De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 2 Uit De Ideen Verz
Chapter 10
En hy schoof haar 'n stoel toe. Maar ze kon er geen gebruik van maken. Ze was te verdraaid van gestalte, en bovendien te klein, om zich ter-ruste te zetten op zoo gewone wys.
--Ja, zitten wil ik wel, maar dat doe-n-ik zoo op m'n eigen manier. Heb je niet 'n stoof voor me? Die geeft me Vrouw Claus ook altyd, als ik hier kom eten, want ik eet hier driemaal in de week. Daar staat er een...
Wouter volgde de richting van haar vinger, en zag 'n drietal stoven op 'n stapeltjen in den hoek staan. Hy vloog er heen, greep er een in de traditioneele vyf gaatjes, en zette den troon die z'n sybille zou dienen voor drievoet, achter haar neer. De handbeweging die nu tot plaatsnemen uitnoodigde, was waardig, vroom, bevallig, galant, in één woord: ouwerwetsch-ridderlyk. Hoe ànders? Die vrouw spysde driemaal 's weeks in dat huisje. Die vrouw had Femke gezien. Die vrouw kende zyn Femke. Die vrouw zat daar waarlyk heel goed op haar stoofje. Wie er mee gespot had, was 'n gek. En ook hy ging nu zitten, en nam iets aan van de houding der notarissen, als ze zich 'n uitersten wil laten voorzeggen.
--Je komt dus van Vrouw Claus?
--Ik mot eerst weten wie je bent, jongeheer.
--Wouter Pieterse.
--Dat kan me niks schelen. Ben jy de jongeheer die van 't paard gevallen is? Dàt mot ik weten.
Wouter zag nu in, dat hy om iets van Femke te vernemen, wel genoodzaakt was zich de onderscheiding aantematigen van 'n nooit geleden ongeluk. En dus:
--Ja, ja, ja... o zeker, zeker! Ik ben van 't paard gevallen, wel... zesmaal!
--Zy wist maar van ééns! Maar... zesmaal, zeg je? Je was dus wel wezenlyk 'n beetje dronken?
--Ja, o ja, ik was dronken... heel erg!
--Zóó? vroeg de bes, nog altyd wantrouwend. Je was erg dronken, zeg je? En hoe komt het dan, dat je niet heelemaal naakt bent? Want ze zei dat ze je-n-onder de pomp...
--Ik heb me weer aangekleed.
Dit scheen de achterdochtige vrouw niet volstrekt onmogelyk te vinden. Maar op-eens:
--En je rooie lappies dan? Waar heb je die gelaten, hè?
Luk-raak antwoordde Wouter dat "die dingen"--hy wist waarachtig niet wat ze bedoelde--in de sloot gevallen waren.
--Komaan, vleide hy zoo verteederend mogelyk, zeg my je boodschap maar! Ik ben heusch van 't paard gevallen, en erg dronken geweest! Gut, zoo erg! Je hebt er geen begrip van, hoe dronken ik geweest ben! Och, zeg me nu asjeblieft je boodschap!
Ze liet zich bewegen. Heel gelukkig. Hy was waarachtig in-staat geweest haar te streelen, maar deze ramp werd hem uitgewonnen, want ze begon:
--Ik ben 't Stakkervrouwtje, weetje, en woon achter de planken, by den molen, en Vrouw Claus is eigenlyk 'n nicht van me ...
O goden, alweer 'n nicht! Als Wouters liefde eenmaal behoorlyk "bekroond" wordt, wat aan my staat...
Aan my, en aan... háár: Fancy, Femke, of hoe zou ze heeten? Causaliteit, misschien?
...nu, ik wil maar zeggen dat-i dan op-eenmaal in 'n zeer groote familie komen zou.
--Ja, 'n nicht, of... 'n tante misschien. Neen, ik ben háár tante. Als ik m'n broer was, kon ik haar oudtante wezen, of... 'r grootmoeder. En de kleine Fem is naar me genoemd, of... naar m'n overgrootmoeder eigenlyk, want in onze familie heeten we allemaal Fem of Sietske. En de mannen heeten Sybrand of Erik. Dat wist je zeker niet, hè?
--Sybrand?
--Ja... of Erik! Maar ik woon achter de planken...
Op-eens doorschoot Wouter de gedachte--te vroeg was 't niet!--dat die vrouw krankzinnig was. En er was iets van aan. Maar niet alles wat ze zeide, gaf daarvan blyk. Integendeel, wie vertrouwd ware geweest met de oorzaken die haar indrukken benevelden, zou misschien tot de slotsom gekomen zyn, dat haar verstand in sommige oogenblikken helderder was dan van menig ander. Niemand is volmaakt gek.
--Achter de planken? vroeg Wouter.
--Ja, achter de planken van den molen. Want dáár woon ik, omdat het de molen is van m'n grootvader. Vraag maar aan alle menschen, of-i niet gebouwd is door Erik Holsma... den Stoereman? Want zóó werd-i genoemd. Dàt was 'n kerel! Hy kon er wel zes aan, als jy! 't Is eigenlyk myn molen, maar ik geef er niet om, als ik maar slapen mag achter de planken...
Notaris Wouter keek vragend.
...ja, omdat ik daar 'n vryertje wacht. Jy bent het niet, maar je lykt wel wat op hem. En als je wat stoerder was... want stoer was-i!
Zeker, die vrouw was krankzinnig!
...'n vryertje, weetje! 'n Smuke jongen die alles neerslaat wat niet deugt. En hy krygt den molen van me... 't is 'n bovenkruier. Met paltrokken houd ik me niet op. En jy?
Wouter werd verlegen. Wat had-i aan zoo'n gesprek? Te weinig ontwikkeld nog om belang te stellen in de ziektegeschiedenis der ziel van die vrouw, trachtte hy haar aandacht terug te brengen op de zaken die hem belang inboezemden.
--Ja, ja, 'n bovenkruier, beaamde hy, zonder te weten wat dat voor 'n ding was. En wat heeft vrouw Claus je voor my opgedragen?
--Wel, ze had me geroepen, om met 'r meetegaan om in de Halsteeg 't mussie voor je te koopen, omdat je naakt was. 'n Mussie van fyn laken, en 'n rand van allerlei kleur, en 'n kwast van bonte wol. De Stoereman droeg nooit anders, want zie je, eigenlyk was-i 'n prins, en heette Erik.
--En wat zei Vrouw Claus?
--Dat ik je 't mussie geven zou, maar niet binnen gaan, omdat je heelemaal naakt was. En ze had zooveel "wasschen" thuis te brengen. En ik moest je zeggen... als je wakker was... want, zei ze, je sliep...
De stumpert richtte zich aan de tafel op, en trachtte te zien wat daarop lag.
...als je niet sliep, moest ik je zeggen dat er... op de tafel in 't voorhuis... dat is hier, weetje?
--Ja, ja, dat is hier!
--Daar zou 'n boteram voor je staan, en die zou je eten, zei ze, als je... wakker was.
--Ja, zeker! Die zou ik eten...
--Als je wakker was!
Nog altyd trachtte zy den boteram te zien te krygen. Wouter maakte 'n eind aan haar onderzoek, door de verzekering dat-i de bedoeling van Vrouw Claus volkomen begrepen, en zich reeds dien-overeenkomstig gedragen had. Ze hurkte weer neder.
--Als je wakker was, zei ze. Maar anders moest ik niet binnengaan... om je naaktheid, zieje! Hy was ook naakt...
--Wie toch?
--Prins Erik.
--Wil je die geschiedenis hooren? vroeg ze.
--Neen, neen, dankje wel! En geef me 't mutsje maar, en ga nu maar heen.
Hy strekte de hand naar de muts uit, maar ze trok die snel terug.
--Ben jy 't jongetje dat van 't paard is gevallen?
--Wel zeker! Geef op, de muts!
--Dàt zal ik wel laten! riep ze. Niet voor ikzelf je van 't paard zie vallen. Ik moet het eerst met m'n eigen oogen zien. Denk... jy... dat... ik... mal... ben?
Hy wou haar 't begeerd voorwerp ontrooven. Maar sneller dan-i verwachten kon, vloog ze de deur uit, en verdween.
Alweder moest Wouter zich afvragen of-i te doen had gehad met 'n verschyning?
Hy werd moe van 't ongewone, en begon intezien dat ook 't eentonig-banale z'n aangename zyde heeft. Met iets als heimwee, voelde hy zeker verlangen naar de huiselyke atmosfeer van verveling in zich opkomen.
--In-godsnaam naar huis, zuchtte hy, met of zonder muts dan! En... ik zal de deur zoo goed mogelyk sluiten, want hier kan ik 't niet langer uithouden!
Juist was-i van plan dit heldenstuk uittevoeren, toen de deur opnieuw geopend werd. Er trad iemand binnen. 't Was dokter's Kaatje. Wouter herkende haar niet, en begreep er niets van, toen ze hem zeide door Femke gezonden te zyn om te vernemen hoe hy zich bevond? Hy zag de boodschapster eenige oogenblikken vorschend aan. Eindelyk:
--Kom... jy... me... nu... hier... ook... voor... mal... houden?
--Gut jongeheer! Ik kom van Femke...
--Van... welke... Femke? Is... dat... misschien... weer... 'n grootmoeder van je, hè?
En met dreigend gebaar deed hy 'n stap vooruit.
--Ben... jy... de vryster... van... Stoereman den molenaar, hè?
Weer 'n stap vooruit. En Kaatje terug!
--Kom... jy... ook... hier... alweer... kyken... of... ik... heelemaal... naakt... ben, hè?
--Och, jongeheer, wat 'n praat!
--Wil jy... me... ook... van 't paard zien vallen... hè?
Kaatje was de deur uitgedrongen. Hy volgde haar met gebalde vuisten.
--Maar... jongeheer, om-godswil, wat mankeert je?
--Wat... me... mankeert? Ik wil niet langer voor gek worden gehouden, dàt mankeert me! Versta je dàt?
Ze week jammerend terug, en noodigde hierdoor tot vervolgen uit. Z'n woede voedde zichzelf, en met afgemeten groote stappen--komiek om te zien, maar voor hèm de maatslag van z'n verwenschingen--drong hy voortdurend op haar toe. Ze legde rugwaarts den weg af, dien ze gekomen was, het padje door 't bleekveld.
--Och, lieve-jesis, als dokter maar kwam!
--Waar... zie... jy... me... voor... aan?
--O god, o god...
--Wat... denk... je... van me? Denk... jy... ook... dat... ik... dronken... ben?
--Neen, neen, o neen... volstrekt niet!
--Of... gek?
--Bewaar-ons! Och, waar blyft dokter!
Twee gelykluidende kreten maakten 'n eind aan den zonderlingen wedloop. Atalante riep:
--Daar is-i, goddank!
Meleager:
--Daar is-i, goddank!
De een ontwaarde het koetsje van dokter Holsma, dat snel kwam aanrollen. De ander bespeurde dat twee jongetjes die in de sloot naar kikkers vischten, z'n pet hadden opgehaald.
Wouter nam zonder omslag z'n eigendom terug. Kaatje vloog Holsma te-gemoet, en deed 'n jammerklagend relaas van haar wedervaren.
--Zou 't zóó erg wezen? zei de goede man.
Hy naderde ons leerling-menschje, dat bezig was z'n petje te zuiveren van modder en kroos, en sprak hem aan.
Wouter zag verschrikt op.
--Zoo, m'n jongen, ben je daar? Wel, dat treft goed! Ik kom je vragen of je plezier hebt, vandaag by ons te komen eten? We wachten je allemaal, en van-avond gaan we misschien samen uit, als je lust hebt, ten-minste.
Dàt was de toon die vereischt werd!
Wouter berstte in tranen uit--de weerslag van z'n woede--en vloog den dokter om den hals.
--Asjeblieft, asjeblieft, m'nheer! Dat 's met-een goed voor m'n moeder!
Holsma wenkte Kaatje die--bang voor Wouter--op eerbiedigen afstand het tooneeltjen aanzag.
--Ga aan juffrouw Pieterse zeggen dat de jongeheer by my is, en den heelen avend blyft.
--Ja, riep Wouter haastig, en...
De geneesheer zag hem onderzoekend aan. Hy vreesde iets van de hem aangekondigde krankzinnigheid te bespeuren. Maar Wouter's oog spelde niets verdachts. En z'n woorden ook niet:
--M'nheer, mag ze 'r asjeblieft byzeggen...
--Welnu, m'n jongen, spreek op! Wàt moet ze 'r byzeggen? Wat heb je-n-op je hart?
--Dat ik... by u ben geweest... den heelen, heelen dag!
Holsma bedacht zich even.
--Wel zeker, zeid-i, den heelen dag.
--Van van-morgen... zeven uur af?
--Ja, van zeven uur af, herhaalde de dokter.
--Ik heb... by u ontbeten?
--Goed, de jongeheer heeft by ons ontbeten. Wel zeker, hy heeft by ons ontbeten! Je kunt wel meeryden, Kaatje.
En Wouter in 't koetsje leidende, gaf-i den koetsier last optehouden voor 't huis Pieterse: "waar 't meisjen 'n boodschap had." Toen hy naast Wouter plaatsnam, greep deze z'n hand, en riep:
--Och, m'nheer, wat 'n geluk dat ik u zie!
--Vind je! 't Is toch... louter toeval. Vrouw Claus is...
--'n Nicht? viel Wouter haastig in.
--Ja, en 'n zeer brave vrouw, antwoordde Holsma met 'n eenvoudigheid, waartoe Wouter nog in lang niet zou in-staat geweest zyn als ze zyn nicht geweest was.
--Ze is onze nicht, en ik kwam haar bezoeken. Dit doe ik alle weken... niet als dokter, maar als neef. Jy mag daar gerust komen, jongen! Je zult er geen kwaad leeren.
--M'nheer, riep Wouter--en hy bloosde--ik houd zoo erg veel van Femke!
--Zóó? antwoordde Holsma droog. Ik ook.
De geneesheer, alle blyken van onderzoek zorgvuldig verbergende, sprak over onverschillige zaken, en bespeurde weldra dat z'n keukenmeid zich vergist had in de diagnose. Wel toonde zich Wouter opgewonden en uitgeput tegelyk, maar krankzinnig was-i niet. Integendeel. Holsma bemerkte dat z'n ziel aan 't groeien was. En dit moest wel. Fancy scheen bezig de aarde om hem wegtegraven, hem te schudden en te geeselen, gelyk tuinluî gewoon zyn met vruchtboomen te handelen, die zy byzondere zorg waard-keuren, en willen noodzaken tot dracht. Dit noemen zy: "de vier windstreken laten zien."
Femke, nogeens Femke, en--na 'n roerende complainte over den dood van twee geniën--weer Femke! Alles opgeluisterd met teleologische opmerkingen over puistjes, vaderlandsliefde, karakter, en verdere menschelyke zwakheden.
Het is my inderdaad onmogelyk, den lezer meetedeelen welken weg Holsma's koetsier moest inslaan, om van de Aschpoort den Kolveniers-burgwal te bereiken, en wel zóó dat-i de nog altyd verschrikte Kaatje kon afzetten by de Pietersens. Ook zonder me nu te beroepen op m'n volslagen gebrek aan lokaal-memorie--er is geen stad, vlek of dorp in de wereld, waar ik den weg weet--ga ik gebukt onder 'n onkunde die me byna geschikt maakt voor opgehemelde buitenlandsche beroemdheid.
Holsma's koetsier gaf blyk van 'n begaafdheid die we haast voor exotisch mogen houden, en dit deed zelfs z'n paard. Het stomme dier--even als ik toch maar in Holland geboren--bleef met buitenlandsche scherpzinnigheid staan op 't juiste oogenblik om de keukenmeid gelegenheid te geven tot uitstappen by de Pietersens. Niet zonder angst schoof ze Wouter's knieën voorby, en achtte zich gelukkig dat-i haar niet 'n beet meegaf tot afscheid.
Wouter scheen te meenen dat nu 't oogenblik was aangebroken om wat inlichtingen te geven en te ontvangen. Maar Holsma scheepte hem af. Hy toonde wel vriendelykheid, maar geen lust in vertrouwelyke mededeeling. Toen de jongen 'n verward verhaal begon van z'n ontmoetingen, viel hy hem in de rede:
--En... ik heb gehoord, je zult in den handel gaan?
--Ja, m'nheer... overmorgen!
--Nu, dat is zoo kwaad niet, als je maar in goede handen valt. Ze moeten je veel laten werken! Dat 's heel nuttig voor 'n jongen als jy...
En, als bevreesd dat Wouter zich zou beginnen aantezien voor wat byzonders:
...nuttig voor iedereen, voor àlle jongelui! Op jou jaren zyn ze allen hetzelfde, en hebben gelyke behoefte aan arbeid en inspanning. Alle jongens moeten veel werken, en meisjes ook, en... alle menschen!
Wouter kende zichzelf niet, en kwam dus niet op de gedachte dat de dokter bezig-was hem 'n geneesmiddel integeven. Maar wel bespeurde hy, dat de tyd van opheldering nog niet was aangebroken. Zonder nu juist te meenen dat Holsma hem die geven kon, was 't hem reeds 'n ontlasting geweest iets te mogen verhalen van z'n wedervaren, al wist-i dan nog niet recht hoe hy den lapsischen aanval op z'n deugd zou overspringen, wat toch z'n ridderlyk plan was.
Nogeens begon hy. Maar alweer brak de dokter z'n relaas af, door by de gebakken aardappels reeds hem toetevoegen:
--Och, zulke dingetjes overkomen iedereen. Er is niets vreemds in. Hoofdzaak voor 'n jong mensch--en voor oude menschen ook!--is dat ze veel arbeiden. Het schynt nogal te waaien vandaag...
Hiermee moest Wouter genoegen nemen. Dat er wind aan de lucht was, is de zuivere waarheid. Helaas... had het gister maar willen waaien! Dan immers was er behoorlyk gehardzeild op den Amstel. Dan zou niet het volk dat zich verveelde, uit jolige baldadigheid naar de Botermarkt gestroomd zyn, en daar...
Toch niet! Die ééne zevenklapper van prinses Erika kon niet gemist worden. Lezer, bedenk eens...
Neen, neen, 't was zeer wys van de Voorzienigheid, dat er gister geen zuchtjen aan de lucht was, Eén graad atmosfeer-drukking minder, en 't venster van juffrouw Laps ware gesloten geweest! De noodlottige gevolgen...
Alweer niet waar! De heele zaak was--dùs of zóó afloopend--van weinig beteekenis.
Maar men ziet uit dit alles, dat de dogmatiek der doeleinden, de beoefening van de beteekenisleer der opdatten, 'n allermoeielykst vak is.
Wanneer de rivieren niet werden warm gehouden door 'n dekkleed van ys, zegt zeker "Natuurkundig Schoolboek" zouden ze... bevriezen. Ziedaar, voorzienigheids-preekers, in weinig woorden de karakteristiek der teleologie!
--Houd je van schilderyen? vroeg Holsma by 't uitstappen.
--O, zeker, m'nheer!
--Wel, dan moet je-n-eens in de zykamer zien, wat daar aan den wand hangt. Bekyk maar alles op je gemak...
De dokter opende de deur van die kamer, en noodigde Wouter uit, binnen te treden. Hyzelf echter ging haastig de gang door en de trap op, die naar de huiskamer leidden, waarschynlyk met de bedoeling z'n gezin voortebereiden op de manier waarop Wouter moest ontvangen worden. Dààrom die verwyzing naar de zykamer.
Ons vrindje bekeek de schilderyen, maar genoot er weinig van. Tot het begrypen van goede stukken, ontbrak hem de noodige opleiding. En zelfs was-i te ongeoefend om zich te ergeren aan de leegte van denkbeelden, die de anderen ternauwernood onderscheidt. By "één heer met één hond en één haas" zag-i 'n heer met 'n hond en 'n haas. Toch zou juist hy beter dan menig ander in-staat geweest zyn, dien onnoozelen "heer" 'n geschiedenis toetedichten, en 't stuk overteschilderen met de kleuren van z'n fantazie, als-i maar even tyd had gehad. Maar op-eens treft hem 'n vrouweportret... 'n koningin, of 'n fee, of 'n toovergodin, of 'n burgemeestersdochter, of 'n dame uit 'n boek...
't Was Femke!
Maar in-plaats van den noordhollandschen kap, droeg zy 'n diadeem van glinsterende steenen, neen... 'n straalkrans, neen... 't was 'n kroon van sterren, of...
--Vader en moeder laten je roepen. 't Eten staat op tafel! Heb je geen pyn van je val?
Goeie goden, daar kwam nu ook de kleine Sietske hem plagen met z'n fabelachtig paard! Tegen háár kon-i toch niet opvliegen, zooals hy tegen Kaatje gedaan had! Bovendien, z'n olympische toorn was òp! Hy antwoordde vry bedaard dat-i niet gereden had, en dus...
--Zóó? Niet gereden? Niet op 'n paard gezeten? Wel zeker niet! Ik bedoel of je nog pyn hebt van je val op ons tafeltjen in 't koffihuis! Gut, hoe grappig! En als je geen pyn hebt, en... heelemaal wel bent, gaan we van-avend samen uit. Vader, moeder, Willem, Herman, jy, ik... allemaal! Naar de komedie, weetje?
Het vlugge ding gaf blyk dat zy de door haar vader voorgeschreven medikatie goed begrepen had. Ze verslikte het fatale paard als 'n hapje suiker.
--Uitgaan? seurde Wouter. Heel graag, maar... m'n moeder!
--Dat zal vader wel goedmaken. Bekommer je dáárover niet! Vader brengt altyd alles terecht. Kom maar mee...
Nog in de gang bleef Wouter eensklaps staan. Hy wenkte Sietske, bracht haar terug voor 't portret in de zykamer, en vroeg:
--Sietske, zeg me, wie is dat?
--Wel, 'n over- over- over-grootmoeder van ons.
--Maar 't lykt op...
--Op Femke? Wel zeker! Op my ook! We lyken allemaal op elkaar. Als Herman 'n amelander kap opzet, kan je 'm niet van Fem onderscheiden. Kom nu mee, we mogen vader en moeder niet laten wachten.
En, hem by de hand nemende, trok ze 'm de gang door, de trap op, en de eetkamer in, waar Wouter verwelkomd werd met de kalme vriendelykheid die door den dokter was voorgeschreven. Gedurende den maaltyd richtte men juist even genoeg het woord tot hem, om hem op z'n gemak te zetten, doch niet genoeg om voedsel te geven aan 't denkbeeld dat hy 't onderwerp was van byzondere oplettendheid. Toen Sietske, als om verschooning te vragen voor haar lang toeven in de zykamer, vertelde dat Wouter de gelykenis van dat oude portret met Femke had opgemerkt, zei Holsma nuchter:
--Ja, daarvan is wel iets aan, maar onze kleine Fem is zoo mooi niet. Dat scheelt veel!
Hu, 'n droge douche!
Wouter had er nooit aan gedacht, of Femke mooi of leelyk was. Hy meende alleen dat er gebrek aan... 't hoogste moest bestaan in alles wat niet op haar geleek. En dat "hoogste" openbaarde zich... in haar trekken niet, maar in de aandoeningen die hy vry eigendunkelyk aan die trekken vastknoopte. Toen-i op z'n laatst examen die moeielyke "som" zoo korrekt oploste, was 't Femke of iets van Femke, dat hem aanwees waar de verborgen knoop lag, en toen-i eenmaal gerekend had: zevenmaal negen is vier-en-vyftig, had de genade van juffrouw Laps z'n denkvermogen in den weg gezeten, als 'n zandkorl de radertjes van 'n fyn uurwerk. Z'n vermeende liefde was vereenzelvigd met den lust tot weten, kennen en begrypen, en dáárom stuitte het hem--hem die onder aanroeping van Femke's naam, de eerste was gewordem op Pennewip's school--iets te hooren verheffen boven háár. Als de dokter maar eens 'n flink examen had doortestaan, meende hy, dan zoud-i wel ànders oordeelen over Femke's "mooiheid." Heerlyk schoon wàs 't portret, o zeker! Maar lag niet juist hierin 'n reden om precies op háár te gelyken? En de diadeem, of wat was het? Wel, zoo'n ding zoud-i immers ook háár opzetten, zoodra hy...
Ja, wanneer?
Goed! Eéns zou die tyd komen. En dan kon ze tien diademen krygen voor een, schoon nog altyd de vraag blyven zou of 'n heel firmament haar beter kleedde dan de noordhollandsche kap?
Maar al deze overleggingen--nu-en-dan afgebroken door: "wil je wat saus, Wouter?" of: "houd je van sjalotten by je vleesch?"--betraden de wereld niet. Ze bleven zich als kluizenaartjes opsluiten in 't celletje waar ze geboren werden, en broeiden daar, en gistten, en kookten...
--Veel peper is niet goed voor je, zei Holsma.
Och, juist was-i bezig met 'n sterk gekruid: "ze heeft my broeder genoemd!" En--zonderling niet, maar toch verrassend voor hem!--op-eens vond-i dat het woord: "broedèr" beter paste by diademen en sterrenkransen, dan by 'n hoofdtooisel dat gedragen wordt door melkboerinnen ook. Beter by dat portret, dan by 'n... dame met eelt in de handen. Want dàt had Femke en dame was ze toch: de zyne! Ach, had ze maar liever: broer gezegd! Maar... dáárby zou weer die koninklyke Elisabeths-houding misstaan hebben. Zóó immers ook zou dat portret in de zykamer de hand uitstrekken... als 'n portret de hand uitstrekken kòn. Kyk, zóó:
En Wouter maakte een vry linksche beweging, waarmed-i 'n schotel scheen aantewyzen.
--Sla? vroeg Sietske.
De verwarring die hieruit ontstond, werd weder goedgemaakt door 'n paar eenvoudige woorden van de moeder, over 't weêr, inverband met het voorgenomen uitgaan van dien avend.
--'t Zal heel vol zyn op den weg, beste man. Ieder wil graag koningen en prinsen zien. 't Is waar ook, we hebben ons gastje nog niet gevraagd of-i lust in de zaak heeft? Ons plan is naar de komedie te gaan. Je wilt immers wel mee, mannetje?
't Antwoord laat zich raden. Wouter was verrukt. Hy was nooit in 'n schouwburg geweest, en verlangde vurig naar onechte zoons. Dat de voorstelling zou worden opgeluisterd door de tegenwoordigheid van 'n groep geliefde souvereinen, trof hem minder. Hy had tien koningen present gegeven voor één baron die volgens de regels van de kunst 'n meisje verleidt. "Zóó noemt men zulks" had Stoffel gezegd, en Wouter had zich deze terminologische bedrevenheid toegeëigend, niet zonder toejuiching van z'n eigen deugd. Want--dáár ging hem 'n licht op!--hy had zich met juffrouw Laps niet gedragen als 'n slechte baron, volstrekt niet! Hy was gebleven op 't pad der deugd... zoo noemt men zulks! En zy zou hem zeer dankbaar zyn... hèm!
Hem, en dien zevenklapper zeker!
--We zullen de helft der souvereinen van Europa zien, zei Holsma, en dozynen kandidaten, die misschien nooit...
Wouter kende dit woord weer niet anders dan in den zin van aanstaande dominees. Hy gaf halfluid z'n bevreemding te kennen, dat zulke personen de komedie bezochten...
--Wel neen, zei Sietske, 'n kandidaat is iemand die... wat worden wil. Koning, by-voorbeeld.
Wouter voelde zich allerkandidaatst.
Hierop vertelde Willem hem iets over witte kleeren, uit z'n Antiquitates Romanae, dat hem niet het minste belang inboezemde op-zichzelf, maar alweer de oude snaar deed trillen van verdriet over z'n gebrek aan kennis. Dit leidde z'n gedachten op den verloopen schooltyd--hy had toch waarlyk z'n best gedaan!--op z'n huis, op z'n gewone omgeving, en met angst herinnerde hy den dokter aan de verstoordheid van z'n moeder over z'n lang uitblyven. Holsma beloofde hem de familie te gaan geruststellen, waartoe voor 't vertrek naar de komedie, nog ruimschoots tyd was. Op hoog bevel namelyk zou de voorstelling twee uur later dan naar gewoonte beginnen. De souvereinen hadden dit aldus bepaald om de warmte.