De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz

Chapter 11

Chapter 113,881 wordsPublic domain

Na Holsma's vertrek vernam Wouter een-en-ander dat hem veel belang inboezemde, omdat Femke's naam daarby genoemd werd. Ook zy zou den schouwburg bezoeken, werd er gezegd, en uit de gesprekken aan de theetafel bleek hem, dat de verhouding tusschen 't gezin dat hem zoo aanzienlyk was voorgekomen, en 't betrekkelyk arme bleekmeisje, allergemeenzaamst was. Mevrouw Holsma liet haar door Sietske uitnoodigen binnen te komen, maar zy antwoordde dat ze liever by den kleinen Erik wilde blyven, met wien ze juist zoo prettig aan 't spelen was. "Erik?" dacht Wouter.

--Dat verwachtte ik wel, zei mevrouw Holsma. Daarom ook was ze van-middag niet aan tafel. Ze blyft liever by 't bedje van den kleinen jongen.

--Ook houdt ze niet van ons eten, riep Sietske. Ze klaagt dat we te lang aan-tafel zitten.

--De komedie zal haar ook niet bevallen, was de meening van Willem. Ze is 'n beste meid, maar staat wat styf op haar stuk, vindt u niet, mama?

--Ieder moet handelen naar z'n overtuiging, en mag handelen naar z'n smaak, zei de moeder. Fem is te braaf en te flink om haar in iets te dwingen.

--Dat zou ze zich ook niet laten doen! was hierop de algemeene opinie.

--Zeker niet! Gelukkig dat het niet noodig is. 't Blyft nog altyd de vraag, of ze van-avend komen wil. Ikzelf ging ook liever niet, maar 't moet wel!

Wouter bespeurde dat er 'n byzondere reden bestond, waarom de moeder "anders liever by den kleinen Erik blyvende, die de mazelen had" ditmaal de familie vergezellen zou naar 't Leidsche-Plein. Slechts 'n klein uurtje zou ze blyven, werd er gezegd, en dan met Oom Sybrand huiswaarts keeren, om Femke aftelossen in de kinderkamer. Het meisje zou dan met hem terugkomen. "Als ze wil" werd er telkens by gezegd, alsof men dit zeer twyfelachtig bleef vinden.

--Ik noem 't koppigheid! zei Willem. Ze wil ook geen behoorlyke japon aantrekken, en met ons op-en-neer gaan...

--Ja, antwoordde de moeder, 'n dame wil ze nu eenmaal niet worden. Wat is er aan te doen?

--Koppigheid!

--Dat 's de vraag! Zy is zeer verstandig, en ziet misschien in, dat de verhouding met haar moeder pynlyk worden zou wanneer ze van stand verwisselde.

--En met tante Siet! riep Herman.

Dat is zeker 't Stakkervrouwtje, kommenteerde Wouter zwygend. En: "'n zonderlinge familie!" dacht-i er by.

--Bovendien, ging de moeder voort, het veranderen van stand gaat zoo makkelyk niet! Hiertoe is meer noodig dan kleeren...

Ach ja, dacht Wouter, men moet onder anderen ook weten wat sjalotten zyn, en hoe men zoo'n artisjok eet! Want over die twee voornamigheden was-i zoo-even gestruikeld.

...als onze Fem dat gewild had--of liever, als haar moeder 't gewild had toen Femke nog 'n kind was--dan hadden we daarmee heel vroeg moeten beginnen. Maar nicht Claus zou haar zeker niet uit 'r handen hebben gegeven. Ze had er te veel hart toe. En nu heeft Femke te veel hart, om te betreuren dat ze maar 'n bleekmeisjen is.

--Ze is... intens trotsch! zei Willem, niet zeer ontevreden dat-i dit mooie adverbium eens terdege plaatsen kon.

--Ja, ze is... heel trotsch, korrigeerde de moeder. Te trotsch om iets anders te willen zyn dan ze-n-is. Ze zou niet willen ruilen met 'n prinses...

Ruilen? Neen! dacht Wouter. Maar ... zelf prinses wezen, koningin, keizerin... en dat alles door hèm? Dat zou heel iets anders zyn! Hy vond het onderscheid... intens! En wanneer al die zaken geheel-en-al geregeld waren naar z'n zin, dan ... nu ja, dàn mocht prinses Femke van pozitie ruilen met 'n bleekmeisje! Want... wat geeft ware liefde om stand?

Zoo liet hy zich foppen door z'n nog altyd kinderachtigen en dus zeer onvolkomen hoogmoed. En daarom noemde ik z'n liefde: zoogenaamd. Hy moest nog veel groeien voor-i geheel-en-al de hoogte bereikte, waarop voorbygaande aandoeningen hem voor 'n oogenblik plaatsten.

--En, vroeg Herman, we zullen in den bak zitten van-avend?

--Ja de loge is... onteigend, antwoordde mevrouw Holsma lachend. Dat moet men over-hebben voor souvereinen. De heele Schouwburg-direktie zakt van-avend naar 't parterre af, en misschien zelfs de burgemeester.

--Hy moet den Keizer ontvangen en binnenleiden...

--Ja, en wordt dan waarschynlyk uitgenoodigd, plaats te nemen in de keizerlyke loge...

--Dan kan-i Z. M. het stuk uitleggen... den Floris! En Z. M. kan er uit leeren wat de plichten zyn van Vorsten...

--En van Volkeren!

--En van dichters!

--En dat men nooit 'n souverein vermoorden mag!

--Deze maxime zal Z. M. heel aangenaam wezen! Ze is allergezondst voor koningen en keizers.

--Als-i de zaak maar goed vat!

--We willen hopen dat de dichter gezorgd heeft voor 'n duidelyke fransche vertaling!

--Als Z. M. maar weet by welke passages hy moet bedanken met 'n knikje.

--Onze burgemeester zal hem wel waarschuwen.

--Zeker! "Sire, pas-op, dat gaat jou aan!" En dan moet de Keizer zich houden alsof hy wat van 't stuk verstaat. Wat 'n treurig métier!

--Wat moet-i wel denken van onze dichters!

--En van onze vaderlandsliefde!

--En van ons karakter!

--Och, zulke hooggeplaatste personen zyn aan laagheid gewoon. Wat niet kruipt, komt niet tòt hen.

--'t Moet hun zeer moeielyk vallen, de mensheid te achten. Ze zien er altyd het leelykste van, en zyn wel genoodzaakt de rest daarnaar aftemeten.

--Zeker heeft men den Keizer wys-gemaakt dat die Bilderdyk 'n heele kerel is!

--Natuurlyk! De nederlandsche gewone of huis-bard, de amsterdamsche Ossian, de volksliereman by-uitnemendheid!

En de heele familie berstte in lachen uit. Willem verhaalde nu iets van 'n romeinschen keizer die 't menschelyk geslacht één kop toewenschte, om het te kunnen onthoofden met één slag...

--'t Klinkt bar, zei Oom Sybrand, die binnentredende de laatste woorden gehoord had. Maar als boutade is zoo'n uiting begrypelyk. De tyd nadert dat de Volkeren 'n gelyk lot zullen toewenschen aan de souvereinen, en met even weinig of even veel recht. Men kent elkaar niet! Hovelingen en boekenmakers stoken misverstand.

--Gaat de Floris door?

--Neen, goddank! De souvereinen zullen onthaald worden op de Scylla van Rotgans, met 'n Kloris en Roosjen achterna. Men zal hun vertellen dat het treurspel geheel-en-al geschoeid is op de leest der fransche "school." Dus zal 't wel goed wezen! En... de Kloris? Wel, dat's 'n idylle! 'n Arkadisch-laaglandsche bergerie! Virgilius in 't amsterdamsch vertaald! O, Meliboee, deus nobis haec... Ekloge met kuitgespen fecit! [9] In-plaats van den nieuwjaarswensch krygen we 'n harangue. De elegante Thomasvaer zal God tot getuige roepen dat het neerlandsch hart, vry van smart, de noodlotten tart, en op straat, inderdaad, vurig slaat, voor elken vreemden potentaat. Geloof me, jongens, die Caligula was zoo gek niet!

Wouter begreep niet alles wat er gesproken werd. Maar wel, dat-i weer veel nieuws hoorde. En... Scylla. Zou dat 'n onechte dochter wezen? Of was 't misschien de naam van de oude vrouw die in den achter-naherfst van haar leven door de goedigheid van 'n schatryken baron werd teruggebracht op 't pad der deugd? Zoo noemt men zulks.

Mevrouw Holsma gelastte de familie zich gereed te maken, om papa niet te laten wachten als-i terugkeerde van z'n bezoek by de Pietersens. Dit geschiedde, zoodat men ruim bytyds vertrekken kon naar 't gebouw waar "der kunsten god" in die dagen werd aangebeden met--zeer amsterdamsche--geestdrift. Het was 'n waar Apollo's-welvaren, en dit is nòg zoo.

Holsma verzekerde Wouter, dat de zaak met z'n moeder "geheel in orde" was, en hy kon zich dus onbelemmerd overgeven aan 't hem wachtend genot. De hoogst-onechte Scylla... in de komedie zitten ... morgen zich te kunnen herinneren dat-i in de komedie gezeten hàd ... vreemde zaken bywonen--heel wat ànders nog dan artisjokken!--en ... nu ja, al die keizers en koningen wilde hy ook wel zien, maar de gehoopte onechtheid van Scylla bleef hem 't voornaamste.

Vreemd, niet waar, dat-i by al de verwachte heerlykheden, zoo weinig dacht aan de mogelykheid over eenige uren Femke in z'n nabyheid te zien?

Droeg Willem daarvan de schuld, dien-i by 't instygen in een der rytuigen had hooren mompelen:

--Wat my betreft, ik mag lyen dat ze wegblyft! Ik bedank er hartelyk voor, door studenten te worden gezien naast 'n boeredeern. Als ik groen word in September, zouden zy 't me inpeperen, dat is zeker!

Wouter begreep noch dat "groen-worden" noch de daarby behoorende "peper." Maar ... boeredeern?

Hy wierp 't met z'n geweten op 'n akkoordje, door zich zoowel van vrees te onthouden als van hoop. En hy trachtte het vurig verlangen naar Scylla's onechtheid te gebruiken ter aanvulling van de leegte die deze bestudeerde onverschilligheid openliet in z'n gemoed.

Helaas! Het was voor 't meisjen in Vrouw Gooremest's kroeg wel de moeite waard geweest, de hand uittestrekken als 'n koningin, om nu alweer verloochend te worden om-den-wille van ... van wàt eigenlyk? Femke's kostuum was minder bespottelyk dan de mode-plaatjes van den dag. Ware zy inderdaad gekleed geweest zooals boeredeerns gewoon zyn, die zich nog zotter opschikken dan 'n parysche modiste verzinnen kan... maar dit was 't geval niet. En hierin lag dan ook geenszins de reden van Willem's nuffigheid. Femke's schuld was zwaarder dan dit. Ze zag er uit als 'n meisje dat met haar handen den kost verdient. Ziedaar den gruwel die alle studenten ergeren zou!

En--heel in 't voorbygaan, willen wy hopen--Wouter voelde zich aangestoken door die kinderachtigheid. 't Was jammer, 't was verdrietig, 't was kleingeestig en ondichterlyk, maar--o, Caligula!--we zyn zoo! En wie ieder 't hoofd wou afslaan, die zich ooit schuldig maakte aan zoo'n... menschelykheid, zou veel te doen hebben. By volslagen wilden, waar koningen hun eigen hout hakken, vindt men weer andere fouten die even onpleizierig zyn.

Tekstverklaring van Ovidius, door Willem Holsma. Idem door Rotgans en den auteur. Konflikt op 't Leidsche-Plein tusschen twee potentaten: Napoleon I, en Minos van Kreta.

Verdienste van 't succes met geestdrift aangebeên, Kweekt in 't armzalig koor, laaghartigheid alleen.

Onder-weg stelde zich Willem zooveel mogelyk op den voorgrond, door het leveren eener toelichting van 't stuk dat men straks zou te zien krygen. Dit kwam hem noodzakelyk voor: "omdat verzen zoo moeielyk te begrypen zyn, als men niet vooruit weet wat de dichter heeft willen zeggen." Ik ben zoo vry, deze eigenaardigheid van de "taal der goden"--er ligt 'n Rotgans in kwarto voor me--kostbaar te noemen.

Maar ook de pedante Willem kende Scylla niet anders dan uit z'n Ovidius--zonder onzen Vecht-zwaan zou ik 't mensch in 't geheel niet kennen--en dit verschafte hem gewenschte aanleiding om z'n relaas optesieren met citaten die wel eenige kans hadden begrepen te worden, omdat men door 't hotsen van den wagen niet hooren kon dat-i latyn sprak. Ziehier iets van z'n verhaal... vry overgezet.

Minos was Koning van Kreta, en boos op de Atheners omdat-i ze voor medeplichtig hield aan den moord op z'n zoon Androgeos. Oorlog dus. Met z'n leger op-weg naar den hoofdzetel des vyands, stuitte hy op 'n stad die in één richting minstens driehonderd-en-zestig aardbolgraden breed moet geweest zyn, want rechts en links was geen ruimte om voorby te trekken. Ze moest dus belegerd worden. Sommigen betwyfelen die uitgebreidheid, en beweren dat de krygskundige liefhebbery van die dagen voorschreef met pyl en boog op de muren te schieten, al kon men er langs. Dit verschafte veel krygsroem, en gaf tevens aan den vyand gelegenheid ook van zyn kant 'n vesting te belegeren, waaruit de heugelyke kans geboren werd, overwinningen te behalen aan twee zyden tegelyk. De traditie dezer wyze van oorlogvoeren, waarby krygslieden elkaar zoo lang mogelyk uit den weg loopen, is tot heden toe bewaard gebleven. Slechts enkele botterikken--Napoleon I, byv.--hielden zich niet met het beschieten van vestingen op, en de garnizoenen geven zich in zoo'n geval--behoudens krygseer natuurlyk--ongedeerd over, zonder andere heldendaden te hebben verricht dan 't beredeneeren der mogelykheid, dat ze rotten en muizen zouden gegeten hebben... àls ze belegerd waren geworden.

De stad met welker omsingeling koning Minos zich vermaakte, was met-een 'n heel Ryk, heette Megara of Alkathoë, en werd geregeerd door zekeren Nisus, 'n allerbraafst man die aan den dood van Androgeos even weinig schuld had als de lezer en ik. Eigenlyk zou Minos--vooral in hoedanigheid van aanstaand zielenrechter in de Onderwereld--billykheidshalve verplicht geweest zyn, de zaak wat grondiger te onderzoeken voor hy zoo onbesuisd het beleg sloeg voor Alkathoë. Maar men is niet volmaakt.

Koning Nisus was in 't bezit van twee byzonderheden. Hy had 'n indelikate dochter--de Scylla van 't stuk--en 'n purperen haartjen op z'n hoofd, of één purperen haartje, of maar één haartjen, en dat was purper van kleur. De lezer mag kiezen tusschen deze drie mogelykheden die door Willem, Rotgans en Ovidius onbeslist worden gelaten. Wie nu meenen wil dat deze vorst op dat eene haartje na, kaal was, heeft er vryheid toe. Ook is 't geoorloofd zich den man voortestellen als prykende met 'n dikken haarbos van gewone kleur--spierwit kleedt antieke koningen het best--mits slechts dat eene haartje ... kortom 't was 'n uniek en zeer kostbaar exemplaar. Dit was den onderdanen van koning Nisus--volgens de laatste volkstelling had hy er, hemzelf meegerekend, drie dozyn--zeer wel bekend. Stad en Ryk waren trotsch op dat haartje, meer dan trotsch: 't was 'n waarborg voor welvaart, 'n pand van de welwillendheid der goden, 'n palladium. Iets als onze Kieswet alzoo.

Maar ... die indelikate dochter! Niemand was bedreven genoeg in verdorvenheid, om de verregaande ondeugd van haar gemoed te begrypen, laat staan te voorzien. Eilieve, wat baat 'n purperen Kieswet, als dochters die zich lieten geboren worden op de trappen van den troon ... maar laat ons Willem's verhaal niet vooruit loopen.

Het haartje zou de stad beschermen. Dit hadden de goden beloofd, en goden liegen niet. Heel oppervlakkig geoordeeld, zou dus onze Nisus geen leger noodig gehad hebben, tegen welken vyand ook. Een flinke schildwacht op de kruin van z'n hoofd, moest voldoende geweest zyn. Maar dit scheen weer te stryden tegen aloude beginselen van krygskunde. Wel stond het vertrouwen dat de goden den Staat zouden beschermen, onwrikbaar vast, maar ... men mocht de goden te-hulp komen met militie, schuttery, landstorm, torpedo's, krygsliederen en naaldgeweren. Als ik 'n heidensche god was geweest, zou ik dit wantrouwen in de kracht van m'n bescherming heel kwalyk genomen hebben, en ik had ieder in den steek gelaten, die my 't werk uit de hand nemen wou. Ook in dit opzicht alzoo heeft het christendom weldadige vruchten gedragen. In alle landen waar men door 'n waar Geloof 't recht verkreeg op God te vertrouwen, is de krygsdienst finaal afgeschaft en de begrooting van "Oorlog" begrepen in 't budget van "Eeredienst." Dit is zuinig en rationeel. Maar Nisus was 'n heiden, en had dus verkeerde begrippen over 't gebruik van theologie in krygskunde. De onnoozele stumpert zette z'n heele leger achter de wallen van z'n ... Ryk, om zich daar te verschuilen voor de pylen van Minos en al die Kretenzers.

De ondeugende Scylla nu was niet afkeerig van das Militär, en wandelde parmantig op den muur. Nog proëminenter vertoonde zich van zyn kant koning Minos, en wel zóó dat de jonge prinses smoorlyk op hem verliefd werd. Niets natuurlyker. Z'n eerbiedwaardige ouderdom, z'n gebukte houding, z'n lange gryze baard, en misschien ook z'n aanstaande verheffing in de onderwereld--onze Scylla kende haar mythologie op 'r duimpje!--dit alles was wel in-staat het hart van 'n treurspelmaagd in gloed te zetten. Zoo waren de tooneelmeisjes in dien tyd. Men kon nooit te bejaard, te krom of te krygskundig wezen, als ze maar zeker waren dat haar liefde eenmaal zou noodig zyn tot het samenflansen van verzen of echt-vaderlandsche treurspelen.

Zielkundig gesproken, er bestond voor Scylla nòg 'n reden om den ouden Minos byzonder interessant te vinden. Venus' dartel wicht heeft veel koorden op z'n boog. Ze had medelyden met hem. En hier was reden toe.

Met 'n heelen stoet soldaten--men telde in dien tyd duizend krygslieden op één onderdaan: 'n byzonderheid die 't regelen van de konskriptie tot 'n moeilyk vak maakte!--met 'n groot leger dan, was de man van heel ver gekomen. Hy gaf zich de moeite Akathoë te belegeren volgens alle regels van de kunst, en 't was háár bekend dat-i het strand ploegde... om dat purperen haartje! Arme Minos!

Hy scheen alweer verzuimd te hebben, vóór z'n oorlogsverklaring nauwkeurig te onderzoeken wie en wat er zou te bestryden wezen. Het schynt dat men in oude tyden vry los over de toebereidselen tot 'n oorlog heenliep. Volgens Ovidius was Minos-zelf zoo byzonder slordig niet, maar de goden hadden hem gestraft met 'n minister die op allerzonderlingste manier omhoog was gevallen, en den Louvois spelen wilde om te worden aangezien voor iets wezenlyks. Hierom dan ook had-i alle onderzoek naar de voorgewende medeplichtigheid van Nisus aan Androgeos' dood, weten te verydelen. De casus belli die hy zoo hoognoodig had voor de zeer partikuliere industrie van z'n ministerschap, mocht eens niet bestaan, wat toch jammer zou geweest zyn. Het zedelyk krygsbeginsel in die onbeschaafde dagen schynt voorgeschreven te hebben: eerst vechten, en dan vragen waarom? Zoo-iets zou thans niet kunnen gebeuren, omdat onze parlementen rekenschap van oorlogsverklaringen vragen, en ook bovendien niet dulden zouden dat de res publica beheerd werd door zulk soort van ministers.

Doch zelfs deze onvolkomenheid in de ouwerwetsche manier van regeeren, werkte Scylla's al te gevoelig hart ten-kwade mee. O goden, zuchtte zy, zou ik den man niet beminnen, die op z'n ouden dag zóó'n minister te torschen heeft? En zonder Parlement nogal!

Het schepsel preekte zich voor, dat haar verliefdheid 'n ware deugd was. Zoo waren de meisjes in die dagen.

Ovidius knoopt aan dit alles eenige niet onbelangryke beschouwingen over liefde en artillerie, en wel bepaaldelyk over de vorderingen die 't gebruik van schietwapenen in onze dagen gemaakt heeft. Misschien ook, zegt-i, zou men genoodzaakt zyn, zekeren evenredigen achteruitgang te konstateeren, òf in de beminnelykheid van ouweheeren, òf in de ontvlambaarheid van 't vrouwelyk geslacht. Ziehier de gronden waarop hy, redelyk scherpzinnig voor 'n heiden--Ovidius was Hollander noch Christen--z'n stellingen bouwt. Er blykt uit het feit der zaak-zelf, dat Minos door Scylla kon gezien worden van naby genoeg om haar verliefd te maken, en tevens dat ze niet gedood of gewond werd door 'n kretenser pyl. Ook de voor Scylla zichtbare Minos werd niet geraakt door de scherpschutters uit de stad. Wat volgt hieruit? Dat in die dagen de schootvèrheid der liefde, die van 'n pyl uit den boog teboven ging. Welke grysaard, welke man, welke jongeling, zou heden-ten-dage kans zien 't hart van 'n maagd te treffen op meer dan chassepot-afstand?

Aan 'n beslissing waagt zich Ovidius niet. Hy stipt slechts aan, en laat den lezer kiezen. Ook den laaghartigen oorlog met Atjin gaat-i stilzwygend voorby, en zegt alleen dat Scylla doodeenvoudig besloot haar lieveling Minos krachtdadig te-hulp te komen, en wel door haar vaderstad te onttrekken aan de bescherming der goden. Om dit doel te bereiken, sluipt zy op de teenen in de slaapkamer van haar vader, en plukt hem--heu facinus: o gruwel ... ja, 't wàs gemeen!--dat ééne kostbare haartjen uit, en progressa porta per medios hostes, komt ze by Minos aan: pervenit ad regem, juist waar ze wezen wou met dat haartje.

Vorst Minos was 'n kreuzbraver Kerl die o.a. zelf kinderen had. Waarschynlyk dacht-i tevens aan z'n eigen haren, en aan 't malle figuur dat-i eenmaal maken zou als onkreukbaar zielenrechter, wanneer-i nu die ondeugende dochter styfde in haar verkeerdheid. Misschien ook vond-i haar niet mooi. Hoe dit zy, principiis obsta: hy noemde haar kort en goed 'n monster, en gebood...

--Wy zyn er, riep mevrouw Holsma. Wat 'n drukte! Ik wou dat ik al weer goed en wel thuis zat by m'n kleinen Erik!

Sietske vertelde dat ze zoo benieuwd was naar 't uittrekken van dat eene haartje, en of men uit de verte zou kunnen zien dat het purper was?

--'t Staat er zoo, kind! Crinis purpureus. Stap uit, en hou je jurk wat by-een, om 't wagensmeer... puelletje!

De familie nam de plaatsen in, die dezen avend achter in 't parterre bestemd waren voor de leden van den stedelyken raad, en hun gezinnen. Ze kwam nagenoeg te zitten onder den rand der loge waarin ze anders gewoon was de voorstellingen bytewonen.

Die loge was nog altyd leeg. De hooge, hoogere, hoogste, en byna-allerhoogste personen die haar dezen avend vullen zouden, waren nog niet verschenen, en Wouter had dus ruim tyd om te bekomen van den indruk dien de Schouwburgzaal op hem gemaakt had: dit was alzoo de Komedie, de ware!

Hy verslikte z'n teleurstelling over de blykbaar echte geboorte van Scylla, en keek nieuwsgierig rond. Z'n gedachten wiegden zich op 't gesuis dat hem omgaf. De toedrang was groot. Alles praatte en fluisterde. Men twistte over de plaatsen. Men schoof voorby elkaar heen. Men verschikte z'n kleeren. Men vertelde 't nieuwste nieuws van 't hof. Men voorspelde wie dáár zitten zou, wie 't eerst zou komen, wie plaatsnemen moest achter den keizer, en wie achter den Koning. Men berekende waar de prinsen zouden zitten--die ééne ook, wiens vader herbergier was, en die zich zoo grappig kleedde--en wat de hooge heeren en dames zouden bestellen uit het buvet. Men psjstte om 'n stoof, en loofde fooien uit. Men leende elkaar het tooneelbriefjen, en verzekerde dat de affiches die daarboven vastgesteld lagen op den karmozyn-fluweelen rand van loges en balkon, gedrukt waren op satyn van zóóveel stuiver de el. Men beoordeelde ook het stuk, en zei dat het gekozen was...

--Rotgans is 'n eerste dichter!

--Hm! Eigenlyk 'n tweede of ... derde!

Onder ons, lezer, eenmaal aangeland in 't verzenmakersgild, is dit alles zoowat hetzelfde.

--Hy is maar 'n dichter van den zevenden rang, zei 'n ander.

--Waarom dan 'n stuk van hèm? We hebben toch ànderen, mannen die ... klinken als klokken!

--Zeker, zeker! Bilderdyk, by-voorbeeld, 'n ware feniks!

--Waarom dan Rotgans?

--Och ... die vreemdelingen verstaan er toch niets van. We kunnen laten spelen wat we willen.

--'t Is jammer van den Floris...

--Die was er expres voor gemaakt, en zou dus wel mooi geweest zyn.

--Ik hoor dat de akteurs te lui waren om hun rollen te leeren.

Neen, dàt was de oorzaak niet! Er zit heel iets anders achter. Onze Bilderdyk is 'n vaderlander...

--Van belang!

--'n Hollander in z'n hart!

--'n Echte!

--Zeker heeft-i in z'n stuk die vreemde kerels...

--Sjt!

... niet genoeg gevleid. Dat doet geen ware Hollander!

--Neen, dat doet geen Hollander ... nooit!

--Sjt!

Alles stond op. Er was reden toe. Een lakei vertoonde zich op den achtergrond der koningsloge, waarschynlyk om te zien of de kussens wel behoorlyk op de fauteuils lagen.

--Ze lyken allemaal wel mal! Optestaan voor 'n lakei, voor 'n mostertjongen!

Aldus spraken sommigen, die toch precies 'tzelfde hadden gedaan als de ons reeds eenigszins bekende zondebok: Ze, en Wouter werd hier weer levendig herinnerd aan de eigenaardigheden van de "massa". Ook maakte hy de opmerking dat men niet juist by de Pietersens heeft te komen, om zich gestuit te voelen door dat eeuwig verschil tusschen indruk en uiting. "Zou dit overal zoo wezen, dacht hy, en is dit nu de bekwaamheid die ik me moet eigen maken om iets te worden in de wereld?" Koningen van Afrika waren eigenlyk de heeren wier gesprekken hy beluisterde, niet, maar zeer aanzienlyke menschen toch. Daar waren dokters onder, geleerden, leden van den stadsraad, jazelfs groote koopluî ... misschien wel m'nheer Kopperlith in eigen persoon. Met eenige tusschenpoozen, veroorzaakt door 't plaats-nemen van nieuw aangekomenen, werden deze en dergelyke gesprekken voortgezet.

--Maar waarom dan juist iets van dien Rotgans?

--Z'n Boerenkermis is heel aardig.