De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld

Part 15

Chapter 153,854 wordsPublic domain

Behalve door z'n zeer onbestemde begeerte om iets meer van al die poppen te weten, voelde hy de eigenaardige ontevredenheid die hem kwelde, 't smartelykst als er diligences of reiskoetsen voorby z'n venster reden. Dat _vice-versa_ en _sauvegarde_--zóó stond er op de postwagens in zyn tyd--kwamen hem voor als tooverspreuken die hy wel niet begreep, doch waarachter gewis iets zeer belangryks schuilen moest. En die reizigers! Hoe voornaam, zoo van-verre te komen, van héél ver, misschien wel van Rotterdam! En zou ieder nu precies weten waar-i wezen moest, en wat-i daar te doen had, zonder broer Stoffel? Zoo'n koetsier, en de man die naast hem zat met 'n trompet... och, die menschen waren toch ook eenmaal kinderen geweest! Hoe hadden ze 't toch aangelegd om 't zoo ver te brengen? En hoe of ze 't wel maakten met de roovers? Of zouden die alleen in Italië zyn? Dat zou toch jammer wezen!

Hy was nu geheel hersteld, en wachtte slechts op de nieuwe broek en de verdere nieuwigheden die z'n moeder voor hem liet vervaardigen uit de afgelegde kleedingstukken van z'n broer, om 't voorgenomen bezoek by den dokter te maken. Te-gelyk met nieuwe plunje kwam juffrouw Laps. Ze was zeer verontwaardigd, dat men op 't punt stond: "den medicynmeester meer eer te geven dan den Heere." Wouter moest eerst z'n kerkgang doen, zei ze. Dat stond in de Schrift! En als-i 't niet deed, zou de Heer z'n koninkryk vàn hem nemen. Juffrouw Pieterse kon er vast op rekenen.

--Gut, mensch, ik heb er niet tegen dat-i naar de kerk gaat ook, zei de moeder, maar... we zyn ver van zondag, en omdat nu de blauw-lakensche broek van Laurens zoo netjes "ingenomen" is...

--Dat zyn juist de wereldsche dingen die 'n mensch van 't ware pad leiden, betuigde juffrouw Laps.

--Maar zou dan nu 't kind vyf dagen thuis moeten blyven, alleen omdat-i nog niet in de kerk geweest is?

--Wat beteekenen die vyf dagen, juffrouw Pieterse! De Heer is wel veertig dagen in de woestyn gebleven, en veertig nachten... denk eens! En al dien tyd zonder eten... dat's wat anders! Geloof me, juffrouw Pieterse! je moet je niet van je weg laten brengen door Laurens z'n broek. Maar 't is netjes gedaan, dat moet ik zeggen. Wat vraagt de man er voor?

Gedurende 't nu volgend gesprek over de handigheid van den kleermaker, zat Wouter te peinzen over die woestyn. Hy had er wel zin in. Het kwam hem zeer byzonder voor, en daarom belangwekkend. Eensklaps vroeg hy aan juffrouw Laps, hoelang _zy_ in de woestyn geweest was?

--Heb je van je leven... zoo'n kwajongen! Waar haalt-i de ondeugendigheid vandaan? Neen, mannetje, ik ben nooit in de woestyn geweest, en dat hoeft ook niet, omdat ik m'n godsdienst thuis doe, weetje, en... om de andere tyden, zieje. De Heer leefde in 't Heilige Land, en... 't is lang geleden. Jy met je malle vragen zoudt 'n mensch verlegen maken. Ik blyf er by, juffrouw Pieterse, dat je verdriet van den jongen hebben zult. 't Is je eigen schuld. Je had 'm al lang z'n wyzigheid moeten verleeren.

--Maar 't kind heeft niets miszeid, jufvrouw!

--Zoo? Vindt uwe dat? Nu, _ik_ vind dan op myn beurt...

We schenken haar met koninklyke mildheid de uitlegging van 'r verstoordheid. De zaak was, als in veel gevallen van deze soort, dat grof bedrog zich niet op z'n gemak voelt tegenover naïveteit. Juffrouw Laps was minder bevreesd voor Stoffels rhetoriek dan voor Wouters eenvoud.

En zie, daar kwam ook die andere vyand aanrukken, en nog wel met het beraamd plan haar eens duchtig onderhanden te nemen. Stoffel zou de komedie-veldtocht openen! De slimmert had zich van 'n bondgenoot voorzien: hy trad de kamer binnen met... meester Pennewip!

Na de gewone begroetingen werd het gesprek al zeer spoedig op 't onderwerp gebracht, dat dienen moest om juffrouw Laps ten-onder te brengen. Ze liet zich niet onbetuigd, en lokte zelfs den aanval uit, door flinkweg al wat naar 'n schouwburg geleek, tot zaken van de hel te verklaren.

--Uwe verkeert in de soort van dwaling die ik rangschik onder de zeer algemeene, zei meester Pennewip, en wel van de allerbekrompenste klasse. Myn jonge vriend hier--hy wees op Stoffel--heeft my uw vooroordeel op dit punt kenbaar gemaakt, of... te kennen gegeven. En het is juist hierom dat ik...

--Dat moet je nu niet zóó opnemen, riep de moeder, alsof de meester expres daarom hier gekomen was. 't Is maar, zieje dat Stoffel by-toeval...

--Neen, juffrouw Pieterse, ik kom voorbedachtelyk hier, om over de zaak te spreken.

Als om deze betuiging kracht bytezetten, haalde hy z'n neusknyper voor-den-dag, en begon 'n verhandeling over allerlei soorten van vermaak. Hy verdeelde de genoegens in geoorloofde en verbodene. De "zinnelykheid" kreeg er duchtig van langs, en Wouter had zoo gaarne de beteekenis van dit woord willen vragen, maar de ruwe wys waarop hy zooeven berispt was, had hem schuw gemaakt. Hy zou 't onderzoek naar die afschuwelyke zonde dan in 's hemelsnaam maar uitstellen tot-i groot was.

--Maar, meester uwe zal toch niet ontkennen dat zoo'n komedie 'n wereldsche zaak is, riep juffrouw Laps.

Dit woord "wereldsch" heeft 'n booze klank, en Pennewip moest al z'n onderscheidingsvermogen te-hulp roepen, om niet z'n thema prys te geven aan zoo'n aanval.

--Zekerlyk... zekerlyk! De zaak is wereldsch, maar... ook wereldsche zaken laten zich onderscheiden in behoorlyke en onbehoorlyke, in dezulke die Gode welbehagelyk zyn, en andere zaken, die... die...

--Dàt's niet waar, meester! Wat wereldsch is, is verdoemd... dat zeg ik maar! 't Staat in de Schrift!

Het doet me leed voor Pennewip, maar ik moet erkennen dat-i by deze gelegenheid niet zeer dapper op den vyand insloeg. En ook Stoffel durfde den ingeprenten afschuw van dat vreeselyk woord niet aan.

Het ontzag voor 'n klank speelt in de geschiedenis der dwalingen, een zeer groote rol, ja de hoofdrol. Zoodra het aan de verspreiders van 'n wanbegrip gelukt is, hun theses te stempelen met 'n eigenaardige benaming, zal die naam langer leven dan 't oorspronkelyk geloof aan de redeneering waaruit ze voortsproot. De afgezaagde tegenstelling van zoogenaamd-verheven begrippen met woorden als: _wereld_, _zinnelykheid_, _vleeschelyke begeerten_, enz. heeft die uitdrukkingen tot spoken gemaakt, waardoor nog altyd menigeen zich laat verschrikken, al zoud-i dan ook overigens ontwikkeld genoeg zyn tot nagenoeg zuivere redeneering. De oorzaak hiervan is, dat men na lang gebruik van die klanken zich 't denken heeft afgewend. Dit is ook van toepassing op heel andere kringen dan die waarin Woutertje op dit oogenblik met open mond zat te luisteren.

Pennewip stamelde, en nam 't eene snuifje voor, 't andere na. De goeie man bedacht niet dat hyzelf zoo druk bezig was met offeren op 't altaar der vervloekte zinnelykheid. En ook z'n vyand dacht er niet aan. Gelukkig! Want de minste aanmerking zou Pennewip op den weg geholpen hebben om de zinnelykhedens te gaan verdeelen in klassen, en haar te wyzen op de vreeselyke zonde die ze beging door 't slorpen van haar sterk gesuikerde thee.

Wat overigens dat "wereldsche" van den Schouwburg aanging, de man scheen er niet aan te denken dat ook z'n school toch wèl beschouwd 'n wereldsche zaak was. En z'n pruik! En z'n dyvest! En z'n neusknypertje. En... de heele juffrouw Laps zelf immers ook? Wat ànders?

Ach, hy kwam zoo ver niet! De argumenten uit de wapenkamer der geloovery hadden z'n kracht gebroken. Z'n tegenvoetster begreep dat ze aan de winnende hand was, en om hem te vervolgen tot in z'n uiterste schuilhoeken:

--Neen, riep ze, van de komedie moet uwe niet spreken, meester! Al zulke dingen zyn verlokkingen des duivels... dat zeg ik! Daar heb je nu by my in de straat, de juffrouw boven den spekslager... die heeft ook op 'n komedie gespeeld--althans zoo zeggen de menschen--en ze is getrouwd, laat zien... verleden Maart... zes maanden... reken maar na meester--uwe ziet dat ik de waarheid zeg!--zes maanden, zeg ik, en wat gebeurt er? Ze ligt in de kraam, meester, zoo zondig als ik hier voor je zit... dat komt van dat vervloekte komedie-spelen!

O, o, o, onze Wouter! Wat al ooren had-i open, om zooveel belangryks optevangen! Zooveel kittelende geheimenissen! Wel wist-i niet of de ware knoop van de zaak in de spekslagery zat, of in de maand Maart, of in de komedie, of in dit alles te-gelyk, of in een-en-ander uit dit alles, maar... prikkelend wàs het! Er was 'n kindje geboren omdat de moeder komedie-gespeeld had! Ziedaar dan eindelyk één der vraagpunten beantwoord, die hy zich sedert 'n jaar zoo gedurig voorlegde. Helder was de zaak nog niet, vooral daar-i de zoo gretig afgeluisterde inlichting in nauw verband bracht met Leentjes relaas over den "_Onechte Zoon_." Ook daaruit was hem zekere verwantschap gebleken tusschen de geboorte van 'n kind en komediespel, en omdat nu deze beide onderwerpen gelykelyk schenen te deelen in den afschuw dien juffrouw Laps ten-toon spreidde voor wereldsche zaken, lag het in de rede dat hy ze vry onbepaald vereenzelvigde. Hoe dan ooit z'n moeder er toe gekomen was zich aan zoo-iets overtegeven, begreep-i niet. Maar... ook dat probleem werd bewaard voor de toekomst. Intusschen was hy zeer benieuwd naar 't stuk dat hèm had voortgebracht. Een treurspel? Of 'n komedie met zang en muziek... 'n _opera_, zooals Stoffel dat genoemd had. Die muziek-geboorte kwam Wouter zoo heel verwerpelyk niet voor. Hy voelde inderdaad iets in zich dat naar 'n synfonie geleek. Maar 't benauwde hem, omdat-i te ongeoefend was om 't stuk te spelen.

Juffrouw Laps ging voort:

--Ik vraag uwe, meester, wat kan er om Krrrristis-wil terecht komen van zoo'n kind? In zonde ontvangen en geboren, hè?

Wouter werd angstig. De meester trok verlegen aan z'n pruik, en mompelde iets van "christelyke liefde en Gods byzondere goedheid." Maar juffrouw Laps was slecht te spreken op dat stuk. Liefde... goedheid... nu ja, voor de uitverkorenen. Maar men mocht niet nederzitten met de goddeloozen. En dat had de juffrouw boven den spekslager gedaan! En daarom zei zy maar dat zoo'n komedie...

--Maar, mensch, de meester is toch ook geen man van gister of eergister, viel juffrouw Pieterse in.

--Dàt's mogelyk, maar ik hou me-n-aan de Schrift. En daarin staat van geen komedie. [21]

Wat Pennewip aangaat, hy durfde haar begrippen omtrent gewone komedies niet aan, toen zy de zaak op 'n zoo verheven terrein bracht. Toch was de man niet byzonder dom. Maar: geloof, schoolmeestery en verzen... welke hersens zyn bestand tegen zoo'n cerberus van biologie?

_Lapsen-triumf. Galgebrokken. Weldadighedens_ in extremis. _De roem van_ Floris V _gestaafd door de verhevenheid van'n komma. Letterkundige oefeningen onder de leiding van meester_ Pennewip.

--Maar hebje dan wel ooit 'n komedie gezien? vroeg Pennewip, schoon hy 't antwoord wel raden kon.

Het mensch betuigde haar zondagsche verontwaardiging over 't veronderstellen van zoo'n mogelykheid, en riep daarby duchtig haren Heer aan.

--Of gelezen?

--Né, meester! Wat _ik_ lees, lees ik in de Schrift ... dat lees ik!

--Voorzeker behoort de H. Schrift tot de klasse der alleruitstekendste boeken ... jazelfs, men kan zeggen, Gods Woord _is_ het alleruitstekendste boek. Dit zal niemand betwisten, juffrouw. Doch het is den mensch geoorloofd, of ... vergund ...

De meester haalde hier 'n boekjen uit den zak, dat-i voor de gelegenheid had meegebracht, en betoogde dat men niet juist terstond ieder als verdoemd behoefde te beschouwen, die ... nu-en-dan ... met mate ... onder opzien tot hooger ...

--Wel zeker, riep Stoffel, by my op school ook! De jongens lezen in 'n _Chrestomathie_ van 't _Nut_ ...

--In wát voor 'n ding? snauwde juffrouw Laps.

--In 'n _chres ... to ... ma... thie_, juffrouw. _C,h,r,e,s ... kres!_

--Of, volgens sommigen: _gggres_, kommenteerde de meester. _Krisius_ of... _Gggristus_ ...

--Dat zyn allemaal heidensche nieuwigheden! Ik zeg maar: Kristisss ... want zóó heet de Heer, en niet anders! Jelui zult me toch m'n geloof niet willen afnemen?

--Maar juffrouw ...

--Ik wil er niets van weten! Dat komt van al die wereldsche geleerdhedens! Wat zegt Paulis ... of neen, wat zeiën ze tegen Paulis? Ze zeiën dat-i gek was van geleerdheid. En zóó is het! Want ik zeg: Kristisss is Kristisss, en daar ga ik niet af, al ging jelui op je hoofd staan met je beîen. En voor Wouter is 't ook niet goed, juffrouw Pieterse, dat-i zulke praatjes aanhoort, 't Kind is pas ziek geweest, en als de Heer hem niet gespaard had, zoud-i nu al voor 't Gericht staan ... zoodat ik maar zeggen wil, dat ik vasthoud aan m'n geloof. Maar als-i uitgaat, moet-i 'ns by me komen, dan zal ik hem eens onder-handen nemen, want met z'n kathechizatie zit het er dun op. Dat heb ik al lang gemerkt. En nu, dankje voor je koppie thee, juffrouw Pieterse ... né, meester, geen woord meer ... 't is zonde! Verlokken laat ik me niet ... ik blyf by den Heer ... nou, stuur 'm eens by me--Wouter meen ik--als-i uitgaat.

Onder dit gerammel was 't schepsel opgestaan, en ze vertrok, met overwinnaarsblikken 't slagveld overziende, waarop ze zooveel roem meende behaald te hebben.

Juffrouw Pieterse was niet tevreden met den uitslag van den veldtocht. Ze had van haar beide maarschalken meer verwacht. Pennewip en Stoffel beweerden dat juffrouw Laps te dom was voor 'n behoorlyk debat. Wie zal dit ontkennen? Maar 't was de eenige reden niet. Ze vond in haar steil _entiérisme_ zekere kracht, die haar tegenstanders niet konden putten uit het al te flauw bewustzyn dat er iets kon bestaan, wat naar gezond verstand geleek. Ze zou dan ook met behulp van haar frazeologie de overwinning behaald hebben op veel ontwikkelder vyanden nog, dan ze zoo-even uit het veld sloeg. De eerste pogingen tot overgang van volstrekt geloof tot onafhankelyk nadenken, werken verlammend, en het is niet te verwonderen dat zoo weinigen de kracht bezitten, zulke pogingen doortezetten tot het uiterste toe. Zeker is het, dat deze kracht niet kon gezocht worden by den ouwerwetschen Pennewip en den bekrompen Stoffel. [22]

En wat heeft uwe daar dan voor'n boekje? vroeg juffrouw Pieterse.

--Het is een voortbrengsel, of anders gezegd: een werk van een onzer eerste vaderlandsche dichters, sprak Pennewip met plechtigheid, jazelfs... ik zou durven zeggen van den eersten of... den voornaamsten, ook wel de Vorst der nederlandsche dichteren genoemd. Hy is 'n man, juffrouw, die in godzaligheid voor niemand behoeft uit den weg te gaan. In den vollen zin des woords zou ik hem durven rangschikken onder de Belyders. Dit boek, juffrouw, bevat eene komedie, en wel van de soort die wy gewoon zyn treurspelen te noemen... omdat er iemand in sterft.

--Zieje, moeder, precies wat ik uwe altyd gezegd heb, reklaamde onze Stoffel.

--Ja, juffrouw, daar wordt in gestorven. Ziehier op 't laatste blaadje zekere Machteld... _"dank, Hemel, ik bezwyk_" zegt ze, en ze stort neder op 't lyk van Floris... ah ja, die Floris zelf is ook dood. 't Is inderdaad een treurspel.

Zie slechts hier. Hy overleed vier regels vroeger aan de gevolgen van een groot verraad... en... en...

Meester bladerde.

... op deze bladzyde, of pagina, sterft er ook een. "_Graaf, vaarwel! Gedenk my met gebeden! (hy sterft.)_" staat er. Uwe ziet dus wel dat het een treurspel is.

--Net wat ik zei, moeder!

--Ja, 'n treurspel! En wel van 'n dichter, juffrouw, 'n dichter... hoor eens:

Woerden (_de hand aan den degen slaande_). Zoo straff' de Hemel my...! Velzen (_hem weerhoudende en op Floris toeschietende_). Laat my hem 't hart doorstoten! De Edelknaap (_tusschen beiden schietende met uitgetogen' degen, en Velzen een' stoot op het harnas toebrengende_). Sta, Moorder, neem de proef...! Velzen (_dezen den opgeheven' dolk in de borst dryvende, die er in zitten blyft_). Lig daar, vermeetle wulp!

--Wat zegt uwe dáár van? vroeg de meester.

Alles was 'n oogenblik stom van verbazing.

--Ja, zei eindelyk Stoffel, en alles zoo krek met staande en liggende regels. "Wulp" stáát weer, zieje Wouter?

't Kind had den moed niet, te vragen wat 'n _wulp_ was? Gelukkig.

In 't voorbygaan hoop ik dat de lezer aandachtig genoeg is om me 't kwalyk te nemen dat ik aan Stoffel 't woord: _krek_ in den mond leg, omdat het alleen by boeren, en dan nog slechts in sommige streken van ons landje gebruikelyk is. Welnu, dit is niet altyd zoo geweest. In den tyd van m'n verhaal was de uitdrukking: "_Correct_" wel reeds gedaald tot de sfeer der Pietersens, maar nog niet voorgoed naar 't land verhuisd.

Pennewip keurde Stoffels opmerking volkomen goed, en zei dat men zóó de voortbrengselen der letterkunde moest genieten...

--Let daar dan goed op, Wouter, vermaande de moeder.

--En méér nog, juffrouw, ging de meester voort. Om de ware grootheid van zoo'n dichter goed te beseffen, moet men vooral bedreven zyn in... de taal. De kunde van zoo'n man is verbazend. Al wat ik aan myne voedsterlingen, leeraar, of... onderwys, of... inprent--want leerären is zooveel als onderwyzen, juffrouw. Ik zoude ook vryheid gehad hebben te zeggen, alle zaken waaromtrent ik mynen leerlingen onderricht mededeel--nu, juffrouw, dat alles is hem tot in de fynste byzonderheden bekend. De man kon gerust eene school opzetten... niet dat ik hem dit aanraad--de verdiensten zyn gering, juffrouw!--doch ik bedoel slechts dat dezelve de daartoe noodige bekwaamheid wel bezitten zoude. Zoolang ons Vaderland zulke personen in deszelfs boezem draagt...

Het heele gezelschap was één poging tot verbaasdheid. Stoffel knikte tevreden, alsof er nu eens eindelyk wat verkondigd werd, dat de moeite van 't aanhooren waard was. Al de anderen, op Wouter na, steunden op elkaar. Zoo gaat het meer. We hebben hier 'n vry juist model van _'t profanum vulgus_ voor ons.

Toch verstoutten zich de gelaatstrekken van Pennewips publiekjen, iets vragends uittedrukken. Een beetje opheldering scheen niet ongewenscht. Het was alsof men stilzwygend beloofde dat de bewondering er niet onder lyden kon. Men scheen niet te vragen: waarom moeten we dat zoo mooi vinden? De bedoeling was: mooi-vinden zùllen we... help ons maar aan 'n reden!

Nu, die reden zou Pennewip leveren:

--Zie eens hier, juffrouw! Ik weet wel, of liever, ik kan gissen of... veronderstellen--volgens sommigen: vóóronderstellen, omdat het 'n onderstelling is die de zekerheid als 't ware voorafgaat--ik kan dan als nagenoeg uitgemaakt aannemen, dat uwe zich in den regel, of... gewoonlyk, of... wat men zou kunnen noemen: dagelyks en... uitsluitend, niet bemoeit met deklinatien...

--Gut né, meester!

...ook wel genoemd: verbuigingen. Maar uwe zult toch wel begrypen, of inzien, dat alles om 't zoo eens uittedrukken deszelfs eischen heeft, niet waar?

Juffrouw Pieterse betuigde met 'n hoofdknikje dat zy de gegrondheid van deze meening volkomen inzag of... begreep. Pennewip scheen dit zeer verstandig te vinden, en ging voort:

--Ziet uwe daar die komma wel, of... juister gezegd die... _apostrofe_?

--Jawel, jawel, meester, riep juffrouw Pieterse, o zeker, zeker, ik zie 'm heel goed. Kyk jy ook eens, Trui!

--En dáár staat er nog een, ging Pennewip voort. Laat de andere juffrouw ook eens zien.

't Boek ging rond. Juffrouw Pieterse was bly dat de inspanning tot begrip, die weldra van haar zou geëischt worden, 'n beetje verdeeld werd over 't heele gezelschap. Om de verantwoordelykheid nog wat verder afteleiden, betrok ze ook Wouter in de zaak.

--Laat het kind toch ook 'ns zien! Hy is er net in de jaren voor. Kyk nu goed, Wouter! Een jongen als jy moet altyd probeeren wat te leeren. Zieje 'm nu wel, die... die... hoe heet het ook, meester?

--Wat de gedaante aangaat, juffrouw, zoude men het eene komma kunnen noemen, doch ten-gevolge der eenigszins verheven plaats waarop de zeer kundige schryver dat teeken zette, ontvangt hetzelve de kracht...

Wouter tuurde in 't boek, en was verdrietig over z'n domheid. 't Mocht hem niet gelukken iets schoons te zien.

... de kracht of de beteekenis of de strekking...

Wouter wreef z'n oogen uit, en kon maar niet aan 't genieten raken. Hy was te eenvoudig-oprecht om verbazing te toonen die hy niet voelde.

--Het onleent aan z'n verheven plaats de strekking, ging meester voort, om de hoofdeigenschap diens uitgetogenen degens te verklaren. Die degen is vierde naamval, juffrouw! En dit is almede de eigenschap des opgehevenen dolks.

--Precies! riep Stoffel.

--Vierde naamval! De kundige dichter...

--Kyk dan toch in 't boek, Wouter, en luister goed, riep de moeder. Zieje 't nu?

--'t Is 'n afsnydingsteeken, riep Pennewip. En waarom? Wat doet de Edelknaap? Hy schiet tusschen-beiden.

--Zie je 't nu eindelyk, Wouter?

't Kind staarde op het boek, en werd bleek van verdriet, en begon te beven. Och, het was dan wáár, wat men altyd zeide, dat er van hem nooit iets zou te-recht komen! Hy voelde zich wanhopig.

--De Edelknaap schiet tusschen-beiden... waarmee? Waarmee, juffrouw?

Juist! Waarmee... waarmee... komaan, Wouter, zeg jy nu eens, waarmee die... hoe heet-i ook?

--De Edelknaap. De vraag is, gelyk ik u reeds zeide, waarmee schiet hy tusschen-beiden? Waarmee? waarmee?

Alles zweeg.

--Ik zoude myne vraag dan aldus kunnen inkleeden: waardoor wordt "uitgetogen degen" taalkundiglyk gesproken... geregeerd? Welnu? Door... mê... mê... mê...

Al blatend monsterde hier onze Pennewip z'n auditorium op eigenaardige wys. [23]

--Mê... mê... wel nu, juffrouw, weet uwe 't nog niet?

--Is 't iets van... 'n schaap, meester?

--Geenszins, juffrouw. Het woordje _met_ behoort tot de klasse der voorzetsels...

--Precies, betuigde Stoffel.

...en regeert alzoo--let wel op!--den vierden naamval. Die komma of die apostrofe is, gelyk ik u reeds zeide, of... deed opmerken, een afsnydingsteeken. Wat dèn opgehevenèn dolk aangaat... besef wel, juffrouw, dat ik op dezen oogenblik my niet bezig houde met het vervaardigen van... poëzie, en dus geene aanleiding vinde iets aftesnyden. Ge begrypt dit immers wel?

--Ja, ja, meester, o ja! Zie je 't nu eindelyk, Wouter?

Met tranen in de oogen bleef 't kind verklaren dat-i niets van de zaak gewaar werd. Het gebluf van de anderen op snel begrip, had hem in den waan gebracht dat er in dat boekjen iets van die uitgetogen of opgeheven moordtuigen te zien was, iets tragisch, iets heldhaftigs, of iets van dien edelknaap althans. En nu de meester bovendien van afsnyden begon te spreken:

--Ik zal nooit iets leeren, jammerde hy.

--Dan moet je maar beter luisteren, als de meester of Stoffel je wat uitlegt, zei de moeder. Ja, meester, hy is altyd zoo achterlyk geweest. _Senie_ in leeren heeft-i volstrekt niet, en ik kan 't er maar niet in krygen.

Dit kon den meester nu minder schelen, als hy maar mocht voortgaan met onderwyzen. Z'n bewondering over die fameuze afsnydings-teekens was nog niet uitgeput.

--Het zal u voorzeker bekend zyn, juffrouw, dat de woorden verdeeld worden in mannelyke, vrouwelyke en onzydige?

--Ja, meester, dat heeft Stoffel ook gezegd.

--Juist! "Degen" is mannelyk, en "dolk" ook, dit begrypt u?

--Wel zeker, dat 's heel duidelyk.

En al de meisjes riepen: zeker, zeker!

De meester had met welgevallen die gulle betuigingen aangehoord, en z'n stoel gepolyst door wenden en keeren om ieder op z'n beurt gelukkig te maken met 'n blik van goedkeuring. Z'n tevredenheid scheen eindelyk domicilie te kiezen by de vrouw des huizes. Met schouder, oog, duim en wysvinger trachtte hy haar in de ziel te grypen:

--Mannelyk alzoo! Deklineer uwe nu eens "uitgetogen degen" juffrouw, of--indien u dit misschien gemakkelyker mocht voorkomen--beproef eens het te verbuigen.

--Ja, ja, juist! Dat moet jeluî nu maar 'ns doen met je allen, riep ze. En jy Wouter, doe ook mee, dan leer je wat, niet waar, meester? En ik moet abseluut na de keuken, anders laat ze weer de gort aanbranden... want we eten gort, meester, en we hebben 'n nieuwe meid. 't Schepsel weet van toeten noch blazen... 't is 'n gedoe!