De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld

Part 14

Chapter 143,899 wordsPublic domain

Waarachtig, onze Wouter zou Femke niet verloochend hebben als men den dood gezet had op z'n... liefde! Nu, liefde was 't eigenlyk niet. Misschien ook was het dit wel, of iets er van. Maar dan moeten we 'n gansch ander woord zoeken voor de duizend-en-een aandoeningen die daarvoor in de wereld en litteratuur gewoonlyk worden aan de markt gebracht.

Naar "dat meisjen" alzoo had-i gevraagd, 't Was al veel dat-i z'n lippen niet kon dwingen tot de uitdrukking: "die meid" gelyk volgens anderen de ware lezing was in de huisannalen der Pietersens.

En men had hem afgescheept met 'n paar onverschillige woorden, die hem deden voelen dat er in die omgeving geen plaats was voor z'n roman, al stelde hyzelf die zoo byzonder hoog niet. Hy nam zich voor, Femke te bezoeken, zoodra hy 't huis zou kunnen verlaten, en klaagde aan z'n moeder, dat het "bakkertje" hem zoo kneep... omdat-i niet graag door Femke, als ze soms mocht voorbygaan, wou gezien worden met 'n kinderachtige pluimmuts. Zoo'n ding paste niets by peruaansche brandstapels. En zelfs by "ivoren poorten" maakte het 'n ontwydend effekt.

Al was er veel uitgesleten van de indrukken die hem overweldigden, en neerwierpen op 't ziekbed, toch was-i braaf genoeg om iets als zelfverwyt te voelen dat-i zich zoo lang had bezig gehouden òf met niets, òf met iets anders dan 't meisje dat hem zoo'n hartelyken zoen gaf, toen-i dapper geweest was. Dat wegwerpen van vernielde bloemen door Ophelia, had wel iets van: zie Wouter, zóó hebje met my gedaan! Waren we niet afgesproken dat...

Wel neen, afgesproken was er niets. Toch kwam 't Wouter voor, dat-i 'n woordbreker was en 'n gloed van schaamte overtoog z'n gelaat.

Die Ophelia... ja, ja, ze wàs het! Want zie, daar kwam Petrò met 'n bak hemden en sokken en allerlei ondergoed, dat zich in een der talryke stadiën bevond, die men 't vuillinnen laat doorloopen, voor 't geschikt is om weer op-nieuw vuil gemaakt te worden. Wasschen, spoelen, styven, rekken, mangelen, stryken... weet ik het! Het zoodje rook naar loog... zóó'n lucht was er ook by Femke's bleekgoed, en alzoo riep Wouter's neus hem toe: ja, ja, zy is 't wel, zy, de dame met de uit elkaar gereten bloempjes... de heele kamer ruikt er na!

--Als je beter bent moet je-n-eens naar den dokter gaan, zei de moeder, en hem bedanken voor je beterschap... naast God. En me dunkt dat je 'm dan met-een wel 'ns kon laten zien wat je al zoo gekleurd hebt.

--Ja zeker, moeder, dàt zal ik doen! Ik zal haar den heelen prins van Denemarken geven... ik meen... hem, den dokter!

--Ga je gang, jongen. Maar zorg dan, dat je 'r geen vlekken op maakt. En denk er aan, dat die geest van den ouden ridder heel bleek moet zien. Stoffel heeft het gezegd... omdat het 'n geest is, weetje.

--Ja, moeder. Ik zal 'm heelemaal wit maken.

--Goed. En als je nu eens die dame daar in 't geel zette?

De moeder wees met 'n breipen op Ophelia.

--Neen, o neen, riep Wouter snel. Ze was in 't blauw!

--Ze was? Wie was?

--Ik meen maar, moeder, dat ik al zoo veel gelen heb. En daarom wou ik haar... deze... die--Ophelia heet ze, 't staat er onder--nu eens blauw maken. De dame die 'r handen wascht, kan dan weer geel zyn?

--My wel, zei de moeder. Als je maar zorgt dat er geen vlekken op komen.

De ontwikkelde lezer weet dat Lady Macbeth tamelyk bevlekt was, lang voor ze in prent werd gezet. Maar Ophelia's beeld is rein uit Wouters handen gekomen. Wat daarmee later geschiedde...

Helaas!

Ik zal nog veel moeten toenemen in menschkunde en schryftalent, voor ik dàt behoorlyk schetsen kan. Maar ik zal m'n best doen. Gelukkig dat we nog in lang zoo ver niet zyn. Er is ruim tyd tot oefening.

De slimme Stoffel was te weten gekomen wat dat dan toch eigenlyk voor prenten waren. Hy hing 'n tafereel op van zaken die, hoe bekend ook in andere kringen, door de Kinderen-Pietersens voor nieuw werden aangezien. Een van Stoffels kollegaas was verwant aan de tooneelwereld, en had hem verhaald dat zulke afbeeldingen van kostumes 'n groote rol spelen onder de behoeften van akteurs. By deze zelfde gelegenheid vernam men nu een-en-ander over de stukken waaraan Wouters prenten ontleend waren, en over tooneelspelen in 't algemeen.

't Was voor Wouter 'n geluk, dat het juist Stoffel was, die deze kennis in 't huis bracht. Van elken anderen kant gekomen, ware ze misschien afgeweerd als onbehoorlyk, en zeker onwelwillend nageplozen als iets verdachts. De woorden "tooneel" en "schouwburg" hebben nog thans in de ooren van velen 'n zeer onzedelyken klank, en dat was 'n heele of halve eeuw geleden nog veel erger dan tegenwoordig. Maar 't genoegen van wysheid te verkoopen, noopte Stoffel tot gunstiger voorstelling van de zaak, dan-i anders had kunnen overeenbrengen met de bekrompenheid die by hem de funktien van 't geweten vervulde.

--Zie je, moeder, er is komedie en komedie. Uwe moet onderscheid maken tusschen 'n treurspel en... de vertooning van allerlei gekheid, waaruit 'n mensch niets leeren kan. Er zyn van die komedies, die... heel treurig zyn, en de menschen huilen er van... heele deftige menschen.

--Gut, zei jufvrouw Pieterse.

--Ja, moeder! En dan zyn er weer andere stukken waar ze by zingen en muziek maken, en dat kan ook heel mooi en zedelyk wezen, en dat noemen ze dan by voorbeeld... 'n _opera_. En heel veel fatsoenlyke menschen gaan er heen. Uwe ziet, moeder, dat daarin niets onzedelyks is, en dat men niet zoo bekrompen moet zyn, en alles zoo terstond afkeuren. By de oude Grieken speelden ze ook komedie, en daarin studeeren nog tegenwoordig onze eerste professers.

--Is 't mogelyk!

--Ja, moeder. Al die prenten van Wouter zyn genomen uit wezenlyke stukken, en 't zyn heele geschiedenissen. Ik kan nu zoo op-eenmaal niet alles vertellen, en wil maar zeggen dat er ook goede komedies zyn.

--Dàt moet ie dan toch eens aan juffrouw Laps vertellen! Zy, zegt altyd...

--Wat _zy_ zegt! 't Mensch heeft nooit 'n komedie gezien.

Dit was wel waar, maar de heele Pietersens-familie was op dit stuk geen haar breed verder. Slechts Leentje misschien...

--Daar heb je 't! riep de moeder. Ze zal dien donderdag avend in de komedie geweest zyn... want het was 'n donderdag... zoo zieje, hoe dan toch _obboedekon_ alles aan den dag komt! [18]

Een geheimzinnige zaak nu was 't geweest, dat Leentjen eens 'n achtermiddag verlof had gevraagd wegens "schrikkelyke hoofdpyn"--by burgerluî is elke pyn terstond _schrikkelyk_--en... er was later gebleken dat ze den avend van dien dag niet by haar moeder thuis was gebleven. Den storm die hierdoor werd opgewekt, kan ik overslaan, omdat de goede Virgilius dien voor my beschreven heeft: _quos ego_... en _ite, deae pelagi_! Gut, wat de tritons zich weerden... Trui, Mine, Petró! En Aeolus, de brave Stoffel! Alles blaasde braafheid, en 't Ryk der ondeugd sidderde.

--Als 't schepsel dan in-godsheerennaam maar zeggen wou waar ze geweest was, kermde de moeder. Ik kan toch geen _sichetten_ over den vloer houden, die den nacht hebben doorgebracht... god weet waar!

Den nacht? Dit stond juffrouw Pieterse heel leelyk! Die vervloekte liefdeloosheid der hyperbolen! Den nacht?

Ze wist beter dan gy en ik, lezer--want ze had het van Leentje's moeder, die er niet om jokken zou--dat de stumpert "heel bedaard zoo tegen elven was thuis gekomen onder begeleiding van de kleermakers-juffrouw van hier-naast."

Den nacht? Den nacht?

Wàt toch, om 's hemels wil had de onbehagelyke Leentje met haar nachten kunnen uitvoeren? 't Viel het onnoozel meiske reeds moeielyk genoeg, niet groots te worden op de hoogdravende verdenking. Ach, wat had er veel anders moeten zyn, voor ze 'r aan denken kon iets te gebruiken van de massa deugd die by haar braak lag! En dat wist juffrouw Pieterse ook wel. Ze schoof dien problematischen nacht maar tusschen de dithyramben van haar verontwaardiging, om de delinkwente te dwingen tot bekentenis.

Maar Leentje was taai en verklapte niets. Ze had geheimhouding beloofd aan de kleermakers-juffrouw, die zich "zoo in-acht moest nemen voor de menschen, omdat haar man 'n _nieuwlichter_ was."

Deze zaak was verheven tot rang van mysterie. En de belangstelling nam toe, toen men in Leentje's naaidoosjen 'n afgescheurd stuk vond van 'n "personen-" lystje. Ook had men Leentje betrapt op 't neurien van 'n lied dat voor 't eerst uit haar mond gehoord werd, en duidelyk heenwees op onbekende relatien. Het was de roerende aria: "'k bèn vol eer, 'k bèn vol eer, ziet ik ben d'r 'n man vol eer!"

En nu eindelyk was, na Stoffels bekeering tot het tooneel, 't plechtig oogenblik aangebroken, waarop al die duisternissen zouden worden opgehelderd. Leentje werd geroepen, en viel door de mand.

Ach ja, ze had "de komedie" bezocht, en wel die van den befaamden Jan Gras, den toenmaligen Apollo van de _Elandstraat_.

Ik ben daar nooit geweest, maar wel herinner ik me, met welken eerbied ik sommige schoolmakkertjes aanzag, die over dien tempel der Muzen wisten meetespreken.

't Spreekt vanzelf dat Leentje begon te schreien. Ze meende iets zeer verschrikkelyks geopenbaard te hebben en wilde juist beloven dat ze 't nooit weer zou doen, toen ze tot haar verwondering vernam "dat er volstrekt geen kwaad stak in zoo'n uitspanning, en dat de grootste professers wel eens daarheen gingen...

--Né, moeder, dàt heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat onze Grieksche professers...

--Nu, dat's hetzelfde, riep juffrouw Pieterse. Ik bedoel maar dat 'n mensch zich wel eens veramuseeren mag. En zeg me nu eens _fransiman_ wat je daar zoo al gezien hebt.

Leentjen aan 't vertellen. Wouter legde z'n penseel neer. Petrò's strykyzer werd er koud van. Ook Stoffel luisterde, en wel met de eigenaardige uitdrukking van iemand die heel nieuwsgierig is, doch niet wil laten merken dat-i wat nieuws hoort. By elke zinsnede uit Leentjes mond, zette hy 'n gezicht alsof-i zelf dat even goed zou hebben kunnen vertellen, als-i 't maar niet zoo druk gehad had met z'n pyp, en hy keek z'n moeder aan met blikken die haar sommeerden te erkennen dat-i dit alles vooruit had geweten. De wereld is vol Stoffels.

Het spreekt vanzelf dat Leentjen en de kleermakers-juffrouw waren onthaald geworden op "De Onechte Zoon" van Kotzebue. Hoogstens was er kans geweest dat ze "_Menschenhaat en Berouw_" of "_De dood van Rolla_" als eersteling plukte op den akker van haar tooneel-ondervinding. Maar die "_Onechte Zoon_" gaat voor. Er is meestal 'n hysterisch element in de uitspattingen van burgerlyke styfheid, en de kleermakers-juffrouw die aan nieuwlichtery getrouwd was, en sedert jaren op den sprong stond eens van de wereld te snoepen, had geen weerstand kunnen bieden aan de aanlokkelyke onechtheid van dezen titel. Kotzebue was 'n _faiseur_ die z'n zaak verstond. Geen van z'n stukken maakte dan ook zooveel opgang als dat fameuse "_Kind der Liebe_." Of deze benaming aanduidt dat men de behoorlyk geregistreerde kinderen zou moeten beschouwen als voortbrengsels van haat of onverschilligheid, durf ik niet beslissen.

Ziehier iets van Leentje's verhaal.

--Eerst was er muziek, juffrouw, en ze speelden heel mooi, en toen 't scherm opging was er 'n groot bosch, en 'n vrouw zat te huilen onder 'n boom, en er was 'n baron die haar zoon gevangen nam omdat-i 'n jager was, en toen moest-i in de gevangenis, en hy heeft toen heel mooi gesproken, en de moeder ook, maar de baron zei dat-i heer en meester op z'n land was, en de gauwdieven straffen zou, en hy was woedend van kwaadheid, en toen zei de moeder... neen, er kwam 'n ander die zei... neen, zoo was 't ook niet, maar toen viel de gordyn weer, en de kleermakers-juffrouw kocht wafelen die rondgeprezenteerd werden in de zaal door arme jongetjes, en we hebben chocolaad gedronken, omdat de kleermakers-juffrouw zei dat 't alle dagen geen kermis was. En er zat 'n heer achter ons, die alles uitlei, en die de kopjes van ons aannam toen ze leeg waren. Ook zeid-i dat de menschen hier zoo mooi speelden, en dat er maar één komedie van Jan Gras was, en de kleermakers-juffrouw heeft 'm 'n pepermuntje geprezenteerd, maar hy zei dat we-n-'ns moesten kyken naar 't scherm, omdat daarop allerlei geschilderd was, groote beelden in 'n wolk, en bloemen, en 'n man die op 'n instrument speelde, en er vlogen engeltjes om-heen ... snoepig! En de muzikanten speelden weer, maar begryp nu eens wàt, juffrouw? Ze speelden: _mooie meissies, mooie bloemen_...

--Foei, riepen de drie gratiën. Zoo'n gemeene straatdeun! [19]

Vervolg: _Onechte Zoon_, gekompliceerd met 'n _echt_ zilveren doosje, _onechte_ eerlykheid, _echte_ naïveteit van _Leentje, onechte_ bravigheid der juffrouwen _Pieterse_.

--En toen ging de gordyn weer omhoog, juffrouw, heelemaal vanzelf, maar de heer die achter ons zat, zei dat het gedaan werd door menschen die men niet zien kon, misschien wel door den onechten zoon, want zeid-i, zoolang de gordyn neer was, zat-i niet in de gevangenis, en mocht heen-en-weer loopen net als 'n ander. En toen prezenteerde de kleermakers-juffrouw hem weer 'n pepermentje, maar hy zei: "kyk nu liever naar 't stuk, juffrouw, want je bent hier nu eenmaal voor je geld." We hadden twaalf stuivers betaald ... twaalf stuivers de man, weet u, buiten de wafels en de chocola. En toen zei de baron ... och, uwe begrypt, ik kan alles nu zoo precies niet vertellen. Ik wil maar zeggen dat die oude vrouw gedurig huilde, en niet tot bedaren komen kon, omdat ze zoo ongelukkig was. Want, juffrouw, begryp eens, die onechte zoon was haar eigen zoon, en hy was ook 'n onechte zoon van dien baron. Uwe begrypt hoe de menschen daarmee inzaten ... omdat-i 'n onecht kind was, weet u, die nergens te-recht kon. En papieren had-i ook niet, en de moeder ook niet. En daarom zoud-i nu sterven ... omdat-i zonder permissie gejaagd had. Gut, het was zoo mooi, juffrouw! Maar toen viel het scherm weer, en we namen nog 'n wafel. En toen zei die heer achter ons, dat er altyd zooveel slecht volk in de zaal was ... zakkenrollers, weet u? En 't was heel goed, zeid-i, dat men stukken speelde met 'n gevangenis er in, om de menschen te waarschuwen tegen slechtigheid. Want, zeid-i, eerlyk duurt het langst. En toen wou juist de kleermakers-juffrouw hem weer 'n pepermentje prezenteeren, maar ... och, ze schrok zoo, want haar doosje was weg. En we zochten in onze zakken, en op den grond, en in onze stoven, en we zochten overal, want ze had het van haar peetemoei ... en dus, uwe kunt begrypen hoe 't mensch ontdaan was. En we vroegen aan den heer achter ons, of hy ons ook zeggen kon wie 't gedaan had? En hy vroeg of 't doosje van zilver was? Ja, zei de kleermakers-juffrouw, 't was van echt zilver, en ... dat ze 't van 'r peetemoei had. En toen vroeg-i of 't glad of geribd was? En de juffrouw zei dat het geribd was. En toen zeid-i dadelyk dat het dan zeker gestolen was door 'n zakkenroller, maar hy kon niet zeggen door wien, omdat er zoovéél in de zaal waren, zeid-i. Maar anders... 't was zeker door 'n zakkenroller gedaan.

--Hyzelf kan 't wel gedaan hebben! riepen 'n paar toehoorsters.

Leentje was verontwaardigd, en wees die verdenking met drift terug.

--Neen, juffrouw Sertrude, zeg uwe zoo-iets niet! Dat's zonde! 't Was 'n allerfatsoenlykste man, dat kan _ik_ u zeggen! Den heelen avend is er geen onvertogen woord over z'n lippen gekomen en hy noemde my "juffrouw" zoo goed als de kleermakers-juffrouw zelf! En hy is zelf opgestaan om den dief te zoeken, en hy vroeg waar de juffrouw woonde, en als-i 't doosje vond, zeid-i, zoud-i 't haar terugbrengen. Hy had 'n wit piqué vest aan, met paarse bloempjes... och, hoe kan uwe zoo iets zeggen!

--Nou, ga maar voort met je _Onechte Zoon_, eischte het Publiek.

--Gut, juffrouw, de muziek was zoo mooi! En als ze speelden, was er 'n heer, die met 'n stok wees hoe de wys was. Maar er werden veel wyzen gespeeld, die ik nooit heb hooren zingen, en dus niet navertellen kan.

--Maar vertel dan toch van 't stuk!

--Ja, ziet u, dat 's zoo makkelyk niet! 't Was heel mooi, maar er zyn zoo van die dingen die men zelf moet gezien hebben om ze te begrypen, want ik kan niet alles zoo nadoen. De baron merkte dat die jager in de gevangenis z'n eigen zoon was, omdat-i eens... in vroeger tyd... kennis had gehad... weet u...

Er heerschte 'n sterke spanning onder Leentjes auditorium. Al de hoorders hygden naar de door den titel beloofde onechtheid, en Leentje wist geen raad met 'r vertelling. Ze werd vuurrood.

--Hy had die oude vrouw vroeger gekend, en toen was-i met haar in... konversatie geweest, zal ik nou maar zoo 'reis zeggen, en ze zouden getrouwd zyn, maar... er was iets tusschenbeide gekomen... en... daarom heet het stuk de _Onechte Zoon_...

Wouter luisterde met evenveel inspanning als de anderen, maar z'n verbeelding was rustiger. De beurt was nu aan de meisjes om de teugels lostelaten van háár fantazie. Ze keken voor zich. De nuchtere Stoffel kende 'n paar boekenfrazen van-buiten, die hy hier te-pas bracht.

--Juist! Hy had hare onschuld misbruikt--zoo wordt zulks genoemd--en daarna haar ten-prooi gelaten aan de schande. Ik kan u niet genoeg zeggen, moeder, hoe de jeugd zich daarvoor moet in-acht nemen. Ik zeg 't de jongens alle dagen op m'n school...

--Hoorje 't, Wouter? Let daar 'ns goed op, en onthoud wat Stoffel zegt.

Toen Stoffel merkte dat z'n kommentaar in den smaak viel, ging hy voort:

--Juist, moeder! De deugd moet geëerd worden. Dat is Gods wil, en wat God doet, is welgedaan. Onder alle zonden is de wellust... 'n zeer groote zonde, omdat God het verboden heeft, en omdat alle zonde hier of hier-namaals gestraft wordt...

--Hoorje 't, Wouter?

--Hier of hier-namaals, moeder! Gepaste vreugd màg wel, maar ongeoorloofd zingenot is... niet geoorloofd. Dat rukt alle banden van de menschelyke Maatschappy... uwe ziet wel, dat zoo'n komedie heel mooi wezen kan, als men 't maar goed opvat, en alles behoorlyk weet uitteleggen. Dàt is het maar!

--En hoe liep het toen af met dien baron?

--Wat zal ik u daarvan zeggen, juffrouw! Hy heeft veel gesproken, en was erg bedroefd omdat hy eens... die oude vrouw...

--Verleid had, viel Stoffel hulpvaardig in, daar Leentje 't ware woord niet vinden kon, of niet noemen durfde. Men noemt zulks verleiden.

--Ja juist, zoo zei dat mensch ook. En hy beloofde haar dat-i 'r nooit weer zoo-iets zou aandoen. En toen zeid-i tot den onechten zoon, dat men altyd op 't pad van de deugd moet blyven, en dat-i met die oude vrouw trouwen zou. Ze was er erg mee tevreden.

--Dat geloof ik, riepen de drie meisjes, als uit één mond, en met 'n snelheid die verklapte waar eigenlyk 't zwaartepunt ligt van sommige zedelykhedens. Dàt geloof ik graag, riepen ze, toen werd ze 'n ryke barones!

--Ja, zei Leentje, ze werd 'n groote dame. En de onechte zoon viel den baron om den hals, en toen speelden ze 't "_Kamertje van 'n Waschmeisje_" en de zoon was huzaar, en zong: "_'k bèn vol eer, 'k ben vol eer, zie ik ben d'r 'n man vol eer!_ Maar waar de oude baron gebleven is, weet ik niet. En toen zyn we naar huis gegaan, maar de kleermakers-juffrouw had geen pleizier meer, omdat ze haar doosje kwyt was. Of die heer 't haar nog thuis gebracht heeft, zou ik de juffrouw niet kunnen zeggen.

Hier was de vertelling uit.

De meisjes dachten: barones!

Stoffel: de deugd!

De moeder: twaalf stuivers "de man" buiten wafels en chocolade!

Wouter: die jager! ik zou wel zoo'n jager willen zyn in een bosch... in 'n heel groot bosch... heelemaal alleen...

Hy nam z'n penseel op, en zag Ophelia aan:

...heelemaal alleen in 'n groot bosch, met... Femke!

Zoo had ieder z'n byzondere indrukken, die niet alleen onderling verschilden, maar ook in dezelfde persoon telkens verwisselden van kleur. Kotzebue zou vreemd hebben opgezien, als-i Leentje's verhaal gehoord had. Vreemder nog, wanneer hy had kunnen weten wat het achterliet in de gemoederen van haar hoorders. Deze verwondering zou trouwens het deel zyn van èlken kunstenaar, die 'n blik sloeg in de gemoederen van z'n publiek. Gelukkig ditmaal dat er aan Kotzebue's fabrikaat niet veel te bederven viel. Of de uitwerking van z'n effektstuk op de gemoederen van Leentje's auditorium ook zoo onschuldig was, zou ik niet durven verzekeren. De meisjes berekenden dat het "verleiden" op zichzelf nu juist zoo heel erg niet wezen zou, als men maar zeker was dat zoo'n baron... tenlaatste... en niet àl te laat...

Er zou, meenden zy, 'n niet onaardige _carrière_ te vervaardigen zyn uit 'n reeks van goed geëxploiteerde jeugdige misstappen. 't Mutsenmaken was er niets by.

Petrò vroeg met gemaakte onverschilligheid, hoe oud de huilende vrouw zoo ongeveer kon geweest zyn, en voelde zich versterkt in haar deugd, toen Leentje heel onnoozel antwoordde:

--Zoo tegen de zestig, juffrouw...

Deze _Odyssee_ der bedelende gewezen onschuld kwam Petrò wat lang voor. Maar 't "mutsenmaken" stond haar weer erg tegen, toen Leentje voortging:

--Tegen de zestig, toen ze onder dien boom zat. Later, toen de baron terugkeerde tot de deugd, en haar trouwen wilde, fleurde ze erg op. Ze kan toen zoo-wat 'n goeie veertigster geweest zyn...

"Dat vervloekte mutsenmaken!" riep... geen van de diep nadenkende meisjes, maar ze dachten 't.

In één opzicht was de heele familie 't eens. Ieder wilde gaarne ook eens zoo'n "komedie" zien. Maar juffrouw Pieterse zei dat de kosten haar "begrootten." En dit werd nog erger, toen Stoffel 'n booze tyding thuis bracht over den "troep van Jan Gras in de _Elandstraat_, waar geen fatsoenlyke familie zich vertoonen kon." Dit was hem verzekerd door iemand die 't wel weten kon, want hy was 'n bloedneef van den rol-uitschryver by den grooten Schouwburg op 't Leidsche Plein. Dàt was de ware komedie!

--Verbeeld u eens, moeder, die is van de stad, en de Burgemeester zelf zoekt de stukken uit... om de zedelykheid, weet u. En begryp eens, als er in zoo'n stuk staat: "o God!" dan verandert de Burgemeester dit in: "o hemel!" omdat het niet te-pas komt, van onzen-lieven-heer te spreken in 'n zaal waar ook wel gedanst wordt. Want... gedanst wordt er ook, moeder. Maar als wy er eens heen gaan, kunnen we best 'n stuk afwachten waarin niet gedanst wordt, en dat heelemaal is nagezien door den Burgemeester... [20]

_Laps_ versus _Pennewip. Wouters_ embryologische studiën.

De groote meerderheid des Volks, de kleine burgerstand, heeft geen geschiedschryver. Met haar bemoeit zich noch de filoloog, noch de physioloog, noch de psycholoog, noch de schilder, noch de dichter, noch de filosoof, noch de staatsman. Ze staat voor politie en justitie te hoog, voor aesthetische beschouwing te laag: ze is _onpoëtisch_.

Ik zou waarlyk geen kans zien deze meening te verdedigen, naar den stipten zin dien _ik_ aan al die benamingen hecht. Doch als men met de dagelyksche opvatting daarvan tevreden is, zal ze waarschynlyk geen verdediging noodig hebben. Reeds in den aanvang der Wouter-geschiedenis zag ik de moeielykheid in, den lezer belangstelling inteboezemen voor 'n romanheldje dat, by-gebrek aan roman, naar veler meening eigenlyk geen behoorlyk heldje wezen kan. Wouter zelf zou dan ook de laatste geweest zyn, die zich voor zooiets uitgaf. En juist dááronder leed hy. En hoe hy in z'n gedachten dat ondichterlyke van z'n toestand noemde, kan ik niet zeggen. Hyzelf had er evenmin 'n benaming voor. Hoogstens voelde hy iets ontevredens, iets benepens. Ook kwam 't hem niet in den zin, zich aftescheiden van z'n omgeving, veel minder nog zich daartegenover te stellen.