De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld
Part 23
Thuis-komende werd hy op de gewone wys over een-of-ander berispt. Z'n moeder beweerde dat-i zeker niet fatsoenlyk genoeg den prentenwinkel was binnengetreden. Anders toch zou die bediende hem wel vriendelyker hebben te-woord gestaan. Ze vreesde dat dit 'n slechte noot zou kunnen geven by de beoordeeling van z'n goed zedelyk gedrag waarop de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, blykens hun advertentie, zoo byzonder gesteld waren.
--En, zeg je, er lagen al zoo véél brieven aan dat adres? Gut, Stoffel, als-i maar niet te laat komt! Wat hoeven nu al die menschen zich terstond zoo haastig aantemelden, na zoo'n advertentie? Ieder wil haantje-de-voorste wezen. God weet of er geen roomschen ook op geschreven hebben, en of ze wel eens gelet hebben op 't goeie zedelyke gedrag! Want, dit zeg ik maar, zoo zyn de menschen!
Er werd besloten dat Wouter nogeens naar Maaskamp gaan zou, en 't adres vragen van de firma. Dan kon hy zich rechtstreeks aanmelden, en al de anderen die nu "haantje-de-voorste speelden" zouden achter 't net visschen. Die onbescheiden haast was onverdragelyk, want het was immers de vraag of ze wel behoorlyk protestantsch waren, en de voorgeschreven lust in werken hadden? Juffrouw Pieterse was bereid haar neus te-pand te geven op de zekerheid, dat er onder al die andere kandidaten geen enkele zich zou kunnen beroepen op 't voorrecht dat z'n vader schoenen verkocht die uit Parys kwamen.
--Dat kun je gerust aan die heeren zeggen, jongen! Je vader deed geen steek. Hy kòn 't zelfs niet! 't Is maar, zieje, om te bewyzen, dat we-n-ook 'n zaak hadden, 'n effektieve _zaak_! Gut, de man nam nooit 'n elst in z'n hand. Is 't waar of niet, Stoffel?
De Weledele Heeren Motto, Handel & Cie woonden ... ik weet niet waar ze woonden, maar ze hadden 'n tabaks- en sigarenwinkeltje, gekombineerd met 'n leesbibliotheek, gesticht op den _Zeedyk_, niet zeer ver van de plek waarschynlyk, waar zes, acht eeuwen vroeger de "grootste koopstad van Europa" werd opgezet door 'n paar visscherlui. Van parallel tusschen 't succes dezer beide ondernemingen is nu geen spraak.
Wouter vond een van de Weledele Heeren kompagnons, in hemdsmouwen achter de toonbank staan. De man was bezig met het afwegen van 'n paar lood snuif, waarop 'n oud moedertje stond te wachten. Er werd dus wel inderdaad handel gedreven in dat huis, en de heeren aanvragers hadden de waarheid niet te kort gedaan, toen ze beweerden aan 't hoofd te staan van 'n "gevestigde zaak."
Indien Wouter zich met eenig oordeel des onderscheids illuzien gemaakt had over de beteekenis van 't woord: "handel" zoud-i by deze gelegenheid zich zeer teleurgesteld gevoeld hebben. Maar dit had-i niet gedaan, en wel verre van de meening dat die snuifman zich wat hoog betiteld had, verweet hy met de eigenaardige weekheid van z'n gemoed zichzelf dat-i de ware beteekenis van 't woord "handel" niet vroeger had begrepen. _Nu_ wist-i 't! "Handel" beteekent zooveel als in hemdsmouwen achter 'n toonbank snuif te wegen. En ... op den _Zeedyk_ nogal!
Ik ben doordrongen van den voorgeschreven eerbied voor de beide visschers--laat ons voor de gezelligheid hopen dat ze van tweërlei geslacht waren!--die, zonder te weten wat ze deden, Amsterdam "stichtten." Maar ook aan m'n lezers heb ik verplichtingen, en om hunnentwil moet ik de treurige erkentenis afleggen dat het bedoeld visscherspaar, evenmin als de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, 'n zeer fatsoenlyke buurt kozen voor de uitoefening van hun bedryf. By stedenstichters is dit 'n allergewoonste, maar toch onverklaarbare, fout. We mogen dan ook aannemen dat die visschers, als ze hun belangryke onderneming eenige eeuwen later hadden aangevangen, hun eerste hut zouden gebouwd hebben op de Keizersgracht, om 'n deftige afkomst te bezorgen aan de patriciers die eenmaal de wel wat al te bescheiden goedheid zouden hebben hun nazaten te worden.
Ook de heeren Motto, Handel & Cie hadden wel iets meer acht mogen slaan op de keuze van 't plekje waaruit de adel van hun nageslacht zou voortspruiten. Verwaarloosden ze dit uit nederigheid?
De tabaks- en sigarenhandel nam slechts de halve breedte van 't huis in, en stond door 'n zydeur in gemeenschap met 'n leesbibliotheek, die 't vloerlokaal van de andere helft vulde. Boven de winkelraampjes, rechts en links van den ingang, besloegen twee lankwerpige borden de geheele breedte van 't perceel, en gaven door overeenstemming van kleur, maaksel, symmetrische plaatsing en lettersoort der opschriften, duidelyk te kennen dat ze, als de Mensch volgens den bybel, bogen konden op eenheid van oorsprong, 't Moest 'n byzonder domme voorbyganger wezen, die niet bemerkte dat de "zaak" van de heeren Motto, Handel & Cie "gevestigd" was op twee industrien te-gelyk. Wie niet rooken of snuiven wilde, kon zich hier van lektuur voorzien, en omgekeerd.
Op het bord boven de tabak- en snuifhelft, werd verzekerd dat er in die lokaliteit iets "gefabriceerd" werd. De ordonnateur van 't opschrift scheen dus in de meening te verkeeren dat in dit byzonder geval het vervaardigen van eenig voorwerp, of wel het toebereiden en smakelyk maken daarvan, hooger stond in maatschappelyken rang, dan 't verkoopen. Juist andersom dus dan we 't genoegen hadden waartenemen by de schoenenfabriek van de Pietersens. De geleerden zyn 't nog niet eens, aan welken kant het grofst gedwaald werd. Eén ding is zeker: wie 't eene nalaat uit tegenzin, luiheid of onbekwaamheid, en 't andere versmaadt uit welbegrepen eerbied voor z'n karakter, staat hooger dan alle anderen. Uit de zoodanigen namelyk kiest men by-voorkeur de voorgangers van de Volken die nog niet geheel ontaard zyn.
Of 't evenwel waar was dat er in de hier "gevestigde zaak" inderdaad iets _gemaakt_ werd? Eigenlyk niet, wanneer we de papieren zakjes uitzonderen, die geplakt zouden worden door den P. G.-jongeling van allerbest zedelyk gedrag, die zoo'n byzonderen lust in werken hebben zou.
De handelswaar waarmee 't winkeltje gestoffeerd was, bedroeg ter-nauwernood de waarde van 'n jaar huur, en de booze wereld van den _Zeedyk_ durfde zelfs beweren dat de twee blauw-porceleinen vazen, waarop in ouwerwetsche krulletters de woorden: _rappee_ en _zinking_ te lezen stonden, voor drie stuivers in de week waren geleend van 'n uitdrager in de buurt. Kwaadwilligen beweerden dat de man dagelyks kwam kyken of z'n kostbare stukken nog wel behoorlyk schildwacht hielden op de toonbank: [Greek: hypo Thêkê]
De winkel was zeer ondiep, en werd aan de achterzy begrensd door 'n groen-saaien gordyn, die den binnentredenden kooper, mits-i niet scherp zag, in den waan kon brengen dat er wat achter stak. En, zeer stipt gesproken, was dit ook zoo. Er hing 'n verweerd scheerspiegeltjen in die alkoof, ter opvroolyking van den eenzamen stoel--op dit oogenblik getooid met de jas van den Weledelen heer Motto--en van 't halfrond tafeltje dat tegen den wand leunde, waarop 'n pomadepot aan 'n kam scheen te verwyten dat-i op zyn jaren zich bespottelyk maakte door 'n mislukte poging tot tandwisselen. De heer "patroon" Motto namelyk, hield zich in de weinige oogenblikken die hy niet aan "handel" wydde, niet ongaarne bezig met het verhoogen en verfynen van de hem door Natuur verleende schoonheid, en was er in geslaagd rechts en links van z'n gelaat 'n glimmende haarlok te ontwikkelen, waaraan-i veel moeite en vet ten-koste leî, en die dan ook de bewondering opwekte van al wat er vrouwelyks in den winkel kwam.
Dat overigens in dien winkel zelf 'n groote rol werd gespeeld door leege sigarenkisten... zou niet begrepen worden door den oudheidkundigen lezer, die Motto's lokken geen plaats geven kan naast sigaren. De bloeityd namelyk van deze beide zaken staan niet in synchronistisch verband, en juist om me te wapenen tegen aanmerkingen op zulke fouten, voel ik me genoopt zoo onhebbelyk baas te spelen over de geschiedkundige perioden van m'n verhaal. In Wouter's jeugd was 'n sigaar nog altyd 'n zeldzaamheid, en ik maak me dus hier schuldig aan 'n gelyksoortige verkrachting van de waarheid, als Virgilius die Dido laat hofmaken aan Aeneas, en als Florian die Zoroaster tot leermeester van Numa Pompilius aanstelt.
--Zoo, wou jy hier in den handel komen? vroeg Motto, toen-i 't oude vrouwtje geëxpedieerd had "met 'n snuifjen uit den pot _toe_." En wat ken je-n-al zoo wat? Lezen, schryven, rekenen, fransch ... hè? En wat doen je ouwers?
--In ... schoenen, m'nheer, uit Parys. Maar fransch ken ik niet. Rekenen wèl ... den heelen Strabbe.
--Zoo? Ken jy rekenen? Hoeveel is dan anderhalf _pietje_? Wouter stamelde dat-i 't niet wist, en gaf dus blyk van dezelfde domheid als ik in de meesten van m'n lezers veronderstel, voor zoover ze 't geluk hebben minder dan 'n halve eeuw oud te zyn.
--Dàt moet toch iemand weten die rekenen kan! Je weet dus niet wat 'n _pietjen_ is? En ken je-n-'t verschil wel tusschen 'n _zest'half_ en 'n schelling? En tusschen _daalders_ en _acht-en-twintigen_? Kyk ...
De heer Motto trok de lade open, en scheen naar 'n "_daalder_" te zoeken, doch om deze of gene oorzaak vergenoegde hy zich voor deze keer met 'n "zest'half." Hy stelde Wouter's handelskennis op de proef, door hem optedragen 'n "schelling'" daarnaast te leggen--in z'n verbeelding--en zich dan met redenen bekleede rekenschap te geven van 't verschil. Dit alles moest men "in den handel" precies weten en kennen, beweerde m'nheer Motto.
Laat ons rechtvaardig zyn, en iemand die de waarheid zegt, geen geloof weigeren omdat-i vette lokken draagt, en in z'n hemdsmouwen snuif verkoopt achter 'n toonbank. Het was zeer juist gezien van den heer Motto, dat-i de kennis der geldsoorten onmisbaar achtte voor iemand die "in den handel" gaat. De overlevering luidt dat-i er grondbeginselig byvoegde:
--Dat's 't voornaamste!
--En fransch versta je-n-ook al niet? vroeg de heer Motto op niet zeer bemoedigenden toon.
Helaas neen!
--En zouden je ouders genegen zyn om borgstelling voor je te storten?
Wouter gaf blyk dat-i deze vraag niet begreep.
--Borgstelling, weetje? Er gaat veel om in m'n zaak, en je begrypt dat ik weten moet wien ik winkel en lâ toevertrouw. En ... versta je deensch?
--N... e... e... n, m'nheer!
--Zoo! Deensch ook al niet? 't Is maar, weetje, omdat hier soms wel 'reis deensche matrozen komen om 'n onssie tabak te koopen. In 'n zaak als deze moet je-n-alle talen kennen ... dat's 't voornaamste! Anders ben je _fittu_! Grieken heb ik hier ook al gehad...
Wouter's gemoed sprong op. Hy had zoo gaarne willen vragen welke heldendaden ze by zulke gelegenheden gewoon waren uitterichten?
--Ja, Grieken zelfs. Maar ze waren dronken, en wilden 'n pruim negerhaar hebben voor niemendal. Daar doe-n-ik niet aan. Want op de kleintjes passen is 't voornaamste! Anders ben je _fittu_, zieje? 't Is maar om je te zeggen dat je-n-in den handel alle talen moet kennen, om alle-man te-woord te staan. Dat's 't voornaamste! Maar dat's nou tot daaraan toe, als je ouwelui maar behoorlyk borg kunnen stellen. Er is soms wel tien gulden in de lâ, weetje, en in den handel moet 'n mensch z'n zekerheid hebben. Dat's 't voornaamste! Anders ben je _fittu_, dit begryp je zelf wel.
--M'n vader is dood, zei Wouter, alsof deze byzonderheid de borgstelling minder noodzakelyk maakte, maar eigenlyk omdat-i niet wist wat-i zeggen moest, en toch 'ns eindelyk wat zeggen wilde.
--Zoo? Dood? Ja, dat komt soms voor. Dood? Heel goed! Maar heb je dan geen moeder die voor je storten kan?
--Ik... zal... 't... 'r... vragen, stotterde Wouter.
--Wel zeker! Ga jy 'r dat maar terstond vragen. Want, zieje, in den handel komen geen praatjes te-pas. Zóó gezegd, zóó gedaan, dat's 't voornaamste! Anders ben je _fittu_. Hier is nòg 'n winkel. Daarin heb je ook te werken ... als je moeder storten kan. Dat's 't voornaamste!
De Weledele Heer Motto geleidde Woutertje in de leesbibliotheek. Langs de drie wanden stonden eenige kasten met boeken die tot aan de niet zeer hooge zoldering reikten. Overigens bevond zich in dat lokaal niet veel anders dan 'n inslagtrapje dat dienen moest om de wat hoog hangende vruchten der letterkunde te plukken, en 'n dik boek waarin de protestantsche jongeling die lust in werken had, de namen zou opschryven van de personen die zich aan dezen hengstebron kwamen laven voor 'n dubbeltje per ingebonden teug in de week. In Wouter's tyd namelyk, was de beschaving van deze soort duurder dan tegenwoordig, en abonnement was uitzondering.
--Zieje, zei m'nheer Motto, daar is 't boek, of wat je zou kunnen noemen: 't grootboek. Je verstaat toch 't boekhouden wel?
Wouter was genoodzaakt te erkennen dat ook dit alweer behoorde onder de vele vakken die hy niet bestudeerd had.
--Ook al niet, jongen? Dat's toch in den handel 't voornaamste! Want, zieje, wie dàt niet kan, is _fittu_. 't Is heel eenvoudig. Je moet opschryven wie 'n boek haalt, met dag en datum er by, en 't huisnummer, en de straat, en alles. En als ze-n-'t weerom brengen, dan haal je-n-'r 'n streep door. 't Zou er mooi uitzien als je dàt niet deed! En als je de menschen niet kent, moet je...
--Pand vragen? riep Wouter snel, verheugd dat-i eens eindelyk wat wist.
--Ja, pand. Eén gulden voor elk deel van 't heele werk. Want, dit begryp je, als er één deel weg is, is 't heele werk _fittu_. Van de sigaren en de snuif zal ik je later alles precies uitleggen, maar ik moet eerst weten of je moeder ... ga 't 'r maar 'ns gauw vragen! Ik heb nu al zesmaal alles haarklein uitgelegd--want aan jongetjes die in 'n zaak willen, is waarachtig geen gebrek--maar als 't dan aankomt op Mozes en de profeten--de borgstelling, weetje!--dan halen ze bakzeil. En dat's toch 't voornaamste! Zeg dit aan je moeder. Anders ... je ziet er nogal knappies uit ... als ik maar zeker weet dat je storten kan! Ajuus!
Wouter ging in zonderlinge stemming naar huis. Dat die man in hemdsmouwen een niet by-uitstek bevoegd vertegenwoordiger van den "handel" was, kwam niet in hem op. Hy-zelf had zich vergist, meende hy, in 't weinigje begrip dat-i zich van dat woord vormde. Toch zoud-i zeker 'n allerontmoedigendst relaas van z'n wedervaren hebben afgelegd, indien niet die leesbibliotheek hem had aangetrokken. Wat al Gloriosoos konden daarin zyn! En misschien nog schooner dingen!
Het aandringen op borgstelling werd door den daarop belegden familieraad in-den-beginne niet zeer gunstig opgenomen. Maar toen Stoffel verzekerde dat-i er meer van gehoord had, en dat het in den "handel" gebruikelyk was, kwam men na eenig bieden en dingen tenlaatste met de firma Motto, Handel & Cie overeen, dat er 'n som van honderd gulden zou worden gestort, die 'n jaarlyksche rente van drie en-'n-half procent zouden opbrengen. Héél aangenaam vond juffrouw Pieterse deze transaktie niet. Ze was gewoon, door edelmoedige bemiddeling van 'n makelaar, vier percent van haar geldje te trekken. "Maar, zei ze, men moest wat over hebben voor z'n kinderen."
Het bevreemdde Stoffel, die met de onderhandelingen belast was, dat-i van de firma nooit iets anders te zien kreeg dan de eerste helft, of 't eerste derde. Hy was zoo vry z'n verwondering hierover in gepaste bewoordingen te kennen te geven, en vernam nu dat het staartjen: _& Compagnie_, tot de klasse der welluidende verzinselen behoorde, en dat ook de heer Handel 'n voortbrengsel was van Motto's ryke verbeeldingskracht. Als 'n Atlas droeg deze de dubbel "gevestigde zaak" op z'n reuzenschouders. Vanhier dan ook dat-i in oogenblikken van menschelyke zwakheid zich soms vermoeid voelde, en gelegenheid zocht 'n deel van z'n last op den nek te wentelen van 'n protestantsch jongetje dat lust in werken had, en ... _cautie_ stellen kon. Dit was 't voornaamste ... inderdaad!
Wel eenigszins ten-nadeele van z'n tabaks- en snuifkennis, omvatte Wouter's gemoed het ander deel van z'n werkkring met 'n liefde ... och, als-i zooveel gesnoven of gerookt had, als gelezen, zou-i ziek geworden zyn! En ... rechtstreeks gezond werkte dan ook het verslinden van al die boeken niet! Met 'n waren geeuwhonger slikte hy ryp en groen in--véél ryps was er niet by!--en las hy al sneller en sneller. Hy begon zekere vaardigheid te krygen in 't voorzien van den loop der geschiedenissen die hy in-handen kreeg, en was weldra beter vertrouwd met den burgerlyken stand van helden en heldinnen dan eigenlyk 'n auteur aangenaam is. De bekwaamste _faiseur_ kon geen tien bladzyden lang 'n vondelingetje doodarm laten, zonder dat Wouter de sterren en ridderkruizen zag schitteren, waarmee 't kind zou getooid worden op 't laatste blaadje. Deze scherpzinnigheid ging in 't onbescheidene over. Komiek echter was het dat hy ook alweer van dezen vooruitgang--eenigszins betrekkelyk verdiende het dezen naam, want men kon 't als 'n stap tot hooger beschouwen--zichzelf geen rekenschap gaf. Oppervlakkig beoordeeld, zou men meenen dat-i na zóóveel welgelukte oefening in juistraden, die romanknoopjes beneden z'n aandacht gesteld had. Toch was dit het geval niet. Ondanks alle ontwikkeling van z'n _begrip_, bleef by hem de naïveteit van _smaak_ en _opvatting_ ongeschonden. Al _wist_ hy welke ridder straks onder de hoede van 't Meduza-schild des schryvers, overwinnaar wezen zou in het tournooi, toch had hy 't geduld zich langs de voorgeschreven _ficelles_ te laten leiden tot op 't oogenblik van den officieelen triumf, en hy zou 't zondig en deloyaal hebben gevonden, één sekonde vóór den tyd Saksers en Normandiers toeteroepen:
Helpt eens kyken of niet de verzwakte Ivanhoe dien bluffer Brian de Bois-Guilbert flink op den kop slaat!
En ... en--och, ik durf 't byna niet zeggen, doch wáár _is_ het!--hem bezielde daarby 'n gevoel alsof hyzelf...
Ivanhoe was?
Neen! Alsof hy, Woutertje, voor de godheid gespeeld had, die den uitgeputten brave kracht gaf tot het verpletteren van den krygshaftigen booswicht. Met het wegloopen van Eachin Mac-Jan in _Valentins day_, en den solieden moed van den nuchteren Sigismund in _the Maiden of the mist_, is en was die ontknooping een der schoonste grepen van Walter Scott, en ... van Wouter! Want hy zou precies zóó gehandeld hebben, èn als auteur, èn als ridder, èn als beschikker over den uitslag van 'n godsoordeel!
En wat hy die arme Rebekka liefhad! En wat-i haar graag stammoeder had gemaakt van alle engelsche ridders, van koning Arthur af tot dien voorbarigen lord in Griekenland toe!
O, als _hy_ 't boek geschreven had, als _hy_ de god ware geweest, die door bemiddeling van almachtige schryvers, helden en booswichten op hun respektieve plaatsen zet...
Ja ... àls! Maar daar rinkelde dan op-eens de deurschel van de snuifhelft, en er werden van den hoogmoedigen Wouter heel andere dingen gevorderd, dan god-zyn. Er was tabak of snuif noodig.
't Eenige wat de omstandigheden hem in zulke oogenblikken vergunden op 't gebied van 't goddelyke te leveren, was dat-i nauwkeurig woog, en niemand 'n sigaar "van de tien" in-handen stopte voor 'n dito "van de acht." En zelfs dit konscientie-werk trof geen doel, want de heeren Motto, Handel & Cie hadden de handelsgewoonte deze en andere rubrieken aangevuld te houden uit de soort die eigenlyk "van de twintig" zou moeten heeten, als zy 'n naam gedragen had. De heer Motto beweerde dat z'n klanten gewoonlyk dronken waren, en dat men ze in alle gerustheid koolbladeren kon te rooken geven. "Je moet altyd zien wien je voor hebt, zeid-i, dat's 't voornaamste!"
Dit nu leerde Wouter in de bedoelde beteekenis, nooit. Tien was hem _tien_, acht was _acht_, onverschillig met wien hy te-doen had, en wat daarbuiten ging bleef hem uit den onbegrypelyke. Van liegen om rechtstreeks voordeel had-i geen begrip. Wel van onwaarheid uit verlegenheid of angst. Maar ook dan zelfs, indien men hem op eenvoudige wys gevraagd had: "is 't _waar_ wat je daar zegt?" zoud-i hoogstwaarschynlyk _byna_ altyd--en toen-i moediger werd: _altyd_--geantwoord hebben: neen, ik heb onwaarheid gesproken!
Ik laat nu daar, in hoever deze logisch-moreele zin hem aangeboren was. Zeker werd z'n afkeer van onjuistheid--vreemd genoeg!--gevoed door al die lectuur. Dit klinkt te zonderlinger, als men in aanmerking neemt dat slechts 'n zeer klein gedeelte daarvan tot de soort behoorde van den aangehaalden Ivanhoe. Het lydt geen twyfel dat Wouter z'n tyd beter had kunnen besteden, of liever dat dit het geval zou geweest zyn met byna ieder ander kind. Maar z'n natuurlyke inborst dreef hem--naast veel kinderachtigs, gelyk we reeds zagen by-gelegenheid der kennismaking met Glorioso--om voornamelyk behagen te scheppen in wat ik in _Millioenen-Studien_ "zedelyk rym" noemde. De als dapper geschilderde ridder vocht tot-i overwinnaar of dood was. Alleen doodelyk gekwetsten gaven zich gevangen. Zóó behoort het, en Wouter zou precies zoo gehandeld hebben. De allerschoonste schoone van 't stuk werd door ieder bemind, en de afgewezenen stierven van wanhoop, of lieten zich aanwerven by 'n aan den dood gewyde kohorte. Dat's korrekt! De deugdzamen bleven braaf, trots duivel en hel, en zelfs in-weerwil van de verveling. Wie eenmaal door 'n schryver benoemd was tot model, had geen smetjen op z'n kleed, 't Was de vraag of zoo-iemand buikpyn of jicht hebben kon, en zéker is 't, dat-i in al die boeken nooit jicht of buikpyn hàd. Prachtig!
Met de gebrekkigheid die zulke produkten uit 'n oogpunt van _Kunst_ aankleeft, liet Wouter zich nog niet in. Hy wist niet, of dacht er niet aan, dat de voorgestelde volmaaktheid, 'n verkeerde voorstelling, en dat alzoo die volmaaktheid valsch was. Hem was 't voldoende dat ieder die in zoo'n roman werd opgevoerd, akkuraat deed wat de schryver hem opdroeg. De booswichten deden niets dan verraden. De helden sloegen alles dood. De boekschoone jonkvrouwen betooverden de halve wereld. En, ook God--Wouter's god--vervulde in al die boeken z'n plicht veel beter dan ... byv. op den _Zeedyk_, waar-i gister nog 'n kleinen jongen had zien mishandelen door 'n groote. 't Moest eens in 'n boek gebeuren ... alle ridders zouden te-hoop geloopen zyn!
En ook Wouter had getracht...
Kon hy 't helpen dat z'n patroon hem op strengen toon terugriep?
--Wat bliksem gaat dat jou aan? Jy heb je zaken hier in den winkel! Pas dáárop! Nooit je-n-inlaten met 'n andermans krakeel... dat's 't voornaamste!
Ziedaar 'n wysheid van àndere soort dan in z'n boeken stond!
Hy las er niet minder vlytig om. In-den-beginne zou de geschiedschryver van z'n uit- en inspanning, by deelen geteld hebben. Zeer kort daarna, by geheele werken, al waren ze zoo lang als de nooit ten-eind gebrachte: _Sophia's reize van Memel naar Saksen_--och, Wouter vond Sophia's oneindige reis veel te kort!--en eindelyk by planken. By planken, ja, en juist zoud-i 'n begin maken met de laatste, toen-i op zekeren morgen de deur van den winkel gesloten en verzegeld vond. De Weledele heer Motto was als matroos naar Amerika--'t voornaamste zeker!--en de ongelukkige dienaar van de beide snuifpotten had 'n verdrietig proces over de belangryke rechtsvraag of de pagoden: _rappee_ en _zinking_ al dan niet mochten verzwolgen worden in de "faillite massa."
Volgens Romeinsch Recht namelyk, en dit vooral behoort by kwestien op den _Zeedyk_ te Amsterdam geraadpleegd te worden...
Nu ja, de Romeinen snoven niet, en gaven dus geen voorschriften over: _râpé_. Ik weet niet hoe de zaak werd uitgewezen.
We willen hopen dat ieder 't zyne kreeg, tot de Romeinen toe. Juffrouw Pieterse, minder gelukkig, was haar honderd gulden kwyt, en klaagde als vroeger: "dat er met dien jongen altyd wàt was!"
Alsof Wouter 't helpen-kon!
Maar hèm speet het zeer dat-i zoo zonderling gestoord werd in z'n lektuur. De geheimzinnige afkomst van den jongen roover lag hem wel klaar voor oogen, maar... men wil toch altyd in zoo'n geval gaarne weten of men juist geraden heeft. Om van myn kant het bankroet van de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, voor den lezer zoo dragelyk te maken als maar eenigszins wezen kan, wil ik hier wel verklappen dat Bulwer's _Paul Clifford_ wel inderdaad de zoon was van de stiefdochter zyner beminde ... neen, dit klopt niet. Iets van dien aard dan ... of wat anders, als 't maar terdeeg spannend en onmogelyk is.