De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld
Part 8
--Jon_ch_elin_ch_ ... sprak de man, en er scheen al terstond indruk noodig te wezen, jon_ch_elin_ch_...
Het is zeer opmerkelyk hoe 't geloof en de genade invloed hebben op de uitspraak van de meest gewone woorden. Huisdominee zou zeker niet gezegd hebben, _lanche_ pyp of _jonche_ doperwten, maar de heiligheid verandert alles. En niet de uitspraak alleen, de heele taal, de woord- en zinvorming verandert door 't geloof. Ik ben niet ongenegen dit aantenemen als 'n bewys voor de kracht en de waarheid van die dingen, en denk ernstig aan 'n verhandeling: "over den invloed der genade op de hollandsche taal." Ja, 'k ga in deze meening zóó ver dat ik twyfel koester aan de rechtzinnigheid van iemand die op dagelyksche manier, zonder zalving of gebrouw, my 'n opmerking meedeelt over 't weêr, of tyding vraagt van m'n gezondheid. Zelfs in hoesten en niezen moet die genade zich openbaren, of de zaak is niet zuiver. Let maar eens op of niet 'n dominee z'n neus anders snuit dan 'n ander?
--Jonchelinch, gy zyt diep gezonken...
Juffrouw Laps knikte dat dit juist geoordeeld was. Stoffel zoog aan z'n pyp, met 'n uitdrukking van onbeschryfelyke godzaligheid. Juffrouw Pieterse hield 'n hoek van haar voorschoot gereed om by-de-hand te wezen als ze huilen moest.
--Jonchelinch, of juister gezegd: jonche dochter...
't Gezelschap keek wel wat vreemd, maar men hield het voor 'n _lapsus linguae_. Ook moet men by geestelyke toespraken niet vitten op 'n woord. Dit is lastig voor den spreker, en leidt tot niets.
--Jonche dochter, uit kracht van myn ambt, en door de roeping als hoochepriester in den Heere... want ieder die 't Evangelium verkondigt, is 'n hoochepriester in den Heere... in den Heere...
De man zag rond alsof-i toestemming noodig had. Ieder knikte.
--In den Heere...
Nieuwe blik om bevestiging uittelokken. Die blik slaagde, maar ik kan niet ontveinzen dat men verwonderd was over z'n buitengewoon lang toeven by dien "Heere."
Ditmaal sloeg men de oogen neer om hem te dwingen voorttegaan.
--Door myn hoochepriesterschap... in den Heer... zeg ik u, jonche dochter, dat gy gelyk zyt aan de hoere van Babilon die hoereerde met de koningen der aarde.
Niemand myner lezers mag den neus optrekken voor 't juist weergeven van huisdominee's taal. Ik erken dat ik, die geen christen ben, de vryheid nemen zou de deur te wyzen aan iemand die zich zulke uitdrukkingen veroorloofde in myn stal. Maar christenen kunnen toch welstaanshalve zich niet beklagen als men hen toespreekt met woorden uit hun bybel.
Dit was 't dan ook eigenlyk niet wat de toehoorders hinderde. Juffrouw Laps vernam zelfs gaarne een-en-ander over de slechte reputatie van die babilonische vrouw. Ze had daarby iets in haar houding dat te kennen gaf dat _zy_ nooit in Babilon geweest, en dus buiten spel was. Juffrouw Pieterse en Stoffel waren te goed gewoon aan de onbeschofte platheden der tale Kanaäns, dan dat zy daarover zouden verwonderd of ontsticht geweest zyn. Neen, de verbazing van 't gezelschap had 'n heel anderen grond.
Men moet erkennen dat meester Pennewip by 't oplezen van Wouter's zondenregister zeer weinig kapitale misdaden ongemoeid had gelaten, en zie, daar komt huisdominee die 't brandstichten overslaat, het rooven vergeet, van moord en doodslag geen melding maakt, het vrouwenhoonen op den achtergrond laat, en in-plaats van dat alles Wouter heel onverwacht beschuldigt van "hoerery met de koningen der aarde." Dit was iets heel nieuws, en hoe ook gewoon aan Kanaänitische beeldspraak, juffrouw Pieterse, vond het wat sterk. Zy waagde dus 'n bescheiden: _friskuus!_ het afgekeurde stopwoord van de koekbakkersjuffrouw. Zoo gaat het. Men schimpt op iets vreemds, en neemt het over. Maar hier was 't geval ernstig genoeg om 't gebruik van wat vreemds te wettigen.
--Friskuus, dominee! Wouter heeft...
Juffrouw Laps wilde ook wat zeggen, maar ze werd in de rede gevallen:
--Zwyg, o gy vrouwe van de muren Jericho's, gy die 'n huis van ontucht bewoont op de wallen der stad...
--Maar dominee, de juffrouw woont onder-voor...
--Ja, en m'n vader was...
--Houd op met je gevlei... o gy Delilah-Rachab! En gy, vrouw... ik zeg u ... zoowaar de Heer leeft... dit meisjen is weggezonken...
--Maar dominee, Wouter is 'n jongen!
--Zwyg, en hoor de woorden des hoochepriesters! Ik zeg u dat zy is weggezonken in 'n poel van ongerechtigheid...
--Laat 'm begaan, fluisterde juffrouw Laps, daar zit wat achter. Hy zal op Wouter neerkomen met 'n omweg... dat doen ze wel meer.
Hierin had juffrouw Laps gelyk.
--Dit meisje, ging huisdominee voort, met 'n uitdrukking van indruk die veel plaats noodig had, en die ons noopt de wysheid te bewonderen van de dochteren des huizes, welker uitgaan ruimte liet aan dominee's welsprekendheid, dit meisjen is ... 'n meisje!
--In-godsnaam dan, zuchtte juffrouw Pieterse.
Maar dat toestemmen kostte haar inspanning. Want niets is moeielyker te gelooven dan 'n wonder dat men ziet. De wonderen die men niet ziet, maken 'n onderscheid.
--In-godsnaam dan...
--Ja ... dit meisjen is 'n meisjen ... en wat meer zegt, ze is eene vrouw! Ja, ze is eene vrouw, en heeft gehoereerd...
--Och lievechristenzielen, ik kan er niet uit wysworden!
--Ik wel, zei juffrouw Laps, ik begryp 't heel goed.
--Ja, slang ... jy begrypt me! Je geweten verklaart je de woorden die er stroomen van de lippen des mans Gods ... en je verdorvenheid doet je de verzenen tegen de prikkels slaan.
Juffrouw Laps had reeds lang opgemerkt dat huisdominee zich by-voorkeur tot haar wendde. Ze had dit beschouwd als 'n hulde aan haar diepere geloofskennis, en als des sprekers wensch zich te verzekeren dat de verheven zin zyner woorden beter werd begrepen dan van den patient of de anderen kon verwacht worden. Maar toch wou ze nu graag een woordjen in 't midden brengen over die verdorvenheid, om te protesteeren tegen de meening dat deze haar privaat eigendom wezen zou:
--Ja zeker, dominee, verdorven zyn wy allen ... allen zonder onderscheid, maar...
--Zwyg, goddelooze vrouwe Babilons ... en vertrek uit je huis op de muren der stad. Je bent verdoemd, zeg ik je, en...
--Hé? vroeg juffrouw Laps verwonderd en ietwat beleedigd.
Want de vromen nemen verdorvenheid en verdoemenis met veel genoegen aan, zoolang men die dingen kollektief uitdeelt, maar ze worden boos als men verklaart dat er iets hapert aan hen persoonlyk.
--Hé ... hoe meent u dat, dominee?
--Ik zeg dat je verdoemd bent, vrouwe uit _Josua twee_ ... er hangen roode koorden uit je venster ... en je hebt gehoereerd met de koningen der aarde...
Tot-dusver was alles goed. Het hoereeren met koningen heeft iets deftigs, en schaadt niet. Maar:
... met de koningen der aarde, en met den briefbesteller die zulke dikke bakkebaarden heeft.
Dit was èrger dan "zoogdier."
Voor juffrouw Laps den tyd had haar eer te herstellen door 't verscheuren van den man gods, vloog Leentje de kamer in:
--De vent is dronken, juffrouw, hy is stomdronken ... hy heeft gebitterd op den hoek ... daar is-i de deur uitgegooid, en de jongens loopen 'm na ... kyk hier!
En ze wees door 't raam naar-buiten, waar inderdaad de straatjongens met veel gejuich 'n preek kommenteerden die huisdominee scheen gehouden te hebben, want ze riepen: ho, ho, prikkelige slang met je verzenen ... houd je staart recht!
Stòmdronken nu was huisdominee niet, dit hebben wy gehoord, maar dronken was-i. In 't wynhuis op den hoek had hy oefening gehouden, en Leentje die dit wist of giste, was uitgeloopen om daarvan zekerheid te hebben, en door de openbaring van 's mans toestand de pyniging van Wouter te bekorten. In dit voornemen werd zy te-hulp gekomen door huisdominee zelf, die in 't wynhuis had hooren spreken over die geschiedenis van den briefbesteller, en by z'n aankomst in de woning van juffrouw Pieterse, zich vergiste in den patient dien-i behandelen moest.
--En, voegde Leentjen er by, 't is niet nu alleen ... 't is niet altyd even erg, maar laatst met Habakuk...
--Zwyg jy, en ga aan je werk, zei juffrouw Pieterse, die beschaamd was omdat ze zich vergist had in de soort van wynberg dien huisdominee bearbeidde.
My komt die vergissing heel verschoonbaar voor, en ik ben zeker dat ze nog lang had kunnen voortduren als de kloeke Leentje daaraan geen eind gemaakt had.
Niet zonder moeite beschermde men huisdominee tegen de woede van juffrouw Laps. Stoffel hielp den man de trap af, zoo goed-i kon, en leverde hem over aan de straatjongens die terstond 'n liedjen op hem maakten, vol prikkelslangen en jenever. Ik heb dat dichtstuk niet kunnen machtig worden. Wat jammer is. En iets te maken, en dat uittegeven als echten _codex_, strydt tegen m'n principes.
Zoodra juffrouw Laps zich 'n beetje hersteld had, koos zy de verstandigste party, en beschuldigde zichzelf van verkeerde opvatting.
--O ... o ... o! Zoo ziet men hoeveel oefening er noodig is, om vasttestaan in de leer! Ik herinner me nu klaar hoe er in de Schrift wordt gesproken van verkeerde handelingen der dochteren Jeruzalem's. Dàt heeft-i bedoeld met z'n briefbesteller. M'n vader was in de granen, en ieder weet dus wie ik ben. De zaak is duidelyk, maar ik voel hoe langer hoe meer behoefte aan oefening ... aan oefening, weetje?
--Maar, lieve juffrouw Laps, de man was dronken...
--Zoo zegt Leentje, maar...
--En al dat volk op de straat! Hoor eens...
--Juist als met den profeet Eliza. Ook hem beschimpten de kinderen op de straat, en toen kwamen er beeren...
"Hei, hei ... pas op je verzenen!" klonk het buiten.
--Waarom zendt de Heer z'n beeren niet, klaagde juffrouw Laps die inzag dat de eenige wys om zich rein te wasschen van dien briefbesteller, bestond in 't verheffen van huisdominee tot profeet. En hierin had ze alweer gelyk. Wat 'n profeet zegt, kan men opnemen zooals men wil. Een bruid is 'n kerk, een tempel is 'n lichaam, een vader is 'n zoon, een zoon is 'n geest, een geest is 'n vader, één is drie, drie is één, en 'n briefbesteller is niemendal.
--Maar de man was dronken, herhaalde juffrouw Pieterse, alsof ze hierin 'n reden vond om huisdominee's taal niet zóó ver wegtewerpen als wanneer-i eenvoudig ware bezeten geweest door bybelwoede.
--En al waar-i voor 'n oogenblik gevallen, wat zou dat bewyzen? Blyft men niet altyd mensch, en is de val niet noodzakelyk om de genade te doen uitkomen? Zeg, mensch, waar bleef de genade, zonder val?
Dit wist juffrouw Pieterse niet, en ik ook niet.
Ik vind dat die juffrouw Laps alweer gelyk had: zonder val geen genade, en zonder genade geen val. Die dingen hooren by-elkaar als slot en sleutel, en wie er wat afneemt, doet verkeerd. Als men 'n gebouw wil laten bestaan, moet men niet hier-en-daar 'n pyler omhalen of 'n hoeksteen wegbreken. _Sit ut est, aut non sit._ Huisdominee was dus geheel in z'n recht, en juffrouw Laps ook, schoon zy eigenlyk de zaak alleen dáárom overbracht op het terrein der H. Godgeleerdheid, wyl ze de aandacht wou afleiden van haar briefbesteller.
--Maar wat moeten we dan in-godsnaam aanvangen met dien kwajongen? riep Juffrouw Pieterse in 't eind.
Stoffel begreep, by ontstentenis van huisdominee geroepen te zyn tot de preek van den dag. Hy behandelde _Ezechiel_ en de afscheiding van de tien stammen, en deed er wat by uit _Mattheus_. Daarna ging-i over op de _Makkabeen_, en sloot met Daniel, Paulus, 'n _Onze Vader_ en den H. Geest.
--Heel goed, zei juffrouw Laps, maar nu de straf?
Want de vromen zyn nooit tevreden voor er wat van straffen in komt, waarin ze, met het oog op de Schrift, volkomen konsekwent zyn.
--Water en brood ... stelde de moeder voor, of ... wat zou je denken van de _Openbaring_?
--Ja ... zoo ... ik mag de psalmen nogal, of ... de geslachtsregisters ... Jakob gewan Juda, Zadok gewan Achim...
--Och, mensch, dat is alles al geprobeerd, en niets heeft geholpen.
--Als we hem eens 'n paar hoofdstukken lieten van-buiten leeren, van-achteren-af?
Jammer dat dit voorstel niet doorging. Misschien ware er wat voor den dag gekomen waarin slot en zin stak.
--Als ik hem eens by _my_ nam, juffrouw Pieterse? Om 't geld is 't me niet te doen, je zou kostgeld kunnen geven...
Wouter rilde.
--Och ja, ging juffrouw Laps voort, je zou kostgeld kunnen geven, en ik zou hem oefenen ... want om 't geld is 't me volstrekt niet te doen. _Oefenen_, weetje?
Ik heb niet juist kunnen te weten komen welke marteling er ditmaal voor Wouter werd uitgedacht. Ik denk dat men hem gemakshalve geslagen heeft, en dit vind ik dan ook--alles in aanmerking genomen--maar het beste. [12]
Doorslaand bewys van Wouter's beterschap, blykbaar uit 'n kerkelyk getuigschrift. Wouters eerste uitgang. Zyn studie in de liefde. Kongrevische vertelling die dóórbrandt in water.
Onze Wouter was bedrukt en neerslachtig. Zelfs Leentje had moeite om hem optebeuren, en te-meer omdat ze, ronduit gezegd, niet goed kon wys worden uit haar beschermeling.
In 't mazen zocht ze vergeefs haar weerga, en ik heb al gesproken over de onzichtbaarheid van haar heen-en-weertjes--dat toch alles is wat men van heen-en-weertjes verlangen kan--doch haar bevattingsvermogen schoot te-kort by Wouter's vertrouwelyke mededeelingen, en ze kon zich niet onthouden van-tyd tot-tyd den jongen aantezien met 'n medelydenden blik die twyfel verraadde aan de gezondheid van z'n verstand. Te-vergeefs bespaarde zy eenige duiten van haar schraal weekgeld om hem optevroolyken met de vroeger zoo welkome pepernoten ... helaas, Wouter's ziel was haar pepernoten ontwassen, en de ontdekking hiervan veroorzaakte Leentje bittere smart.
--Maar, beste jongen, wees dan toch verstandig, en laat je niet het hoofd op-hol brengen met zulke praatjes! Die Fancy, of hoe 't schepsel heeten mag, heeft je beet gehad. Of misschien heb je gedroomd.
--Neen, neen, neen, Leentje ... alles is de waarheid! Ik weet zeker dat alles wat zy gezegd heeft, de zuivere waarheid is.
--Maar Wouter ... die historie met je zusje ... dat had je dan toch vroeger moeten weten, dunkt me.
--Ik wist het ook, maar ik had het vergeten. Al wat Fancy zeide, wist ik. Het was me maar ontgaan. Terwyl ze sprak, kwam 't my weer duidelyk voor den geest.
--Ik zal eens naar die molens gaan, zei Leentje.
En dat deed ze. Naar Wouters aanwyzing vond zy de juiste plek waar die belangryke ontmoeting zou hebben plaats gehad. Zy zag de balken, den modder, de eenden, het kroos ... alles was er, tot de aschlucht toe, alles ... behalve Fancy en haar vertellingen.
En ook Wouter-zelf vond Fancy daar niet meer. Te-vergeefs wandelde hy met de fatsoenlyke Hallemannetjes, zoo dikwyls men hem thuis "van den vloer" wenschte. Te-vergeefs stond hy uren lang aan de leuning van z'n brugje, en luisterde naar 't geklepper van de molens. Ze vertelden hem niets, en zongen niet, en er kwam geen Fancy.
--Ze zal te veel bezigheid hebben aan 't hof myner moeder, zuchtte Wouter, en bedroefd ging-i naar huis.
Maar als-i door 't venster al de schoone sterren zag die zoo vriendelyk tintelden alsof ze hem toewenkten moed te houden, dan werd hy iets beter gestemd. De treurigheid bleef, maar ze was minder bitter. Ze ging van smart over in heimwee, in zoet verlangen "naar huis", en met betraand oog, maar niet wanhopig meer, riep hy fluisterend:
--Omikron, Omikron! [13]
Na lang beraad, en op Wouter's uitdrukkelyke belofte van beterschap, had eindelyk meester Pennewip zich laten verbidden, en de hoofdroover-vrouwenhooner werd weer in genade aangenomen, of althans nagenoeg. Wouter mocht weer naar school gaan, en zich oefenen in verzenmaken, schoonschryven, werkwoorden, kort-stomp-scherplange _o_'s, hollandsche graven en dergelyke wetenswaardigheden.
Meester zei dat het jongetje te Muiderberg nog verdorvener geweest was, en dat hy zelfs dáárvoor raad had geweten. Met Wouter zou 't dus ook wel gaan. Maar juffrouw Pieterse moest veranderen van huisdominee, want de tegenwoordige "behoorde tot de klasse der wynzuipers." Nu, dat deed ze. Wouter werd op de katechizatie "gedaan" by 'n wezenlyken dominee die na kerktyd uit 'n boekje "vragen overhoorde." Den titel van 't boekje weet ik niet meer maar de eerste regels waren:
1e. _Vraag: Vanwaar hebt gy en alles wat er is, uw oorsprong?_
Wouter had graag willen zeggen: wel, van m'n moeder ... maar in 't boekje stond:
_Antw. Van God, die alles uit Niet heeft voortgebracht._
2e _Vraag: Hoe weet gy dit?_
_Antw. Uit de Natuur en uit de Openbaring._
Wouter begreep dit niet, maar goedig en volgzaam als-i was antwoordde hy trouwhartig wat er in z'n boekje stond. Wel speet het hem dat de pleizierige schoolvrye zondag, anders zoo uitnemend geschikt tot wandelen, bedorven werd door 't "opzeggen" der koningen Israels, wel was hy nayverig op de Joden die telkens werden "weggevoerd"--'n ongeluk dat hèm byzonder prettig voorkwam--maar hy schikte zich met vroom geduld, en was niet de minste onder de zaligheids-leerlingen. Althans toen 't jaar om was, ontving hy 'n boekje met drie-honderd-vyf-en-zestig bybelteksten, één-en-twintig gebeden, even zooveel dankzeggingen, een vader-ons, de tien geboden en de artikelen des geloofs. Er was 'n voorschrift by, hoe dat alles moest gebruikt worden: eens _pr_ dag, 'n jaar lang ... driemaal daags, 'n week lang by herhaling ... en de rest _quantum sufficit_. Voorin stond op 'n ingeplakt blaadje:
ter belooning aan _Wouter Pieterse_ omdat hy de lessen in de Noorderkerk wel heeft opgezegd, en ter aanmoediging om ter eere Gods op den ingeslagen weg voorttegaan.
En daaronder stonden de namen van Dominee en Ouderling, met krullen die Pennewip zouden beschaamd gemaakt hebben.
Het fatsoen der Hallemannen nam toe. De ouders van die kinderen huurden een tuin "aan den Overtoom." Dat was zoo "heelemaal buiten" zeiden zy, en "men kon toch niet altyd in de stad blyven." Bovendien "de kosten waren zoo groot niet, want er was één tuinman voor 't heele pad, er stonden wel dertig bessenboompjes, en dat was toch altyd 'n aardigheid." Ook zou er wel gras genoeg zyn om 't kleingoed te bleeken, en dat won zooveel uit op de wasch "want, zei de stamvrouw der Hallemannen, verleden was er yzersmet in Betsy's _Kanesoe_ ... dus was 't heel goed om dien tuin te huren, en als de menschen er over spraken--want dat deden "ze" altyd--was 't uit pure jaloezie. Ook was er een regenbak by ... en juffrouw Karels had gezegd dat die lek was, maar dat was laster, want ieder moet zelf weten wat-i doet, en àls je wat doet, heb je-n-altyd zoo'n gemaal met de menschen ... want 't was vooraan op d'Overtoom ... en als je je dááraan storen zou, konje nooit iets doen ... en voor de kinderen was 't 'n heele uitspanning ... die juffrouw Karels moest maar letten op 'r zelf ... en als Gus jarig was, mocht-i jongeheeren vragen...
Gus werd jarig. Er zouden jongeheeren gevraagd worden, en, o geluk, Wouter was onder de uitverkorenen.
Het zou me te vèr leiden, hier te onderzoeken wat Gus en Franssie bewogen hun gewezen kommanditair-deelgenoot in den pepermenthandel voortedragen tot kandidaat-feesthouder. De lyst der genoodigden werd opgemaakt en goedgekeurd, en daar juffrouw Pieterse zich gestreeld voelde door den omgang van haar zoon met "menschen die 'n buiten houwen" werd ook van dien kant geen bezwaar gemaakt, mits Wouter beloofde "heel fatsoenlyk te wezen, zich niet vuil te maken, niet te ravotten, z'n kleeren niet te scheuren" en zoo-al meer. Ook zeide juffrouw Pieterse "dat 't zoo lief van 'r was, dat ze dit toestond, want 't was toch 'n heel ding voor 'n kind om zoo eens uittegaan."
Ja, Wouter zou uitgaan! Voor 't eerst uitgaan, voor het eerst eten, drinken, zich vermaken onder 'n vreemd dak. 't Was 'n hoofdgebeurtenis in z'n leven, en hy voelde al minder nayver op de Joden die zoo dikwyls uitgingen, en ten-laatste zelfs nooit weer thuiskwamen.
De heugelyke middag was aangebroken. Met onbeschryfelyke fierheid stapte Wouter de poort uit. "'t Was rechts, links, weer links, dan 'n brug over, en daarna rechtuit, het kon niet missen" had Gus gezegd. En de tuin heette _Stad-rust, dus_: "Wouter moest maar vragen, dan zou-i 't zeker vinden."
Dit was ook zoo. Wie voor 't eerst uitgaat, komt altyd te vroeg. Wouter was op _Stad-rust_ vóór de andere genoodigden, maar Gus en Franssie ontvingen hem vry wel, en stelden hem voor aan hun ouders, die zeiden dat Wouter 'n lief gezichtje hebben zou als-i wat minder bleek was geweest.
De andere speelnootjes kwamen vervolgens opdagen, en 't stoeien, draven, gooien, nam 'n aanvang, zooals dat by knapen gebruikelyk is. De pret werd afgewisseld met wafelen en limonade "die heel langzaam moest gedronken worden, omdat de kinderen zoo bezweet waren."
Toen de stammoeder der Hallemannen melding maakte van de bessenboompjes en den zoo kwaadaardig belasterden regenbak, had ze onder de volkomenheden van _Stad-rust_, ook dat prieel moeten opnoemen, waar Betsy zat met dien heer...
--Wie is dat? vroeg Wouter aan de kleine Emma, die meespeelde met de jongens.
--Wel, dat is Betsy's vryer.
Nu weten wy uit de treffende geschiedenis van lange Ceciel, dat Wouter z'n eerste liefde reeds achter den rug had, maar toch trof hem dat gezegde van Emma als iets vreemds. Tot-nog-toe was 'n vrystertje, in zyn meening, 'n meisjen aan wie men griften en ulevellen geeft, en die Betsy scheen verheven boven zulke dingen. Wouter begreep terstond dat-i lange Ceciel niet behoorlyk behandeld had, en op eenmaal beving hem de lust om te weten hoe 'n volwassen heer vryt met 'n meisje dat niet meer school-gaat.
--Haar vryer?
--Wel zeker ... geëngageerd!
Dit woord was Wouter te modern, en als nu de lezer scherpzinnig is, kan hy met vry veel juistheid berekenen in welk jaar onze meid haar ekonomisch huwelyk aanging met den barbiersknecht. Men stelle zich slechts de vraag: wanneer is in de Klasse _Burgerstand_, III, 7, _a_1 (Pp) 't flauwe "geëngageerd zyn" in zwang gekomen voor 't hartelyke: vryen?
--Ge ... wàt? vroeg Wouter.
--Geëngageerd ... ze verkeeren.
--Wat is dat?
--Wel, ze willen samen trouwen. Weetje dàt niet?
Wouter voelde schaamte dat-i zoo'n eenvoudige zaak niet wist, en zooals meer gebeurt, hy schaamde zich nogeens, juist òver die schaamte.
--Wel zeker, dat wist ik wel. Ik had niet goed verstaan. Emma... wilje met _my_ trouwen?
Emma kon op 't oogenblik niet, wyl ze geëngageerd was met haar mama. Maar zoodra ze weer vry werd, zou ze zich bedenken, en dan had Wouter veel kans. Want ze keek hem heel vriendelyk aan voor ze weghuppelde om te voldoen aan 'n konvokatie tot "stuivertje-wisselen" in 'n anderen hoek van den tuin.
Als den lezer de _Spectator_ van Van Effen bekend is, zal-i zich herinneren dat daarin voorkomt de heel aardige beschryving eener _burger-vryaadje_. Ik houd die beschryving voor echt, en vergeef dezen Justus makkelyker 't afluisteren dan 't verzinnen, 't Eerste is nagenoeg geoorloofd, jazelfs byna plicht in iemand die menschen bestudeert om _Spectators_ of _Ideen_ te schryven. Wie 't afkeurt, moet ook den geneesheer veroordeelen die z'n patient bespiedt met het doel diens kwalen te leeren kennen om ze te genezen.
Ik spreek dus Van Effen vry van onbescheidenheid, maar erken eenigszins jaloers te wezen op de gelegenheid die hy schynt gevonden te hebben tot zoo nauwkeurige waarneming. Wy weten weinig van 't huiselyk leven der trekvogels, de hartstochten der schelpdieren ontsnappen voor 'n groot deel aan onze scherpzinnigheid, en toch staat in zekeren zin de natuurlyke historie van oesters en zwaluwen in helder licht, wanneer wy die vergelyken met de kennis van onszelf. Vooral is die kennis moeielyk te verkrygen ten aanzien van 't geslachtsleven--in alle beteekenissen!--dat zich meer dan andere handelingen verbergt voor de blikken van den opmerker.