De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld
Part 13
--Och ja! riep 't heele gezelschap en meende wonder verdienstelyk te wezen. Verbeelje 't lot van een armen drommel die in dezen kring eens had moeten verkondigen dat sommige dingen van beneden komen? Gelukkig was men 't eens, ditmaal.
--Wel oom, wat dunkt u, zullen we nu maar beginnen met de verrassing?
--Ga je gang, nicht. Wat is het?
--Och, een kleinigheid, mynheer, antwoordde de katechiseermeester. Myn zoon is een dichter. Pryzen zal ik hem niet ... want hy is me te na ... maar 't is mooi, dat durf ik gerust zeggen. 't Is niet om te roemen ... alles komt van boven ... neen, roemen zal ik niet. Als ik roem, mynheer, dan roem ik in den Heere. Maar ik zeg dat het mooi is.
De dichter Klaas maakte z'n mondje klein, alsof-i met z'n lippen te drinken gaf aan een vogeltje.
Hy sloeg de oogen neèr, en speelde met den ondersten knoop van z'n vest. Z'n heele gezicht stond naar verzemakery. Er was iets knoeierigs in dien jongen, iets van een gekramden schotel... neen, hy leek op 'n verfrommeld papier... neen, op ongestreken linnen... neen, op 'n gebruikt servet... neen, op ongaar brood...
Och, wat weet ik het, waarop die lummel geleek! Ga naar een christelyke jonchelings-vereeniging. Daar vindt ge modellen in overvloed van de soort die ik bedoel, _adept-clowns_ in de kermistent des Heeren, _pierrots van de onanie_.
--Dus, myn heer, 't is niet om te roemen ... haal 't maar voor den dag, Klaas. Als vader, mynheer, moet ik u zeggen ... 't is mooi! Want ziet u, in de Schrift ...
Klaas haalde z'n vers voor den dag.
... in de Schrift wordt, om zoo te zeggen, niet gesproken van weduwnaars ... de Heer zal daarvoor wyze redenen gehad hebben. Wat doet nu de jongen? Hy volgt Gods wenk, en heeft een vers gemaakt vol weduwen ...
Klaas legde 't vers voor zich op tafel.
... vol weduwen. Ja, ik zou durven zeggen, hy heeft er byna al de weduwen in gebracht, die in de Schrift staan.
--Heb ik niet gezegd dat er eene verrassing wezen zou, riep jufvrouw Laps.
--Lees jy nu maar op, Klaas! Er zyn er zeventig, mynheer ... zeventig weduwen! Lees nu maar op, jongen!
Klaas stroopte z'n armen op, streelde z'n boordjes, en begon:
Al de weduwen der Heilige Schrift Worden hier tot een vers gezift; Ter verblyding op 't verjaren Van godzalige weduwnaren; Juichend, bloeiend in den Heer, Aan Jehovah lof en eer.
--Dat is 't opschrift, lichtte de vader toe.
--Ja, dat is het opschrift. Nu begin ik:
In Genesis XXXVIII, vers 11 kan men lezen Dat 'n weduw in 't huis van haar schoonvader moet wezen; En Exodus XXII, ik zeg 't zonder vrees, Zegt in vers 22, beleedig weduw noch wees...
--Merk op, myn heer, dat het vers en 't kapittel beide twee-en-twintig zyn. Daarmeê heeft de Heer zeker eene bedoeling gehad... want Gods wil is ondoorgrondelyk, en alle zegen komt van boven. Ga voort, Klaas!
Twee verzen later ontsteekt de toorn des Heeren; Hy zal alle vrouwen in weduwen verkeeren; Uit Leviticus XXI, vers 14 blykt gewis Dat een weduw geen goede vrouw voor een priester is; Eén hoofdstuk daarna (maar een vers minder) doet ons weten Dat een weeuw zonder kinderen 't brood van haar vader mag eten; En Numeri XXX, vers negen, wel geteld, Zegt, dat de belofte van een weeuw ten haren laste geldt; In Deuterononium X, vers 18, betuigt de Heer met geschreeuw...
--Hé? vroeg jufvrouw Laps.
--Ja, dat wil zeggen: _majesteit_, legde de Katechiseermeester uit. Luister maar verder, jufvrouw... 't is niet om te roemen... ik zeg maar: luister verder! Ga voort, Klaas!
met geschreeuw, Dat Hy altyd recht doet, en kleêren geeft, aan wezen en weeuw; In Deuteronomium XIV, vers 29, worden wy gespoord Om alle drie jaar iets te geven aan de weduwen in de poort; Twee hoofdstukken later, vers 11 en 14 kunt ge lezen Hoe men met de weduwen in de poort vroolyk moet wezen; In Hoofdstuk XXXIV, vers 19, staat vermeld Dat men een schoof voor de weduw moet achterlaten op 't veld; In de twee volgende verzen wordt van de weduw geschreven Dat ze druiven en olyven krygt die aan den boom zyn gebleven. Kapittel XXVI, vers 12 en 13, zegt 't voort: Spreekt weêr over de weduw die te eten krygt in de poort; Een hoofdstuk verder laat de Heer door Mozes betuigen, In vers 19, dat men 't recht van de weduw niet mag buigen; _Twee_ Samuel XX, vers 3, spreekt er uitdrukkelyk van Dat Davids bywyven leefden als weduwen, by 't leven van haar man...
--By... _wat_? vraagde jufvrouw Pieterse.
--Bywyven, jufvrouw, antwoordde de oude heer van der Gracht. Uwe ziet hoe de jongen er alles inbrengt, wat in betrekking staat tot weduwen...
--De regels zyn niet even lang, klaagde Stoffel... en ze liggen en staan niet om-en-om.
--Hoor Stoffel, daarin kan je gelyk hebben... omdat je schoolmeester bent ... maar dàt kan _my_ nu niet schelen. Ik vind die by ... by ... by ... hoe zal ik zeggen?
--Juffrouw Pieterse, uwe moet niet vinden, riep jufvrouw Laps.
--Juist, zei de katechiseerman, alle zegen komt van boven. Ga voort Klaas!
--_Noen, zulke dingen wil ik niet hooren ... 't is om de meisjes._
Nu ja, de meisjes bekeken heel fatsoenlyk haar nagels. Dat wil in zoo'n geval zeggen dat men heel braaf is, niet weet wat bywyven zyn, en in-weerwil van die onwetendheid, toch openlyk betuigt nooit iemands bywyf te willen worden.
--Ga voort, Klaas!
--Volstrekt niet! Als ik geweten had dat er zulke dingen zouden worden gezegd, had ik myn meisjes thuis gelaten ...
--Maar, jufvrouw, 't staat in de Schrift! Uwe zal u toch niet verzetten tegen 't woord des Heeren?
--Né ... ik verzet me niet. Maar ik wil niets hooren dat onfatsoenlyk is. Myn man ...
--Uw man verkocht schoenen, dat weet ik wel, jufvrouw ... maar uwe zal toch niet tegen de Schrift ...
--Ik doe niets tegen de Schrift ... maar ik houd niet van gemeenigheid. Kom, Sertrude ...
Men ziet, jufvrouw Pieterse was fatsoenlyk geworden. Vroeger was zy zoo prikkelbaar niet, en de jonge-jufvrouwen hadden wel erger dingen uit die _Schrift_ geslikt, zonder de minste walging. Maar 't verhuizen van een zystraat naar 'n hoofdstraat ... en kinderen met fransche namen ... en 'n dokter met bont op z'n koetsier ... och, 't is zoo moeielyk schrifturig-gemeen te blyven, als zooveel krachten samenwerken om ons te dryven op den fatsoenlyken weg.
Als ik nu 'n roman schreef, en dus vryheid had de gebeurtenissen te regelen naar myn zin, zou ik jufvrouw Pieterse nog-eens laten erven, om den lezer te doen zien hoe ze door nòg meer fatsoen, weêr terug viel in 't gemeene. De bybelwoede openbaart zich 't duidelykst by _groot_ en _klein_ gemeen. De tusschenstand schrikt terug voor 'n naaktheid van uitdrukking, die geoorloofd schynt in straatkansel- of hoftaal, maar die den moed te-bovengaat van iemand wiens "fatsoen" _bewys_ noodig heeft.
Extra-fine-superior-water-colours ... warranted! _Oude en nieuwe prenten. Stoffelsche wyshedens._
De ziekte van onzen Wouter nam ten-laatste een gunstigen keer. Toen hy zich sterk genoeg voelde om voor 't eerst het bed te verlaten, vond de familie dat-i "groot" geworden was. En wie dit niet zelf kon zien, zei 't den anderen na. Maar niemand scheen inniger van de zaak overtuigd dan juffrouw Pieterse. "De jongen was uit al z'n kleeren gegroeid, verzekerde zy, en 't zou heel wat _in_ hebben, hem weer fatsoenlyk voor den dag te doen komen!" Na van Wouters ziekte zooveel _wichtigkeit_ te hebben geoogst als maar eenigszins mogelyk was, begon 't mensch zich nu al toeteleggen op 't uitbuiten van de belangwekkende bereddering die er kon worden vastgeknoopt aan z'n beterschap.
't Kind zat prenten te kleuren, die hy met 'n verfdoos ten-geschenke had gekregen van den dokter. De verf was echt Engelsch, had Stoffel gezegd, en zeker van de beste soort, want er stond 'n woord op, dat niemand begrypen kon: _warranted!_ En ook de moeder hield zich overtuigd dat het wel "goed spul" wezen zou, omdat "zoo'n dokter toch 'n heele man is!"
Och, die prenten! Ze waren voor Wouter nogal byzonder, omdat-i op weinig uitzondering na tot-nog-toe geen ander soort gekend had, dan de figuren die den huiselyken tegenspoed van _Jan de Wasscher_ moesten voorstellen, of iets dergelyks. Dit nu zou niet volstrekt onbelangryk geweest zyn, wanneer ze hadden moeten dienen tot vermaak van volwassenen, of van dezulken onder hen die genoeg ontwikkeld zyn om stof tot opmerking te putten uit het allergeringste. Maar kinderen staan te laag om 't dagelyksche te waardeeren. Sommigen myner lezers zouden waarschynlyk even als ik, veel geven willen voor 'n eenigszins volledige verzameling van de prenten waarop men in Wouter's tyd de kleine gemeente vergastte, en toch zuilen misschien slechts weinigen zich een der eigenaardigheden herinneren, waardoor die kunstgewrochten zich onderscheidden. Ze waren namelyk op allerzonderlingste wyze gekleurd. Op elk der twaalf vakken waarin gewoonlyk zoo'n vel papier--dat in de kinderwereld _de_ prent heette--verdeeld was, had de smaakvolle fabrikant twee of drie kladden verf gesmeten, zonder in 't minst acht te slaan, noch op de plek waar ze te-land kwamen, noch op den eisch der figuren die ze geheel of gedeeltelyk raakten. De rechter-bovenhoek van 'n huisjen op den linker-voorgrond, mocht mèt 'n stuk hemel en 'n paar helften van boomen of de bovenlyven van twee of drie wandelaars, geel zyn. Ergens in de lucht hing 'n roode of groene vlek, en in den linkschen vóórhoek zwommen twee koeien, 'n sloot, en 'n heele kudde schapen met herder en al, in 't blauw. Zoo'n prent was "gekleurd" en kostte, dùs toegetakeld, in Wouters tyd twee duiten. Waar de finantieele krachten der kleine koopers zoover niet reikten, konden ze ook 'n halve bekomen, by welke gelegenheid het viertal plaatjes dat de middelste rei vormde, _sans façon_ werd doorgescheurd, en al zoo vry geschonden de wereld intrad. Maar dit scheen onze jeugdige kunstliefhebbers niet te deren. Een halve prent was hun 'n even bruikbaar voorwerp als 'n halve koek.
't Spreekt vanzelf dat Wouter aan zoo'n vandaalsche berusting ontgroeid was. En dikwyls had hy zich dan ook in 't bezit gezien van wat beters, doch nooit van 'n schat als die hem nu van den goeden dokter was ten-deel gevallen. Z'n nieuwe prenten bestonden meerendeels uit omtrekken in koperdruk, zoodat-i volle ruimte had iets als smaak by 't kleuren te-pas te brengen, en bovendien zich kon oefenen in 't schaduwen. De geheele familie vermaakte zich met de geschiedenissen die daarop waren voorgesteld. Men vond er _Genoveva, den verloren Zoon, de ridders van de ronde tafel, Ursyn en Valentyn, de vier Heemskinderen, gevechten tusschen Grieken en Turken, het overtrekken van den Balkan, den dood van Marco Bozzaris, 't beleg van Silistria, Salomo's Recht, de wyze en dwaze maagden, de geschiedenis der schoone Helena "princesse van het Oosten"_ en wat er al verder by zoo'n kollektie behoort.
Boven alles echter voelde Wouter zich aangetrokken door de personen uit eenige in zyn tyd populaire treur- en zangspelen. Hy bezat de zeer nauwkeurig gekostumeerde afbeeldingen der figuren uit _Macbeth_, _Othello_, _Koning Lear_, _Hamlet_, _Tooverfluit_, _Barbier van Sevilla_, _Freyschütz_ en nog 'n tal van andere stukken, waarvan het een hem nog romantischer voorkwam dan het ander. En hy vermaakte zich met het kiezen der kleuren voor de kleeding van z'n helden en heldinnen, waarby meermalen de raad der gansche familie werd ingeroepen, zoodat zelfs Leentjen er by te-pas kwam. Gewoonlyk was men 't on-eens, maar dit zette de zaak gewicht by. In één opzicht slechts scheen de familie door 'n soort van H. Geest geleid te worden tot eenstemmigheid: gezichten en handen moesten vleeschkleurig zyn, en de lippen rood. Dit had men altyd zoo gezien, en bovendien ... waarom anders zou die verf _vleesch_kleur heeten? Hamlet voer er slecht by, en kreeg 'n welvarender tint dan by z'n melancholie paste.
--Ik wou wel eens weten wat al die poppen toch eigenlyk beduiden, klaagde Wouter.
--Dat moet je dan maar aan Stoffel vragen, antwoordde z'n moeder. Wacht tot-i van z'n school komt.
En dit geschiedde. Stoffel, de tot voorganger gestempelde apostel van den huize Pieterse, vervulde vry nauwkeurig dezelfde rol die we dagelyks hooren opdeunen door soortgelyke wezens in de Maatschappy. Zelden erkende hy iets niet te weten, doch hy had zich de hebbelykheid aangewend, eenige nietszeggende woorden uittestooten op 'n toon alsof er geurige wysheid van z'n lippen vloeide. Z'n heilbegeerige hoorders waren voldaan, of liever ze drongen zich dit op.
--Wat al die poppen beduiden? Ja, zieje... 't zyn, om zoo te zeggen, de portretten van verschillende personen. Daar heb je nu, by-voorbeeld, die daar... met 'n kroon op z'n hoofd, dat is 'n koning.
--Je ziet, Wouter, dat Stoffel je alweer te-recht helpt, seurde de moeder.
--Ja moeder! Maar ik wou zoo graag weten wèlke koning, en wat-i gedaan heeft?
--Wel zei Stoffel, 't staat er onder. Je kunt toch lezen?
--Macbeth?
--Wel zeker! Dat is Macbeth, 'n beroemde koning uit den ouden tyd.
--En die daar, met 'n zwaard in de hand?
--Ook 'n koning... of 'n generaal... of 'n held... of zoo-iets. 't Is iemand die vechten wil... misschien David, of Saul, of Alexander de groote... maar je begrypt dat men niet altyd alles zoo precies weten kan.
--En die dame met de bloempjes? Ze schynt ze stuk te plukken.
--Zy? Hm... dat is... laat zien: Ophelia. Ja, dat is Ophelia, zieje?
--Ja. Maar waarom gooit ze die blaadjes op den grond?
--Waarom? Waarom? Zoo kan je zooveel vragen?
Hier kwam de moeder haren Ruben te hulp.
--Ja, Wouter, je moet niet meer vragen dan 'n mensch antwoorden kan.
Wouter vraagde niet meer. Maar wel nam hy zich voor, 'n gelegenheid te zoeken om te doorgronden wat toch al die poppen beteekenden? En dit was dan ook de reden waarom die eenvoudige figuren hem meer belang inboezemden, dan al de andere platen waarop heele geschiedenissen waren voorgesteld.
De geschiedenis van Genoveva was op de prent geheel uitverteld, en liet weinig te gissen over. De auteur der onderschriften had de zaak volkomen afgedaan, en al stuitte Wouter hier-en-daar op 'n woord dat-i niet vertalen kon--'t spreekt immers vanzelf, dat we hier te-doen hebben met duitsch fabrikaat?--toch was de hoofdzaak helderder dan geschikt zou geweest zyn om arbeid te geven aan Wouters fantazie. En... zonderling, met de onopgehelderde byzaken bemoeide zich die fantazie niet.
Of is de gemakkelykheid waarmee mensch en menschdom op zekere leeftyden heenstapt over ongerymdhedens, _niet_ zonderling? Ze blyft in-allen-geval opmerkelyk.
Maar we willen nu liever dat gebrek aan _kritiek_, in Woutertje beschouwen. De deugdzame Genoveva werd op 't laatste plaatje volkomen gelukkig, en de verrader behoorlyk gestraft. Hoe was er voor de zoo lang verstooten vrouw geluk denkbaar, aan de zyde van 'n woesteling als de echtgenoot die haar op zoo ongegronde verdenking in de wildernis jaagde? Wie stond haar borg dat-i niet straks op-nieuw een dergelyke dollemanskuur aan haar begaan zou? En... vanwaar bekwamen de kinderen zulke mooie kleertjes? Ze schitterden van kleur en galon. Wouter zag dit wel, en hy was er wel jaloers op...
Dat was wat anders dan de afgelegde buisjes en broeken van Laurens, waarmee hy gedreigd werd door de overleggende moeder!
Nu ja, hy had wel de onburgerlyke weelderigheid van zoo'n woestynleven opgemerkt, en zich voorgenomen by gelegenheid 'n plekjen optezoeken, waar 't ongeluk zoo fraai gekleed kon gaan, maar 't kwam hem niet in den zin, naar de herkomst van zoo'n garderobe te vragen. [17]
De deugzame Genoveva kwam er dus goed af. En _Salomo's Recht_ ook. Al had ons kereltje lust en bekwaamheid gehad tot kritisch onderzoek, van Salomo zoud-i afgebleven zyn, omdat het hier 'n bybelsche zaak gold. Een poging om naar aanleiding van dit vreemd geval, zekere beschouwingen te plaatsen over 't Beleid der Justitie in Israël, zou in 't huis Pieterse niet vriendelyk opgenomen zyn. En daarmee zou men nog heden in de meeste kringen z'n hof niet maken. Gelukkig dat Wouter zelf deugdzaam en godsdienstig genoeg was, om Salomo byzonder knap te vinden, en om niet te denken aan al 't ònrecht dat gewis niet uitblyven kòn, in 'n land waar 't Recht scheen aftehangen van zulke kunstjes.
Bevolking-statistiek van een onbekend Keizerryk. De geest van _Femke_ komt manen, en wordt in die funktie welwillend bygestaan door _Wouters_ neus. We staan voor 't kleine te laag. Rehabilitatie van _Petrus. Ophelia_ zonder vlekken... niet _warranted_ voor de toekomst. Beschouwingen van _Stoffel_ en _Leentjen_ over dramatische kunst.
Niets alzoo boeide onzen Wouter zoozeer, als die zwygende ernstige peinzende, tot opheldering uittartende poppen. Als sfinksen drongen zy zich aan z'n verbeelding op, en schenen te eischen dat hy hen zou toespreken, en dwingen tot antwoord. Zonder dat hy zich reden wist te geven van z'n indrukken, kwamen die stomme beelden hem als spoken voor, die om zynentwil verschenen waren. Als geesten die hem iets te zeggen hadden, die hem kenden, en van hem wilden gekend zyn.
Met huivering en iets als schaamte hield hy lange gesprekken met de voorwerpen van z'n vereering, en al verstond-i de antwoorden niet, toch voelde hy zekere voldoening. Al die voornaam gekleede personen schenen het niet beneden zich te achten, in aanraking te komen met het kind dat zich zoo nederig voelde in z'n katoenen nachtjapon, met 'n "bakkertjen" op 't hoofd.
Toch waren de onderwerpen van de gesprekken die hy voerde, stipt besloten binnen de grens van de gegevens waarover hy in z'n herinnering te beschikken had, al zou dan ook menigeen, indien Wouter overluid had durven denken, telkens hebben uitgeroepen: waar haalt de jongen 't vandaan? Och, hy rangschikte. En zelfs de onwillekeurigheid waarmee dit geschiedde, had hare niet moeielyk aantewyzen oorzaken. Hoe nauwer z'n omgeving, hoe wilder de sprongen die hy wel maken _moest_ om de leedjes van z'n ziel uittestrekken, zoodra hy rondhuppelde op 't onbegrensd terrein dat hèm behoorde. O, die dolle Keizer Wouter in 't breed domein dat-i bezig was te veroveren! O, die onverzadelyke Alexander Philipse in z'n nachtjurk!
Maar... dat domein was schraal bevolkt. Dit is waar. Hy moest zich vergenoegen met de gegevens die z'n eigendom waren, met de weinige personen die hy kende, en met het mikroskopisch-kleine beetje dat-i beleefd had.
De helden van z'n prenten bracht-i in aanraking met den dokter die hem zoo liefderyk had behandeld, of met de sujetten uit z'n nog altyd niet vergeten Glorioso. Ook de welbekende peruaansche geschiedenis leverde eenige onderdanen aan z'n Ryk. Hy huwde Telasko uit aan de min van Juliet, en de priesters van de Zon kregen 'n schitterende _revanche_ op Elias en _I Kon._ 18. Meester Pennewip ontving 'n splinternieuwe pruik, en wel van gouddraad, waartoe 't model werd ontleend aan den strooien krans van zekeren King Lear, die 'r heel verdrietig uitzag, en z'n leed scheen te willen verzetten door met 'n soort van arlekyn gehurkt in 'n hoekje te zitten. Leentje zei, die magere man met bellen was zeker 'n nar, want: "narresleden rinkelden óók zoo. Dat zou Wouter van den winter hooren, zoodra er sneeuw lag."
Waar onze kleine man verlegen was om sujetten die tot brug konden dienen tusschen weten en gissen, tusschen tastbaarheid en droom, maakte hy gebruik van de personen die hy onder z'n venster zag voorbygaan. Met zoo'n sober materiaal moest-i zich behelpen. Toch deed-i dit liever dan dat-i uit armoed aan bouwstoffen, zou hebben gebruik gemaakt van z'n onmiddellyke omgeving. Het scheen hem niet in den zin te komen, een van z'n verwanten te kiezen tot paranimf zyner gedachten. Zelfs Lady Macbeth, die er toch niet heel vrindelyk uitzag, en zoo huiselyk haar handen waschte, scheen hem van hooger natuur dan z'n moeder of jufvrouw Laps. Niets kwam hem aanzienlyker voor, dan daar als pop op zoo'n prent te staan.
En de kleeding! Kronen, diademen, _toques_ en beretten! Helmen met fladderende vlerken, met 'n bos pluimen, met yzeren tralies als 't venster van 'n gevangenis! Zwaarden en dolken met kruisgevest waarop men zweren kon! Lange sleepen, gepofte mouwen, gordels met afhangende _châtelaine-_keten... alles van goud zeker, en hy zou er dan ook braaf wat gittegom aan te-koste leggen! En wat aardige kereltjes waren die pages met 'n vogel op den kruk! Zelfs zoo'n vogel was byzonder, en gaf raadsels op. Want hy had 'n kapjen over z'n gezicht, als iemand die niet bekend wil zyn. Neen, neen, al die schoone zaken behoorden by Wouters omgeving niet! "Hoe is 't mogelyk, dacht-i, dat iemand die zulke prenten bezit, ze verkoopt? De dokter heeft ze zeker geërfd."
Al had-i geweten dat Lady Macbeth de gepersonifiëerde voorstelling was van misdaad, dan nog zoud-i 't heiligschennis geacht hebben, haar in aanraking te brengen of te vereenzelvigen met de draagsters eener deugd, die hem instinktmatig tegenstond door burgerlyke ordinairheid. De eerste, inbreuk op deze richting was door dien strookrans van Koning Lear veroorzaakt, en misschien zou 't daarby gebleven zyn, wanneer hy niet op een-maal in Ophelia's gestalte iets ontdekt had, dat hem herinnerde aan... Femke. Zóó ook zou zy kunnen staan, meende hy, bloemen vernielend, en de blaadjes om zich heen strooiende...
Hy schrikte!
Wel had-i 'n flauwe herinnering dat er gedurende z'n ziekte iets met het meisje was voorgevallen, maar 't rechte wist-i niet. Aztalpa's moeielyke keus... staande en liggende regels van 't vers dat-i niet had kunnen maken... de bons van z'n val, toen-i in z'n ziekte Femke's stem gehoord had... de wilde bruiloft van 't bleekgoed... pater Jansen met de zaligheid... alles was hem één verwarde klomp herinnering. En hy nam zich dit kwalyk, als iemand die door slordigheid iets kostbaars liet verloren gaan of bederven. Hy trilde by 'n onbestemd gevoel, en spande zich in om terug te vatten wat ontglipt scheen aan z'n gemoed. Toen-i met 'n paar gemaakt-onverschillige woorden naar "dat meisje" gevraagd had...
O, die kleine huichelaar! Waarom noemde hy 't lieve kind niet by haar naam? Als ik liegen mocht, zou ik bepleiten dat-i 't goed meende. Men zou kunnen veronderstellen dat in zyn gevoel Femke's naam te liefelyk klonk voor de ooren van Sertrude, Mine en Petró...
Neen, neen, neen! Zóó is 't niet geweest. De besten onder ons hebben iets van Petrus, met z'n: ik ken dezen man niet! Juist de besten het meest. Ik zal trachten hiervan iets uitteleggen. Misschien verklaart dit het vertrouwen van Jezus op den apostel die hem verloochende.
Och, de preek is te makkelyk. Ik vrees dat de lezer me begrypen zal voor ik gereed ben, en me de konklusie afsnyden met 'n: dat spreekt vanzelf, ik heb 't nooit anders ingezien.
Om Petrus te leeren begrypen, den moedigsten van Jezus' volgelingen, behoeft men zich slechts voortestellen dat er, vóór 't verraad, aan _Judas_ gevraagd was: zyt gy ook niet uit zyne discipelen? Judas zou waarachtig niet neen gezegd hebben! Een betuiging kost den laaghartige niets, maar den oprechte is zy 'n daad. Petrus was niet gereed voor 'n offer, vooral omdat het gevorderd scheen zonder dat het op 'n offer geleek. Voorzeker zou hy z'n heer niet verloochend hebben, indien hem de vraag ware gedaan door gewapende en dreigende krygslieden. Hy had z'n karakter niet by-de-hand, omdat de ondervraging geschiedde door 'n dienstmaagd, en... eens verloochend hebbende, struikelde hy over de geringe moeielykheid van 't terugkomen op z'n woord, hy die zich met moed en lust zou hebben teweer-gesteld tegen 't schrikkelykst gevaar. Waar 'n held zich klein toont, is 't by vergissing... het toonen niet, maar 't klein-voelen zelf. We kunnen dien toestand vergelyken by de penurie van den ryke die, ongewoon aan geringe geldelyke bezwaren, verzuimd heeft zich by zekere gelegenheid te voorzien van pasmunt.
Wel jammer, dat die pasmunt zoo'n groote rol speelt in de wereld! En heel onbillyk, dat lieden die _gewoon_ zyn aan kopergeld, zich zoo vermeien in den nood van den millionair wanneer hy tengevolge van _hun_ armoed, z'n bankpapier niet gewisseld kan krygen!