De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld
Part 18
--O, _Afrika, Sofala, Monomotapa, Monoëmugi_ ... prachtig! Nog 'n oogenblik, papa, dierbare schooltiran--houd vast, Willem, toe!--ik wil heel Afrika aan den spiegel vertellen, en zien hoe ik m'n gezicht vertrek. _Mesopotamië, mesopomamo_ ... mondvol, mooi! _Nigritië_--blyf staan, papa, ik ben nog niet half klaar. Willem, help me! M'n paardje trappelt zoo ... hu, hu!--_Aethiopië_--Herman, houd z'n beenen vast ... niet kittelen, dan val ik.--_Marokko ... Schiermonnikoog ... hu, hu, paardje, met je vlassen staartje ... Alexandrië, Soudan, Egypte ... Weesp, Rotterdam, Haarlemmermeer, Kolvemersburgwal_--de les is uit, ik mag zeggen wat ik wil--_Krom-elleboogsteeg, Algiers, Cleopatra, Karel de Groote_... wie vangt me?
--Ik, riep Willem.
Sietske werkte zich omhoog tot ze op vaders schouders stond, en sprong op Willem toe, die haar handig opving en op den grond zette.
--Oef! riep de dokter.
--Oef, oef, oef? O, dierbare vader, we zyn nog lang niet aan _oef!_ Twee volle uren les, en dan terstond: _oef!_ Waar zou dat heen? O, neen, dierbare tiran van _Monomotapapa_, van _Monoë ... muggen, muggi_ bedenk dat 'n welgeschapen kind z'n rechten heeft. 't Is 'n ware schande ... ga jy 'ns voort Herman, ik ben 'r heesch van!
--'n Ware schande ... nu jy, Willem!
--'t Is 'n ware schande, m'nheeren, zoo afrikaans-miserabel heden-ten-dage de europesche vaders hun nederlandsche kinderen behandelen.
--Weg met de ouders! Roep mee, papa!
--Weg, weg, weg met ...
... met de kinderen, smokkelde papa er tusschen. Maar Sietske betrapte hem op dien vreeselyken wanklank.
--Wat moet ik hooren, sakkerloot! Geen schelmstukken, dierbare Vader! _Orrrde... orrrde! Wat is dat hier voor 'n samojeedsch huishouden ... nà de les!_
--Juist, schreeuwden de jongens, _orrrde_ na de les! Dat is de ware, rechte orde!
--En ... wat zie ik daar? riep Sietske. Wie heeft daar de mooie nieuwe prachtige hemelsche verrukkelyke liniaal stuk geslagen? 'n Zaag, 'n zaag, papa's onschuldige liniaal is 'n zaag! O, die vaders, die vaders! Toe, papa, wees gezeggelyk, en roep mee: leven de kinderen!
--Ja, ja ... uit onbeklemde borst, papa!
--Leven de dierbare ... papaas, riep de vader, en hy werd voor dien oproerkreet weer duchtig gestraft.
--Als ik vader ben, zal ik me heel anders gedragen, zei Herman.
--Ik ook! beloofde Sietske. Nooit, nooit, nooit meer dan 'n halve sekonde les in ... de eeuw. Nooit _Sofala, Monomotapapa_ ... kom-aan, dierbare vader, roep mee: leven de kinderen! Of anders...
--Leven de...
Weer sloeg de klok. Eén slag. Nu stak de vader 'n vinger op.
--Kwartier, jongens! De saturnalie is uit! Komt allen mee--jy ook, mannetje--mama wacht ons zeker met het eten.
Willem nam Sietsken op z'n rug, en Herman besteeg Papa. Zoo gleed de familie de trap af. Wouter volgde, maar _Lady_ Macbeth verdween platgedrukt in z'n zyzak. Hy was onthutst, en had moeite zich te overtuigen dat-i hier dezelfde persoon zag, die...
Beerevellen? Gouden pen? Maar hoe was dit alles mogelyk? Het was immers toch geen droom, dat hy en al de zynen zoo hoog tegen de duizelingwekkende deftigheid van dien man hadden opgezien? Hy begreep er niets van.
In de eetkamer heerschte weder 'n geheel andere toon dan vóór en na vyven in de school.
--Stel den jongeheer aan mama voor, zei de dokter.
Hy wendde zich tot Willem. Maar Sietske vroeg:
--Papa, mag ik het doen?
Holsma knikte. De kleine meid nam Wouter met kluchtige deftigheid by de hand, en leidde hem naar 'n dame die aan de gedekte tafel bezig was met sla-aanmaken.
--Mama, dit is 'n jonge-heer ... gut, ik moet je naam weten! Hoe heet je?
--Wouter Pieterse.
--Dit is de jongeheer Wouter Pieterse, die papa komt bedanken omdat-i ... ziek geweest is, en die ... de jonge-heer blyft hier immers eten, papa?
... die hier blyft eten, Mama.
--Als mama 't goedvindt, zei de vader.
--Juist, als mama 't goedvindt.
Mevrouw Holsma zette Wouter met 'n paar vriendelyke woorden op z'n gemak. 't Was noodig!
De kring waarin hy zich hier bevond, behoorde tot den deftigen middelstand, maar onzen Wouter kwam alles vorstelyk voor. Men wees hem 'n plaats aan, en 't deed hem genoegen dat-i zat. Drievierde van z'n postuurtje was nu geborgen onder de tafel. Dit was zóóveel gewonnen voor z'n pynlyke beschroomdheid. Byna alles wat-i zag en hoorde, verbaasde hem. Toen-i z'n handen vouwde...
--Wou je bidden, mannetje? vroeg de dokter.
--J...a, m'nheer, stamelde Wouter.
--Dat's 'n zeer goede gewoonte. Ga gerust je gang. Doe je dat altyd aan-tafel?
--Ja, altyd... by warm eten, m'nheer!
Er was tucht in dat huis: niemand lachte.
--Bid jy er maar gerust op toe, jongen!
De dokter maakte gebruik van 't oogenblik dat Wouter de oogen gesloten had, om zonder 'n woord te spreken z'n kinderen tot beleefdheid te vermanen. Ze volgden dien wenk trouw op. 't Was hun schuld niet, dat-i later inzag 'n zonderling figuur te hebben gemaakt in _dien_ kring.
--Je doet er zeer goed aan, zei Holsma. Wy doen 't niet, en ... daaraan doen we misschien ook goed.
--Wel zeker, zei de moeder. Ieder moet handelen naar z'n overtuiging.
Dit zoo eenvoudig woord trof Wouter dieper dan iemand had kunnen veronderstellen. _Hy_ ... 'n overtuiging! Het korte gezegde van Mevrouw Holsma kende hem 'n waardigheid toe, 'n gewicht, en 'n recht, waaraan hy nooit gedacht had. Onder 't gebruiken van de soep, dacht hy voortdurend: ik mag 'n overtuiging hebben!
Het was hem vroeger nooit in den zin gekomen dat 'n zaak ànders kon worden opgevat, dan ze door z'n moeder, of door Stoffel, of door wien ook--mits 'n volwassen persoon!--werd voorgesteld. De geheele kwestie over bidden of niet-bidden kwam hem niet zóó belangryk voor, als 't vernomen nieuws dat _hy_ 'n overtuiging hebben kon. Z'n gemoedje zwol er van...
De dokter, die 'n menschenkenner was, korrigeerde den loop dien Wouters gedachten namen:
--Ieder moet handelen naar z'n overtuiging. En om tot overtuiging te geraken, moet men veel onderzocht hebben. _Ik_ ben overtuigd dat onze kleine gast heel gaarne wat van die dopërten zou willen. Help 'm eens, Sietske!
Sietske deed het met veel gratie.
Wouter had den zin van Holsma's woorden zeer goed begrepen, en ... zelfs de oorzaak van dien overgang op de dopërten. Hy _voelde_ ten-minste dat de schoolmeestery na klokkeslag _vyf_ zonder genade ter-zy gezet was, en dat de vriendelyke gastheer hem slechts even ter-loops had willen waarschuwen tegen koppige onbekookte betwetery, zonder daaraan den makkelyken toon opteofferen, die inderdaad aan-tafel heerschte.
In-weerwil namelyk van z'n beschroomdheid, of liever juist inverband met deze eigenschap, was Wouter hoogst-intelligent. De oorzaak dat dit onbekend was aan byna allen die hem tot-nog-toe gadesloegen, lag in 't gebrek aan zelfvertrouwen, dat hem belette zich te uiten. Gewoonlyk scheen het alsof hy veel later dan anderen iets begreep, omdat hy--fyner bewerktuigd misschien, en meer eischende van z'n doorzicht--niet zoo spoedig als vele anderen met de slotsommen zyner overleggingen tevreden was. Gedurende z'n ziekte had Holsma deze eigenaardigheid opgemerkt, en hieruit vloeide de belangstelling voort, die hy 't kind betoonde.
Wouters beschroomdheid was gedeeltelyk 'n gevolg van de methode waarop men hem 't weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers 'n onomstootelyke zaak geweest. Tweemaal twee is ... zóó-veel, Prins die of die is 'n held, brave kinderen komen in den Hemel, God is groot, de Batavieren zyn byzonder dapper, 't ware geloof is in de Noorderkerk, enz. enz. Hy wist niet dat er _twyfel_ bestond, en hield dus z'n begeerte om iets meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig. Slechts enkele malen had-i even beproefd lucht te geven aan z'n weetgierigheid, maar 't was hem slecht bekomen. Op de katechizatie was z'n rechtsgevoel gestruikeld over die vuile historie van Jakob en Ezau. Byna voelde hy 'n oogenblik den moed iets aftekeuren in 't gedrag van den aanstaanden aarts-vader, en hy begon reeds met 'n enkel bescheiden woordje ... maar de dominee overlaadde hem met verwyten. "Zulke vragen pasten geen kind!" heette het. Wouter moest bedenken dat de Heer vanplan was uit Jakobs stam voorttekomen, en dat alzoo die linzen-historie volkomen _fair play_ was. "Men moest niet verstokt zyn." De arme jongen bad dien avond wel 'n uur lang dat God hem toch niet zoo erg verstokken zou. En 't hielp. Het duurde vele jaren voor-i zich weer waagde aan zedekundige analyse van Jakobs handelingen, en van Gods ingenomenheid met dien schurk.
Zoo ging 't met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, berustte hy in al wat men hem zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden niet verteren kon, werd z'n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in z'n binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na, en verweet zich z'n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als 'n overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal op-eens genezen kon.
Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van beredeneerden twyfel. Hy wist toch dat duizenden en millioenen menschen veel zaken geheel anders beoordeelden dan z'n moeder en Pennewip, en dat dus de mogelykheid zich kon voordoen, jazelfs de noodzakelykheid, dat er soms 'n _keuze_ tusschen meeningen moest gedaan worden. Welnu, hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen en--by Wouter in zeer letterlyken zin nog--kinderachtig, maar 't was zoo...
Toch kunnen we 't hèm niet zeer kwalyk nemen, als we opmerken hoe 't heele menschelyk geslacht aan 'tzelfde euvel mank gaat. Wouters onaanzienlyke omgeving scheen hem groot toe, omdat-i haar van te naby waarnam, en nog niet gewoon was z'n blik te vestigen op voorwerpen die verder-af lagen. Men behoeft slechts 't huis Pieterse en Woutertje zelf eenige malen te vergrooten, om 'n gelyk-soortig verschynsel _overal_ te kunnen opmerken. De een zweert by z'n dorp, de ander by z'n gemeente, 'n derde by z'n vak, enz. Zelden ontmoet men 'n wydte van blik, die zekere altyd betrekkelyk nauwe grenzen overschrydt. 't Verschil ligt in de maat onzer bekrompenheid, maar ... bekrompen zyn wy allen. Byna altyd keuren wy de zeden, manieren, denkbeelden, die niet in ons kringetje tehuis behooren, onvoorwaardelyk af. En zelfs daar waar ons oordeel zich eenigermate heeft vry gemaakt, blyven we toch onbewust altyd nog de slaven van onzen smaak.
En een der tegenstellingen waaruit de gansche wereld gemaakt is vinden wy ook hier. In-weerwil der gehechtheid aan 't naast omliggende, worden wy beheerscht door 'n zucht om alles te verheffen en naar alles te haken wat vreemd en ongewoon is. Trekvogels en hokvast te-gelyk, beminnen wy wat ons benauwt, en we schrikken voor 't geprezene terug, zoodra 't afwykt van de zaken die wyzelf veroordeelden, maar die ons ketenen met de kluisters der gewoonte. Dat loven en roemen van 't vreemde zèlf is 'n gewoonte van zekere wereldverbeteraars, en de minste huisbakkene niet. Ze gelyken hierin op den oester die de vlucht van den arend bezong. 't Beest rymde zoo mooi, dat Jupiter hem 'n paar vlerken zond, met 'n aanstelling tot vogel. Maar de zanger wees die onderscheiding af omdat-i 't jammer vond de schulp te verlaten,waarin hy geen wieken bergen kon. [25]
De lotgevallen van 'n vlalepel met een handleiding tot het begraven van ongelukken, 'n Oude historie uit _Straat Magellaan_, niet ontoepasselyk op andere straten.
De eigenaardige beschroomdheid die soms getuigenis geeft van iets goeds, vindt men nu-en-dan by kinderen, en ze wordt door opvoeders gewoonlyk verkeerd beoordeeld, 't geen blykt uit de overdrevenheid waarmee ze het tegendeel pryzen. "Dàt zal 'n man worden!" hoort men dikwyls zeggen van den knaap: _qui ne doute de rien_.
Ons Woutertje twyfelde aan alles wat hem niet werd ingegeven van buiten-af, en dus aan z'n eigen zelfheid het meest. Men meene vooral niet dat ik dit goedkeur of aanprys. Ik neem hem slechts in bescherming tegen den àl te ongunstigen uitslag eener vergelyking van zyn linksheid met de _suffisance_ van anderen. Het mag niet ontkend worden dat ziekelyke zwakte 't gevolg wezen kan van te fyne bewerktuiging, en dit is wel te betreuren. Doch er is versterking denkbaar, terwyl 't verfynen van grove organismen my moeilyk of onmogelyk voorkomt.
Wouter dan was beschroomd en links. Na al het zonderlinge dat-i op de studeerkamer van den dokter had bygewoond, voelde hy zich wel eenigszins voorbereid op ongewone dingen, maar dat Willem en Herman, en zelfs de nog jongere Sietske, zoo onbeschroomd op hun bord durfden nemen wat ze verkozen, verbaasde hem alweer veel meer dan de luchtvaart van Elias. By Genoveva in de bekoorlyke wildernis, jazelfs in Afrika, kon 't niet vryer en gemakkelyker toegaan. Hy was ontsteld van de vreemdheid. Inderdaad ontsteld en zenuwachtig, en wel zóó dat-i, toen z'n buurmeisje hem aan 't dessert 'n schotel roomvlâ overreikte...
Geschied is het, o goden! En ... ik moet het vertellen. Kon ik nu maar, als 'n oude kroniekschryver, de schuld werpen op raadgevers:
"de dat riet en dede niet wale."
Helaas! Welke geheim-hofraad ter-wereld kon Wouter geadvizeerd hebben, den porseleinen lepel over den rand van de schaal te doen buitelen, en dat ding--met wat vlâ er by, waarachtig!--te doen neerkomen in Sietske's schoot? Hy deed het, _hy_! Hoogst-eigenhandig. en _proprio motu_! Geen Stoke kan 't goedpraten. En zelfs Bilderdyk niet.
Och, hoe droevig! Juist begon-i 'n beetje verder op z'n stoel te schuiven dan by de soep! Nog 'n oogenblikje maar, en hy zou inderdaad gezeten hebben. Misschien ook had-i weldra iets gezegd. Was hem niet 'n land van Afrika in den zin gekomen, dat Sietske vergeten had optezeggen tegen den spiegel? Dàt had-i willen noemen! Niet om doortegaan voor knapper dan zy, o neen, maar om iets minder dom te schynen dan-i er zeker uitzag. Helaas, na die malle lepel-historie ... och! Hy had liever 'n pink gemist, z'n hand, z'n arm ... alles! Ja ... hy wou dat-i ergens onder den grond zat!
Al deze indrukken bestormden hem te-gelyk. Voor-i nog genaderd was tot de vraag hoe z'n onhandigheid zou worden opgenomen, ja terstond na de katastroof, en alsof 't er by behoorde, begon Sietske:
--Papa zou iets vertellen over Olivier Van Noort.
Ze stond even op, reinigde haar jurkjen, en bood Wouter 'n anderen lepel aan, dien ze van 't wandbuvet had genomen.
--Toe, papa, over Olivier Van Noort! Papa heeft het beloofd.
En allen drongen om 't hardst op de toegezegde vertelling aan. Ook Mevrouw Holsma scheen daarin byzonder veel belang te stellen. Wouter voelde heel goed dat men bezig was de herinnering aan z'n ongelukje te bedelven onder gesprek. Dit roerde hem. Hy was waarlyk zulke liefelykheid niet gewoon, en toen Sietske weer plaats had genomen, zag ze dat er 'n traan over z'n wangen rolde.
--Mama, ik heb 'n zilveren lepel by de vlâ gelegd. Dit is immers goed? Zoo'n porseleinen ding is topzwaar... ik heb 't wel al driemaal laten vallen, en Herman kan er ook niet mee terecht.
De moeder knikte haar vriendelyk toe.
--Krygen we nu Van Noort, papa?
--Ik durf haast niet. Jelui zult zeggen dat ik weer van geografie begin.
--Foei, papa, aan tafel!
--Ja, ja, zei de moeder, ik heb al lang gemerkt dat de saturnalie van maandag, woensdag en vrydag 't hevigst is. 't Huis dreunt altyd na de geografie.
--'n Vol kwartier is te lang, klaagde Holsma.
--Oude privilegien, papa! zei Willem.
--Nu, dit mag waar zyn. Maar toen de zaak aldus werd ingesteld, was je alleen. Dat ging nog. Jy bent eigenlyk de uitvinder van die barbaarsheid. Toen Herman 't eerst in de les kwam...
--Zóó'n kereltje was je toen, wees Willem, misschien wel wat héél laag. Je kon geen _a_ voor 'n _b_.
--Dàt is niet waar! Moeder had me lezen geleerd. Mama, mag ik u de helft geven? Ik heb hier de mooiste abrikoos van den heelen schotel ... waarlyk by-ongeluk! Toe, mama, neem hem heelemaal.
--Omdat ik je lezen geleerd heb?
--Olivier Van Noort, papa!
--Lezen ... hm! bromde de vader. Alsof je lezen kon! Zie me zoo'n verwaand kereltjen eens!
--Ik niet lezen! O papa, luister eens:
Herman nam 'n ulevel, ploos er 't devies uit, en las:
Een vader die z'n zoontje plaagt ...
--Dat staat er niet, riep Sietske. _l'Amour est un enfant tromp ..._
--_Trompette_, zei Willem.
--Olivier Van Noort, papa!
Men hoorde bellen aan de huisdeur. Een oogenblik daarna trad 'n heer de kamer in, die door de kinderen met veel blyken van genegenheid als oom Sybrand begroet werd.
De huisheer noodigde de gansche familie in den tuin, en droeg Herman op, 'n klein boekje dat-i hem uitduidde, van z'n studeerkamer te halen:
--Maar jongen, sla nu niet verraderlyk de globe stuk. Dat arme ding kan 't niet helpen dat jelui zoo'n dommen hekel hebt aan geografie.
Herman beloofde plechtig dat-i by deze byzondere gelegenheid niet den minsten sluipmoord begaan zou. In den tuin komende, waar de anderen reeds gezeten waren, bracht-i 't 5e deeltje mee van de "_Nederlandsche Zeereizen, naar oorspronkelyke journalen uitgegeven door_ Bennet _en_ Van Wyk."
--_Lees_ nu eens wat je daar vindt aangestreept met potlood, zei Holsma. We zullen zien of moeder die abrikoos eerlyk aan je verdiend heeft?
--O papa, al...
--Nu?
--Al komt er nu soms 'n domheid van my aan den dag...
--Dat zou moeder niet kunnen helpen, meen je? Heel goed, jongen! Lees maar op.
Herman las:
"Den volgenden morgen (5 _November_ 1599) ging men weder onderzeil, om de vermaarde, doch zeer gevaarlyke straat _Magellaan_ aan te doen, waartoe zy reeds veertien maanden besteed, en meer dan honderd man van het scheepsvolk door ziekten enz. verloren hadden.
Toen zy in den mond der straat kwamen, die hier 7 mylen breedte heeft, liep de Admiraal Van Noort, met het jagt er binnen; dan tot groote verwondering van den Admiraal, werd hy door het schip van den Vice-admiraal Jakob Claesz Van Ilpendam niet gevolgd, die op hunne vorige ankerplaats _de los Virgene(?)_ weder ankerde, zonder dat men de redenen, die hem daartoe bewogen, konde doorgronden."
"Den 10n November deed de Admiraal met een schot sein voor den Vice-Admiraal, om by hem aan boord te komen, daar hy--Van Noort--geene sloep had, om naar hem toetezenden; hierop kwam de Schipper van den Vice-Admiraal met eene sloep aan boord, wien hy den toestand van zyn schip te kennen gaf, en zeide, dat hy begeerde den Vice-Admiraal in persoon te spreken, terwyl hy hem eenen brief voor hem medegaf, waarby hy verzocht om een anker en een touw, hetgene hy zeer benoodigd had.
Den volgenden dag schreef de Admiraal nogmaals aan Van Ilpendam, zyn vorig verzoek herhalende; dan kreeg tot antwoord, dat hy geen anker noch touw wilde afstaan, en meende evenveel magt te hebben als de Admiraal zelf. Zulk een grof antwoord, werd door Van Noort zeer kwalyk genomen, en dit schryven door hem bewaard."
"Den 24n November passeerde de Admiraal de eerste engte, die slechts 1/2 myl wyd is. De Vice-Admiraal bleef echter terug."
"Den 14n December kwam tot groote vreugde der overige schepelingen, het Vice-admiraalschip, dat steeds achteruit was gebleven, by de andere schepen ten anker."
Den 28n December werd aan boord van den Admiraal de breede Krygsraad belegd, waarin besloten werd den Vice-Admiraal in apprehensie te houden, doordien hy zich aan plichtverzuim en ongehoorzaamheid had schuldig gemaakt; dit vonnis ter uitvoer gebragt zynde, liet de Admiraal de artikelen van beschuldiging opmaken, waarvan kopy aan den Vice-admiraal werd gegeven, ten einde hy zich binnen den tyd van drie weken op dezelve kon verdedigen; by voorraad werd tot Vice-admiraal bevorderd ...
--De naam van den plaatsvervanger doet er niet toe, zei Holsma. Volgende bladzy!
Herman sloeg 'n blaadjen om, en ging voort:
"Den 8sten (_Januari_ 1600) ging eene sloep en jol van den Admiraal aan land, om mosselen te zoeken. Het volk dat in de jol was, kwam het eerst aan land, en werd door de inboorlingen, die zich verscholen hadden, overvallen, die er twee van afmaakten, en eenen kwetsten, doch het volk der sloep, dat gewapend was, dreef hen op de vlugt, terwyl zy de dooden evenwel met zich voerden, waardoor men veronderstelde, dat het menschenëters waren."
"Den 24n dier maand werd de Vice-Admiraal Jacob Claesz. Van Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hy by meerderheid van stemmen veroordeeld werd...
--Genoeg! riep Holsma.
En hy tikte met 'n waarloos tuinstokjen 't boek toe.
--'t Zal me benieuwen wie goed geluisterd heeft.
--Ik kan de mosselen niet by de zaak te-pas brengen, zei de moeder.
--Die mosselvangst hoort er toch by, zei de dokter. Ik streepte dit aan, om de opmerking die de matrozen by deze gelegenheid maakten aangaande de bewoners van dat land.
--Als ze maar 't ware verstand van mosselen hadden, riep Sietske. Er zyn vergiftigen onder.
--Er was 'n _R_ in de maand.
--Aan de zuidpool hebben de maanden andere namen, en de mosselen 'n ander ... klimaat, meende Herman. Wat wy _Februari_ noemen, komt daar in 't hartje van den zomer.
--Neen, zei Willem, de zomer heeft in die streken geen hart. Wel komt hy in 't hartje van Februari ... als-i komt. Maar gewoonlyk komt-i byna niet. De straat Magellaan ligt tusschen 52 en 54 breedte-graden.
--Dat is niet nader aan 'n pool dan wy hier op den Kolveniers-burgwal.
--Ja, maar ... zieje, de onderste helft van ... de kaart is veel kouder en natter, riep Sietske.
--Wat 'n barbaarsche uitdrukking!
Sietske beweerde dat Willem pedant was. Hy plaagde haar met: "ja, kind!" Ze zei, 't kwam van Livius en kegelsneden.
--Pedanterie, kind, is de byzondere deugd die 'n oudsten broeder versiert.
De dokter zei er niet duidelyk neen op, en vroeg wat-i genoteerd had?
Vaders gewoonte kennende, had het aanstaand studentje by 't begin van de lezing, 'n zakboekjen uitgehaald, en daarin nu-en-dan iets opgeschreven. Hy beweerde dat de _taal_ van 't voorgelezene zeer onzuiver was, en wilde voorbeelden daarvan aanhalen. Maar ze werden hem geschonken.
--Zeker, de taal is slecht, zei oom Sybrand. Hadden de verzamelaars maar liever den oorspronkelyken tekst van de journalen geëerbiedigd! In-plaats van de eigenaardigheden der uitdrukkingswyze van oude zeelui, geven ze 'n modelletje van de hedendaagsche rechtschryvery. En als die malle verwaandheid zich maar tot spelling bepaalde! Ze hebben ook den styl ... verbeterd, naar ze meenen. Zulke lui zouden in-staat zyn, Mozes en Aäron 'n paar horloges op zak te geven, en--om de deftigheid--onzen Lieven-heer 'n staart-pruikjen in den nek. Wat niet geschuurd, geschaafd, gevyld, gelikt, en ... bedorven is, deugt niet in het oog van die heeren. Het is de vraag of een van de zeeluî die deze journalen schreven, ooit zulk slecht hollandsch leverde als zyzelf. Hun slordigheid van uitdrukking doet ons naar de oorspronkelyke manuskripten verlangen. Maar men kan zeker zyn dat de moderne verbeteraars de geslachten der woorden trouw hebben opgezocht in de boekjes die daarover heden-ten-dage ... hoe heeten ook de taalkenners van deze week?
--Siegenbeek en Weiland, oom.
--Zulke menschen stichten veel kwaad. Ze lokken de aandacht van de hoofdzaken af, om die te vestigen op allerlei gekheid. Wie precies weet wat mannelyk of vrouwelyk is, en waar-i 'n onnoodige letter meer of min mag gebruiken, gaat voor bekwaam, geleerd en bruikbaar door, en kan alle andere bekwaamheid missen. Zoo schryven ze nu "zoo" en "oogen" met twee _o_'s, naar ik hoor. Straks verandert dit weer. Dan komen er weer nieuwe professers die hun leven gewyd hebben aan de ontdekking dat er twee _o_'s zyn in "vrolykheid" en maar één in "drogen" ...
--Hé, oom! riepen de kinderen, met 'n verbazing die het tegenwoordig geslacht verbazen zal.