, suste Holsma. Precies! Zóó is het! Wie braaf en goed is, hoeft zich voor niemand wegtestoppen. Kyk nu maar verder naar 't stuk, m'n jongen.
Wouter wilde gehoorzamen, doch niet voor z'n oogen afscheid hadden genomen van de heerlyke verschyning. Nog eenmaal zag hy op. Zy wenkte hem toe, nam 't takje met drie rozeknopjes van de borst, hield het eenige oogenblikken tusschen duim en voorvinger van de linkerhand, wees met de rechter op Wouter, en liet het vallen. Het kwam--niet te-recht, o goden, maar neer toch!--op 'n dikken heer in Wouter's buurt, die 't aangreep, en heel verwonderd keek. De man leek niet op rozeknopjes, en z'n verbaasd gezicht scheen te vragen: wat doe ik daarmee? Vóór-i evenwel zichzelf 'n bruikbaar antwoord op deze vraag geven kon, was Wouter van z'n plaats gesprongen. Hy wipte langs en over 'n paar buren en banken, greep 't gulden vlies dat den valschen Jason zoo in verlegenheid bracht, en drukte het, opziende naar den engelenbak, aan z'n lippen. Overal elders dan te Amsterdam, zou 't publiek geapplaudisseerd hebben. Hier deed het de Palatine, vooral toen prinses Erika knikte: "dat ze 't juist zóó gemeend had!"
Dit was meer dan Wouter's geschokt gestel verdragen kon. Nooit zou hyzelf zich 't verloochenen van Femke vergeven, maar nu had zy, de edelmoedige, de groote, de majestueuze, hem vergiffenis geschonken ten-aanzien van 't gansche Volk! O, dààrom wilde zy bóven zitten, zoo hóóg ... in den engelenbak! Zy had de vlek van z'n ziel gewischt, z'n geschonden riddereer hersteld ...
By deze gedachten die hem als bliksems door 't hoofd schoten, viel hy flauw. Was 't wonder?
Holsma nam hem mede naar zyn huis, en liet aan juffrouw Pieterse berichten dat de jongeheer Wouter ...
--Zieje wel, Stoffel, net wat ik gezegd heb! Ieder mag 't weten: het kind leseert effectief by dokter Holsma op de Kolveniersburgwal. Trui, denk er aan dat Leentje morgen ochtend zout haalt in de kommeny, want ... werachtig, 't kind leseert er!
Ariadnisme met modern-burgerlyke verwikkeling. Treurzang over de hedendaagsche onbruikbaarheid van wonderen. Wouter krygt les, en wordt--als de lezer--uitgenoodigd zich 'n tydje te spenen van romantiek.
Het is me zeer moeielyk, te berekenen hoeveel van m'n lezers genoeg menschelyk gevoel hebben uitgeschud, om niet te schreien by de ongelukken van juffrouw Laps. Als het medelyden dat ik voor haar inroep, gering is, wyt ik dit aan te groote geleerdheid. Het schynt wel dat de belezen mensch onzer dagen z'n gevoelighedens heeft opgemaakt aan mythologie, romantiek en bybelkennis. Hy heeft zich moê getreurd op 't legio modellen van verlatenheid, die ons sedert eeuwen geleverd zyn in profane en heilige Schriften. De tranen alzoo waarop juffrouw Laps 'n onmiskenbaar recht heeft, en die haar ook niet zouden geweigerd zyn door naïver toeschouwers of lezers, zyn de buit geworden van Medea, van Fedra, van Asnath, der vrouwe Potifars, van Ariadne op Naxos, en dergelyke persoonlykheden meer, waarvan er toch geen enkele by ons Lapsjen in welbegrepen rampspoed halen kon. Ze was, zy by-uitnemendheid, wat de romanschryvers gewoon zyn met sierlyke spraakwending: "de ongelukkigste der vrouwen" te noemen, en haar door Wouter zoo schichtig verlaten boven- voor- onder- achter- insteekkamer, 'n ware tempel van verschillende smarten.
Het is geenszins m'n bedoeling, Wouter boven Jozef, Theseus, Jason of Hippolytus te stellen. Apollo beware my voor de by auteurs somwylen voorkomende apenliefde, die hen in hun helden altyd de "belangwekkendste der stervelingen" doet zien. De lezer zal erkennen dat ik genoeg moed en plichtbesef heb, om m'n jongetje nu-en-dan niet zeer malsch te behandelen. Neen, niet in Wouter's verdienste zoek ik den maatstaf voor de wanhoop der verlatene. En ook zyzelf voedde haar verdriet niet uitsluitend met 'n droevig staren op de waarde van den verloren schat. De hem kwalificeerende benamingen die ze 't weggeloopen heil namurmureerde, getuigden meer van vinnige verstoordheid dan van byzondere waardeering. Er bestond iets geheel anders, dat met volle recht haar verstoordheid stempelde tot wrevel, en zelfs tot woede. Met gepasten eerbied voor de smart van al die andere dames, meen ik te mogen in 't midden brengen, dat er onder die gansche weenende vrouwenschaar geen enkele zoo'n gek figuur maakte tegenover de respektieve verwanten van haar verlaters, als juffrouw Laps. Ze moest Wouter verantwoorden aan z'n familie. Dàt was het!
De zonderlingste plannen gingen haar door 't hoofd. Hoe zou 't zyn, als ze vertelde dat-i was "weggenomen" van voor de oogen des Volks, en opgevaren in 'n gloeiende diligence? Ze verwierp dit denkbeeld, uit zeer gegronde vrees dat men haar niet gelooven zou. Onder alle wonderen zyn er maar weinig zoo ongeschikt tot dagelyksch gebruik, als hemelvaarten. Zelfs Politie en Justitie gelooven er niet aan, dit zy gezegd zonder 't minste wantrouwen op de historische grondslagen van de christelyke godsdienst, die zulke zaken niet missen kan zonder in elkaar te storten als 'n slecht gebouwd kaartenhuis. Het zal den godsdienstigen lezer genoegen doen, te ontwaren dat ik in dit opzicht geheel-en-al 't gevoelen aankleef van den zeer heiligen Paulus. (I Corinthen, XV, vs 14.)
Dus: géén hemelvaart! dacht onze Ariadne, met bedroevend verstand! Maar... wat dan?
Ze begon met wachten of haar Theseusje misschien zou terugkeeren? Het was haar niet duidelyk geweest, of hy in die kroeg geraakt, dan wel gebleven was onder de volksmenigte die er vóór stond. Misschien ook had deze of gene stroom van de joelende menigte hem meegevoerd. Hm... hoe vèr? 't Land uit? Naar... Amerika of 't peperland? Dit zou zoo kwaad niet wezen, vond ze, want eigenlyk was ze nu meer angstig voor z'n terugkeer by de zynen, dan begeerig naar zyn wederkomst by hààr. De oorzaak is ligt te vatten. Wat zou Wouter vertellen aan z'n verwanten? Tot haar groote teleurstelling was z'n medeplichtigheid niet ver genoeg gegaan, om hem bescheidenheid inteboezemen in z'n eigen belang, en 't schepsel stond te laag om kiesheid te verwachten uit oorzaken van anderen aard.
Om by 't schriftuurlyke te blyven, zon ze, na 't verwerpen van de gedemodeerde luchtvaart, op 't aanwenden der egyptische methode van Asnath. Helaas, daarby is de verrukkelyke naïveteit van Potifar onmisbaar, en ze had menschenkennis genoeg om te berekenen dat noch Stoffel, noch z'n moeder, noch zelfs een van Wouter's zusters, onnoozel genoeg wezen zouden om zich te laten vangen in 'n strik van zoo verouderd maaksel. Zeker zou er blyken dat haar zeer bekend "Geloof" eer 'n wapen tégen haar opleverde, dan 'n schild waarachter ze schuilen kon. Want, lezer, de achtbaarheid van de goddienery is wat versleten. Ze voorzag dat men meer vertrouwen stellen zou in Wouter's ... kinderachtigheid, dan in haar gescherm met "Schrift" of "Heer" en hierin had zy alweer volkomen gelyk. De tyd nadert, dat men zeggen zal: "ziedaar iemand die niet gelooft, en toch 'n schelm is." Dit "toch" zal beter op z'n plaats staan dan 't arme woordje gewoon is, daar we 't nu meestal zien misbruiken om betrekkelyke verdorvenheid en wèl gelooven--zaakjes die zeer na aan elkander verwant, en dikwyls zelfs identisch zyn--in tegenstellend verband te brengen.
Uit spyt en woede beet onze martelares haar nagels af, en vervloekte al het volk dat daar onder haar vensters nog altyd nafeest vierde van 'n feest dat er niet geweest was. Ze vleide zich eenige oogenblikken met de hoop haar deserteur in 't oog te krygen, en nam zich voor, als 't lukte, hem unguibus et rostris in haar nest te slepen, niet om 't genoegen van z'n gezelschap nu, maar om te voorkomen dat-i naar z'n eigen huis ging, en daar meer vertelde dan haar aangenaam was. Doch ze slaagde er niet in, Wouter te ontdekken, en vermoeid van staren schoof ze eindelyk haar venster toe, juist 'n oogenblik te vroeg om den wagen te zien wegryden, waarin prinses Erika zich liet brengen naar 't paleis op den Dam.
Schoon de morgenstond reeds lang was aangebroken, begreep onze Laps dat het te vroeg was om reeds nu naar de Pietersens te gaan. En bovendien ... wat zou ze daar zeggen? Dat haar riddertjen in 't holst van den nacht was weggeloopen? Waarheen? Waarom? Wie verzekerde haar, dat niet reeds 't heel schandaal door hemzelf was bekend gemaakt, en dat alzoo Vrouw Asnath ditmaal visschen zou achter Jozef's net? Och, hoe pynlyk!
Ze besloot ... niet te besluiten, en de zaak nog 'n paar uurtjes overtelaten aan den "Heer." Met deze verzuchting besteeg ze haar maagdelyke koets, 't frigidum lectum waarover 'n latynsch dichter de eenzame Penelope laat klagen in den zevenden regel van haar brief aan Ulysses. Als juffrouw Laps latyn gesproken had, zou ze waarschynlyk ook zoo-iets gezegd hebben. De lezing van de twee regels die Ovidius laat voorafgaan, luidde nu in háár mond: "ik wou liever dat de kwajongen z'n nek had gebroken op de manier van hoogepriester Eli in 1 Samuel, IV. Maar de weldadige wonderen zyn de wereld uit. Die vervlll...oekte zevenklapper!"
En nu, gewillige Muze, leid ons terug naar den Pietersburg! Blaas my in, wat daar geschiedde gedurende Wouter's romantische omzwerving, en zorg dat m'n taal niet al te ver sta beneden de waardigheid van 't onderwerp! Wy weten reeds, o Clio, hoe de slotvoogdes haren spruit had zien uittrekken tot bescherming zyner geïmprovizeerde dame, en hoe zy hem wel geen zegenbeden, heilwenschen of gewyden sjerp meegaf, maar 'n slaapmuts toch, en den bekenden sitsen nachtpon. Wy weten hoe Jonker Stoffel, erfstadhouder van den familieroem...
Komaan, laat ons liever de zaak heel eenvoudig behandelen. Die Muze kan wegblyven. Juffrouw Pieterse was den bewusten vrydagavend naar bed gegaan als gewoonlyk. En de rest ook. Van akelige droomen is me niets gebleken. In m'n archieven vind ik geen spoor van angst over 't vreeselyk gevaar waaraan men Wouter zoo onbedacht had blootgesteld, misschien wel omdat dit gevaar z'n verwanten ten-eenen-male onbekend was. Juffrouw Laps had waarlyk niet noodig gehad haar opzetje zoo fyn intekleeden, en 't overslaan van Wouter's naam by 't oproepen van de ridders wier bescherming zy beweerde noodig te hebben, was 'n overbodige weelde van staatkundery. Dank zy de domheid der Pietersens, ze zou by veel grover behandeling van zaken, even goed haar doel bereikt hebben. De voornaamste aandoening die haar onbegrepen taktiekje te-weeg bracht, sproot voort uit den afkeer dien hare geheele persoonlykheid inboezemde, en volstrekt niet uit achterdocht omtrent haar byzonder plan. Aan zoo-iets werd by de Pietersens niet gedacht. De oorzaak hiervan lag volstrekt niet in zedelyke hoogte, maar geheel-en-al in laagte van verstandelyke ontwikkeling. Zekere lieden zouden omtrent Mensch en Wereld veel te leeren hebben, voor ze 't standpunt van beredeneerd vertrouwen bereiken.
En ook van de geestige onwetendheid die we naïveteit noemen, was hier geen spraak. Dat de Pietersens voor weinigen uit den weg behoefden te gaan in onkunde, moge waar zyn, maar geestig waren ze niet. Ze hadden in dit byzonder geval alleen hierom niets ergs gedacht, omdat ze gewoon waren in 't geheel niet te denken, en deelden dus de verdienste van 't vertrouwen, met Wouter's muts die er ook geen kwaad in zag, juffrouw Laps 'n paar uurtjes gezelschap te houden. [12]
--Ik begryp om al de wereld niet, waar de jongen zoo lang blyft? zei de moeder.
--Hy zal niet vroeg opgestaan wezen, en misschien laat ze hem by 't ontbyt 'n kapittel uit de Schrift lezen.
Aldus Stoffel. En de familie berustte zonder veel inspanning 'n half-uurtjen in die bemoediging.
--Wat zou je-n-'r van zeggen, als jyzelf er eens heenging? stelde eindelyk juffrouw Pieterse voor.
--'t Zal moeielyk gaan, moeder! Want ... uwe weet, het is niet in den weg van m'n school.
Dit argument voor non-interventie was volkomen geldig. Men moet nooit iets doen wat niet op z'n weg ligt. Ziehier een der liefelyke kanten van 'n welbegrepen konservatismus. Stoffel zelf wist niet hoe diep de zin was van z'n staatkundig grondbeginsel.
--Maar... als we dan Leentjen eens daarheen zonden, om te vragen waar de jongen blyft?
Dit werd goedgekeurd. Leentje ging, en kwam weldra terug met de boodschap dat "Wouter waarschynlyk 'n wandelingetje maakte."
Zóó namelyk had juffrouw Laps in den angst van haar hart gezegd. En 't was niet geheel-en-al onwaar. Wouter was inderdaad na z'n vertrek uit haar woning, terdeeg aan 't wandelen geraakt... de lezer weet het. Maar juffrouw Laps verzuimde wyselyk, er by te zeggen waaròm hy 'n wandeling deed, en op welk uur hy haar verlaten had. Leentje had geen erg er naar te vragen, omdat het vanzelf scheen te spreken dat-i niet was uitgetogen in 't holste van den nacht. En zóó ook werd de zaak door z'n moeder en zusters opgevat. Ze kwam dus eenvoudig neer op een van de zonderlinge gewoonten van Wouter, waarover men zich zoo dikwyls te verwonderen had.
--Daar heb je 't weer! zei de moeder. De last die ik van dàt kind heb ... kyk! 'n Ander maakt 'n kuiertje na den eten, niet waar? En hy ... wat doet-i? Hy loopt rond in den vroegen morgen. Ik vraag jezelf nu, Stoffel, of dat 'n manier van doen is?
--Né, moeder!
--En ons hier in angst te laten zitten!
--Ja, moeder!
--Zieje, 't is toch weer heel erg van hem. Hy moest begrypen dat we hier allemaal in doodelyke ongerustheid ... god weet waar-i nu weer rondloopt?
--Zeker, moeder! En nu is 't tyd voor m'n school. Dag, moeder!
Stoffel vertrok. Van dien angst en die ongerustheid was geen woord waar. Deze klacht hoorde er zoo by, meende de familie, overigens niet de minste blyken gevende van bekommering over Wouter's lot. Ook hier alweer speelden onkunde, onwetenheid en traagheid haar gewone rol. Het kòn immers zyn dat den knaap 'n ongeluk overkomen was? Z'n moeder vond het gemakkelyker hem te beschuldigen van onbehoorlyk gedrag, dan ernstig te onderzoeken waar-i beland was. En hierby bleef het, tot dokter's Kaatje kwam.
De lezer weet hoe Holsma z'n koetsier gelastte 'n oogenblik optehouden voor Wouter's woning, ten einde dat meisje gelegenheid te geven tot uitstappen. Alles was haastig naar 't venster geloopen ...
--Daar is-i, daar is-i! riep de heele familie om 't hardst, hy zit zoowaar in dokter's koets!
Deze opmerking verdreef alle andere indrukken, en Kaatje's geruststellende taak viel byzonder ligt. Eigenlyk had ze niets hoeven te zeggen. 't Kwam er niet meer op aan, waar Wouter geweest was ... nu reed hy in 'n koetsje. In's hemelsnaam, wat wil men meer?
--By dokter ontbeten? Gut, mensch, wat zeg je! En ... en ... waarom heeft de koetsier z'n beeremuts niet op?
De verwonderde Kaatje beriep zich op 't saizoen, en vond de ontvangst die haar te-beurt viel, zeer zonderling. De verdenking die zy koesterde omtrent Wouter's geestvermogens, ontving nieuw voedsel door de vreemde manier waarop haar boodschap beantwoord werd. 't Scheen wel dat de heele familie ... 'n beetje ...
--En heeft-i wezenlyk by dokter ontbeten? Begryp eens, Trui ... ontbeten!
--J...a, juffrouw, hy heeft by ons ... ontbeten! O ja, zeker, ontbeten ... m'nheer heeft het gezegd.
--By den dokter? En ... ontbeten, zeg je? Op den Kolveniersburgwal?
--Wel zeker! Waar anders? Maar ... wat zou dat?
--En ... is-i wel fatsoenlyk geweest?
--Gut ja, juffrouw, maar ...
--En nu zit hy met den dokter in de koets?
--Wel zeker, juffrouw! Maar ...
--Hoor 'ns hier, vryster, ik zal jou eens wat zeggen, maar je moet er niemand overspreken. Hy is 'n zonderling kind, weetje ...
--Ja, zuchtte Kaatje, volkomen overtuigd. Dàt weet ik!
--Zoo? Weetje 't? En weetje-n-ook waarom? Dàt zal ik je nu eens vertellen. Hy is zoo'n zonderling kind, omdat--ga jy even op-zy, Petrò, en jy ook Mine ... Trui kan blyven, maar kyk op je werk!--hy is zoo zonderling en dingsig, weetje, omdat ik, toen ik zwaar van 'm was ...
--Gut, juffrouw!
--Ja, vryster! Toen heb ik gedroomd van 'n kapel die 'n olifant voorttrok. Begryp je 't nu?
--O ja, ja, ja, precies, juffrouw! Ik begryp 't nu heel best.
--Zie je? En daarom ... doe de komplimenten aan den dokter, en zeg dat ik wel laat bedanken. 't Is nu maar te hopen dat-i fatsoenlyk is ... Wouter, meen ik. Gut, draagt de koetsier zoo'n muts alleen in den winter?
Kaatje maakte dat ze wegkwam. Ze nam zich voor, nooit van kapellen en olifanten te droomen. Zoo'n uitspatting van den geest kwam haar zeer gevaarlyk voor, want ze begon nu in allen ernst te meenen dat de heele familie gek was, en dat zy in Wouter daarvan slechts 'n klein staaltje gezien had.
Toen, eenige uren later, de dokter-zelf zich de moeite gaf juffrouw Pieterse te komen geruststellen, kende de vreugd over Wouter's verheffing geen grenzen. Holsma bestudeerde deze en andere zotternyen, en maakte van z'n opmerkingen gebruik by 't bepalen van den geestelyken leefregel dien hy Wouter straks zou voorschryven, een dieet dat hy nog meende te moeten inkrimpen na 't voorgevallene in den Schouwburg.
Wat juffrouw Laps aangaat, zyzelf wist niet hoe goed alles buiten haar toedoen geschikt was. Ze hield zich den heelen dag bezig met onnoodig gepeins over de mogelykheid om 't ding te redden, dat ze--wel eenigszins met verkrachting van den zin--haar "eer" noemde. Daar zy evenwel tot geen besluit kwam, bewaarden de gunstige goden haar voor 't nemen van maatregelen die juist andersom zouden gewerkt hebben dan de eisch was. Ze deed niets, en door 'n byzondere welwillendheid van 't lot, was dit de beste party die ze kiezen kon. 't Spyt me voor sommige lezers, dat haar veroveringstocht niet tragischer afliep. Maar de moraliteit wint er by. Ik gis dat Fancy 't gemeene schepsel de belangwekkende smart niet gunde, van de kastyding die ze verdiend had. Een paar dagen angst was voor haar peccadille volkomen genoeg. 't Spreekt vanzelf dat ze nog altyd bleef vreezen dat Wouter haar aanklagen zou.
Wouter was inderdaad dien saturdag-nacht by de Holsma's gebleven. Den volgenden morgen vroeg nam de dokter hem by zich op de studeerkamer, en sprak hem vriendelyk toe. Hy moedigde den ontluikenden jongeling aan, hem zoo goed mogelyk te vertellen wat er in z'n gemoed omging, doch onthield zich zorgvuldig van alles wat Wouter in de meening zou kunnen brengen dat-i byzonder was. Het spreekt overigens vanzelf, dat hy meer begreep dan Wouter zeggen kon. Ook de niet zeer handig overgeslagen geschiedenis met de onnoozele verleidster, lag hem klaar voor oogen. Hy luisterde naar Wouter's ontboezemingen, als naar iets zeer bekends, en stelde z'n onbegrensde eerzucht--of liever z'n voorbarige en overspannen zucht naar 't goede: z'n God-zyn--als 'n gewoon verschynsel voor, dat uit de levensperiode voortsproot, en... dat uit den weg moest worden geruimd. Ook Wouter's liefde voor Femke, behandelde hy als 'n zeer gewone zaak. Om aan al deze geringschatting zooveel doenlyk de pynlykheid te ontnemen, haalde hy gedurig z'n eigen ondervinding aan, en verklaarde zichzelf schuldig aan de fouten die hy in Wouter meende te moeten gispen, een methode die nog altyd veel ouders en opvoeders onbekend schynt te zyn. Ook Jezus heeft over 't hoofd gezien dat men zich bukken moet om te kunnen opheffen. Of werd hem die terugstootende heiligheid aangewreven door vervalschers? Meenden zy misschien dat de zondeloosachtigheid die hem zoo volstrekt onbevoegd maakte tot voorganger, als onmisbaar bestanddeel van z'n goddelyke natuur moest worden voorgesteld? Zagen ze niet in, dat de voorgewende verheffing tot méér dan Mensch, 'n verlaging was beneden 't peil der Mensheid, die juist aan den specifisch-menschelyken stryd tegen afdwaling, haar hoogheid te danken heeft? Dat ook hier alweer 't onbruikbaar-goddelyke uitloopt op ongerymdheid, spreekt vanzelf.