De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld
Part 5
Allen waren opgestaan en wilden vertrekken. "Men kon veel verdragen, maar dàt niet." Juffrouw Krummel zou 't geval meedeelen aan haar man. Juffrouw Zipperman aan de assurantie of 't kadaster. Vrouw Stotter zou 't vertellen aan dien m'nheer op de Prinsengracht, dien ze gebakerd had, en juffrouw Mabbel aan ik weet niet wien. Kortom, ieder wilde dezen of genen deelgenoot maken van de zaak, en de hemel weet of 't by die bedreiging zou gebleven zyn, als niet ter-goeder-uur de huisgenius der Pietersens op dat oogenblik aan de bel had laten trekken door den waardigen man dien we zoo wanhopig deugdzaam achterlieten in 't vorige hoofdstuk.
Nasleep van den àllerlaatsten punischen oorlog. Nederlaag van Hannibal-Laps door Scipio-Pennewip. Politiek baskule-systeem. Litteratuur van de toekomst. Buitenkansje voor den lezer, die hier allerlei gewichtig nieuws verneemt dat nog gebeuren moet.
Ja, daar werd gescheld... nog eens: 't was ...f'r ons."
Juffrouw Pieterse haalde adem, en daaraan deed ze wèl, vind ik, schoon 't altyd dom is te zeggen wat men zou goedvinden te doen als men 'n ander was dan men is. 't Komt me echter nu zoo voor, omdat ik in haar geval adem zou gehaald hebben. In de eerste plaats, daar ik berekenen kan dat ze 't in lang niet gedaan had. Voorts, omdat ik weet hoe men in hachelyke omstandigheden uitkomst wacht van elke verandering, en verandering van elke kleinigheid. En eindelyk, wyl ik denk dat juffrouw Pieterse op dit punt wel 'n mensch zal geweest zyn als 'n ander.
--Och, me lieve menschen, zei ze, wees toch bedaard, daar zullen de heeren wezen.
De "dames" beweerden dat de "heeren" nog niet konden dáár zyn, wyl 't nog te vroeg was, en juist deze twyfel òf 't de heeren waren, gaf 'n gunstige wending aan de vreeselyke krisis.
Twyfel werkt altyd verlammend, onverschillig of ze al dan niet in-verband staat met de zaak die ons bezighoudt. Bovendien, als men gestoord wordt in toorn, is 't heel moeielyk het juiste punt weertevinden waar men gebleven was.
Juffrouw Laps beproefde dit wel, maar 't ging niet, want haar: "'n zoogdier... hebje van z'n leven, 'n zoogdier!" werd overstemd door: "hedenm'ntyd, anders komt-i nooit voor tienen." Juffrouw Pieterse maakte handig van die afleiding gebruik, en wist haar gezelschap te bewegen weer plaats te nemen. Myntje zou "opentrekken". Truitje werd belast met het "terechtbrengen" van de kinderen--die er heel slecht by voeren--en de gastvrouw-zelf was juist begonnen met 'n nieuwe zoölogische verhandeling die 'n ongehuichelde vrede zou herstellen onder de krygvoerende partyen, toen de deur geopend werd, en meester Pennewip zich vertoonde aan 't nog ontstemd gezelschap. Ook hy was ontstemd, de lezer weet het.
De homoeopathen zullen hier denken aan hun _similia similibus_, want de verrassing van z'n komst werkte gunstig op de aangevangen vredesonderhandelingen. Er werd stilzwygend 'n wapenstilstand gesloten tusschen de krygvoerende partyen--niet zonder voorbehoud aan den Laps-kant, om den stryd weer aantevangen zoodra de nieuwsgierigheid naar de oorzaak van Pennewip's komst zou voldaan zyn--en ze ging hiertoe te gemakkelyker over, wyl men 't den man kon aanzien dat-i wat zeer gewichtigs had meetedeelen. De pruik riep duidelyk moord en brand, en daar hield ze van, die goeie juffrouw Laps.
--Goeden avend, juffrouw Pieterse, ik ben uw onderdanige dienaar. Ik zie, ge hebt gezelschap, maar...
--Dat is niks, meester. Komt uwé maar in, en ga maar zitten.
't Gezelschap was _niets_, en: "ga _maar_ zitten." Daar heerscht 'n zonderlinge beleefdheid op Burgerstand III, 7, _b_1, (Pp).
--Wil uwe-n-'n koppie meedrinken, meester... saliemelk?
--Juffrouw Pieterse, zei de man op waardigen toon, ik ben niet gekomen om saliemelk te drinken!
--Maar ga toch zitten, meester...
Dit ging moeielyk genoeg, maar men schikte wat, en 't kwam er toe.
Pennewip kuchte met ernst. Hy zag 't gezelschap rond, haalde een rol papieren voor den dag, trok de pruik scheef, en sprak:
--Juffrouw Pieterse! Gy zyt een brave fatsoenlyke vrouw, en uw man... verkocht schoenen...
Juffrouw Pieterse zag juffrouw Laps aan, met 'n zegevierenden blik.
--Ja meester, dat deet-i!
--Val my niet in de rede, juffrouw Pieterse. Uw overleden echtgenoot verkocht schoenen. Ik heb uwe kinderen op myne school gehad, van zóó groot af, tot de belydenis toe. Is dat niet waar, juffrouw Pieterse?
--Ja, meester, antwoordde zy benauwd, want ze begon angst te voelen over de indrukwekkende plechtigheid van Pennewip's toon, jawel, dat is waar, meester.
--En ik vraag aan u, juffrouw Pieterse, of gy u, zoolang gy, door middel van uwe kinderen, iets hebt te doen gehad met myne school, klachten hebt--ik bedoel gegronde klachten, juffrouw Pieterse--over de wyze waarop ik--met behulp myner echtgenoote--aan uwe menigvuldige kinderen heb onderricht gegeven in lezen, schryven, rekenen, vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, naaien, breien, merken en de godsdienst? Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse?
Akelige stilte. De juffrouw van onder-achter had reden tot tevredenheid.
--Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse, herhaalde de meester, terwyl hy 'n neusknyper opzette die voor ouwerwetsch doorging in die dagen, doch bestemd was weer nieuwerwetsch te worden, eenige tientallen jaren later.
--Maar, meester...
--Geen maren, juffrouw Pieterse. Ik vraag aan u, of u--want het is volkomen geoorloofd, juffrouw Pieterse, in dit geval het voorzetsel achterwege te laten--ik vraag u of gy klachten hebt--ik bedoel natuurlykerwyze: _gegronde_ klachten--over myn onderwys in lezen, schryven, rekenen...
--Gut né, meester, ik heb geen klachten, maar...
--Zoo? Geene klachten alzoo! Welnu, dan verklaar ik u... waar is uw zoon Wouter?
--Wouter?--'t Is waar ook--is-i niet thuisgekomen. Trui?--Wouter is uit wandelen, meester, met de Hallemannetjes. Dat zyn heel fatsoenlyke kinderen, meester, en ze wonen...
--Zoo... met de Hallemannetjes... die op de fransche school gaan! Zoo... ei! Ei... zoo! Het is dus van de Hallemannetjes dat men die dingen leert... van de Hallemannetjes, III, 7 _a_1... misschien _a_... ja, wie weet... het kan wel II wezen... of zyn--want dat is hetzelfde, juffrouw Pieterse--het kan niet anders... zedeloosheid, verderf... op de fransche school... Welnu, juffrouw Pieterse, ik zeg u dat uw zoon...
--Hè?
--Ik zeg u, dat uw zoon Wouter...
De meester zag rond, als wilde hy de ademlooze stilte inzuigen, die 'n gevolg was van z'n spookachtige voordracht. Juffrouw Laps haastte zich den zegepralenden blik van zooeven met woeker terugtegeven aan de ongelukkige gastvrouw, die weer groote behoefte had aan haar _eau-de-la-reine_-doosje, niet zoozeer omdat ze wat ongunstigs hooren zou over Wouter "dien jongen" die haar altyd zooveel verdriet had gedaan, als wel uit ergernis dat juffrouw Laps getuige was van 'n beschuldiging die zy gewis zou aangrypen als wapen in den zoölogischen stryd. Dit geschiedde dan ook.
--Hèb ik 't niet gezegd? Van dien Wouter komt nooit wat goeds. Men begint met 'n bybel, en eindigt met... wat anders. Ja, meester, ik verwonder me niet over de zaak... in 't geheel niet! Ik heb 't lang voorzien. Wat kan men ook verwachten in 'n familie, waar...
Juffrouw Pieterse begreep met bliksemsnelheid dat zich 'n gelegenheid opdeed om 't voordeel te herwinnen dat ze verloren had. Stoffel had gezegd: het stond in 'n boek... wat in 'n boek stond, moest meester weten; en dus:
--Meester, riep ze, is 't waar of niet, dat juffrouw Laps 'n zoogdier is?
Ik ben overtuigd dat Pennewip deze vraag rangschikte onder de klasse der zonderlinge uitboezemingen, vooral na z'n onvoltooide beschuldiging tegen Wouter. Hy keek over z'n bril heen en beschreef langzaam 'n kring met z'n blik, die overal vooruitgestoken hoofden ontmoette, met lange halzen, open mond en teruggehouden adem. Vooral juffrouw Laps had iets dreigends in gelaat en houding, dat duidelyk zeide: antwoord of sterf, ben ik 'n zoogdier?
--Wie heb ik het genoegen te spreken? vroeg Pennewip, waarschynlyk zonder te bedenken dat deze vraag de kwestie nog vreemder maakte, wyl 't nu den schyn kreeg of de dierlyke hoedanigheid van juffrouw Laps afhankelyk was van haar naam, woonplaats, ouderdom, familiebetrekkingen en beroep.
--Ik ben juffrouw Laps van onder-voor, zei ze.
--Ah... zoo! Juffrouw Laps, gy behoort inderdaad tot de klasse der zoogdieren.
Er slaakte zich in 't gezelschap 'n tienvoudige zucht. Juffrouw Pieterse triumfeerde weer. In de staatkunde en op boven-voorkamers, is 'n volstrekt evenwicht onbestaanbaar. De partyen of mogendheden zyn voortdurend in op- of nedergaande beweging.
De mogendheid Laps, die niets gewonnen had met haar hevigheid van zoo-even, wilde nu eens beproeven wat gemoedelykheid zou uitwerken:
--Maar, meester, hoe kan uwé dat zeggen? Myn vader was in de granen...
--Juffrouw Laps, antwoord my...
--Gut ja, meester, maar...
--Antwoord my juffrouw Laps: waar woont gy in, of juister uitgedrukt; wáárin woont gy?
--Waarin ik woon? Wel... in m'n kamer, hieronder... twee ramen... vrye opgang... kwart in den regenbak beneden...
--Dit was geenszins de bedoeling myner vraag, juffrouw Laps, Derzelver bedoeling was, te weten of gy behoort tot de byzondere klasse van bewerktuigde wezens welke zich ophouden in eene oesterschelp?
--Ja, ja, juffrouw Laps, riep de zegepralende gastvrouw, dáárop komt de zaak neer, daarop komt nu juist de heele zaak neer, zieje!
En Stoffel voegde er by dat eigenlyk de heele zaak dáárop neerkwam.
Juffrouw Laps zag in dat ze dan 'n verloren mensch was, want ze moest erkennen dat ze haar gewoon verblyf niet hield in 'n oesterschelp.
Dit was 'n illuzie van 't schepsel.
Met verbazing zag zy den meester aan, die zich volstrekt niet stoorde aan den indruk zyner ondervragingen, en met iets rechterlyks in toon en pruik, voortging:
--Kunt gy leven in 't water? Hebt gy kieuwen?
--In 't water? Maar, meester...
Pruik links. Dat beduidde: geen maren.
--Of half in 't water, half op het land?
--Meester hoe zou ik...
Pruik rechts: geen uitvluchten!
--Antwoord my, juffrouw Laps. Hebt gy koud bloed? Brengt gy levende jongen ter wereld?
--'t Is zonde, meester.
De pruik had iets van 'n stormram, en te-recht. Want daar volgde de stormrammige vraag:
--Kunt gy eieren leggen, juffrouw Laps? Dit vraag ik maar, slechts dit: kunt gy eieren leggen... hè?
Dàt kon ze niet!
--Dan zyt gy een zoogdier, juffrouw Laps.
En de pruik kwam weer in 't midden, en in rust. Ze had juffrouw Laps uit het veld geslagen.
Ik stel er belang in, te weten hoe de lezer zich 't gezelschap voorstelt, na dit verschrikkelyk vonnis, dat geen hooger beroep toeliet, want Pennewip's gelaat had het voorkomen van 'n gewysde. Ook was er geen spoor van gratie in z'n saamgeknepen wenkbrauwen.
De gedachte is in my opgekomen, wat al verkeerde meeningen er zouden worden te-voorschyn gebracht over wat er na 't zoo-even verhaalde voorviel, wanneer ik hier op-eenmaal m'n boek sloot, en hoevele duizende gissingen 't menschdom eeuwen lang zouden bezighouden, als ik verhinderd werd voorttegaan door orgeldraaiers, of... door wat anders.
Het lust my 'n oogenblik toetegeven in dat denkspel, en 'k lees duidelyk in de dagbladen van de 50e eeuw:
_EERSTE BERICHT_.
"Er heeft weder 'n gevecht plaats gehad tusschen de Lapsianen en de Stoffelianen. De laatsten hebben 't veld geruimd, doch niet zonder hun geloof te bezegelen met veel bloed. De heilige lap is behouden, maar er is 'n gat in. Men ziet dagelyks 'n nieuw treffen te-gemoet, waarby waarschynlyk de Krummelianen, Kadasteristen en Mabbelaars de behulpzame hand zullen bieden aan de geloofsverwante Lapsianen, om 'n eind te maken aan het overwicht der Stoffelianen, die met behulp der Pennewippers, 'n hoogstverderfelyken invloed uitoefenen in Opper-Azie.
"Zonder te-kort te doen aan de heiligheid der zaak, komt het ons voor, dat wy, opper-aziaten, die de beschaving hebben gemaakt tot ons privaat-eigendom, beter deden ons te bemoeien met de bebouwing onzer landeryen en 't melken van onze koeien, dan gedurig te stryden over dingen die zoo lang geleden zyn voorgevallen in 't verloren hoekje gronds, dat by oude geschiedschryvers voorkomt onder den naam: Europa."
_TWEEDE BERICHT_.
"Naar men verneemt, is er gisteren een groote zege behaald door de oude Stotters op de nieuwe Stotters. Men weet dat sedert eenigen tyd, de sekte der Stotters gescheiden is in twee hoofdafdeelingen. De oude Stotters hebben 't genoegen gehad hun jonge geloofsbroeders geheel uitteroeien, zoodat nu de vraag over de juiste kleur van vrouw Stotter's oudje naar den zin der laatstlevenden is beslist."
_DERDE BERICHT_.
"Er is 'n nieuwe sekte van Stoffelianen opgestaan, die in zóóverre afwykt van de oude leer, dat ze op eenige punten de onfeilbaarheid van Stoffel Pieterse in twyfel trekt. Die twyfel zou gegrond wezen op z'n malle houding in _de Nederlanden_. (Het bekende bessen-met-suikerdogma.)
"De oude Stoffelianen hebben 'n concilie gehouden, waarin besloten is, de ware leer te gaan verkondigen in alle landen waar die nog niet is doorgedrongen. Er zal 'n algemeene kollekte worden gehouden, om ammunitie en Stofféliums intekoopen. Ook wordt er 'n korps europeesche wilden aangeworven, die wel halsstarrig weigeren toetetreden tot het ware geloof, maar zeer bruikbaaar zyn in godsdienst-oorlogen, waartoe zy (als de handgelden hoog zyn) 'n instinktmatigen aanleg schynen te bezitten."
_VIERDE BERICHT_.
"Er is sprake van de ontdekking der Janhagel, die door juffrouw Laps werd saamgeknepen, kort voor haar dood. Drie theologen zyn in kommissie gesteld om dat eerwaardig overblyfsel der geloofsheldin te keuren.
"Reis-, verblyf- en keuringskosten zyn genomen ten laste van den Staat, en zullen bestreden worden uit equivalente verhooging der belastingen op brood en brandstof."
_VYFDE BERICHT_.
"By alle rechtzinnige boekhandelaars des aziatischen ryks is verschenen: _Nieuw en omstandig bericht van wat er heeft plaats gevonden op_ III, 7, _b_1 (Pp), _na de kategorische verklaring des meesters over de ware natuur van juffrouw Laps._
Alle weldenkende tydschriften doen hulde aan de homiletische en exegetische waarde van dit prachtwerk, dat naar den zuidoost-Afrikaanschen tekst, met behulp der nieuwste bronnen, is vertaald uit het Europeesch.
De overzetting der laatste woorden van juffrouw Laps, geven 'n geheel nieuw inzicht in de bedoeling harer dierwording, en toonen ten duidelykste aan hoe hare zoogvatbaarheid in nauw verband staat met de welbegrepen belangen van volksbeschaving en verdere zoölogie.
Ook beweert men dat er 'n nieuwe lezing is uitgedacht van de laatste verzuchting des bakers, die 'n eind maakt aan den langen stryd over zyn mannelykheid, en die de hooge waarde van Stoffel Pieterse's grammatikaal-theologische roeping in 't helderst licht plaatst, waardoor op-nieuw de overeenstemming wordt aangetoond tusschen de wetenschap en de heilige boeken van ons geloof."
_ZESDE BERICHT_.
"De Krummels en Zipperlieden hebben elkaar de hand geboden, en in de geloofsartikelen opgenomen dat men niet volstrekt verplicht is vasttehouden aan juffrouw Zipperman's verkoudheid, met uitdrukkelyke bepaling evenwel, dat dit geloof niet schaden zal aan de zaligheid, mits men vaststa in 't kadaster, omdat de laatste opgravingen in Europa hebben aangetoond dat het venster op III, 7, _b_1 (Pp) redelyk goed gesloten was. Deze ontdekking, in verband met de jongste nasporingen omtrent de kanonieke beteekenis van de assurantie, schynt tot gezegde verbroedering geleid te hebben."
_ZEVENDE BERICHT_.
"Het blykt hoe langer hoe duidelyker uit de yverige nasporingen van den theologischen doctor Klesmeyer, dat juffrouw Laps wel degelyk aan meester Pennewip 'n oog heeft uitgekrabd, wat natuurlyk hare talryke vereerders aangenaam is te vernemen. Die geleerde onderzoeker heeft namelyk in 't hooge Noorden, waar ons gezegend Azië grenst aan 't oude Europa, 'n ysbeer ontmoet die zich vermaakte met 'n éénglazigen neusknyper, uit welke ontmoeting de diepdenkende hooggeleerde scherpzinnige eer- en geldwaardige Klesmeyer zyn stelling onweersprekelyk bewyst, vooral door die in verband te brengen met den gekromden voorvinger en den gescheurden nagel van juffrouw Laps, op de autentieke schildery te Foppipolis."
_ACHTSTE BERICHT_.
"Het verheugt ons onze lezers te kunnen onthalen op de aangename tyding dat onze stad dezer dagen 'n waar feestgenot heeft gesmaakt, en wel 'n genot dat meermalen zal kunnen herhaald worden.
Er is namelyk 'n aanvang gemaakt met het verbranden van alle in onze handen vallende personen die zich verstouten langer of korter te zyn dan onze burgemeester.
De behoefte aan dezen maatregel werd sedert lang gevoeld, maar de onwil van eenige buitenmatige personen heeft ons tot-nog-toe weerhouden gevolg te geven aan de algemeene billyke wenschen des volks, en de eerste beginselen van tucht, orde, godsdienst, deugd en fatsoen.
De schuldigen zyn onder 't meten en branden, tot afleiding en opbeuring, beziggehouden door dominee Stikleer, die hen gewezen heeft op Stoffel's verdienste en dood, in verband met de lengte van z'n buis, na de benoeming tot derden ondermeester, en met z'n edel pogen tot algeheele ontworteling der onzedige oud-christelyke spel-methode.
Die welsprekende redenaar heeft alzoo door zyn gemoedelyke toespraak veel bygedragen tot de vroolykheid en den genoegelyken afloop van 'n feest, dat in aangename herinnering blyven zal by ieder die de juiste maat had."
_NEGENDE BERICHT_.
We kunnen ons niet weerhouden 'n kort verslag te geven van de ingrypende leerrede die gisteren in onze hoofdkerk werd gehouden door den eerwaarden Zielknyper. De waardige man had tot tekst gekozen baker's onwaardeerbaar gezegde: "_dankie wel/ Juffre Pieterse/ m'n Koppie is omgekeerd/ dat zieje wel!_"
Hierop volgt 'n verslag van die preek. De nederige berichtgever uit de 50e eeuw noemt het kort. Dit moge waar zyn, maar ik vind het zóó belangryk, zóó uitlokkend, dat ik geen weerstand bieden kan aan den lust om dat zielknyperig voortbrengsel van de toekomst in z'n geheel te lezen. Ik ga naar den boekverkooper die de zaken van godsdienst tot z'n specialiteit maken zal in die eeuw, en koop de preek. Ik doe dit gedeeltelyk om uwentwil, lezer, maar voornamelyk om myzelf, wyl ik in dat stuk genoemd word met veel onderscheiding. Gy begrypt hoe aangenaam het is, te ontdekken dat men over zooveel eeuwen nog aan ons denkt. Zie hier:
Voorzang.
O/ Baker vol van Zaligheid/ Wie zou Uw Lof niet zingen! O/ Baker Die de Baker zijt Van alle Stervelingen! O Baker/ hoor ons juichen aan/ Als wij met U uit baak'ren gaan.
O Baker/ groot in Lief en Leed/ In Kraamzaal of Saletje! Wie heeft zooveel als Gij reeds deedt' Gespeld in een Servetje! Wij knielen bidden voor U neer En zingen/ Baker/ U ter Eer.
Zie op uw Kroost genadig neer Van uwen Troon op Wolken Er leeft als Gij geen Baker meer/ Gij bakert alle Volken Gloei eeuwig door van Kindermin/ En speld ons in Uw Luiers in.
"Geliefde Medestotters! De rust van de kraamkamer, en de vrede van de luiermand kome, zy, en blyve overvloediglyk over u allen... dat zy zoo!
"Wat is het dan toch, myne veelgeliefde Medestotters, dat u op elken Woensdag doen te-zamen komen in dit heilig stotterhuis? Is het winstbejag, zucht naar aardsch genot? Is het de wensch om gezien te worden, de begeerte om u te verheffen boven uwe medeburgers? In het kort, bestaat er eene reden van zinnelyken aard, die u hier saamvergadert aan den voet van dit gestoelte?
"Neen, neen, ik zie het aan uwe blikken, die met nedergeslagen oprechtheid en bedekte helderheid, luide uitroepen: "dat is verre van ons! Wy zyn hier gekomen tot het opslokken van de kruimelen die er zullen afvallen van de feesttafel des eeuwigen gastmaals. Wy dorsten naar het brood van de onbevatbare geheimenissen des Bakers, en ons hongert naar de springfontein zyner onafzienbare zelfvolkomenheid."
"Juist, myne geliefden, dàt is de ware stemming om optegaan tot de verhevene openbaring des onbekenden woords, want er staat geschreven: "_daar zijn hooge Stoepen aan de Huizen_" en weldra zal 't koppie worden omgekeerd. Wie wys is, zie toe dat hy de gesprokene woorden versta, opdat niet eenmaal de dwaas zegge: "_dat zieje wel!_"
"Het is dan ook deze bemoedigende beschouwing, geliefden, die my aanleiding geeft, uwe onafgebroken opmerkzaamheid interoepen by de behandeling van het punt dat me zal bezighouden op dezen heiligen bakerdag, een punt, zoo gewichtig, zoo treffend, zoo uitnemend, zoo verheven, zoo diep, zoo belangryk, zoo indrukwekkend, zoo luistervol en onbegrypelyk... dat het niet te zeggen is, en dat ik my dus voorstel kortelyk tot klaarheid te brengen.
"Gy vindt de woorden van mynen tekst die van deze verklaring den grondslag zal uitmaken, opgeteekend in het elfde _Stoffelium_, en daarvan het elfde hoofdstuk, het elfde vers.
"Ik heb gezegd: het elfde vers uit het elfde hoofdstuk des elfden _Stoffeliums_, waar we--met gepasten eerbied--het volgende lezen:
Hier volgde de tekst dien we reeds kennen uit 't negende bericht, en bovendien uit ons verslag van het salie-avendje.
"Hoe langer wy de onschatbare heilige _Stoffeliën_ beoefenen, geliefde Stotters, hoe meer ons de diepe wysheid van alles wat daarin voorkomt in het oog springt, en hoe meer we geraken tot de overtuiging dat die onvergetelyke wegwyzers ter zaligheid juist aldus moesten zyn geplaatst op ons pad, om ons af te houden van de dwaalwegen der Kadasteranen, of wegtelokken van de poelen der Pennewipsche kettery.
"Onder alle andere heilige uitspraken, worden wy in 't byzonder getroffen door de voorgelezene tekstwoorden, die niet alleen de laatstvoorgaande opmerking ten duidelykste bevestigen, doch bovendien ook dáárom zoo uiterst gewichtig zyn voor ons eeuwig heil, omdat de Baker zich in die woorden openbaart in de volheid Zyner houding, en in al den rykdom van Zyne Bakerlyke waardigheid, terwyl voorts de diepzinnige toespeling op de weer-en-windklok die in de gang stond, ons voldoende middelen aan de hand geeft om onze Heilige Schriften te verdedigen tegen de goddelooze wereld, die voorgeeft te twyfelen aan Baker's bestaan, en durft beweren dat wy geen verstand hebben van natuurkunde.
"Ik stel u te-dien-einde voor, geliefde Medestotters, my te volgen met uwe aandacht, als ik, na:
"_ten eerste_, den historischen zin myner tekstwoorden te hebben toegelicht,
"_ten tweede_, zal overgaan tot de ontwikkeling van de stralen die daarin doorlichten, en wel: