De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld
Part 6
_a) Eerste straal._ De straal van Baker's _goedheid_. _b) Tweede straal._ De straal van Baker's _wysheid_. _c) Derde straal._ De straal van Baker's _menschenkennis_. _d) Vierde straal._ De straal van Baker's _matigheid_. _e) Vyfde straal._ De straal van Baker's _Standvastigheid_. _f) Zesde straal._ De straal van Baker's _algemeenheid_. _g) Zevende straal._ De straal van Baker's _zelfkennis_. _h) Achtste straal._ De straal van Baker's _edelmoedigheid_. _i) Negende straal._ De straal van Baker's _nederigheid_. _j) Tiende straal._ De straal van Baker's _kuisheid_. _k) Elfde straal._ De straal van Baker's _levenswysheid_. _l) Twaalfde straal._ De straal van Baker's _onschuld_. _m) Dertiende straal._ De straal van Baker's _dubbelslachtigheid_. _n) Veertiende straal._ De straal van Baker's _eeuwigheid_. _o) Vyftiende straal._ De straal van Baker's _waarheidlievendheid_. _p) Zestiende straal._ De straal van Baker's _voorzichtigheid_. _q) Zeventiende straal._ De straal van Baker's _geduld_. _r) Achttiende straal._ De straal van Baker's _zedigheid_. _s) Negentiende straal._ De straal van Baker's _geheimzinnigheid_. _t) Twintigste straal._ De straal van Baker's _eenvoud_. _u) Een-en-twintigste straal._ De straal van Baker's _liefde_. _v) Twee-en-twintigste straal._ De straal van Baker's _trouw_. _w) Drie-en-twintigste straal._ De straal van Baker's _yver_. _x) Vier-en-twintigste straal._ De straal van Baker's _schranderheid_. _y) Vyf-en-twintigste straal._ De straal van Baker's _fatsoen_. _z) Zes-en-twintigste straal._ De straal van Baker's _goedertierenheid_. _z bis.) Zeven-en-twintigste straal._ De straal van Baker's _volmaaktheid_.
"om daarna: _ten derde_, over te gaan tot de beschouwing der bakerplichten, die uit de voorafgegane bakerbeschouwing voortvloeien.
"Het menschdom, myne geliefden, was verzonken in duisternis en hooge belastingen. Alom werd ten duidelykste gevoeld dat er verlichting noodig was, maar te vergeefs wendden zich de blikken naar het Oosten en naar het Westen, naar Zuiderpool en Noordermarkt. Alles bleef even duur en donker. Daar schoot op-eens een golf van licht door den drabbigen hemel. Er werd door de aardbewoners een ster gezien, die losberstte in geruischvolle stilte, en by het schuchter gedonder van die omstandigheid, kwam Stoffel ter wereld. Hy leefde en leerde, zooals hy geboren was, met zachtmoedig geweld.
"Het zou ons nu te vèr leiden, geliefden, als we thans ons bezighielden met zyn prille kindschheid en slanke jeugd... neen, even als de reiziger die noode afscheid neemt van de bloemryke aardappelvelden langs zynen weg, maar toch met begeerige blikken voorwaarts staart op den nabyliggenden berg der toekomst, zóó ook, geliefde Stotters, nemen wy voor heden afscheid van Stoffel, en richten onze blikken op den tekst die voor ons staat als 'n berg van genot.
"De saliemelk der deugd was genoten, en de tuitstoppende blaadjes waren verwyderd uit de monding des ketels door den krachtigen moeder-gehoorzamenden adem van de oudste der dochteren des huizes. De yverige juffrouw Laps, die de onvergankelyke ziel stelde boven 't brooze lichaam, en de oefening der genade boven het streven naar zoeten drank... zy die woonde op de onder-voorkamer van het huis dat gezegend was onder alle huizen... zy had toegegeven in de begeerte om meetepraten, en hieraan sluiten zich de voorgelezene tekstwoorden met verbazende geleidelykheid.
"Ik heb moeite, geliefden, my te weerhouden reeds nu uitteweiden over de voortreffelykheid die er ligt in die taal, maar de vrees afbreuk te doen aan den straalbundel dien ik my voornam aftesteken in het tweede deel myner rede, doet my besluiten u eenvoudig te wyzen op den eerwaardigen Baker Stotter, en op het bont-katoenen jak dat Zyne gelukzalige lenden met geestelyken wellust omsluit. Ziet, geliefden, hoe Zyn geheel lichaam beeft van innigen zielevrede, ziet hoe Hy den vinger opheft by het uiten der nadrukkelyke woorden: _dat zeiti!_ Merkt op, hoe er spanning is by die herinnering aan de onvergetelyke klok, en geestdrift by het meten van die stoep...
"Want hy moet die stoep gemeten hebben, myne geliefden! Het is van hoog gewicht, achtteslaan op deze byzonderheid.
"Ja, geliefde Stotters, er zyn hooge stoepen, en er was een klok met wind in den gang! Dit geloof staat als een rots! Wat er wankele of bezwyke, wy houden vast aan die hooge stoep en aan dien wind! Hoe ook de verdoolde mensch zich aankante tegen de openbaring der Geheimenissen van het bakerschap, hy zal zich te-pletter stooten tegen ons stoepsel, en verbryzeld zal hy worden door den wind onzes geloofs!
"Maar, geliefden, vat gy het wel, begrypt gy wel ten-volle wat er in dien wind zit? Zyt gy wel geheel doordrongen van dien wind? Doorblaast u die wind wel behoorlyk by uw opstaan en uw slapen gaan, by uw middagmaal en uw ontbyt? Dringt die wind wel met voldoend stormgeweld door het weefsel uwer ziel, en doorbruischt hy wel behoorlyk de poriën van uwe gedachten?
"Of--helaas, geliefden, vergeeft my deze schrikwekkende, maar noodige vraag--of is die storm wellicht in uwe harten geworden tot een zuchtje? Is misschien uw wind weggekrompen tot eene labberkoelte, te zwak om 't lichtste voorwerp voorttedryven naar, opteheffen tot, binnentestuwen in de eeuwige gelukzaligheid?
"En die stoep.... geliefden! Wat hebt gy met uwe stoep gedaan? Hebt gy wellicht verleid door de doemwaarde leeringen van de Pennewippers, medegewerkt om de stoep des heils, de hooge stoep der zaligheid, de verheven stoep der genade, te verlagen tot 'n dorpeltje, hoog genoeg--ja, maar ter-nauwer-nood hoog-genoeg--om opteklimmen tot de bovenste plank uwer aardsche etenskast, gy die eene stoep noodig hebt om den hemel te bereiken, een wind om u dien stoep optewaaien?
"Zegt het my, zegt het my, geliefde verdwaasden. O, zegt het my, dierbare Medestotters, waar is uw stoep en waar is uw wind?
"Gy zwygt?
"Hemelsche Baker, zie in genade neder op dat zwygen, en neem onze belofte aan, dat we onze stoep zullen herstellen en onzen wind aanblazen tot er de zaligheid op volgt. Dat zy zoo!
"Doch laat ons voortgaan. Na de diepzinnige toespeling op die stoep en dien wind, haalt de verheven Baker met ernst en nadruk de woorden aan van den man, die dagelyks die stoep beklom, dagelyks den adem diens winds voelde, de woorden van den man die als het ware met die stoep en dien wind vereenzelvigd was: "_Je bent 'n goeie Vrouw/ Vrouw Stotter/ en 'n knappe Baker!_"
_Een goeie vrouw en 'n knappe baker!_ Kan er treffender getuigenis worden gegeven, myne geliefden? Hy zegt niet: _Je bent 'n goeie vrouw, en daarmee uit!_ En niet: _Je bent 'n knappe baker, en daarby blyft het!_ Neen, duidelyk staat er: _Je bent 'n goeie vrouw èn 'n knappe baker_, zoowel dus het één als het ander.... het andere niet minder dan het één.... beiden te-zamen.... alles tegelyk!
"Ik weet wel, geliefde Stotters, dat er sedert eenigen tyd onder de valsche geleerden dezer aarde lieden zyn opgestaan die beweren dat het voegwoord: (en) in den grondtekst, zou behooren vertaald te worden met het tegenstellend: "_maar_" en dat alzoo de Heilige stoep-en-windman eigenlyk bedoelde de hoedanigheid des Bakers te stellen niet _naast_ maar _tegenover_ die der vrouw, maar de Baker die zorge draagt voor Zyne kraamkinderen tot het einde der eeuwen, heeft niet gewild dat er twyfel wezen zou over een zoo gewichtig punt, en daarom heeft Hy toegelaten--wat zeg ik, Hy heeft bewerkt--dat de juiste tekst Zyner woorden is bewaard gebleven in het _Stoffelium_ naar de beschryvinge des Heiligen Multatuliï.
"Ja Geliefden, dáár staat het: "_en een knappe Baker!_" Dat zegevierende "_en_" springt in het oog als een vonk van diamant, en wy kunnen den man niet genoeg danken, die door zyne nauwkeurigheid het menschdom bewaard heeft voor de dwalingen die een onmiddellyk gevolg wezen zouden van de verkeerde lezing des onschatbaren voegwoords: "_en_."
"_En_, geliefden, _en!_ Uwe zaligheid berust op, hangt af van, is verscholen onder, spruit voort uit, gaat samen met, is te vinden in, wordt verzekerd door... dat goddelyke _en!_
"Doch verder nog gaat de helsche Pennewippery onzer dagen. Er zyn er die den braven eenvoudigen Multatuli zelven verdenken, òf van onkunde, òf van opzettelyke verkrachting der waarheid....
"Verdoolden! Ziet ge niet waartoe gy wordt vervoerd door uwe zucht om alles te bekladden en te bederven wat ten leven leidt? Beseft gy niet de ydelheid uwer pogingen om aftebreken wat opgebouwd werd door zoo heilige handen? Gevoelt gy niet dat elke aanval op het gebied der Bakerlyke _Stoffelien_ uitloopt op uwe beschaming? Was _Hy_ niet heilig, _Hy_ de eenige onvolprezen Baker Stotter in Zyn bonte jak? En als men dit toestemt--wat dan toch wel niet kàn ontkend worden--moet dan niet ook _hy_ heilig en onfeilbaar wezen, die de daden en woorden van dien Heiligen persoon heeft te-boek gesteld? En aldus die heiligheid aannemende als uitgemaakt, kunnen er dan fouten wezen in zyn geschrift, geheel geschreven onder den invloed der begeesterende indrukken van het pas ontloken Bakerdom dat, nog maagdelyk en nieuw, nog niet bedorven door menschelyke byvoegselen en helsche Pennewipsels, eenen heiligenden invloed uitoefende op de schryvers die getuigen waren, of die althans achternaneven hadden kunnen gezien hebben vàn de getuigen der gebeurtenissen die zy boekstaafden?
"Weg van ons, gy wereldsche wysheid, die knagen wilt aan onze zaligmakende voegwoorden! Neen, aarde en hel, gy ontneemt ons niet het vast geloof aan de juistheid, aan de zuiverheid, aan de geloofwaardigheid, aan de heiligheid onzes onvolprezenen _Stoffeliums!_ Met nederige fierheid zien wy neder op uw ydel gepoog! Met onzeggelyke gemoedsrust en betooverend zelfgevoel, roepen wy juichend uit: "_Gij was een goeie Vrouw en een knappe Baker!_"
"Doch dit is nog niet alles. Verder nog, hooger nog, dieper nog, sterker nog, grypt onze tekst in de dierbaarste belangen onzer toekomst.... _Hy zal altyd 'n goeie vrouw en 'n knappe baker blyven!_ Gevoelt gy wat dit zeggen wil, Geliefden? Wat hy was, was hy niet voor een oogenblik, voor heden, voor gisteren of voor den dag van morgen... neen. Hy zal blyven wat hy was, altyd, eeuwig... _'n goeie vrouw en 'n knappe baker!_
"De aarde zal verkruimelen en te-niet gaan: _Hy_ zal blyven! De zon zal maan worden, of in 't geheel niets! _Hy_ zal blyven! Het heelal zal verzinken: _Hy_ zal blyven voortbakeren ten einde toe!
"O, Geliefden, wien duizelt niet het hoofd by het beschouwen van zulk een roeping! Hy zal bakeren, bakeren, bakeren tot er niets meer zal te bakeren vallen, en toch blyven voortbakeren! Myne zwakke krachten schieten te-kort by dit denkbeeld! De onnoozele mensch beschouwt, overpeinst, begrypt er niets van, aanbidt en... zwygt.
"Ja, zwygen! Daarom verkondigen wy luide onze overtuiging! Zie, o mensch, gy die bouwt op de dingen van één dag, zie onze vastigheid die gegrondvest is op de onomstootbare mannelyke schouderen der vrouw! Waar alles ligt, zal Hy staan blyven. Waar alles bukt, zal Hy zich oprichten. Waar alles vergaat, zal Hy bloeien... bloeien in al de frisheid Zyner jeugd, als op den stond toen Hy, tusschen juffrouw Mabbel en de Weduwe Zipperman, nederig naar den mensch, maar groot als uitverkoren Baker, zegevierend getuigen kon: "_dat zeiti!_"
"En Hy zal blyven wat Hy was, niet voor u alleen, niet voor my alleen, neen, wy lezen duidelyk in het hoofdstuk waaruit we onzen tekst kozen: "_mijn heele Familie zal je altyd gebruiken!_"
"Ziet gy, Geliefden: _zyne heele familie!_ Wat is de familie van iemand die eene _zoo_ hooge stoep heeft, en een windklok? Dat is het menschdom. Vrouw Stotter is de Baker van het heele menschelyke geslacht. Hy is uw Baker, Hy is myn Baker, Hy is zyn Baker, Hy is haar Baker, Hy is onze Baker, Hy is ulieder Baker, Hy is hun Baker, Hy is de Baker van ons allen, ja van allen... behalve van die vervloekte Pennewippers en andere verdoolden die van ons verschillen in geloof.
"Weg van Zyn Bakerlyken schoot, gy die geen deel aan Hem hebt, die niet zyt van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks! Weg van Hem, en vaart naar de diepe gewelven, waar geen Baker is. Betreurt daar uwe doemwaardige verstoktheid, en vergaat in bakerlooze ellende!
"Ja, Hij zal het menschdom bakeren ten einde toe! "_Ma_, staat er verder, _als de menschen je wat zeggen/ moet je net doen of je 't niet hoort!_" De bedoeling dezer verhevene woorden is: het zal gebeuren dat uw zuigeling--het ingebakerd menschdom, namelyk--wederspannig is, en zich krytend en schreeuwend teweerstelt... doe of je 't niet hoort, Baker! Speld er maar dapper op toe. Beschouw elke beweging als strydig met de ware beginselen van Bakerdom en deugd. Maak een pakje van Uwen voedsterling, en laat elke nieuwe Bakerspeld luide verkondigen met kop en met punt: het Bakerdom heeft gezegevierd over de aangeboren verdorvenheid van de familie des mans des verheven stoepsels en des windkloks!
"_Doe net of je 't niet hoort, Baker!_ Stop uwe ooren voor de gebeden der omstanders. Luister niet naar de betweters die meenen dat schoppen en trappen en òm zich slaan, de eerste natuurlyke uitspanning is van ons geslacht. Speld toe, Baker, speld toe! Er staat geschreven dat Gy Baker zyt, en Baker blyven zult... baker dus het menschdom tot het einde der eeuwen. "_Gloei eeuwig door_ zooals de psalmist zegt,
"Gloei eeuwig door van Kindermin/ En speld ons in Uw Luiers in!
"Doch Hy is ook mensch, die Baker, en wat meer zegt--of volgens sommigen, minder--Hy is vrouw! Ja, Hy is vrouw op het avendje van juffrouw Pieterse, en met echt vrouwelyke bescheidenheid en iets dubbelnaturigs dat ook de meest verstokte harten treffen moet, hooren wy Hem in onzen tekst uitroepen: "_Dankie/Juffrouw Pieterse/ mijn koppie is omgekeerd/ dat zieje wel._"
"_Hy bedankte, Hy had zyn koppie omgekeerd, en zy zag het wel!_ Verheven drieëenigheid van zinnediepte! Hy bedankte, ja... maar Hy bedankte niet alleen, Hy keerde te-gelyker-tyd Zyn koppie om, en wel verre van Zich te bepalen tot die Heilige handeling, voegde Hy ter onzer leering daarby: _dat zieje wel!_
"Voor ik overga tot de verklaring dezer hoogstgewichtigheid, maak ik de zielpynigende opmerking, Geliefden, dat sommigen beweren dat het woord "koppie" in den europeeschen grondtekst tot een verbasterd taaleigen behoort, dat niet dan door lieden van den laagsten stand, en slechts in den gemeenzamen omgang gebruikt werd waaruit zy aanleiding nemen, om een smet te werpen op de deftigheid van Multatuli den _Stoffelist_. Doch, zooals immer, valt ook deze steen neder in den hof des rampzaligen die den steen geworpen heeft. Want is niet juist dat wedergeven van vrouw Stotter's aanbiddelyke taal, letterlyk zóó als Zy moet gesproken hebben om begrepen te worden door juffrouw Pieterse, een bewys voor de echtheid des Heiligen boeks? Zou niet de nooit volprezen Multatuli, indien hy 't beeld des Bakers had willen opsieren met franjekleederen of krulgewaden...
Hier komt dominee Zielknyper zoo uittewyden in myn lof, dat ik uit pure zedigheid genoodzaakt ben terugtekeeren tot den tyd toen er nog inkomende-rechten bestonden, en dus vóór Baker-apothéose en anevrismen.
De lezer zal zich herinneren dat de preek, waarvan ik 'n fragment meedeelde, alleen mogelyk was door de veronderstelling dat ik verhinderd ware geweest den indruk te schetsen, dien de nederlaag van juffrouw Laps by haar en hare zoog-lotgenooten teweegbracht, en dat er dus vry spel ware gelaten aan de behendigheid van toekomstige godsdienstsmeden, om uit den katastroof op III, 7, _b_1 (Pp) de elementen byeentezoeken tot 'n bruikbaar windselsysteem.
Daarvan gebeurt niets. De godenmakers die na ons komen, zullen zich moeten behelpen zoo goed ze kunnen, want wel verre van m'n boek hier te sluiten, verklaar ik uitdrukkelyk dat het verbaasd gezelschap, na Pennewip's beslissing, zich bepaalde tot den uitroep: "Z...ó...ó...ó!" zonder iemand aantevliegen, te bekrabben, of ander molest aan te doen.
Ontwikkeling der oorzaken van den lankwyligen vrede in Europa, waaruit tevens (alles is in alles!) den lezer 't nut blyken kan van de gezette studie der salieavenden. Vervolg en slot der dichtproeven, zeer geschikt voor rederykers en andere knappe versöpzeggende kinderen. Arme Wouter... neen, ryke Wouter!
De oplettende lezer die op menschkunde gesteld is, wil natuurlyk gaarne weten welke oorzaak ons vorig hoofdstuk zoo kalm deed eindigen, en waarom 't saliegezelschap zoo vreedzaam berustte in 'n geval dat nog kort geleden aanleiding had gegeven tot zoo hevige ontploffing?
Nog geheel vervuld van den indruk der bakerspreuk, zal ik de oorzaken der betrekkelyke kalmte die er heerschte na Pennewip's vonnis, splitsen in drie deelen:
_Vooreerst._ Men was reeds driftig geweest, en dus wat uitgeput.
_Ten tweede._ Juffrouw Laps, de aanvoerster in den stryd, overzag met genialen blik het slagveld, en zonder juist te denken aan 't wereldberoemd gevecht van de Horatiërs en Curiatiërs, vatte zy met aangeboren talent de taktiek van 't "verdeel en heersch!" Mèt de mogendheden Stotter, Mabbel, Krummel en Zipperman tegen 't "huis" der Pietersens... dat kòn. Maar nu dat huis gesteund werd door Pennewip's meesterlyk gezag, schreef de voorzichtigheid voor zich terugtetrekken uit den stryd. Want wie verzekerde Talleyrand-Laps, dat ze rekenen kon op haar bondgenooten? Wie kon haar waarborgen dat niet de baker, of misschien juffrouw Zipperman zelve, zou overgaan tot den vyand, al ware het uit bekrompen eerbied alleen voor meester's bewegelyke pruik? Neen, neen... niet op zulken onzekeren bodem liet juffrouw Laps de artillerie voortrukken van hare welbespraaktheid. Zwygend zei ze: "'k zal je later wel krygen!" en als we ons haar, en al de verhoudingen van 't gezelschap, vermenigvuldigd denken met twintig- of dertig-millioen, zouden we ons kunnen voorstellen den volgenden dag in deze of gene "onder invloed staande" Juffrelapsche krant te lezen: _"De verhouding met het ryk der_ Pietersens _is allerkordiaalst. Men spreekt zelfs van 'n vriendschappelyke byeenkomst der respektieve soevereinen, zonder 't minste staatkundig doel, en alleen om zich te verheugen in elkanders aanschyn. Men ziet hieruit alweder hoe ongegrond de geruchten waren omtrent zekere spanning die er zou bestaan hebben over de ware natuur van onze geëerbiedigde vorstin. De lezer zal zich herinneren dat wy die geruchten dan ook slechts onder reserve hadden meegedeeld."_
_Ten derde._ De derde en voornaamste reden van den wapenstilstand was: nieuwsgierigheid. Wie zich op-nieuw boos maakte, of boos blééf, of boosheid blyken liet, zou moeten vertrekken. En wie vertrok, zou niet weten waarom meester Pennewip was komen vertellen dat er weer wat aan de hand was met Wouter. Hieruit ziet men voor den duizendsten keer dat alle zaken haar goede zyde hebben. Als Wouter Pieterse deugdzaam ware geweest in meester's oogen, hadden die oogen waarschynlyk 't lot ondergaan dat hun in zoo'n geval door den archaeoloog Klesmeyer eenmaal in de oud-europeesche mythologie zou worden aangewezen.
--Maar meester, vroeg juffrouw Pieterse--na op 't overwonnen zoogdier 'n blik te hebben geworpen die gelden kon voor 'n: "waar blyf je nou?" met rang van overwinningsbulletin--maar meester, wat heeft die Wouter dan nu weer uitgevoerd?
--Ja, wat heeft Wouter weer gedaan? werd er bygevoegd door juffrouw Laps, die zich verheugde omdat het gesprek 'n andere wending nam, en tevens over de nieuwe misdaad die zy vernemen zou, omdat ze zoo godsdienstig was. Want in de godsdienst is de zondaar 'n ding waarop men zich oefent. En juffrouw Laps hield veel van oefenen, zooals we gezien hebben.
Juist zou Pennewip 'n begin maken met de akte van beschuldiging, toen de bel ging... nogeens...--"'t was f'r ons"--en de arme delinkwent trad de kamer in.
Hy was nog bleeker dan gewoonlyk, en er was reden toe want er waren vreemde zaken met hem gebeurd sedert Fancy hem opnam en meevoerde...
--Juffrouw Pieterse, begon Pennewip, myne school is beroemd tot op Kattenburg... hoort gy dat, en verstaat gy dat?
--Och ja, meester.
--Ik herzeg: beroemd, en wel voornamelyk wegens de goede zeden die daar heerschen... ik bedoel natuurlykerwyze: op myne school Godsdienst en deugd staan by my op den voorgrond. Ik zoude u verzen kunnen toonen over God... maar dit zal ik nu met stilzwygen voorbygaan. Het zy ulieden genoeg, te weten dat myne school beroemd is tot op... wat zeg ik... zelfs heb ik 'n zoontje gehad van iemand op Wittenburg--van den blokkenmaker--en eenmaal zelfs ben ik schriftelyk geraadpleegd over de verbetering van 'n knaapje wiens vader heel te Muiderberg woonde.
--Gut, meester!
--Ja, juffrouw Pieterse! ik ben nog in het bezit van den brief, dien ik u zoude kunnen toonen als ik zulks verkoos--de man was doodgraver, en die jongeling had zich overgegeven aan het teekenen van ongepaste figuren op de zerken--maar juist dáárom--ik bedoele om de godsdienst en deugd waaromtrent ik zoo beroemd ben--voel ik my verplicht u by dezen medetedeelen dat ik niet verkies den goeden naam myner school te zien verloren gaan door uw deugniet van 'n zoon die dáár staat!
De arme Wouter was onthutst. Dat klonk anders dan 'n pauselyke aanstelling... die hy trouwens niet langer begeerde, want hy had zoo-even 'n heel andere aanstelling bekomen die hem beter aanstond.
Z'n moeder wilde terstond overgaan tot wat zy haar godsdienst noemde en hem 'n kastyding toedienen, om den meester tevreden te stellen en dezen te toonen dat ook in haar huis deugd en goede zeden op den voorgrond stonden. Maar meester vond beter het gezelschap te doen weten wat er aan de hand was, om daardoor te gelyker-tyd het schuldbesef van den patiënt inniger te maken.
--Uw zoon, juffrouw Pieterse, behoort tot de klasse der roovers, moordenaars, vrouwenschenners en brandstichters...
Meer niet.
"Heilige genade! Goeie hemelsche gerechtigheid! Barmhartige christenzielen nog toe! Och, lieveheeremenschelyke deugd, is 't mogelyk! Wat 'n mensch moet beleven!" Zoo omtrent--maar ik sta niet in voor de juistheid--was de stortvloed van uitroepingen waaronder de tienjarige roover, moordenaar, vrouwenschenner en brandstichter bedolven werd. Arme Wouter!
--Ik zal u 'n stuk voorlezen van zyne hand, zei meester, en wie daarna nog twyfelt aan de verdorvenheid van dezen knaap...