De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld

Part 16

Chapter 163,904 wordsPublic domain

Onder dit voorgeven trok zich juffrouw Pieterse magnificentelyk van 't slagveld terug. Met veel gehaspel trachtte nu Pennewip de rest van z'n auditorium aan 't verstand te brengen hoe inkunstig de auteur van het treurspel de uitgetogenheid van dien degen had weten te knotten, zonder 't minste nadeel voor de ware taalkunde. Dáárin zat 'm 't fyne van de zaak, zeide hy, en al de meisjes waren 't weer volkomen met hem eens. Maar Wouter had 'n gevoel als iemand die op distelen kauwt, en dan nog verzekeren moet dat ze hem byzonder goed smaken. 't Ergste was dat-i by voortduring de oorzaak van dat verschil met de anderen, bleef zoeken in zyn verregaande stompzinnigheid.

--Ook in konjugatien is de man een eerste meester, in konjugatien of... vervoegingen! De juffrouwen kennen toch de aanvoegende wys?

De juffrouwen knikten.

--Aanvoegende, byvoegende, ook wel genaamd de byvoegelyke wys?

"Zeker, zeker, heel partikulier!" schenen alle blikken te antwoorden.

--Welnu dan, zie eens hier. Wat staat daar? "_Zoo straff' de Hemel my!_" Ook daar heeft de schryver met veel oordeel een afsnydingsteeken geplaatst, en gy ziet wel...

--Daar wordt zoo-waar gescheld, riep Trui, en Leentjen is er niet om open te doen.

Aldus retireerde zich juffrouw Sertrude.

--Uwe dan, juffrouw. _Dat ik straffe, dat gy straffet... dat hy_, of _dat de Hemel_...

--Precies, zei Stoffel. Zeg jy 't nu eens, Petrò! _Dat de Hemel_... welnu, hoe is 't verder?

--De Hemel? Wel... de hemel? Daar gaat de groentevrouw voorby... ze heeft me gister 'n zesthalf voor 'n schelling in de hand gestopt...

Weg was Petrò. Ze verzaakte den "hemel" voor vier aardsche duiten, want zooveel bedroeg 't verschil tusschen de twee muntstukken die ze noemde.

En ook Mine wist middel te vinden om haar gebrek aan taalkundig schoonheidsgevoel te bemantelen onder 'n overhaaste vlucht.

Wouter torschte nu de les alleen. En hy spande zich trouwhartig in om te begrypen wat Pennewip en Stoffel bedoelden. Dit gelukte redelyk wel wat hun taalkundery aangaat, maar z'n begrip bleef steken in 't verband daarvan met de treurspelkundige schoonheid die er uit voortvloeide, naar 't zeggen van z'n meesters.

Hy droomde dien nacht heel angstig, en werd telkens met schrik wakker. De onmogelykheid eens eindelyk ook iets te begrypen van wat allen anderen zoo duidelyk voor oogen scheen te liggen, pynigde hem vreeselyk. Hy bad God om vergiffenis voor z'n domheid, en beloofde z'n best te doen om even knap te worden als Petrò, als Trui, en zelfs als Stoffel of Pennewip. Maar, als dit mislukte, of als 't soms te veel gevergd was... dan verzocht-i God hem toch asjeblieft maar bekwaam genoeg te maken voor bleekersjongetje. Dàt zou dan toch met eenige inspanning wel gaan, meende hy. En als God z'n wensch niet al te onbescheiden vond, zou hy van zyn kant dapper meewerken om 't zoo ver te brengen... _dat ik straffe ... dat gy straffet... dat hy_... en dan 't afsnydingsteeken, precies 'n komma, maar wat hooger. God kon nu zelf zien hoe hy z'n best deed... _straffe... straff'_... komma in de lucht... 'n bleekersjongetje...

Zoo sliep hy in. Maar kort daarop kwam weer 't een-of-ander teeken z'n slaap afsnyden. Pennewip had eer van z'n taalkunde!

De schrandere lezer heeft opgemerkt hoe kunstig de kleine deugniet alle toespeling op Femke in z'n gebedjes oversloeg. God mocht eens denken dat-i om harentwil zoo bescheiden was. En ook hyzelf moest erkennen dat-i liever koning was geworden--om Femke prinses te maken!--of kondukteur van zoo'n diligence--om haar ver, vèr weg te brengen naar 'n vreemd land!--of roover... om z'n dame te omhangen met 'n snoer van diamanten, en... op haar schoot te zitten in 'n grot.

Nu ja, dat zou 't allermooist wezen, maar omdat dit nu eenmaal niet kon, door z'n verregaande domheid...

Neen, neen, hy zei van dit alles aan God niets in z'n gebedjes. De Heer zal zeker gemeesmuild hebben over de arglistige poging van den kleinen huichelaar, om hem 'n beetje te foppen in de waarde van 't gevraagde. Zoo'n aanstelling tot bleekersjongen zou zeker geen zware post geweest zyn op 't budget van 't heelal, maar als de zaak dreigde uitteloopen op den schoot van Femke...

Gelukkig dat de Heer van oudsher aan onoprechte gebeden gewend is, en wel weten zal waaraan hy zich by zulke gelegenheden te houden heeft. Hy begrypt, byv. dat het bidden om vergiffenis voor 'n vyand, niet... _krek_ is, omdat juist de zachtmoedigheid van 't slachtoffer de schuld der beulen verzwaart, en daar de slachtoffers dit weten...

't Is te hopen dat alle gebeden daarboven worden overgezet in _waarheid_, en dat er voor Wouter iets beters moge weggelegd zyn, dan de ruwaardy van 'n bleekveld.

Maar dat-i veel van Femke hield, is waar, al zeid-i er niets van in z'n gebedjes. God zal 't wel begrepen hebben, denk ik, want menschkunde is godenplicht.

Pennewip had de fameuze "komedie waarin driemaal gestorven wordt" in den huize Pieterse achtergelaten. De juffrouwen stelden zich aan of ze 't lazen, maar Wouter deed meer nog dan lezen. Met den ernstigen wil om te begrypen, bestudeerde hy 't stuk. En dit gelukte hem tendeele, maar hy slaagde volstrekt niet in de voorgeschreven opgetogenheid. Hy bleef Glorioso mooier vinden. En 't peruaansch geschiedenisjen ook. En zelfs dat arme _Roodkapje_.

Om rechtvaardig te zyn jegens den auteur van dat sterfstuk, moeten wy erkennen dat de manier waarop men hem by 't kind had ingeleid, niet zeer geschikt was om de schoonheden te doen uitkomen, die sommigen gewoon zyn de _dichterlyke_ te noemen. De meester had door z'n taalkundige opmerkingen 't genieten vry moeielyk gemaakt, en aldus in dezen kleinen kring vry nauwkeurig de rol vervuld die onze scholen spelen in de klassieke litteratuur. We zouden van de antieken meer geleerd en genoten hebben, wanneer ze ons niet waren vergald geworden door skolastiek.

Toch beweer ik niet dat het boekske waarmee men voorgaf Wouters hongerige ziel te spyzigen, heel veel verloor aan dat vooropstellen van komma's in de lucht en dergelyke merkwaardigheden. De auteur verdiende niet beter. Pennewip zou 'n lofwaardig werk hebben gedaan, indien hy met verontwaardigd sarkasme dezelfde zotternyen had voor den dag gebracht, die nu slechts uitvloeisels waren van z'n nuchtere schoolmeestery.

De lezer kan reeds weten dat het werkje waarmee onze Wouter zich moest bezig-houden, de meer of min bekende "_Floris de Vyfde_" van Bilderdyk was. [24]

Over middelpuntschuwende en aantrekkende krachten, negatieve en pozitieve polen of zoo-iets, blykbaar in 'n paar bezoeken die _Wouter_ byna niet aflegt.

Wouters kerkgang was achter den rug. De dominee had by deze gelegenheid zoo byzonder mooi gepreekt, zei Stoffel. En: "alles was zoo toepasselyk!"

--'t Is nu maar te hopen, moeder, dat het vruchten draagt.

--Zeker, Stoffel! En dat-i me niet weer z'n nieuwe broek scheurt. Er moet zoo zuur voor gewerkt worden.

Dit was wel weer eenigszins hyperbolisch gesproken, want "zuur gewerkt" werd er in den huize Pieterse niet. Dat Wouters moeder zich met haar huishouden zooveel onnoodige drukte op den hals haalde, geschiedde uit pure liefhebbery. 't Mensch meende, dit hoorde er zoo by. Ook 't klagen daarover, of liever 't roemen op die bereddering, lag in haar mond bestorven. Ze zou vreemd hebben opgezien als men haar gezegd had dat ze best kon gemist worden in de huishouding van 't Heelal.

Dat Wouter de bezoeken die hy had afteleggen, moest uitstellen tot na z'n kerkgang, was 'n gevolg der bygeloovige vrees voor de dreigementen van Juffrouw Laps. Deze had zich beroepen op II Kronieken 16, vers 12, en tegen zulke argumenten was de ontkiemende liberalistery van juffrouw Pieterse niet bestand. Wel bleef ze er by dat men nu juist niet _alles_ wat in de Schrift stond, zoo precies op iedereen kon toepassen...

--Ja, ja, ja, dat kan de Mensch wel, als 't ware geloof er maar is, en ... de Genade! Waarom anders, m'n lieve mensch, zou de Heer die verdoemelyke zwakheid van Koning Asa hebben laten te-boek stellen door den H. Geest? Alles heeft z'n beteekenis, weetje!

--Och ik ben zóó niet, of ik wil wel naar raad luisteren ...

--Dat 's 't ware! Dan ben je gered, mensch! En ... stuur 'm eens by me, na zondag. Of ... al wàs 't zondag, maar na kerktyd dan. Dan kan-i me met-een wat van de preek vertellen, schoon die dominees... och wat weet zoo'n kind daarvan!

Juffrouw Laps hield niet van dominees. Als velen zag ze die heeren voor "geleerd" aan, en ze meende dat geleerdhedens niet te-pas kwamen. "Gods Woord, zei ze, was zóó ingericht dat ieder 't begrypen kon zonder grieks of latyns ... als-i de genade maar had. Dáárop kwam alles neer." Op den broodnyd na, die haar deze meening in 't gemoed lei, ben ik dit geheel met haar eens. En juist hierom vind ik die "Genade" zoo'n leelyk ding. Om konsekwent te zyn, moeten de Lapsen zich weinig bekommeren over "goede werken" en zelfs niet erg opzien tegen de kwade. Nu, konsekwent wàs onze oefenaarster.

--Ja, ja, zondag na kerktyd! Ik reken er vast op ...

En, om de uitnoodiging dringender te maken, sprak ze van de lekkernyen die ze gewoon was haar gasten op dat uur voortezetten.

Wanneer wy aannemen--en dit mogen we--dat juffrouw Laps op 'n bezoek van Wouter byzonder gesteld was, moet men erkennen dat er diepe kinderkennis lag in het toevoegen van gebakjes aan de voorgespiegelde napreek. Als waarheidlievend geschiedschryver mag ik niet verhelen dat m'n held voor verlokkingen van deze soort geenszins ongevoelig was. En ... er was wel zoo-iets noodig om de vurige godsdienst-oefenaarster in zyn oogen beminnelyk te maken, of althans niet ten-eenen-male afschuwelyk. Hy was bang voor haar, doch 't spreekt vanzelf dat-i dit niet durfde zeggen. Ook blyft het de vraag of-i 't wist, want de tyd was nog ver, dat hy beginnen zou zich rekenschap van z'n aandoeningen te geven. Een tyd die voor velen nooit aanbreekt!

Instinktmatig voelde hy angst voor 't alleen-zyn met dat schepsel. Ze was hem de levendige voorstelling van al de akeligheden die Jehovah noodig had om van tyd tot-tyd wat respekt inteboezemen aan Israël ... donder en bliksem, pestilentie, verzwelgende afgronden, booze zweeren, vlammende zwaarden en verder goddelyk gereedschap. Indien hy den moed had gehad rond-uit te spreken, zoud-i haar verzocht hebben de beloofde versnaperingen hier-of-daar neerteleggen buiten haar woning. Hy zou die dan wel vinden, meende hy. Maar dezen moed had-i niet, en hy moest er dus wel in berusten dat z'n moeder over hem beschikte, en 't bezoek toezei.

--En waarom ben je 'r nu niet heengegaan? vroeg ze, toen Stoffels opgetogenheid over de preek wat begon te bedaren.

Wouter beriep zich op de bekende buikpyn die alle kinderen ten-dienste staat, zoodra ze zich aan onaangename plichtjes willen onttrekken. Deze ziekte zou te genezen zyn door 't aankweeken van eenige vertrouwelykheid tusschen ouders en kroost. Waarom toch durfde Wouter niet erkennen dat het bezoek van Juffrouw Laps hem tegen de borst stuitte? Hy wist immers zeer goed dat in zyn omgeving de sympathie met z'n speciale vyandin zoo byzonder groot niet was?

Velen vergissen zich in de meening dat de leugen altyd 'n uitvloeisel wezen zou van 't _belang_. Aanvankelyk is ze, even als sommige lichamelyke wanstaltigheden, slechts 'n gevolg van knelling. Een kind dat geen weerklank verneemt op de uiting zyner aandoeningen, wordt beschroomd, en vreest zich belachelyk te maken. Het gedurig vermanen, onderwyzen, berispen, werkt verlammend. De jonge ziel trekt schuw haar begeerige voelhoorntjes in en sluit weldra ook de onschuldigste gewaarwordingen in haar binnenste op. Hieruit vloeit dat hygen naar 't onbekende voort, naar 't verre--dikwyls naar 't onbereikbare--dat mensch en Menschdom kenmerkt. Want de Maatschappy werkt hierin op gelyke wyze als het gezin en 't ouderlyk toezicht. "Dat mag niet!" en: "dat is onbehoorlyk!" wordt er van alle kanten geroepen, zoodra iemand zich veroorlooft zichzelf te zyn. "Hoe dwaas!" is terstond het algemeene oordeel over alles wat afwykt van den regel waaraan men gewend is. De meesten gaan 'n wyden stap verder, en noemen 't "misdadig" wanneer de eenling zich aanmatigt z'n individualiteit te bewaren, of zelfs wanneer-i blyk geeft daarnaar te streven.

't Gevolg is: _leugen_. Want de lust om zich te verzetten tegen overmacht, is weinigen gegeven. En de kracht!

Opmerkelyk is 't dat de enkele die dit beproeft, niet het minst wordt uitgejouwd door de velen die eenmaal dezelfde aandrift voelden, doch uit lafhartigheid en gemakzucht het strydperk ontweken of verlieten. Wie 'n waarheid verkondigt die tegen den gewonen sleur inloopt, vindt z'n gevaarlykste tegenstanders niet onder de aanhangers der bestreden dwaling, maar onder hen die, in den grond van hun gemoed zyn meening toegedaan, niet verdragen kunnen dat 'n ander den moed had die meening te openbaren. Het vóórgaan wordt door achterblyvers opgenomen als verwyt. Er zyn duizenden en duizenden die evenmin als Wouter lust zouden hebben juffrouw Laps te bezoeken, maar Woutertje had buikpyn noodig om zich te vrywaren tegen verkettering over z'n tegenzin. En dit lukt niet eens altyd, want:

--Ik geloof niets van je buikpyn, zei de moeder. 't Is maar weer omdat je 'n ondeugend kind bent, die nooit wil doen wat men hem zegt.

Daar Stoffel dit ook vond, werd er krygsraad gehouden, en Wouter veroordeeld den zwaren tocht te ondernemen. De katechizatie die hem te wachten stond ... och, 't leek niets naar 'n katechizatie! Hy werd ontvangen met 'n vriendelykheid die hem verbaasde, en heelemaal in de war bracht.

--Zoo lieve jongen, ben je daar? Wat kom je laat! De kerk is lang uit. Ga zitten, ventje. Kyk eens wat ik voor je bewaard heb, expres voor jou!

Ze drukte hem op 'n stoel, en schoof hem allerlei lekkernyen toe. Wouter was verlegen. En dit werd er niet beter op, toen ze hem streelde en liefkoosde.

--En vertel nu eens wat van de preek, zeide zy toen het kind zich aan haar onverwachte vriendelykheid zoo goed mogelyk poogde te onttrekken. Wat heeft de dominee al zoo gezegd?

--De tekst was...

--Nu ja, straks als je mond leeg is. Eet maar eerst 'n paar taartjes. 'n Mensch kan niet alles te-gelyk doen. Daar is chokola, en 'n likeurtje kryg je-n-ook. Ik heb altyd gezegd dat je 'n lieve jongen bent, maar ze moeten niet zoo op je hakketeeren. Sla maar toe, m'n jongen, en doe gerust of je thuis was...

Nu, dit was eigenlyk 't ware woord niet om Wouter op z'n gemak te zetten. Thuis!

Na de eerste verrassing over de vreemde ontvangst, begon hy angstig te worden. Zonder de minste redeneering, en alleen om ... om...ja waarom? Op-eens stond-i op, en verzekerde dat z'n moeder hem bevolen had niet lang uitteblyven.

Er was weer geen woord van waar. Juffrouw Laps protesteerde, maar Wouter hield vol. In-weerwil van haar dringende vriendelykheid wist-i zich door den vyand heenteslaan.

Na beloofd te hebben dat-i zeer spoedig weer "eens zou terugkomen" raakte hy de trap af, en op-straat. Hier doorstroomde hem 'n onbeschryfelyk gevoel van verlossing. Onbeschryfelyk vooral voor hemzelf. Nooit was hy zoo ... hartelyk behandeld, nooit althans bejegend met zooveel vertoon van hartelykheid. Vanwaar dan z'n tegenzin? Hy herinnerde zich dat ze hem by z'n vertrek 'n kus had willen geven, en dat-i zich door 'n snelle wending daaraan onttrokken had. Waarom? Dit wis-i alweer niet, maar het denken hieraan verzaakte hem 'n zenuwachtige rilling zooals de schok waardoor we soms in den overgang van waken tot slapen worden gestoord.

En zoud-i nu terstond naar huis gaan? Wat zou hy opgeven als reden van z'n spoedige terugkomst.

Onwillekeurig richtte hy z'n schreden naar de aschpoort. Het was z'n voornemen niet, Femke te bezoeken, volstrekt niet, waarlyk niet! Hy had z'n gekleurde Ophelia immers niet by zich? Ligt hierin niet 'n duidelyk bewys dat-i by 't verlaten van z'n woning niet aan Femke gedacht had?

En zelfs toen-i op den buitensingel z'n molens in 't gezicht kreeg...

Ach, ze zwegen! Was er geen wind, of hielden ze zondag?

De buitensingel was vol wandelaars. Juister gezegd, en vooral amsterdamscher: er was veel volk op de been, dat daar "kuierde." _Gewandeld_ wordt er door de zondagsmenschen eigenlyk niet. Woord en zaak zyn te voornaam voor de burgerlui die daar heen-en-weer slenteren, en zich verbeelden dat ze "buiten" zyn, omdat ze stoffig zand in-plaats van straatsteenen onder de voeten hebben. Het zondagsgenoegen van de meesten is heel melankoliek! Of schynt dit maar zoo? Genieten de wandelaars meer of iets anders dan op hun gelaat te lezen staat? We willen dit hopen.

Wouter volgde een der stroomingen, en wel juist die waardoor hy Femke's huisje nader gedreven werd. Toen hy voor de lage omheining stond, die 't erfjen afschutte aan den wegkant, durfde hy niet binnengaan, en daar hy dit niet aan zichzelf bekennen wilde, schoof hy de schuld van z'n beschroomdheid op Ophelia die thuis gebleven was.

--O, als ik m'n prent maar hier had! zuchtte hy. Dan zou ik zeker ...

Dit is de vraag! Ik geloof dat Wouter, met prent en al, even schuw zou geweest zyn. Hy wist niet wat-i zeggen zou, en zelfs niet of hy iets te zeggen had. Wat zoud-i antwoorden als Femke's moeder hem vroeg: "maar mannetje, wat kom je hier eigenlyk doen?

Wy, schryver en lezer, _wy_ zouden misschien kunnen antwoorden. En 't is de vraag of onze wysheid wyzer wezen zou dan de domheid van 't kind dat daar weifelend stond te leunen op 't lage hekje. Hy staarde met open mond het huisjen aan. Z'n knieën knikten, 't hart bonsde, tong en verhemelte waren droog. Waarom toch?

Een klein zuiltje rook dat uit den schoorsteen opsteeg, maakte hem wakker. Als er eens brand kwam in Femke's huisje! Dàn immers moest-i wel binnen gaan! Dàn zou 't hem vrystaan haar te redden haar in z'n armen te nemen, haar wegtedragen, ver weg, heel ver ... tot aan 't einde der wereld, of buiten de stad tenminste! Hier-of-daar waar men gekleed gaat in rood fluweel en groene zyde, ergens waar de heeren groote zwaarden dragen, de dames lange sleepen! Wat zoo'n sleep Femke goed zou staan! En ze zou te-paard zitten, en hy zou haar volgen ... neen, naast haar ryden met 'n valk op z'n vuist!

--Als er maar brand kwam!

Maar er kwam geen brand! Dit zag Wouter ook wel. Die rook ... och, 't was zoo'n gewoon huishoudelyk rookje! Hy staarde op andere huisjes in de buurt, waar ook iets scheen gekookt te worden, en overal veroorloofden zich de schoorsteenen getuigenis afteleggen van 'n bezigheid, die niet van Femke's bezigheid scheen te verschillen. Hoe was 't mogelyk!

Eén onderscheid bleef er toch, al wisten die domme wolkjes zelf het niet: zy hadden Femke gezien! Ze waren gezien door Femke! Zoo-even nog huisden ze in de turven die door háár hand waren geschikt op de vuurplaat! Warlend hadden ze dat verblyf verlaten, bly misschien dat ze werden opgezonden om straks Wouter van haar te groeten... ach waarom steeg ze niet mee op, zyzelf! 't Zou juist hebben gepast by z'n aandoeningen. En al hadden alle wandelaars geroepen: "zie daar geschiedt 'n wonder. Een meisje stygt uit den schoorsteen ten-hemel!" ... Wouter zou gezworen hebben dat het geen wonder was, maar Femke die omhoog zweefde, gedragen door de opgetogenheid van z'n hart.

Hèm kwam 't eer als wonder voor, dat ze niet scheen te weten dat hy dáár stond, zoo vurig verlangende haar te zien, zoo getergd half-voldaan door 't aanschouwen van iets dat misschien door haar gezien was, en toch, toch te schuw om 't erf optegaan, den klink van de deur te lichten, en binnentredend te roepen: "Femke, hier ben ik ... waarlyk, ik kon niet eer, maar nu, zoodra ik kòn: hier ben ik!"

Want hy had 'n gevoel alsof hy zich over z'n lang wegblyven verontschuldigen moest. Juist andersom dan by veel andere verhoudingen waarin men zich van gemaakte afspraken tracht te ontslaan, voelde hy zich als 't ware gebonden door afspraken die niet gemaakt waren.

Daar naderde 'n troep wandelaars die te lang schenen gerust te hebben in een der etablissementen langs den weg, waar men "ververschingen" bekomen kon. Al te ververscht, plukten zy in 't voorbygaan Wouter van z'n hekje, en namen hem in de vlucht van hun sukkeldrafje mee.

Nu dit was zoo kwaad niet. Waarom toch zoud-i daar langer staan kyken naar dat huisjen en dien rook? 't Zou wel zonderling wezen als nu juist op dit oogenblik de zoo vurig gewenschte brand kwam. En ... zonder brand? Bovendien, daar-i Ophelia niet by zich had...

Maar... morgen! Morgen zoud-i zeker z'n prent meenemen. En hy beloofde zichzelf dat-i dan niet zoo kinderachtig zou blyven staan voor dat hekje!

Hy voelde schaamte tegenover de bonte heerschappen met pluimen, zwaarden en harnassen, op z'n prenten. Zeker hadden zy moed, al die koningen, ridders en pages ... waarom anders zou men ze hebben uitgeteekend, en zoo prachtig opgetooid? Als 't niet beterde, zou men nooit hèm op 'n prent zetten, zoo'n laffen durfniet!

Maar hy zou zich beteren, ongetwyfeld, waarlyk, zeker, heusch! Hoe verder hy zich verwyderde, hoe mannelyker hy zich voornam den volgenden dag onvervaard het huisjen intestappen, en flink tot Femke's moeder te zeggen: goeden dag, juffrouw, hoe vaart u!

Het viel hem moeielyker te bepalen wat-i aan Femke zelf zeggen zou. Telkens maakte hy lange redevoeringen gereed, die sterk naar boeken en boekjes riekten, en dus niet veel deugden. Nu-en-dan zelfs betrapte hy zich op 'n regel uit Bilderdyks "_Floris_" en voorziende dat het meisje hem niet begrypen zou, wapende hy zich in de voorbaat met de verzekering dat dit de woorden waren van onzen grootsten dichter.

Of ze dáárvoor gevoelig wezen zou?

En by dezelfde gelegenheid zoud-i dan tevens haar vragen wat 'n "wulp" was, en 'n "echtkoets" en "kuisheid" en zoo voort. Al wat-i niet wist en toch zoo gaarne weten wilde, zoud-i aan haar vragen, en al verwachtte hy dan niet dat het ongeleerde meisje hem op den weg helpen kon, het was hem reeds 'n heerlyk vooruitzicht al die mysteriën met haar te zullen bespreken.

Aldus begon zich in den knaap het in-eenvloeien te openbaren der verschillende soorten van ontwikkeling, waarop ik vroeger gewezen heb. Ik beweer nog altyd niet dat we hier met eigenlyke liefde te doen hebben, maar zeker is het dat Wouters neiging voor Femke, welken rang die dan ook mocht innemen op zielkundig, en--waarom zouden we 't ontkennen?--ook op stoffelyk gebied, zich vereenzelvigde met lust tot onderzoek. Och, hy wist wel dat er van haar niets te leeren viel, vooral niet omtrent zaken die te-huis behooren in 'n boek. Maar er waren er ook van andere soort, en Femke kwam hem zoo heel groot voor, of liever: "groot." Ze was volwassen, en dit brengt in de oogen van 'n kind 'n hooge waardigheid mee.

Doch al zou er blyken dat ze in geen enkel opzicht instaat was z'n nieuwsgierigheid te bevredigen, dan nog voelde hy zich sterk tot haar getrokken door de begeerte háár iets meetedeelen van _zyn_ kennis. En waar deze te kort schoot, zoud-i met onbeperkte gulheid Femke deelgenoot maken van z'n onkunde. Ook dan toch gàf hy haar wat, en ze zouden iets in gemeenschap bezitten. Het kwam hem verrukkelyk voor, te-zamen met haar iets niet te weten, waaruit natuurlyk 'n vereenigd streven naar kennis moest voortvloeien.

Hy was brandend nieuwsgierig naar alles wat ze hem zou te zeggen hebben, daar-i 't waarschynlyk vond dat ook zy levenslang al haar aandoeningen had opgespaard voor haar eerste vrindje. Met schrik bedacht-i nu dat hy van die vriendschap niet zeker was! Ze had in z'n ziekte naar hem gevraagd ... nu ja, maar misschien was ze juist toevallig voorby z'n huis gekomen, en dan was 't zoo heel moeielyk niet, even aanteschellen, en te vragen: hoe vaart Wouter?