De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld
Part 2
Ik heb 'n oogenblik den lust in my voelen opkomen, den lezer deelgenoot te maken van Wouter's genot, door 't leveren eener schets van 't onsterfelyk werk dat hem zoo boeide. Maar, behalve dat ik Glorioso's geschiedenis niet recht ken--wat me trouwens niet volstrekt beletten zou er over te spreke--heb ik u veel andere zaken te verhalen van dringender aard, en ben dus wel genoodzaakt u te verwyzen naar de hartenstraat, in de hoop dat ge daar zult terechtkomen zonder uwen weg te nemen over _d'ouwen-brug_. Laat het u genoeg zyn te weten dat het "heel mooi" was. "De deugdzame Amalia, die, by flikkerend toortslicht, aan het treurig sterfbed van hare verëerde moeder, in het somber cypressendal, plechtig had gezworen, dat hare vurige liefde, voor den edelen roover, door het yzingwekkende valluik, en de verroeste ketenen, met derzelver zilte tranen... kortom, 't was treffend. Ook was er meer zedelykheid in dan in al die flauwe navolgingen. Al de leden der bende waren behoorlyk getrouwd, en droegen handschoenen. In de grot stond 'n altaar met kaarsen, en de hoofdstukken waarin meisjes geschaakt werden, eindigden met eerbare puntjes of geheimzinnige gedachtenstrepen die Wouter vergeefs tegen 't licht hield om er meer van te weten.
Hy las tot "sterf verrader". Toen was 't donker, en hy begreep dat het tyd werd 'n eind te maken aan de voorgewende wandeling met de Hallemannetjes "_dat_ zulke fatsoenlyke kinderen waren." Met weerzin sloot hy 't dierbaar boekjen, en liep haastig weg, omdat-i vreesde beknord te worden over z'n lang uitblyven.
"Hy zou nooit weer permissie krygen" werd er by zoo'n gelegenheid gedreigd. Maar Wouter begreep wel dat dit geen ernst was. Daartoe wist-i te goed dat men graag de kinderen "eens van de vloer heeft, als men zoo klein behuisd is." En: "de Hallemannetjes waren zoo buitengewoon fatsoenlyk. Ze woonden naast 'n huis met 'n balkon, en hadden onlangs heel lief hun petjes afgenomen."
Ik voor my geloof niet dat de Hallemannetjes fatsoenlyker waren dan de andere mannetjes onder Wouters kennissen. En daar ik graag reden geef van m'n geloof, wil ik hier 'n voorval inlasschen dat iets vroeger had plaats gevonden.
Wouter ontving geen zakgeld. Z'n moeder zei dat hoefde niet omdat hy thuis alles kreeg wat-i noodig had. 't Stuitte hem altyd te moeten wachten op vergunning om "meetedoen" als z'n kameraadjes met den bal speelden, en hem verweten dat hy 't zyne niet had bygedragen tot aanschaffing van dat meubel. 't Kostte drie duiten in Wouter's tyd. Nu zal 't wel duurder wezen... neen, goedkooper... door de staathuishoudkunde.
En by veel gelegenheden meer had-i verdriet over z'n voortdurende geldeloosheid. Later zullen we zien of 't waar was, wat z'n moeder zei, dat-i thuis alles ontving wat hy noodig had. Zéker is het, dat men hem thuis niet de gelegenheid gaf om nu-en-dan over 'n kleinigheid te beschikken _naar eigen wil_. Wat toch zoo heel prettig is voor kinderen. En voor menschen.
De Hallemannetjes--die zoo byzonder fatsoenlyk waren--gaven hem heel duidelyk te kennen dat het hun verveelde, langer alleen de kosten te dragen van 't verkeer. Fransje berekende dat Wouter's vriendschap hun al negen stuivers gekost had--wat ik duur vind, niet om de vriendschap, maar om 't berekenen--en Gus zei dat het nog meer was, maar dat laat ik daar. Ook had deze hem vier griften voorgeschoten, welke hy noodig had om z'n hof te maken by lange Ceciel die niet van hem weten wou omdat i 'n insteekpakje droeg. [4] Maar de griften had ze aangenomen, en overgedaan aan Gus voor 'n zoen.
De bittere verwyten der Hallemannetjes--die zoo byzonder fatsoenlyk waren--maakten Wouter wanhopig.
--Ik heb gevraagd aan m'n moeder, zeide hy, maar ze wil me niets geven.
--Dat gaat ons niet aan, antwoordden de Hallemannetjes d. z. b. f. w. Je bent 'n klaplooper.
Wouter hoorde dit woord voor 't eerst, maar begreep het terstond. Niets maakt scherpzinniger dan bitterheid van hart.
--Klaplooper, klaplooper... ik ben 'n klaplooper!
Schreiend liep hy heen, en koos 'n omweg om de straat te myden, waar lange Ceciel's vader 'n lappenwinkel "deed". Och, als ze gezien had hoe hy als 'n klein kind liep te huilen op straat... zeker, dat was èrger dan de broek boven 't buisje.
--Klaplooper, klaplooper!
Hy ontmoette veel groote menschen die misschien ook klaploopers waren, maar ze huilden er niet om als Wouter.
--Klaplooper!
Hy zag 'n diender, en haalde diep adem toen die voorby was. 't Bevreemdde hem dat de man hem niet gevangen nam.
--Klaplooper!
Daar kwam de man van de vuilniskar, die 't woord naklepperde met z'n ratel, 't Was niet uittehouden!
Onze arme lyder herinnerde zich, hoe de Hallemannetjes d. z. b. f. w. hem eens hadden voorgespiegeld welke winst er viel te behalen op 'n kleinhandel in peperment. Voor vierentwintig stuivers had men 'n grooten zak vol. By verkoop tegen zóóveel stuks voor 'n duit zou 't voordeel enorm wezen, als men maar kapitaal had om te beginnen. Dit hadden de Hallemannetjes precies uitgerekend. Want ze waren niet alleen byzonder fatsoenlyk, maar knap ook. Knapheid en fatsoen gaan meestal samen. Maar, hadden ze gezegd, er moest _kapitaal_ wezen. Zy zouden de inkoopen doen, _zy_ zouden zich belasten met den verkoop, en als Wouter maar één gulden kon bydragen, was de zaak gezond.
--Klaplooper... klaplooper...
Wouter _stal_ 'n gulden uit het "knipje" van z'n moeder, en bracht die aan de Hallemannetjes d. z. b. f. w.
--Hoe kom je 'r aan? vroeg Gus, maar zorgde dat Wouter geen tyd had om te antwoorden, en tevens dat-i 't antwoord niet verstond, dat deze gaf door zwygende verlegenheid.
--Hoe kom je 'r aan--zonder vraagteeken alzoo--zie, nu zullen Franssie en ik ieder 'n dubbeltje byleggen, dat maakt vierentwintig, en dan koopen _wy_ de peperment. Op de Rozengracht is 'n fabriek... zóó'n zak voor vier schellingen! _Wy_ zullen al de moeite doen, Franssie en ik. By ons op school is meer gelegenheid om te slyten, weetje! Kris Kloskamp heeft er al twaalf besteld--hy zal betalen na de vakantie--_wy_ zullen ons al de moeite getroosten... jy hoeft niets te doen, Wouter... en gelyk deelen, daar kunje-n-op aan...
Wouter ging naar huis, en droomde van ongehoorde winst. Hy zou 'n daalder teruggeven in 't knipje van z'n moeder, en voor lange Ceciel 'n potlood koopen van den man die er gaten mee prikte in 't hout van z'n kruiwagen. Zóó sterk waren ze! Dat was wat ànders dan 'n paar griften, dacht-i, en als lange Ceciel hem dan nòg niet wou hebben tot 'n vryertje, dan... neen, verder dacht Wouter niet. Daar zyn op den weg onzer verbeelding afgronden die we niet durven peilen. Wy worden ze instinktmatig gewaar, schrikken terug, sluiten de oogen, en... ik weet niet verder. Maar dit weet ik, dat Wouter dien avend heel gelukkig insliep, in de hoop dat-i weldra 'n goed geweten hebben zou over 't bestolen knipjen en 'n voldaan hart over z'n liefde tot lange Ceciel.
Helaas, helaas, Wouter had gerekend buiten de knapheid en 't fatsoen van de Hallemannetjes!
Den volgenden dag namelyk zochten zy hem op toen-i de school verliet. Wouter die zich gevleid had hen te zien hygen onder 't gewicht van 'n grooten zak, Wouter die zoo verlangend was te weten of Kris Kloskamp z'n kordate bestelling had volgehouden, Wouter die brandde van nieuwsgierigheid naar den uitslag... och, hy voelde zich bitter teleurgesteld toen-i Gus Halleman ontwaarde, die niet alleen geen zak peperment droeg, maar bovendien 'n zeer ernstig gezicht meebracht. Ook Franssie keek als de deugd.
--Wel, hoe staat de zaak? vroeg Wouter zonder 'n woord te spreken. Hy was te nieuwsgierig om niet te vragen, en te angstig om die vraag anders te uiten dan door 't geluideloos openen van z'n mond en 't vooruitsteken van zyn gelaat.
--Hoor eens, Wouter, we hebben ons bedacht... er is veel tégen.
Arme Wouter! Daar verongelukten in één schipbreuk z'n geweten en z'n hart. Weg, droomen van zedelyke rehabilitatie, weg, gapend "moeder's knipje" weg, houtborend potlood dat 'n opening klieven zou in 't hart van lange Ceciel... weg... weg... weg... alles weg!
--Je begrypt, Wouter, die peperment zou smelten...
--Ja...a...a, hikte de arme jongen.
--En die Kris Kloskamp, die 'r twaalf besteld heeft, weetje?...
--Ja...a...a...
Of Kris ook smelten zou?
...hy gaat van-school, en zal zeker niet weerom komen na de vakantie.
--Zoo...o...o?
--Ja, en daarom... en ook... we hebben uitgerekend, Franssie en ik, dat er veel minder in 'n pond gaan dan we meenden, omdat de peperment tegenwoordig heel zwaar is, weetje?
--Ja, voegde Fransjen er by, met hoogen ernst als iemand die in levensgevaar 'n "eerst" beginsel verkondigt, ja, de peperment is heel zwaar tegenwoordig. Voel eens, maar je moet 't weeromgeven.
En hy bood Wouter 'n pepermentjen aan, dat deze heel goedmoedig woog op z'n vinger. De arme jongen gaf het trouw terug. Zwáár vond-i 't... och, hy was zoo bedrukt, en zou alles zwaar gevonden hebben op dat oogenblik.
Fransje stak 't zware pepermentjen in z'n mond, en zei, al zuigende:
--Ja wezenlyk, heel zwaar... 't is engelsche, weetje? En dan is 'r nog wat... niet waar Gus? 't Fatsoen! Toe Gus, zeg jy 't maar.
--'t Fatsoen, Wouter! riep Gus bedenkelyk.
--We meenen 't fatsoen, herhaalde Fransjen, alsof-i wat ophelderde.
Wouter zag beiden beurtelings aan, en scheen begrip tekort te komen.
--Zeg jy 't maar, Gus.
--Ja, Wouter, onze pa is in de diakenie, weetje, en-i gaat rond met 'n zakje, en by ons "op" de gracht...
--Ja, riep Fransje, by ons op de gracht... weetje... daar woont m'nheer Krullewinkel die 'n buiten heeft...
--En 'n balkon ...
--'t Is maar om 't fatsoen... weetje, Wouter? En als er huisbezoek komt, dan prezenteert onze mama...
--Ja, dan prezenteert ze madera... heusch, en onze tabakspot is van zilver...
--Né, Franssie... maar 't is net als zilver, weetje Wouter?
De arme jongen zei maar dat-i 't wist, hopende eindelyk te weten te komen wat-i inderdaad _niet_ wist: het verband tusschen al die dingen en _zyn_ vervlogen hoop. Hy stamelde:
--Ja, Gus... ja, Franssie... maar de peperment?
--'t Is maar, weetje-n om je te zeggen dat we heel erg fatsoenlyk zyn.
--Ja. Gus.
--En braaf.
--Ja...a...a... Franssie!
Arme Wouter!
--En daar je zei dat je geen zakgeld krygt...
--Ja, Wouter, en weetje, omdat onze pa zoo fatsoenlyk is... als 't winter wordt kan je 't zien, dan gaat-i rond met 'n weesjongen...
--Ja, en-i schelt aan al de deuren. Nu, daarom zyn we bang dat je...
--Dat je...
--Die gulden...
--Die gulden, weetje?
--Dat je 'm niet...
--Dat je 'r niet eerlyk aankomt... dàt is het, zei Fransje, die 'n tweede pepermentjen uit z'n zak haalde en in den mond stak, tot versterking zeker na dat beslissend woord.
't Was er uit! Arme, arme Wouter!
--En daarom, Wouter, willen we niet met je mee doen. Maar _gelyk_ deelen... dat is afgesproken!
--Ja, gelyk deelen, riep Gus. Je begrypt... _wy_ hebben al de moeite gehad, en daarom... ziedaar, gelyk deelen!
De Hallemannetjes waren knap. Gelyk deelen: (20+2×2)/3 = 8, en alzoo... Wouter ontving acht stuivers.
--Weetje, zei Gus, 't is omdat onze pa diaken is.
--Ja... en onze tabakspot... al is 't dan geen zilver, 't lykt precies op zilver.
Op deze waarachtige historie grondt zich myn ongeloof aan de buitengewone fatsoenlykheid van de Hallemannetjes, en ik hel over tot de meening dat dit fatsoen eigenlyk niets was dan 'n uitvindsel van Wouter's moeder, omdat ze "nauw behuisd" was. 't Is de vraag of zy ooit iets zoo byzonder fatsoenlyks in die kinderen zou ontdekt hebben, als ze kans had gezien Wouter met wat nut te gebruiken in 't huishouden. [5]
Verloren suikerpotten en zoekgeraakte bybels voor de rechtbank van 't geweten. De onmannelykheid der natie, volgens Siegenbeek en andere moralisten. De verdiensten en de gebreken van Leentje, beschouwd uit 'n menschenvriendelyk oogpunt. Verregaande onkiesheid van de voorprinselyke spelmethode. De Hollandsche graven in verband met de pryzen van 't vleesch, en de ongegronde verdenking van Pennewip's eer. Leentje's onzichtbaar talent om kleeren en zielen te herstellen.
Hoe 't zy met die principe-barende vruchtbaarheid van de nauwte, Wouter kende de vrucht, al was-i niet zoo wysgeerig ingelicht omtrent den oorsprong. Over z'n laat thuiskomen bekommerde hy zich dus niet zóó erg, als over de vreeselyke straf die hem wachtte als men z'n nieuw testament met gezangen zou missen. Hy was teruggekeerd van z'n uitstapjen in de Abruzzen, en by z'n terugkeer in Amsterdam viel hem de herinnering aan z'n boosheid--of liever 't voorzien van de straf die er volgen zou op die boosheid--drukkend zwaar op 't gemoed.
Maar Wouter troostte zich met de bedenking dat-i ditmaal geen vingerhoed had weggemaakt, zooals laatst. Men zou 't Nieuw-Testament niet zoo gauw missen, dacht-i, omdat de Zondag nog vèr was, en in de week zou er niet naar gevraagd worden.
Nogeens: 't was geen vingerhoed, geen breipen, geen suikerpot, of zoo-iets van dagelyksch gebruik...
Toen onze held thuiskwam, verstopte hy den vetten _Glorioso_ achter de latafel van Leentje, van dezelfde Leentje die na den poortsprong z'n broekje herstelde dat zoo gaapte aan de knie, zoodat z'n moeder 't nooit geweten heeft.
Ja, ze is ten-grave gedaald zonder kennis aan die gescheurde broek! Ik weet niet of "broek" mannelyk is, en heb geen lust het optezoeken, vooral omdat ik 't toch niet begrypen zou, al vond ik "_broek, m._" in 'n woordenlystje. Onlangs vond ik géén _m._ achter _natie_. Dat zal 'n scherpe geestigheid van Siegenbeek geweest zyn.
Of Wouters's broek mannelyk was, weet ik niet, maar Leentje had de scheur geheeld, dat is de waarheid. Zoo heelde ze meer breuken, en ontving daarvoor zeven stuivers in de week, en 's avends 'n boterham.
Lang na Habakuk, dacht Wouter nog meermalen aan haar deemoedig: "goeien avend, juffrouw. Goeien avend, m'nheer en jonge-juffrouwen. Goeien avend, Wouter"... en de rest.
Want Wouter's moeder heette "juffrouw" om de schoenmakery. De jonge-juffrouwen waren z'n zusters, die dansen geleerd hadden. En z'n broer was "m'nheer" sedert diens benoeming tot derden ondermeester aan de stads-tusschenschool. Hy had toen verlengstukken aan z'n buis gekregen om ontzag inteboezemen aan de schooljeugd, en "Stoffel" paste toen niet langer, meende Wouter's moeder. Maar dezen noemde Leentje eenvoudig Wouter, omdat-i nog maar 'n kleine jongen was. Ook was hy haar drie stuivers schuldig, of eigenlyk zes-en-twintig duiten, die hy haar nooit heeft teruggegeven, want toen hy, jaren later, die schuld wilde afdoen, waren er geen duiten meer, en Leentje was ook dood.
Dit speet hem zeer, want-i had veel van haar gehouden. Ze was foei-leelyk, nogal vuil, en bovendien wat onrecht van leest. Ook beweerde Stoffel de schoolmeester, dat ze 'n booze tong voerde. Ze zou namelyk hebben oververteld dat-i bessen met suiker had gedronken in _de Nederlanden_.
Ik wil dit wel gelooven, maar wat kan men verlangen voor zeven stuivers en 'n boterham? 'k Heb hertoginnen gekend met ruimer inkomen, en toch niet aangenaam in den omgang.
Dat Leentje scheef was, kwam van 't aanhoudend naaien. Ze hield het gansche gezin "heel" en verstond de kunst om een broek, twee buisjes en 'n lakenschen pet te maken uit 'n duffelsche jas, en toch schoten er nog lappen over voor de _sous-pieds_ die Stoffel noodig had voor z'n examen als sekondant naar de Kaap. Dat niet lukte, door 'n fout in Euklides.
Niemand buiten Wouter was tevreden met Leentje. Ik denk dat men bang was haar te bederven door te groote zachtzinnigheid. De "jonge-juffrouwen" spraken gedurig van "stand" en "dat ieder op z'n plaats moest blyven." Dit gold háár. Leentje's vader namelyk was 'n schoenmaker geweest die achterlapte, en de vader van de jonge-juffrouwen had 'n winkel "gedaan" waarin-i schoenen verkocht die uit Parys kwamen. Dit maakt 'n groot verschil. Want het is deftiger iets te verkoopen dat gemaakt is door 'n ander, dan zelf wat te maken.
De moeder meende dat Leentje wel wat zindelyker wezen kon. Dat juist gemeend was. Maar ik kom weer terug op den prys, en op de moeielykheid van 't wasschen, voor iemand die geen tyd, geen zeep, geen ruimte en geen water heeft. Duinwater was er nog niet, en al was 't er geweest, het zou toch niet doorgedrongen zyn tot Leentje. [6]
Stoffel beschuldigde haar van dien verkeerden val in z'n hemdsboordjes, "die zoo nadeelig werkte op 't respekt" en klaagde dat ze hem altyd zoo mal aankeek, als-i "heeren had."
Dat "heeren hebben" was 'n _privatissimum_ over de leerwyze van Prinsen, die nog niet was uitgevonden, maar door Stoffel werd voorgevoeld. Leentje bracht thee by die zaak, en was eenmaal niet geslaagd in 't wegbyten van 'n lach, toen ze Stoffel z'n naam hoorde spellen, en uitvaren tegen 't onkiesche ouwerwetsche "esse té" dat dan ook leelyk is.
En dan, die bessen met suiker!
Aldus had ieder z'n grieven tegen 't arme Leentje. Maar Wouter hield veel van haar, en was met niemand buiten haar in huis gemeenzaam, misschien wel omdat de anderen niet van hèm hielden, en hy dus wel genoodzaakt was, of genoopt althans, z'n troost te zoeken by haar. Want alle aandoening zoekt 'n uitweg, en er gaat niets verloren, evenmin in de zedelyke als in de stoffelyke wereld.
Wouter's moeder noemde hem: "die jongen." Z'n broers--er waren er meer dan Stoffel--beweerden dat-i valsch en gniepig was, omdat hy weinig sprak en niet van knikkeren hield. Maar àls-i wat zei, verweet men hem 'n geheel onbewezen verwantschap met de kat van koning Salomo. De zusters verklaarden hem voor "sleets" of "sleetsch." Ik weet niet hoe ze 't spelden, omdat ik het alleen heb van hooren-zeggen. Maar by Leentje kon onze Wouter altyd terecht. Zy troostte hem, en vond het schande dat men niet meer "werk maakte van 'n jongen als hy." Ze scheen dus te hebben ingezien dat-i niet 'n kind was als 'n ander. En dit vind ik ook. Anders zou ik niet de moeite nemen z'n geschiedenis te vertellen.
Tot kort na de expeditie naar _ouwenbrug_, hartenstraat en aschpoort, was Leentje Wouter's eenige vertrouwde. Haar liet-i de verzen lezen die versmaad waren door lange Ceciel. Haar klaagde hy z'n smart over de onrechtvaardigheid van meester Pennewip, die hèm "redelyk" gaf, en "uitmuntend" met 'n krul, aan 't roodharig Keesje. Aan Keesje, die geen "som" alleen wist te maken en altyd steken bleef in de hollandsche graven.
--Arme jongen, zei Leentje, je hebt wel gelyk. Ze kwamen in 't huis van Beieren... 't is wel schande! En dat om 'n duit op 't pond.
Zy beweerde namelyk dat Pennewip goedkoop vleesch kreeg van Keesje's vader die slachter was, en dat er alzoo knoeiery plaats had met die graven en hun gedurig verhuizen.
Later heeft Wouter haar verdacht van vrome leugen op dat punt, omdat Pennewip, wel beschouwd er niet uitzag als iemand die misbruik maakt van biefstuk. Maar in die dagen nam hy de ligtvaardige verdenking van 's mans eer gretig aan, als pleister op de zyne die gekrenkt was door Keesje's voorzitterschap. Want waar onze eer in 't spel is, of wat we daarvoor houden, geven we minder om die van 'n ander.
Of, als z'n broers hem plaagden met 'n sarrend "professer Wouter"... of, als de zusters op hèm de schuld wierpen van dat "mal gekrabbel op 't behangsel"... of, als z'n moeder hem strafte voor dat opsnoepen van de rystebry die gister overschoot en nog juist zoo goed zou geweest zyn voor morgen... dan was 't altyd Leentje die Wouter's gemoed in evenwicht bracht op dezelfde handige manier als ze den winkelhaak in z'n kleeren onzichtbaar maakte met 'n onnavolgbaar "heen-en-weertje."
O, leelyke vuile scheeve kwaadtongige Leentje, wat heeft Wouter je lief gehad! Wat al troost straalde hem tegen uit je koperen vingerhoed, wat al bemoediging lag er in je maasbal, wat 'n zalving in je liefderyk:
--Daar heb je-n-'n naald, en 'n draad, en 'n lapje... naai 'n zakje voor je griften, m'n jongen, en vertel me nogeens van al die graven die gedurig overgingen van 'n eene huis in 't ander.
Diepzinnige achterhoudendheid van juffrouw Laps. Predikatie van Stoffel. Wouters standvastige trouw aan Glorioso. Roerende terugblik op Scelerajoso's dood, dien we, om 't gevoel des lezers te sparen, en wegens zeer uitgebreide _binnenlandsche betrekkingen_, slechts lieten gissen op blz. 9. Fatsoenlyk sterfgeval van Glorioso. De laatste Koning van Athene. Bedorven magen en verscheurde trommelvliezen, voorgesteld als gevolgen eener eigenaardige stofwisseling.
Ik weet niet welke profeet onzen Wouter werd ingegeven tot straf van 't wegmaken van z'n bybeltje. De huisdominee kwam er by te-pas, en de man was puur ontsteld over zooveel boosheid. Juffrouw Laps die op de ondervoorkamer woonde, had er ook van gehoord. Ze was zeer godsdienstig en beweerde dus dat zoo'n jongen opgroeide voor de galg, want:
--Men begon met 'n bybel, zei ze beteekenisvol, en eindigde met wat anders.
Niemand evenwel heeft ooit kunnen te weten komen wat dan toch dat _andere_ wel wezen zou, als men begonnen was met 'n bybel. Ik denk dat zyzelf 't niet wist, en dat ze 't maar zoo zeide om de menschen in den waan te brengen dat ze veel levenswysheid bezat, en meer van de zaken verstond dan zy uiten wilde. 't Is my wel, schoon 'k niet houd van wysheid die zich niet openbaart in verstaanbare woorden, en als 't myn zaak geweest was, zou 'k juffrouw Laps den duim tusschen de deur gezet hebben.
Stoffel hield 'n napreek, waarin-i aanvulde wat huisdominee vergeten had. Hy sprak van Koran, Dathan en Abiram, die iets dergelyks misdaan hebbende als Wouter, daarvoor waren gestraft met 'n ontydige begrafenis. Ook zeide hy: "dat de eer van de familie op _d'ouwenbrug_ was verloren gegaan, dat hy, als "eenige" oudste zoon van 'n onbesproken weduw, en als derde ondermeester op de stads tusschenschool, verplicht was zorg te dragen voor de eer van 't huis...
--Van Beieren, zei Leentje zacht.
...dat 'n huwelyk of 'n _andere konditie_ voor de meisjes kon afspringen door Wouter's schuld, want dat niemand zou willen tedoen hebben met meisjes, die... in 't kort, Stoffel beweerde "dat het schande was, en dat-i de oogen neersloeg voor ieder die kennis droeg van 't feit. Hy had duidelyk bemerkt dat "de jongens" er ook al van wisten, want Lodewyk Hopper had de tong tegen hem uitgestoken."
En eindelyk: "dat-i bevreesd was over de Nieuwmarkt [7] te gaan, omdat die hem zoo onaangenaam herinnerde aan de vreeselyke voorspelling van juffrouw Laps omtrent Wouter's toekomst."
Daarop volgde nog iets over die Koran, Dathan en Abiram, waarop de heele familie uitberstte in gehuil, omdat het zoo byzonder treffend was.
Wouter troostte zich met de gedachte aan Glorioso, en als er gesproken werd van "dat andere" dat komen zou volgens juffrouw Laps, droomde hy van z'n huwelyk met de schoone Amalia wier sleep gedragen werd door zes pages. Juffrouw Laps zou zeker vreemd hebben opgezien als ze die uitlegging van haar ingeslikten klimax ware te weten gekomen.
't Spreekt vanzelf dat alle pogingen om onzen held te bewegen tot het openbaren der wyze waarop hy 't ontvangen geld had besteed, ydel waren. Men moest daarvan afzien, na 't vruchteloos aanwenden van alle gebruikelyke middelen. Water en brood, water en geen brood, brood zonder water, water noch brood, huisdominee, Stoffel, Habakuk, juffrouw Laps, tranen, slaag... alles te-vergeefs. Wouter was er de jongen niet naar om Glorioso te verraden. Dit had-i juist zoo leelyk gevonden in dien Scelerajoso, die dan ook slecht afspeelt, zooals we gezien hebben.
Zoodra 't hem weer vergund was te wandelen met de Hallemannetjes d.z.b.f. waren, ylde hy naar de brug buiten de aschpoort, om z'n boeiende lektuur voorttezetten, en hy herhaalde dit tot het rampzalig oogenblik waarop-i moest afscheid nemen van z'n held, die op 't laatste blaadje als berouwhebbend generaal-majoor sterft in de armen van de deugdzame Elvira.