De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld
Part 20
--Het komt me voor, dat hy z'n plicht deed. Het behoud van _allen_ was hem opgedragen en daarom moest hy, waar 't noodig bleek, streng te-werk gaan met den enkele die zich verzette, en 'n slecht voorbeeld gaf.
--Dit kàn gegrond zyn. 't Is evenwel jammer dat er in datzelfde Journaal blyken voorkomen van 'n ruwheid, die 't recht geven tot twyfel of er ook in deze zaak wel met de noodige matiging is te-werk gegaan. Van Noort heeft eenmaal 'n spaanschen loods over-boord doen werpen, omdat de man beweerde dat hy op 't Admiraalschip vergiftigd was. Doch zoowel in deze zaak als in die van den armen Jakob Claesz. zyn de berichten zeer schraal. Er blykt, byv. niets van de _oorzaken_ der weerspannigheid van dien onderbevelhebber. Indien het hem ware te-doen geweest om zich aan 't gezag van Van Noort te onttrekken, had hy zich zeer gemakkelyk van 't eskader kunnen afscheiden, wat dan ook by dergelyke expeditien herhaaldelyk geschiedde, 't Was moeielyker by-een te blyven, dan elkaar uit het oog te verliezen. Wy weten te weinig van de zaak om 'n oordeel te vellen. Ook dit voorval, als de geheele Geschiedenis--ik bedoel, de groote!--is zeer onvolledig geschreven. We kunnen slechts raden, gissen. Alleen de vreeselykheid van 't geslagen vonnis ligt ons duidelyk voor oogen. En wat me daarin 't meest treft, is de lakonieke vermelding van de waarschynlykheid dat "de inlanders den veroordeelde wel zouden afmaken." Ik weet ter-nauwernood wat onmenschelyker is, de veronderstelde aard van die Vuurlanders, of 't gebruik-maken van hun wreede eigenaardigheid? 't Menschen-eten is verboden, maar wel scheen het geoorloofd, aan mensch-eters 'n mensch te eten te geven. De Romeinen wierpen hun misdadigers in 't wilde-beestenperk. Hier zien wy de funktien van verscheurend dier opdragen aan _menschen_!
--'t Waren _wilden_...
--Ja, maar zy die 't vonnis sloegen, gingen voor _beschaafd_ door. En bovendien, ook die wilden behooren tot ons geslacht. Het trof me reeds als kind, dat Robinson Crusoë, die zich zoo ongelukkig waande op z'n onbewoond eiland, van schrik dacht te sterven toen hy door 't zien van voetstappen ontdekte dat z'n eiland _niet_ onbewoond was. Och, kinderen, 't is zoo treurig dat de mensch 'n vyand van den mensch is.
--De beschaving...
--Beschaving legt 'n vernis over onze boosaardigheid, en nog niet eens altyd. De aard der wilden breekt telkens door. Let er maar eens op, met welke blikken wy of... sommigen onzer, iemand begroeten dien we niet kennen!
De dokter zag Willem even aan.
--Het schynt wel of ieder die zich verstout eenigszins aftewyken van de maniertjes waaraan wy gewoon zyn reeds daarom alleen onze vyand is. Zuivere welwillendheid is zeldzaam. Waar we haar ontdekken, werd ze gewoonlyk opgewekt door oorzaken van-buiten-af. Op en door zichzelf schynt ze niet te kunnen bestaan. Waarom toch?
Holsma sprak hierop weder van beschaving, van de _ware_ die iets anders en iets meer behoort te zyn dan vernis. Hy betoogde dat er in geestelyke ontwikkeling 'n hefboom ligt om 't zedelyk standpunt te verhoogen, en eindigde met de opmerking dat het laagstellen of minachten van 't onbekende veelal voortsproot uit gebrek van zelfkennis.
Toen Wouter vertrok, deden de kinderen hem uitgeleide tot aan de huisdeur, en Willem was byzonder vriendelyk.
De dokter namelyk had 'n byzondere manier van zedepreeken. Hy wist wel op welk onderwerp 't gesprek zou uitloopen, wanneer-i begon met die treurige geschiedenis van Jakob Claesz. En ook ik had er m'n redenen voor, toen ik van de troglodieten overstapte op Olivier Van Noort.
Een splinternieuwe _gradus ad Parnassum_, niet precies dezelfde die _Faust_ ten-geschenke kreeg van _Mephisto_. Twee ouwerwetsche spiegels voor hedendaagsche spelprofessors. Wenken omtrent 'n meer nieuwerwetsche wyze van taalbeschouwing.
Wanneer de lezer gewoon is aan effekt-romans, zal 't hem bevreemden te vernemen dat Wouters bezoek by de familie Holsma grooten invloed uitoefende op 't ontwikkelingsproces van z'n geest. Het spreekt vanzelf dat dit zich niet terstond openbaarde, doch er was 'n kiem van verandering in z'n gemoed gelegd, die niet weder kon verstikt worden. Van zelfstandig denken was nog geen spraak, maar hy wist nu toch dat er iets àls zelfstandig denken mogelyk was, al durfde hyzelf zich die weelde niet aanmatigen, waartoe hem dan ook de noodige rypheid ontbrak. Niet hy, Wouter, zou 'n meening hebben, maar hy begon toch intezien dat er andere meeningen bestonden dan die van z'n omgeving, en dit was 'n groote stap.
Boven alles echter--heel gelukkig inderdaad!--drukte hem z'n gebrek aan kennis. Het was hem duidelyk geworden dat de kinderen in wier gezelschap hy eenige uren doorbracht, zoo veel meer wisten dan hy, en dit maakte hem zeer bedroefd. Wat baatten hem al z'n koningen Israëls! Wie was het toch die zoo schrikte van voetstappen? De arme jongen had nooit iets van De Foe's kluizenaar gehoord. Hy vroeg aan Stoffel, en deze zou wel in-staat geweest zyn hem intelichten, als Wouter den naam van Robinson maar onthouden had.
--Voetstappen? Voetstappen? Hoe kan ik je antwoorden, als je niet zegt welke voetstappen? Voetstappen van _wien_, meen ik. Men moet altyd namen noemen, als men iets te vragen heeft.
--Juist, zei de moeder, als je wat weten wil, moet je namen noemen. En maakte mevrouw-zelf de slâ aan? Dat vind ik al heel zonderling! Nu, de knecht zal zeker uit geweest zyn.
By al de verhalen die Wouter omtrent z'n wedervaren werden afgeperst, had hy instinktmatig vermeden melding te maken van de byzonderheden die in z'n omgeving niet te rekenen hadden op 'n gunstig onthaal. Geen woord van de saturnalie! Niets van 't verzuimd bidden by warm eten! Ook verzweeg hy de gemakkelykheid waarmee die kinderen zich schenen te bewegen, en de ongedwongenheid hunner deelneming aan 't gesprek. Toch was de schroom om zaken aanteroeren die in zyn kring minder gewild waren, misschien overbodig. Men vergeeft zooveel aan beerevellen! Maar dit ging z'n berekening te-boven.
Juffrouw Pieterse informeerde zich herhaaldelyk of-i wel "fatsoenlyk" geweest was? En Wouter beaamde dit in alle oprechtheid zonder eigenlyk te weten wat ze bedoelde, daar hy in z'n gemoedje noch ondervinding noch besef had van het tegendeel. Ja toch ... de geschiedenis met dien topzwaren vlâlepel! Zou dàt misschien onfatsoenlyk geweest zyn? Hy wilde de beslissing dezer vraag liefst niet laten afhangen van z'n moeder, en zweeg er dus over ... och, hoe lief van de wilde Sietske, z'n onhandigheid zoo te bedekken! Maar dit zou hyzelf ook gedaan hebben, al wist-i dan zooveel minder dan de kinderen van den dokter.
Met schrik vernam hy dat de dag naderde, waarop z'n gedwongen afwezigheid van Pennewips school een eind nemen zou. Meer dan ooit voelde hy dat de bronnen van kennis die daar voor hem ontsloten werden, niet voldoende waren. Of althans hy meende dit. Maar aan tegenstand was niet te denken. Hy was ontevreden met zichzelf, met alles! "Van my zal nooit iets terecht komen!" zuchtte hy.
Hy verscheurde z'n _Lady_ Macbeth die hem leelyker voorkwam dan ooit. En ... Ophelia?
O hemel, den ganschen dag had hy niet aan Femke gedacht! Dit kwam hem zeer slecht voor. Was 't omdat ze maar 'n bleekmeisje was, en omdat de kinderen van den dokter zooveel voornamer waren?
Dit denkbeeld verschrikte Wouter erger, dan de gedachte aan diefstal of moord. Hy kon niet leven met zoo'n zelfverwyt, en nam de eerste gelegenheid waar, om de schuld af tedoen. Want 'n schuld wàs het, naar-i voelde.
En dit gevoel gaf hem moed. Met z'n gekleurde prent in de hand, stapte hy ditmaal moedig 't welbekende hekje binnen, en klopte aan de deur van Femke's huisje. Er werd "binnen" geroepen. Z'n hart bonsde benauwend, maar nu moest-i z'n heldenstuk wel dóórzetten. Hy stond op-eenmaal voor 't meisje, dat met haar moeder bezig was aan vrouwelyken arbeid. De hartevrouw van m'n held stopte kousen, ruwe dikke onoogelyke wollen kousen! 't Is hard voor 'n schryver, zoo-iets te moeten boekstaven. Om evenwel aan Wouters onbedorvenheid de eer te geven die haar nog altyd toekomt...
Want afkeer van praktischen eenvoud _is_ bederf!
... om hem te schetsen zooals hy wàs, zy hier erkend dat die kousen hem in 't minst niet hinderden. De periode van verdraaide poëzie en valsche romantiek was nog niet voor hem aangebroken.
Wanneer hyzelf had moeten beschryven hoe hy 't aanlei om z'n bezoek te rechtvaardigen, en iets te zeggen dat tot inleiding van 'n gesprek zou kunnen dienen, zouden deze byzonderheden waarschynlyk voor 't nageslacht zyn verloren gegaan. En ook ik weet maar ten-deele hoe de overgang geschiedde, tusschen z'n bedremmeld binnentreden en 't plaatsnemen op 'n matten stoeltje dat Femke hem vriendelyk toeschoof. Hyzelf herinnerde zich daarvan niets dan den bezielenden blik waarmee ze hem aanzag, en haar uitroep:
--Ah!
En ze had hem de hand toegereikt.
--'t Is de jongeheer van onlangs, zeide zy tot de moeder, als begrypende dat deze zich Wouter niet herinnerde. 't Is de kleine jongen die zoo ziek geweest is. En hoe gaat het nu? Je ziet bleek.
--Ga zitten, jongeheer. Ja, je ziet er bleekjes uit. Zeker van de wurmen?
--Wel neen, moeder! 't Kind heeft zenuwkoortsen gehad.
--Ja juist, koorts! Ik wil maar zeggen dat het ook wel eens van de wurmen komen kan. Geef 'n kommetje, Fem, en schenk hem in. Je moogt immers wel koffi drinken? Anders, als je met wurmen geplaagd bent...
Ik moet erkennen dat die wurmen van Vrouw Claus onzen Wouter meer hinderden dan haar kousen. 't Mensch scheen zich voorgenomen te hebben hem daarmee te plagen, en kwam er gedurig op terug.
--En waar bleekt je moeder? vroeg ze. Niet dat ik 'n ander wil onderkruipen, godbewaarme, maar... àls ze soms niet tevreden was met 'r waschvrouw... 't kon gebeuren, zie je. Nu, dan is ieder zichzelf de naaste, en ik rekommandeer me. Als er inktvlekken in 't goed zyn, maakt Fem ze 'r uit, met "zuringzout" weetje? En nooit raakt er 'n stuk weg ... ja, eens is 't gebeurd, 'n paar mansetten, maar die hebben we vergoed met 'n zesthalf ... vraag maar aan Femke.
Helaas! Dàt zou hy nu van Femke moeten vernemen, hy die haar zooveel anders te vragen had! Vrouw Claus maakte 't hoe langer hoe erger. Ze tastte hier niet de valsche poëzie aan, waarmee hy nog niet besmet was, ze stoorde, belemmerde en bedierf de _werkelyke_ vlucht van z'n gemoed, die beter pleging verdiende.
En zie, het meisje begreep 't ongepaste van dien wanklank! Zou dit aan fyner bewerktuiging te danken geweest zyn? Was 't 'n gevolg van de betrekkelyke maagdelykheid harer indrukken? Speelde hier de liefelyke jeugd 'n rol?
Van alles wat, misschien. Doch zeker is 't, dat de herinnering aan de manier waarop Wouter haar had ingeleid in de geheimenissen van Aztalpa, grooten invloed op haar beoordeeling uitoefende. Ze had Wouters ziel in groot ornaat gezien. En al was dan ook de opschik waarmee hy by die gelegenheid z'n welsprekendheid getooid had, te bont en te kleurig voor geoefenden smaak ... Femke's smaak was niet geoefend. Voor haar vertegenwoordigde Wouters opgetogenheid _het_ schoone, _het_ verhevene, en daarom stond ze hoog genoeg om zich gestuit te voelen door de platheid van den toon dien haar moeder aansloeg. Ze zon op middelen om daaraan 'n eind te maken. Maar ook hier alweer, even als in Wouters eigen omgeving voor hemzelf, was de rechte weg afgesloten. Femke kon immers niet zeggen: moeder spreek toch wat ... peruaanscher!
't Eenige wat ze voorloopig doen kon, was hem te vragen wat het rolletje beteekende, dat-i nog altyd in de hand hield?
Zeer bedremmeld bracht Wouter uit, dat dit 'n geschenk voor háár was. Het meisje voelde zich getroffen door de hartelykheid die hierin doorstraalde, en verzekerde met 'n eenvoud die meer ernst bevatte dan iemand gissen kon, dat ze die prent altyd bewaren zou.
--Ja, zei de moeder, en dan moet je de kreukels er uit stryken. Want ... stryken doen wy ook, jongeheer. We brengen de wasch kant en klaar thuis, en nooit heeft iemand de minste reden tot klacht. Zeg dit gerust aan je moeder. Daar heb je nu by-voorbeeld je kraagje ... ik zeg dat het niet goed gestreken is. De ruimte zit in 'n plooi over 't stiksel heen. Ook is 't slordig geblauwd ... vraag maar aan Femke. Zeg, Fem, is 't niet streeperig?
Ei ... zyn hemdskraag slordig geblauwd? Streeperig? Niet goed gestreken? En dat alles was nogal door de wyze Petrò gedaan! Ook dáárin alzoo bestond verschil van opvatting of methode? En ook dáárin alzoo was de traditie van den huize Pieterse niet alleen-zaligmakend? Het scheen er dezer dagen op toegelegd, onzen Wouter te schokken.
Maar Femke zat op heete kolen. Na eenig vruchteloos onderzoeken wie Ophelia was, en na even vruchtelooze pogingen om 'n gesprek aantevangen dat in Wouters smaak vallen kon, bedacht zy 'n uitgang. Er moest volstrekt iets hier-of-daar bezorgd worden, meende zy, en: "de jongeheer kon wel 'n eindje meegaan."
--My wel, zei de moeder.
Het jonge paar vertrok.
Femkes boodschap scheen weinig haast te hebben. Ze sloeg met Wouter een der paden in, die in den omtrek van Amsterdam _de_ paden genoemd worden, en dan ook niets zyn dan dat. Wie daar wandelt moet leeftocht van indrukken meenemen om zich niet te vervelen.
Nu, dáárvan had onze Wouter voorraad! Hy had Femke zóóveel te zeggen, dat-i byna niet spreken kon. En ook zy had zich meer met hem bezig gehouden, dan zyzelf zich bekennen wilde, meer vooral dan hy gissen kon. Ze begon met de mededeeling dat ze aan haar moeder geen bericht had gedaan van de onvriendelyke ontvangst die haar ten-zynent was te-beurt gevallen, en wel omdat ze wilde voorkomen dat haar moeder, indien Wouter eens mocht terugkeeren...
--O, Femke, je dacht er dus aan, dat ik je zou komen opzoeken?
--Ja, zei 't meisje aarzelend maar toch met 'n flinkheid die Wouter verrukte. Ja, ik dacht wel dat ik je weer zou zien. En ik heb 'n mis laten lezen voor je beterschap.
--Heusch? vroeg Wouter die ter-nauwernood wist wat dit beduidde. Heb je dat heusch voor me gedaan?
--Ja, en zelf gebeden ook! Want ik had het jammer gevonden, als je gestorven waart. Ik geloof dat je-n-'n goed jongetje bent.
--Ach, ik had eer moeten komen! En dit wilde ik ook, maar ... Femken, ik durfde niet.
Hy verhaalde hoe hy op dien zondag in haar nabyheid geweest Was. Het meisje schreef z'n beschroomdheid aan vrees voor haar moeder toe.
--M'n moeder is 'n heele brave vrouw, zieje. Ze zal niemand te-kort doen, maar ... och, je begrypt me wel. Ze heeft de gewoonte niet, met menschen omtegaan. Ik ben beter thuis in de wereld, omdat ik kindermeisje geweest ben, wel drie weken lang. Als noodhulp, weetje, want voor 'n wezenlyke kindermeid was ik nog te jong. 't Was by 'n nicht van ons, waar de meid ziek was, want we zyn eigenlyk van beste familie, weetje. Maar dit doet er niet toe. Zeg me liever, of je nu heelemaal beter bent?
Wouter gaf verslag van z'n ziekte, en geraakte onwillekeurig op 't onderwerp dat hem voornamelyk bezig-hield, op z'n onkunde.
--Alle kinderen verstaan fransch, klaagde hy, en dit wordt niet onderwezen op m'n school. En wie geen fransch verstaat, kan nooit 'n groot man worden.
--Och, dat geloof ik niet. De kruienier in de Molstraat heeft drie eigen huizen, en ik weet dat-i geen woord fransch spreekt.
Wouter had eenige moeite haar aan 't verstand te brengen dat hy iets anders bedoelde dan 't bezit van drie huizen, ofschoon ook dit hem niet verwerpelyk voorkwam.
--Ik wilde zoo graag ... zieje ... zoo graag ... iets als ... ja, hoe zal ik je dit uitleggen? Ik wou...
De afrikaansche heerschappy zweefde hem op de lippen. Maar hy had den moed niet, z'n eigen droomen in woorden overtezetten.
--Je weet, Femke, dat we hier in Europa wonen. Nu, daar ginds, ver in 't zuiden, heel ver ... ik zal 't voor je uitteekenen. We kunnen hier wel 'n oogenblik zitten, niet waar, dan zal ik je precies uitleggen wat ik bedoel.
Hy geleidde 't meisje naar 'n stapel gezaagde planken, en nam daarop naast haar plaats, nadat-i hier-of-daar 'n takje had weten machtig te worden, dat hem dienen zou tot graveerstift om 'n wereld in 't zand te teekenen.
--Dit is Europa. De aarde is rond ... dat wil zeggen, ze bestaat uit twee helften ... als pannekoeken ... kyk, 't lykt wel 'n bril. Nu, met die eene helft hebben we niet te maken, dat is Amerika ... zet 'r gerust je voet op. _Hier_ wonen wy ... daar ligt Engeland ... heel omlaag is Afrika. De menschen zyn daar ... onbeschaafd. Ze kunnen niet lezen zelfs, en dragen maar heel weinig kleeren. Maar als er 'n reiziger komt, behandelen zy hem zeer vriendelyk. 't Staat in 'n boekje. Daar wou ik heengaan, en aan al die menschen lezen leeren, en kleeren geven, en zorgen dat er in 't heele land geen onrecht geschiedde, en dan zouden wy...
--Ik ook? vroeg Femke verbaasd.
--Ja zeker! Ik wou je vragen met my daarheen te gaan? We zouden man en vrouw zyn. Je begrypt wel, als ik koning werd in dat land ... dat jy dan ...
--_Ik?_ Koningin?
Het meisje berstte in lachen uit. Ze vertrad, onwillekeurig op-staande, al de koninkryken die Wouter zoo-even aan haar voeten had neergelegd.
--Maar ... wil je dan niet m'n vrouw worden?
--Wel neen, malle jongen! Ik begryp niet waar je de gekheid vandaan haalt. Weet je dan niet dat je nog maar 'n kind bent?
--Wil je dan wachten tot dat ik groot ben? Wil je my niet aannemen voor je vrindje?
--Wel zeker! Maar dan moet je niet zulke zotte praatjes bedenken. Niet dat je later niet naar Afrika zoudt kunnen gaan. Waarom niet? Er gaan zooveel menschen op-reis! By ons op 't "pad" woonde vroeger 'n timmerman, die met z'n heele familie naar Haarlem verhuisd is. Maar ... trouwen!
Weer lachte zy schaterend. En Wouter leed er pyn van. De arme jongen trof 't ongelukkig met z'n eerste liefdesverklaring. Op-eenmaal werd het meisjen ernstig:
--Ik geloof dat je 'n goed kind bent, zeide zy, en ik houd veel van je...
--En ik! riep Wouter. O, Femke, ik heb altyd aan je gedacht in m'n ziekte ... als ik denken kon. Want ... in de koorts ... ik kan niet weten waaraan ik gedacht heb in de koorts, maar 't zal wel aan jou geweest zyn! En met de prent die ik voor je kleurde, heb ik gesproken alsof jy het was. En die prent antwoordde, en begon zóó op je te lyken, dat ik heusch meende jezelf te zien. En dan heette ik Kusco of Telasco, en jy was Aztalpa, de dochter van de zon. Zeg. Femke, mag ik je vrindje wezen?.
Het meisje bedacht zich eenige oogenblikken, en voelde in haar onverschoold rein-menschelyk hart, aandrang tot het verrichten van 'n goede daad. Hoe werkte die aandrift? Waaruit ontstond ze? Was zich 't zeventienjarig meisje bewust van den invloed dien Wouters ... kinderachtigheid op haar uitoefende? Waarschynlyk niet. En ook ik kan niet zonder inspanning doorgronden waarom ze zich moeite gaf ditmaal naar 'n antwoord te zoeken dat iets minder krenkend was dan 'n lach.
Ze lachte dus niet. Het zou wreed geweest zyn tegenover de teederheid die onmiskenbaar in z'n toon lag.
--Zeker, zéker mag je m'n vrindje zyn! Maar ... maar ...
Ze zocht 'n voorwaarde, 'n beletsel, iets dat hem niet kwetste, en toch terugvoerde naar 't standpunt dat z'n leeftyd hem naar hare meening aanwees. Hy was gegroeid sedert z'n ziekte, dit is waar, maar toch ... Femke had kans gezien hem op den arm te nemen en de heele stad doortedragen, hem die 'r zoo prettig van droomde háár te redden uit 'n brand.
--M'n vrindje, ja ... maar ... dan moet je-n-ook alles voor me doen wat ik verlang.
Alles slechts? Och, 't kwam Wouter zoo weinig voor!
--Alles, alles, alles! Wat? O, gauw, zeg me wat ik voor je doen kan!
't Werd benauwend voor 't meisje. Want ze wist niet wat ze eischen zou. En ze was nu wel genoodzaakt iets te noemen. Welnu dan, ze had altyd gehoord dat vlytig leeren nuttig voor kinderen was. Als ze hem eens dáártoe aanspoorde?
--Luister, Wouter, ik heb uit jok aan m'n moeder verteld dat je-n-'t knapste jongetje van je school was ...
--Ik? riep Wouter met komieke verbazing.
Het schynt zonderling--doch we nemen dezelfde anomalie in de groote-menschenwereld waar--dat hy nooit had achtgeslagen op de onevenredigheid tusschen z'n hoogdravende aanspraken en verregaande onbekwaamheid. Hy wilde alles, en kon niets. Deze rekenfout was te opmerkelyker in hem, omdat hy zich die onbekwaamheid zoo goed bewust was, en dus niet als vele anderen ter verontschuldiging zich beroepen kon op eigenwaan. De allereerste in 'n heel werelddeel... dit kon wel. 't Wenschje was billyk en matig, maar:
--Maak dat je binnen drie maanden de eerste bent op je school, zei Femke die niet weten kon dat er sarkasme lag in haar eisch. Zieje, anders mocht misschien m'n moeder te weten komen dat ik over je gejokt heb, en dit wou ik niet graag. Als je zorgt dat het geschiedt...
--O, Femke, ik zal het doen!
--Ga dan nu naar-huis, zei ze, en begin er terstond aan.
Zoo zond ze hem weg. By 't afscheid nemen vond ze op-eenmaal dat-i te groot geworden was om hem 'n zoen te geven. En toen pater Jansen, die 'n paar uur later haar moeder bezocht, vroeg van wien ze die prent had ...
De man zei dat Ophelia in 't Hollandsch zooveel beduidde als Flora die in vroeger tyd beschermheilige van rozen en vergeetmenietjes geweest was.
...toen, toen werd Wouter in haar oogen weer op-eenmaal 'n heel klein kind. Dat-i nog in de wieg lag durfde ze wel niet zoo rechtuit zeggen, maar toch:
--Och, heeroom, die prent is van 'n jongetje, van 'n klein jongetje. 't Kind zal zoo omstreeks de tien jaar oud zyn, of ... negen. Ja, ouder dan negen is-i zeker niet!
--Ben je mal, meid, riep de moeder. De jongen is vyftien!
--Ja juist, vyftien, of ... zoo-iets. Ik wil maar zeggen dat-i nog 'n kind is.
Ze bloosde, en was verstoord op haar moeder, en borg Ophelia in 'n verscholen hoekje. Vrouw Claus en pater Jansen hebben de nieuwe uitgaaf van de bloemengodin nooit weergezien.
"O, Femken, ik zal het doen!" had Wouter gezegd.
Er begon waarlyk kans te bestaan dat-i wat vlugger leerde, nu Pennewips schoolkennis voortaan de livrei dragen zou van Femkes invloed. Wouter begreep zeer goed dat ze met het vergen van den voorgewenden dienst, geen andere bedoeling had dan z'n eigen belang. Maar die bedoeling zelf was liefelyk, en 't zou hem immers leelyk hebben gestaan wanneer-i, na zóó hoog te hebben opgegeven van wat hy wel voor haar zou willen doen, op dien onverwachten eisch geantwoord had: o, alles alles, maar ... juist dit ééne niet!
Dat-i liever z'n dame gediend had in 'n gevaarlyke expeditie, spreekt vanzelf. Maar men heeft z'n heldendaden niet voor 't kiezen. Herkules en St. Joris zelf zouden zich heden-ten-dage wel moeten vergenoegen met het bevechten van miniatuur-draken. Hoe dit zy, Wouter nam z'n taak ernstig op. Hy begon z'n "_Ippel_" z'n "_Strabbe_" z'n "_Oefening in 't kunstmatig lezen_" z'n "_Vaderlandsche_- en andere _Geschiedenis_-boekjes" lief te krygen als gewaardeerde vyanden, die hy onder de oogen zyner uitverkorene verslaan zou in eerlyken stryd. Zelfs over "_Pietersons Geslachtlyst van nederduitsche naamwoorden_" begon z'n gemoedsstemming zeker waas van poëzie te verspreiden, dat alle andere Herkulessen zou beschaamd gemaakt hebben over de nietigheid van hun werk.
Tournooi-verslagen had-i nog niet gelezen. Geen toovergodin bezorgde hem 'n gewyd harnas. Geen Minerva leverde hem 'n Meduza-kop tot schild ... och, niets van dat alles, maar toch ... Slachterskeesje mocht oppassen!
Tot Wouters eer moet ik zeggen dat-i den jongen ridderlyk waarschuwde. En werkelyk, drie maanden daarna was hy de eerste van de school. Pennewip zelf was wel genoodzaakt te erkennen:
--Het is bevreemdend! Men zou ook kunnen zeggen, het is ... verwonderingwekkend, jazelfs in zekeren zin voorbeeldeloos, of ... zonder voorbeeld!
De allernaaste aanleiding tot dezen uitroep was dat Wouter in zeker opstel heel kordaat van 'n wyf had gesproken: "dat zyn muts betastede en op deszelfs hoofd zettede."
Was 't niet jammer, de lieve geestdrift van 't kind te verknoeien aan zulken onzin? [28]